De zevende prins

Veulen
14 aug 2026 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket

Er was eens een prinses. Een prinses die zich op haar zestiende verjaardag prikte aan een spinnenwiel. Een prinses die samen met haar hele koninkrijk in een diepe slaap viel. Een prinses die enkel gewekt kon worden door de kus van haar ware liefde. Dat verhaal ken je al. Wat men er zelden bij vertelt, is dat er nog iemand was. Een meisje. Een normaal exemplaar, zo eentje zonder magische krachten of schattig kroontje op het hoofd. En vergis je niet, eigenlijk gaat dit verhaal toch vooral over dat gewone meisje en niet over een of andere willekeurige kerel op een paard. Al begint het er wel mee.

Hij heette Parcifal. Zijn paard was wit, zijn harnas blinkend en zijn zwaard scherp genoeg om een eik in twee te klieven. Hij reed door een donker woud toen hij op een kruispunt kwam. Rechts van hem lag een kasteel, bijna volledig opgeslokt door een muur van doornen; links meer bos. Parcifal zuchtte.

"Vervloekt."

Hij keek nog eens naar het kasteel, schatte de hoeveelheid ellende die er waarschijnlijk achter die doornen verscholen zat, en draaide zijn paard naar links.

"Vandaag niet, Brutus. Vandaag niet."

"Hej!" klonk het plots vanuit het struikgewas. Een roodharig meisje verscheen uit het niets en ging midden op het pad staan. Ze kon nauwelijks vijftien zijn. Ze droeg een broek in plaats van een jurk en hield een zware knots vast. Aan het uiteinde kleefde iets dat verdacht veel op bloed leek.

"Waarom rij je weg?" vroeg ze.

Parcifal wees naar het kasteel. "Dat daar is duidelijk een vloek."

"Er zit een prinses gevangen."

"Dat hoort bij een vloek."

"Ze moet gered worden."

"Dat ook."

"Jij bent een prins."

"Ja. En?"

Het meisje keek hem aan alsof hij zojuist had aangekondigd dat water droog was.

"Wel? Is dit niet het soort queeste waar jouw soort van begint te watertanden?"

Parcifal haalde zijn schouders op.

"Kind..."

"Fiona."

"Fiona dan. Luister. Verlaten kasteel betekent heks. Heks betekent monsters. Monsters betekenen lange werkdagen. En aan het einde mag ik waarschijnlijk een koninkrijk besturen waar ik nooit om gevraagd heb."

"Maar de prinses..."

"...zal ongetwijfeld erg mooi zijn."

"De koning zal je rijk belonen."

"...met verantwoordelijkheden."

Hij glimlachte vriendelijk. "Er komt vroeg of laat wel een jongere prins voorbij die nog gelooft dat heldendom een goed carrièreplan is." Hij gaf zijn paard een tikje, maar dat bleef braaf staren in een paar helblauwe ogen.

"Je begrijpt het niet," zei ze.

"Ik begrijp het uitstekend."

"Níémand anders komt."

"Het spijt me, kind, maar mijn dagen van prinsessen redden liggen ver achter me. Ga naar een dorp, vind een mooie jongen en vergeet deze plek." Hij maakte opnieuw aanstalten om verder te rijden.

Eventjes, heel eventjes maar, leek Fiona een stap opzij te zetten. Een tel later lag hij op zijn rug in het zand met een klein maar vlijmscherp mes tegen zijn keel aan.

"Mijn naam," zei ze kalm, "is Fiona." Parcifal knikte voorzichtig. "En jij gaat dat kasteel binnen."

Hij keek even naar het mes. Toen naar haar.

"Goed," zei hij, al zuchtend.

Fiona glimlachte opgelucht en hielp hem overeind, alsof ze hem niet net van zijn paard had gesleurd.

"Kom."

"Waarheen?"

"Naar Talia."

Parcifal fronste. "Wie?"

"De prinses."

Vervolgens liep ze met paard en prins in haar zog het pad op richting het kasteel. Het pad verdween even later al in het struikgewas. Parcifal baande zich zwijgend een weg met zijn zwaard. Fiona liep voor hem uit alsof ze iedere doornstruik, steen en boomwortel uit het hoofd kende.

"Hoe lang leef je hier al?" vroeg hij.

"Een half jaar."

Hij bleef even staan. "Een half jaar?"

Ze knikte. "Sinds de vloek."

"En al die tijd ben je gebleven?"

"Ja."

"Waarom?"

Zonder te antwoorden leidde ze hem dieper en dieper het bos in. Na enkele minuten wees ze naar iets tussen de doornen. Een harnas, of beter: wat ervan overbleef. De eigenaar was allang verdwenen.

"Nummer drie. Prins Groothorst," zei Fiona.

"Nummer?" vroeg hij.

"Prinsen."

Parcifal keek haar aan. "Je houdt ze bij?"

"Ja”

“En ik ben nummer…” vroeg hij, voor het eerst met wat onzekerheid in de stem.

“7. Een geluksnummer toch?” Waarop ze vrolijk verder wandelde het bos in. Even later passeerden ze een slapende molenaar, nog steeds met zijn hand om een zak graan geklemd. Daarna een slapende hond.

"De vloek," zei Parcifal zacht.

Fiona knikte. "Alleen wie van buiten komt, blijft wakker."

"En wordt opgegeten."

"Meestal."

Ze liepen verder. Pas toen vroeg Parcifal: "En jij?"

"Wat ik?"

"Waarom ben jij niet in slaap gevallen?"

"Ik, euh... ik was hier niet."

"Ah?"

"Ik was, euh, weggestuurd."

"Waarom?"

"Omdat..."

"Ah. En waarom ben je hier nu dan?"

Fiona haalde haar schouders op. "Iemand moest blijven."

"Waarom?"

"Omdat..."

Ze zweeg.

Parcifal glimlachte. "Je maakt die zin opvallend vaak niet af."

Nog voor Fiona kon antwoorden, klonk links van hen een schril gegil. Drie goblins stormden het struikgewas uit. Parcifal trok zijn zwaard, naast hem schoot Fiona vooruit. Ze vocht zonder enige sierlijkheid — geen elegant zwaaien zoals de ridders aan het hof, maar slaan, stoten en duwen, alsof ieder gevecht een ruzie in een achterafstraatje was. Binnen enkele ogenblikken lagen de goblins stil. Doodstil.

Even later weken de doornen uiteen en maakten plaats voor een oude weg die ooit naar de hoofdpoort van het kasteel moest hebben geleid. Mos groeide tussen de stenen, onkruid had de scheuren gevuld. In het poortgebouw sliepen twee wachters, nog steeds rechtop, de hellebaarden in de hand, alsof ze ieder moment de wacht konden aflossen. Een spin had tussen hun helmen een web geweven.

Parcifal bleef even staan. "Dat went nooit."

"Wat?"

"Vloeken." Hij keek naar de slapende mannen. "Met monsters weet je tenminste waar je aan toe bent." Fiona zei niets. Ze liep tussen de wachters door zonder hen nog een blik waardig te gunnen. Ze had dat duidelijk al vaker gedaan. De poort stond open. Het kasteel daarachter was oorverdovend stil. Geen stemmen, geen voetstappen — alleen het zachte tikken van water dat ergens diep in de gangen van het plafond droop. Parcifal maakte Brutus vast aan een paal alvorens Fiona te volgen.

Hun laarzen weerklonken over de stenen vloer terwijl ze de grote hal binnenliepen.  Terwijl ze zich een weg baanden door de zaal viel er een schaduw over de vloer. Niet langzaam. Plotseling. Alsof iemand de zon had uitgeblazen. Parcifal keek omhoog. Het glasraam boven de troonzaal vulde zich met een donkere vorm. Een vleugel. Nog één. Toen brak het loodwerk met een oorverdovende knal uiteen en regenden duizenden stukjes gekleurd glas naar beneden.Midden in de troonzaal landde een draak. Hij was groter dan Parcifal gehoopt had. Het monster hief langzaam zijn kop op. Zijn gele ogen gleden eerst over Parcifal, daarna over Fiona. Het bleef bij haar hangen. "Dat," zei Parcifal zacht, terwijl hij zijn zwaard trok, "is zelden een goed teken." De draak snoof. Een dunne rookpluim kringelde tussen zijn tanden omhoog. Fiona zette instinctief een stap naar voren. Parcifal hield haar tegen.

"Nee."

"Ik kan hem aan."

"Dat betwijfel ik niet." Hij keek de draak strak aan. "Maar dit is mijn werk."

Ze wilde protesteren. Hij was al vertrokken.

Met een luide kreet stormde Parcifal vooruit. De draak kwam hem tegemoet. Staal botste op klauw, vonken schoten door de troonzaal. Parcifal dook onder een uithaal door en sloeg naar de voorpoot van het monster. De draak brulde, draaide zich razendsnel om en zwiepte met zijn staart. De prins vloog dwars door de zaal en kwam hard terecht tegen een zuil.

"Dat," kreunde hij terwijl hij overeind krabbelde, "was onbeleefd."

De draak antwoordde met vuur. Parcifal wierp zich achter een marmeren pilaar terwijl de vlammen langs weerszijden naar boven likten. Hij keek vluchtig de zaal rond. Geen opening. Te zwaar. Te sterk. Zijn blik bleef hangen bij de enorme kroonluchter die hoog boven de draak aan een dikke ketting hing. Natuurlijk. Waarom ook niet. In kastelen hing er altijd wel iets gevaarlijks boven een draak. Hij sprintte naar de muur, sprong op een bank en bereikte net de ketting. Met één krachtige slag hakte hij haar door. De kroonluchter stortte naar beneden, het gevaarte kwam recht op de rug van de draak terecht. De vloer beefde, een wolk stof vulde de zaal.

Parcifal glimlachte tevreden. "Zo." Hij zette een stap dichterbij.

De kroonluchter begon te bewegen. Eerst zachtjes dan met schokken. Toen tilde de draak langzaam zijn kop weer op. "Ach." Meer kreeg Parcifal niet gezegd. De vuurstraal trof hem vol in het schild. Hij werd achteruit geslingerd en bleef versuft op de vloer liggen. Door de suizende stilte heen hoorde hij voetstappen. Niet de zware stappen van een draak. Lichte. Snelle. Woedende.

Fiona.

Ze kwam niet aangerend. Ze stormde. Haar rode haar golfde achter haar aan terwijl ze het zwaard, zijn zwaard, met beide handen vasthield — niet hoog boven haar hoofd zoals de ridders uit de verhalen deden, maar laag voor zich uit, alsof ze een ploeg voortduwde.

"Fiona!" riep Parcifal.

Ze hoorde hem niet. Of ze koos ervoor hem niet te horen.

De draak draaide zich traag naar haar om. Zijn aandacht was nog altijd bij de prins, die versuft tegen een zuil zat, en precies dat ene ogenblik van aarzeling had Fiona nodig. Ze botste tegen het monster op met het zwaard nog steeds voor zich uit. Het verdween tot aan het gevest in de borst van de draak. Het monster bleef verstijfd staan. Even leek het alsof niemand nog durfde te ademen. Toen zakte de draak langzaam door zijn poten. Recht boven op Fiona.

"Verdomme."

Parcifal krabbelde overeind, rende naar het karkas en zette zijn schouder eronder. Met veel meer moeite dan waardigheid wist hij het loodzware lichaam een eind opzij te rollen. Vanonder de draak verscheen eerst een rood plukje haar. Daarna een arm. En uiteindelijk Fiona, die hoestend overeind kroop.

"Leef je nog?"

Ze knikte.

"Mooi."

Parcifal stak haar een hand toe. Ze nam die aan en liet zich overeind trekken. Pas toen keek ze naar de draak. Naar het zwaard dat nog altijd in zijn borst stak.

"Ik..." begon ze.

Meer kreeg ze niet gezegd.

Parcifal glimlachte. "Gefeliciteerd."

"Waarmee?"

"Met je eerste draak."

Ze keek hem ongelovig aan. "Dat was toch jouw draak?"

"Nee." Hij schudde zijn hoofd. "Ik heb hem hoogstens hoofdpijn bezorgd." Hij liep naar het karkas, trok met een stevige ruk het zwaard los en gaf het terug aan Fiona. "Die overwinning is helemaal van jou." Ze nam het zwaard zwijgend aan, alsof ze niet goed wist wat ze ermee moest.

Parcifal keek de grote zaal rond. De slapende koning zat nog altijd onbeweeglijk op zijn troon. De wachters sliepen. Zelfs het stof leek hier al honderd jaar niet meer bewogen te hebben.

Fiona keek naar de trap. Voor het eerst sinds ze elkaar ontmoet hadden, leek ze te twijfelen.

"Wat is er?"

"Niets."

"Dat geloof ik niet."

Ze zweeg. Parcifal wachtte. Na een tijdje zei ze zacht: "Stel dat..." Ze slikte. "Stel dat we te laat zijn."

Hij keek haar lang aan. "Ben je daar echt bang voor?"

Ze knikte.

Hij glimlachte flauwtjes. "Nee."

"Waarom niet?"

"Omdat je hier al zes maanden bent." Ze keek hem niet-begrijpend aan. "Als de vloek haar had willen doden, was dat allang gebeurd." Hij legde een hand op haar schouder. "Kom."

"Waarheen?"

"Naar de prinses."

Hij zette zich in beweging. Na een paar passen merkte hij dat Fiona hem niet volgde. Ze stond nog altijd midden in de troonzaal, met haar blik op de trap gericht, alsof iedere trede zwaarder woog dan het gevecht met de draak. Uiteindelijk zette ze zich in beweging en klom ze tergend traag de trap op. De stenen treden waren uitgesleten door honderden jaren voeten die eroverheen gelopen hadden — koningen, dienstmeisjes, wachters, de prinses zelf. Nu klonk alleen het zachte schuren van twee paar laarzen. Parcifal liep een paar treden achter Fiona. Halverwege bleef Fiona staan. "Ik ben hier nog nooit geweest." Parcifal keek verbaasd op. "Nooit?"

Ze schudde haar hoofd. "Ik mocht vroeger niet in de toren komen."

Hij glimlachte. "Prinsessen."

"Ze glipte soms wel naar buiten." Fiona glimlachte zelf ook, al was het nauwelijks zichtbaar. "Naar de stallen."

"Dat klinkt al minder als een prinses."

"Ze vond paarden interessanter dan etiquette."

"Een verstandig meisje."

"Ze haatte borduren."

"Nog verstandiger."

Fiona liet haar hand over de stenen muur glijden terwijl ze langzaam verder klom. "Ze was nergens goed in waar prinsessen goed in horen te zijn."

"En waarin was ze dan wel goed?"

Fiona dacht even na. "Lopen."

Parcifal keek haar vragend aan. "Lopen?"

"Ja."

"Dat lijkt me een tamelijk nutteloze koninklijke vaardigheid."

"Niet als je probeert weg te lopen van je gouvernante."

Heel even lachten ze allebei. Het geluid galmde de trap op en af.Boven hen verscheen een houten deur. Massief eikenhout. Onversierd. Alsof zelfs de timmerman vergeten was dat achter die deur een prinses woonde. Fiona bleef ervoor staan. Haar hand rustte op de ijzeren klink. Maar ze duwde niet. Parcifal wachtte. "Je bent bang."

"Nee."

"Jawel."

Ze sloot haar ogen. "Ik ben bang dat ze mij niet meer kent."

Parcifal zei niets.

"Of erger." Ze slikte. "Dat ze me wel kent."

Hij fronste. "Is dat erger?"

"Misschien."

"Waarom?"

Ze antwoordde niet meteen. Toen ze eindelijk sprak, klonk haar stem zachter dan hij haar ooit gehoord had. "Toen de vloek begon..." Ze zweeg. "...had ik ruzie met haar."

Parcifal voelde hoe er iets op zijn plaats viel. Niet alles. Maar genoeg.

"Waarover?"

"Dat doet er niet toe."

"Voor jou blijkbaar wel."

Ze bleef naar de deur kijken. "Ze zei dat ik moest vertrekken."

"En jij?"

"Ik ben vertrokken."

De stilte die daarop volgde was langer dan alle vorige samen.

"Hoe lang?"

"Nog geen uur." Ze glimlachte schamper. "Toen begon de vloek."

Parcifal keek naar haar rug en zette een stap dichterbij. "Fiona."

Ze draaide zich niet om.

"Je bent niet gebleven om haar te redden." Ze kneep haar ogen dicht. "Je bent gebleven omdat je dacht dat dit jouw schuld was."

Er rolde één traan over haar wang. Ze veegde hem haastig weg. "Misschien."

Parcifal glimlachte verdrietig. "Je bent een verschrikkelijke leugenaar."

Heel voorzichtig legde hij een hand op de klink. "Al die tijd dacht je dat je een prins nodig had." Ze knikte nauwelijks zichtbaar. "Waarom?"

"Omdat..." Ze haalde diep adem. "...zo gaat het verhaal… toch? Parcifal keek haar lang aan. Toen glimlachte hij. "Fiona." Ze keek eindelijk op. "Volgens mij had deze queeste een pak korter kunnen zijn dan zes maand. Hij haalde zijn hand van de klink. Zette een stap achteruit. "Ik denk alleen niet dat je dat zelf al doorhad." Langzaam maar zeker daalde hij de trap af, eerst in stilte dan vrolijk fluitend. Ergens boven hem ging een deur piepend open en tegen de tijd dat hij bij de poort was leek alles en iedereen te ontwaken. Wachters, honden, molenaars, … Van ver boven hem leek iemand zijn naam te roepen. Hij zwaaide zonder om te kijken. Zocht Brutus op, steeg in het zadel, en reed het sprookje uit.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

Veulen
14 aug 2026 · 0 keer gelezen · 0 keer geliket