Terwijl twee blinden strepen zoeken en de overkant bijna bereiken.
Weet. Daar wacht een winkeltje. Vol met glazen ogen.
Terwijl twee duizendpoten handen in elkaar slaan voor een weergaloos applaus.
Lig ik op een ander zebrapad. Twijfel weet waarom.
Terwijl twee halve manen dromen van hereniging.
Terwijl de zon zijn medelijden uitstelt en zichzelf vermant.
Durven zwart en wit te dromen van een grijze kroost.
Geloof mij toch. Kleuren dulden geen verraad.
Terwijl alles dapper voort zal vechten.
Want de zee. De lucht. Zij willen zelfs dat laatste beetje blauw.
Terwijl de horizon het rood verzamelt en tomaten groen aanvaarden.
Duw ik nagels door mijn huid.
Terwijl troost mijn linkerslaap probeert te kussen.
Terwijl de vrederechter resten onschuld in een potje steekt.
Aait hij stil zijn lappenkat.
Het oordeel luidt geen klok.
Toe. Geef mij nog wat hoop. Zo prevelt een planeet.
Op mijn korst groeit nare schimmel.
In het bos sterven de beuken.
Terwijl die halve manen zich verzoenen.
Terwijl de zon begeeft.
Slaat een hamer alles vast.
Neen. De eindbestemming mag niet vluchten.
Want er valt nog veel te rapen. Schoons te zien. In dat winkeltje met glazen ogen.
uit de reeks 'Waanhoop'