het ondergrondse gonst
het schimmelnetwerk knettert
koralen zweten in Finse sauna’s
en vulkanen van het ijsland
beven tot het kraakt
hoe het aardse
hebben en houden kolkt
het wervelt en het pompt en seint
betekenis de ether in, precies
zoals een baby denkt
[ voor die alles heeft geleerd
zoals wat denken is
of hoe je taal
met woorden kunt
vermoorden ]
tijd om te verhuizen! gooit de vinvis op
met bijval van de tijgermug
maar wij dan, kalf? schreeuwt de immer grove den
hij wijst naar dorstig maatje douglasspar
en de eerste dode beukentop
tot iemand zegt: laten we de kalmte bewaren
[ ik dacht dat het de luiaard was ]
maar wie kan turbulentie tomen?
‘Gaia moet komen, Gaia moet komen’
‘Ga-ia! Ga-ia! Ga-ia!’
en het koor verstomt
terwijl Moeder zich recht uit haar zieke korst
heuvels doet knarsen, zeeën verlegt en spreekt —
van noord tot zuid te horen, op de toon van oude dagen
toen ze pas uit de Kaos was ontstaan
maar vrienden, wat wendt gij u tot mij?
deze koorts is mijn genezing
al schroeit ze Lam en Bokkenpoot gelijk
wie in mijn vlakten slaapt, verwaait
van wie zich in mijn waters waagt
gescheiden, dus laat zich redden
wie dat kan — om in helsvuur tot lengte
van dagen voort
te soort van
overleven
mismeesterd, buiten mijn wil ontketend
niet jullie, niet ikzelf
het zijn, voorwaar,
de kinderen
van de Mens
het zijn zij
die mij moeten genezen

