De regen sloeg neer op het raam. Het gedruppel deed haar sneller praten. Haar woorden hadden haast, terwijl de regen haar net aanmaande om te vertragen. Zijn blik bleef rusten op haar borst, die op en neer danste. Net die blik spoorde haar woordenstroom nog meer aan. Ze moest naar huis. Ze voelde de loodzware jeans al aan haar huid kleven, de regen die striemend op haar gezicht zou vallen. Maar ze werd verwacht. Ze kon niet blijven.
Ze stond op uit de sofa. ‘Ik moet maar eens gaan’, zei ze zacht, bijna onhoorbaar door het getokkel van regendruppels. In zijn ogen lag een trieste blik. Hij begreep dat ze opnieuw haar leven moest gaan leiden, opnieuw in de grijze maalstroom moest stappen. Ze nam haar jas en liep door naar de voordeur. Hij volgde, opende de deur voor haar en even staarden ze samen naar de waterstroom die over de straat gutste. Ze nam aarzelend een stap terug. ‘Misschien kan ik gewoon nog even blijven tot de bui gaat liggen. Ze zullen het wel begrijpen thuis als ik wat later thuiskom’, zei ze terwijl ze zijn blik zocht. Ze glimlachte toen ze houvast vond in zijn donkere ogen. Ze vond er het wrakhout van haar gedachten, en klampte zich stevig vast. Haar jas ging uit, en samen vonden ze opnieuw de weg naar de sofa. De ruimte tussen hen werd kleiner. Ze draaide zich naar hem toe. Ze opende haar houding, en zo ook haar hart.
‘Ik las in de Kama Sutra dat een man altijd voorbereid moet zijn op regenweer. Als zijn geliefde door de regen naar hem toe moet komen, zorgt hij voor haar lievelingskost, iets warms om te drinken. Hij laat haar zich ontdoen van haar natte kleren en geeft haar een zacht laken om zich in te wikkelen’, en terwijl ze het zei peilde ze zijn blik. Hij keek weg naar zijn handen die losjes in zijn schoot lagen. Hij was zich tegenover haar komen nestelen en warmde zich aan haar zachte stem. ‘Zal ik thee maken?’, antwoordde hij. Een subtiele lach speelde om zijn dunne, strakke lippen. In zijn lippen toonde zich hun grootste verschil. Haar volle mond had iets baroks, gul en overdadig. Zijn lippen waren strak, beheerst, alsof zelfs woorden er niet zomaar overheen mochten.
De twee theekopjes dampten op het salontafeltje. De regen liet zich niet bedwingen. Ze luisterde naar het ritme, naar haar ontembare natuur. Ze wist dat er in hem ook een gelijkaardig temperament schuilde, ze had het al gezien in het tikken van zijn voet, in de vluchtige oogopslag waarvan hij dacht dat ze het niet merkte. Hij gaf haar het dampende kopje en samen nipten ze. Hun blikken dwaalden af en gaven vooral niet toe aan de zin om elkaar terug te vinden. De flinterdunne afdruk van haar lippenstift tekende zich af. Ze zette het kopje neer, nam het kussen dat in de sofa lag. Ze klemde het stevig vast en keek hem strak aan.
‘Heb jij een geheim hart’, vroeg ze zacht.
‘Een wat?’, antwoordde hij aarzelend.
‘Een geheim hart, waar je al je verlangens verborgen kan houden. Dat alleen aan jezelf toebehoort, en dat je angstvallig dicht bij je bewaart. Een vat waarin begeerte rijpt, bestemd voor die enkelen die het durven aanraken zonder erdoor bedwelmd te raken.’
Het werd stil, in zijn handen lag nog steeds het kopje waarvan hij nipte terwijl ze haar vloeibare woorden over hem uitstortte. Ze sloeg haar blik neer, legde het kussen weg en nam het kopje uit zijn handen. Met een zachte tik zette ze het op de salontafel. Ze schoof dichterbij en legde haar hand op zijn dij. Haar andere hand volgde zijn kaaklijn, ze voelde zijn zachte stoppels. Met haar vingers streek ze over zijn lippen, ze voelden lichtjes droog aan. De vingers vervolgden hun weg, en gleden over zijn hals naar zijn borstkas. ‘Zit het misschien hier?’, fluisterde ze. Ze boog naar hem toe en kuste hem. Ze voelde de kleine barstjes, en vulde ze met haar kostbare begeerte die ze had opgespaard. Hij beantwoordde haar kus en sloeg zijn armen om haar heen.
‘Leer het me’, fluisterde hij. ‘Leer me hoe je dat geheime hart maakt, hoe je het opbouwt.’
‘Het hart ademt, het is soms flinterdun als het fijnste ijslaagje op de eerste winterdagen. Soms is het zwaar en donker maar zacht als fluweel. Het groeit en krimpt, en soms blijven er alleen nog scherven over.’ Haar lippen zochten opnieuw de zijne. ‘Ik denk dat het je moet lukken, dat geheime hart vinden en cultiveren.’
Ze lag in zijn armen, en deinde mee op het ritme van zijn ademhaling. ‘Soms is het ook de zachte regen die de aarde opnieuw vruchtbaar maakt’, zei ze zacht.
Het was bij haar woorden dat ze besefte dat het stil was buiten.
‘Ik moet gaan’, zei ze zacht. Ze raakte hem nog één keer aan, reikte hem zo zijn eerste bouwsteen aan.