“Dat jij je gelukkig mag prijzen,” zegt ze.
De vriendin dus. Die zich niet gelukkig prijst.
Ik geef haar graag en vaak gelijk.
Mijn geluk kent wel geen prijs.
Het is dan ook onbetaalbaar.
En gratis. Ik heb er nooit een prijs voor betaald.
Ik hoor het wel vaker: dat ik de liefde zal verdienen.
Dat het hard werken zou zijn.
Hoewel gevleid, beken ik meteen:
de liefde kwam zomaar aan geregend.
Wie bestelt nu een bui.
Al zeker niet het soort dat de zomer kent
en dus een regenboog belooft.
Dat een bui simpelweg nat kan zijn,
daar weet de vriendin alles van.
Je hoeft ervaring niet zelf op te doen.
Daar heb ik haar wel voor.
Ze staat er dan ook al lang, in de arena.
Waar om liefde wordt gevochten.
Waar geen levens worden gespaard.
Waar bloed geroken wordt
nog voor de wonde is gemaakt.
Wie kwetsbaar is, draagt onzichtbaar bloed.
En wordt dus een prooi.
"Je zoekt veiligheid en trekt dus onveiligheid aan," poneer ik.
Wijsneuzerig, al heb ik de liefde niet aan mijn wijsheid te danken.
"Trek je harnas aan. Wees gladiator.
Vecht niet om te verleiden. En verleid als je moet vechten."
Ik voeg eraan toe dat de arena dan wel vol loslopend wild mag zitten,
zij de hoop erin moet houden.
En vooral zichzelf moet blijven.
Ze kijkt me wanhopig aan.
Dus ik moet los lopen, niet wild zijn, wel gewild blijven,
en niet te wild worden van het wild dat al losloopt.
