Licht zoekt en voedt. Dat is toch wat ze beweren. Hij heeft lak aan die regel, en kiest resoluut voor het donkerste punt dat zijn pad kruist. Hij is op zoek naar een hermetisch zwart hart dat hij kan bezitten, een solide duistere stam waar hij zichzelf rond kan slingeren. Waar de anderen blind zoeken naar het helderste licht, daar zoekt hij doelgericht naar de diepste schaduw.
De wilg voelt het meteen. De schaduw ligt niet meer gezapig om haar heen, er beweegt iets. Er sluipt honger rond haar wortels. Haar gebarsten schors, ruw en licht vochtig, maak zich op om iets helemaal nieuws te doen: ontvangen. In die vele jaren waarin ze onwrikbaar elke dag op zich liet inbeuken, ontwikkelde zich een zwaarte die zich tot in haar takken liet voelen. Met die donkerte roept ze hem, onbewust maar dwingend. Hij kust haar voeten.
En nu kruipt hij verder naar haar schors. De stengel tast, vindt en ontluikt in een obscure aanraking. De cellen die haar schors niet raken gaan plots sneller groeien en strekken zich uit. Zo krult zijn stengel naar haar toe, klaar voor de eerste omhelzing. In de zachte bries van de late zomerwarmte vinden ze elkaar. Ze buigt haar schaduw nog meer naar hem toe, en hij drukt zich strak tegen haar aan. Honderden minuscule hechtworteltjes dringen haar bast binnen. Hij heeft geen brute kracht nodig, hij infiltreert geruisloos in de kleinste kieren van haar stam, en begint zo zijn klim.
De zachte pijn van zijn fijne hechtwortels vuren haar sapstromen aan. Ze maakt zich vochtig voor hem. Hij laaft zijn groeiende dorst aan haar essentie en graaft zich nog dieper in haar. Hij woekert om en in haar. Ze voelt zijn greep versterken. Op de tast leest hij de littekens van haar bast, stuurt nieuwe vertakkingen aan die als gretige vingers elk wonde willen bezitten. Hij werpt strakke lussen, snoert haar lichaam in shibaritouwen in. Hij legt dwingende knopen en trekt ze aan. Ze maakt zichzelf wijs dat ze eindelijk geborgen is in zijn sterke lianen. Samen wentelen ze zich tot een nieuw symbiotisch leven, gehecht in elkaar. Hij maakt zichzelf wijs dat hij geen parasiet is, hiij raakte gewoon gehecht aan haar schaduw. En elke nieuwe knoop prent in haar vezels dat ze nu geen wilg meer is, maar het fundament van hem, Hedera helix.
Ze laat hem reiken naar haar kruin. In zijn eeuwige gulzige groen vallen haar herfsttinten niet op. Hij is haar constante bloei. Ze buigt dieper onder het knopenwerk, ze geeft zich over aan wat op zijn redding lijkt. De herfstwind speelt met hun bladeren. Haar goudtinten en zijn fris groen vormen een nieuw wezen. Mocht ze ooit ten onder gaan, dan valt ze niet als wilg, maar als het intieme monument van zijn bezit.
