Het zwembad

Juliëtte Rosenkamp
13 feb. 2015 · 0 keer gelezen · 0 keer geliked

Koos was al geruime tijd niet meer in het zwembad geweest. Er was hier echter niks veranderd, constateerde hij, terwijl hij zijn kleedhokje afsloot. De tegels op de vloer niet, de zachtgele muren niet, zelfs de plastic kledinghaken waren nog dezelfde als voorheen.
Normaalgesproken deed hij op woensdagmiddag weinig bijzonders. De krant lezen of even zijn rug strekken op de bank. Sinds hij op advies van de bedrijfsarts nog maar twee halve dagen per week op het verzekeringskantoor mocht werken, had Koos zeeën van tijd over.
De eerste weken had hij veel moeite met al die loze uren gehad. Vooral vanaf een uur of een in de middag. Te laat voor nog een kop koffie, te vroeg voor een borrel. Vaak liep hij dan maar een extra rondje met Fikkie door het plantsoen, maar nu het buiten ijzig koud geworden was, deed hij dat voorlopig liever niet. In plaats daarvan schilde hij dan maar vast de aardappelen of dopte hij de sperziebonen voor de warme maaltijd.  

Koos vouwde zijn kleren op en stopte ze in de stoffen boodschappentas.
Bij gebrek aan slippers had hij zijn sandalen meegenomen. Hij had een hekel aan de vieze vloeren in het zwembad. Het was een ware kunst om ervoor te zorgen dat je niet in haren, pleisters of in een uitgesmeerd patatje stapte. Hij trok het touwtje van zijn zwembroek aan en stapte in zijn sandalen. Met een handdoek over zijn schouders en de boodschappentas aan zijn arm liep Koos de galmende geluiden van het zwembad tegemoet. Luid gejoel, een harde gil, kinderstemmen, een snerpend fluitsignaal. Koos was tien jaar terug in de tijd. Hij voelde het handje van zijn kleinzoon Max in de zijne en hoorde het aandoenlijke stemmetje ongeduldig vragen: ‘Opa, opa, zullen we samen van de glijbaan?’

Koos legde zijn tas en handdoek op een van de plastic kuipstoelen bij het raam en keek aandachtig rond. Het viel hem op dat er in het pierenbad een pinguïn, vis en kikker bijgekomen waren. Ze spoten straaltjes water uit hun bek. Max had dat vast erg leuk gevonden, dacht Koos.
De digitale klok boven het diepe tikte doorlopend de secondes van een minuut af. Koos was benieuwd of hij nog steeds in staat was om een flinke duik te maken en binnen de minuut aan de andere kant van het zwembad weer boven water te komen. Hij vermoedde van niet. In de afgelopen jaren was hij van één naar twee pakjes sigaretten per dag gegaan. Evengoed stapte hij, achter twee slungelige knapen aan, de trap naar de hoge duikplank op. Onderwijl sprak hij zichzelf moed in.
‘Je kunt het, je kunt het,’ mompelde hij.
‘Wat zei je, mafkees?’  
Verschrikt keek Koos op. Een van jongens keek hem recht in zijn ogen aan.  
‘Praat niet tegen mij, ouwe,’ zei de jongen.
‘Neem me niet kwalijk,’ zei Koos.
‘Bek houden,’ antwoordde de jongen en hij draaide zich weer om.

Voetje voor voetje stapte Koos even later naar voren. De donkere strepen op de bodem van het zwembad golfden zacht heen en weer. De duikplank leek hoger dan eerst. Had hij een acute vorm van hoogtevrees ontwikkeld? Of was het gewoon alweer iets waar hij plots in faalde? Hij voelde zich weeïg worden.
Teruglopen was geen optie. De man achter hem tikte met zijn ring op de metalen leuning. Zoals de badmeester vroeger in gestaag tempo op het trapje klopte.
Door-gaan. Door-gaan. Door-gaan.      
Koos telde tot drie, haalde diep adem en stapte de duikplank af.
Als een zoutzak viel hij naar beneden.
Hij plonsde in het water, tikte met zijn tenen de bodem aan en kwam weer boven.
In schoolslag zwom hij naar de kant en hees zich omhoog. Zijn oog viel daarbij op het bubbelbad, te midden van de stroomversnelling.
Koos liet zich in de stroomversnelling glijden, sloot zijn ogen en liet zich meevoeren. Als hij langs een harde waterstraal kwam, werd hij even weggeduwd, wat een glimlach op zijn gezicht deed verschijnen. Om hem heen hoorde hij hoe de kinderen verwikkeld waren in hun fantasieverhaal over een schipbreuk.
‘Hou mijn hand vast, ik ga dood!’ gilde een meisje luidkeels.
‘Kan niet, ik ben te ver,’ riep een stem in de verte terug.
Koos opende zijn ogen en stak zijn behaarde arm uit.
‘Hier,’ zei hij, ‘een stuk drijfhout, hou je maar vast.’
Het meisje keek hem aan en greep in de bocht naar de plastic palmboom.
Koos dreef verder af en kon niet zien hoe lang ze zich vast bleef houden. In zijn volgende ronde door de stroomversnelling hing ze er niet meer en nam hij de afslag naar het ondiepe bad.
Hij zwom onder het bruggetje door, totdat hij de bodem tegen zijn knieën voelde schuren en ging staan. Hij keek naar een jongetje dat van het kleine glijbaantje naar beneden roetsjte.
‘Opa! Kijk dan!’ hoorde Koos in zijn gedachten en hij zwaaide naar kleine Max.

‘Sta je lekker te gluren?’ vroeg een doorrookte Caballerostem achter hem. ‘Viespeuk!’ Met tranen in zijn ogen stapte Koos het zwembad uit, pakte zijn tas van het kuipstoeltje, schoof in zijn sandalen en liep naar de douches. Er was toch wel een hoop veranderd sinds kleine Max er niet meer was, constateerde Koos, terwijl hij het warme water op zijn hoofd liet kletteren.      

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver en help je hem of haar verder op weg.

Juliëtte Rosenkamp
13 feb. 2015 · 0 keer gelezen · 0 keer geliked