Juliëtte Rosenkamp

Gebruikersnaam Juliëtte Rosenkamp

Teksten

Het zwembad

Koos was al geruime tijd niet meer in het zwembad geweest. Er was hier echter niks veranderd, constateerde hij, terwijl hij zijn kleedhokje afsloot. De tegels op de vloer niet, de zachtgele muren niet, zelfs de plastic kledinghaken waren nog dezelfde als voorheen. Normaalgesproken deed hij op woensdagmiddag weinig bijzonders. De krant lezen of even zijn rug strekken op de bank. Sinds hij op advies van de bedrijfsarts nog maar twee halve dagen per week op het verzekeringskantoor mocht werken, had Koos zeeën van tijd over. De eerste weken had hij veel moeite met al die loze uren gehad. Vooral vanaf een uur of een in de middag. Te laat voor nog een kop koffie, te vroeg voor een borrel. Vaak liep hij dan maar een extra rondje met Fikkie door het plantsoen, maar nu het buiten ijzig koud geworden was, deed hij dat voorlopig liever niet. In plaats daarvan schilde hij dan maar vast de aardappelen of dopte hij de sperziebonen voor de warme maaltijd.   Koos vouwde zijn kleren op en stopte ze in de stoffen boodschappentas. Bij gebrek aan slippers had hij zijn sandalen meegenomen. Hij had een hekel aan de vieze vloeren in het zwembad. Het was een ware kunst om ervoor te zorgen dat je niet in haren, pleisters of in een uitgesmeerd patatje stapte. Hij trok het touwtje van zijn zwembroek aan en stapte in zijn sandalen. Met een handdoek over zijn schouders en de boodschappentas aan zijn arm liep Koos de galmende geluiden van het zwembad tegemoet. Luid gejoel, een harde gil, kinderstemmen, een snerpend fluitsignaal. Koos was tien jaar terug in de tijd. Hij voelde het handje van zijn kleinzoon Max in de zijne en hoorde het aandoenlijke stemmetje ongeduldig vragen: ‘Opa, opa, zullen we samen van de glijbaan?’ Koos legde zijn tas en handdoek op een van de plastic kuipstoelen bij het raam en keek aandachtig rond. Het viel hem op dat er in het pierenbad een pinguïn, vis en kikker bijgekomen waren. Ze spoten straaltjes water uit hun bek. Max had dat vast erg leuk gevonden, dacht Koos. De digitale klok boven het diepe tikte doorlopend de secondes van een minuut af. Koos was benieuwd of hij nog steeds in staat was om een flinke duik te maken en binnen de minuut aan de andere kant van het zwembad weer boven water te komen. Hij vermoedde van niet. In de afgelopen jaren was hij van één naar twee pakjes sigaretten per dag gegaan. Evengoed stapte hij, achter twee slungelige knapen aan, de trap naar de hoge duikplank op. Onderwijl sprak hij zichzelf moed in. ‘Je kunt het, je kunt het,’ mompelde hij. ‘Wat zei je, mafkees?’   Verschrikt keek Koos op. Een van jongens keek hem recht in zijn ogen aan.   ‘Praat niet tegen mij, ouwe,’ zei de jongen. ‘Neem me niet kwalijk,’ zei Koos. ‘Bek houden,’ antwoordde de jongen en hij draaide zich weer om. Voetje voor voetje stapte Koos even later naar voren. De donkere strepen op de bodem van het zwembad golfden zacht heen en weer. De duikplank leek hoger dan eerst. Had hij een acute vorm van hoogtevrees ontwikkeld? Of was het gewoon alweer iets waar hij plots in faalde? Hij voelde zich weeïg worden. Teruglopen was geen optie. De man achter hem tikte met zijn ring op de metalen leuning. Zoals de badmeester vroeger in gestaag tempo op het trapje klopte. Door-gaan. Door-gaan. Door-gaan.      Koos telde tot drie, haalde diep adem en stapte de duikplank af. Als een zoutzak viel hij naar beneden. Hij plonsde in het water, tikte met zijn tenen de bodem aan en kwam weer boven. In schoolslag zwom hij naar de kant en hees zich omhoog. Zijn oog viel daarbij op het bubbelbad, te midden van de stroomversnelling. Koos liet zich in de stroomversnelling glijden, sloot zijn ogen en liet zich meevoeren. Als hij langs een harde waterstraal kwam, werd hij even weggeduwd, wat een glimlach op zijn gezicht deed verschijnen. Om hem heen hoorde hij hoe de kinderen verwikkeld waren in hun fantasieverhaal over een schipbreuk. ‘Hou mijn hand vast, ik ga dood!’ gilde een meisje luidkeels. ‘Kan niet, ik ben te ver,’ riep een stem in de verte terug. Koos opende zijn ogen en stak zijn behaarde arm uit. ‘Hier,’ zei hij, ‘een stuk drijfhout, hou je maar vast.’ Het meisje keek hem aan en greep in de bocht naar de plastic palmboom. Koos dreef verder af en kon niet zien hoe lang ze zich vast bleef houden. In zijn volgende ronde door de stroomversnelling hing ze er niet meer en nam hij de afslag naar het ondiepe bad. Hij zwom onder het bruggetje door, totdat hij de bodem tegen zijn knieën voelde schuren en ging staan. Hij keek naar een jongetje dat van het kleine glijbaantje naar beneden roetsjte. ‘Opa! Kijk dan!’ hoorde Koos in zijn gedachten en hij zwaaide naar kleine Max. ‘Sta je lekker te gluren?’ vroeg een doorrookte Caballerostem achter hem. ‘Viespeuk!’ Met tranen in zijn ogen stapte Koos het zwembad uit, pakte zijn tas van het kuipstoeltje, schoof in zijn sandalen en liep naar de douches. Er was toch wel een hoop veranderd sinds kleine Max er niet meer was, constateerde Koos, terwijl hij het warme water op zijn hoofd liet kletteren.      

Juliëtte Rosenkamp
0 0

De een zijn dood is de ander zijn brood

‘Mijn!’ Hoppa. Voor minder dan een ton werd mijn huis verkocht op de veiling. Met een tevreden smoel stond de roodharige, jonge knul op. Hij wreef in zijn handen en liep naar voren. Ik stond ook op, klemde mijn kaken hard op elkaar en liep naar de uitgang. Vanmorgen had ik zo gehoopt dat de prijs voor mijn huis op de veiling weinig zou afwijken van de oorspronkelijke prijs. Met verlies had ik zeker rekening gehouden. Maximaal twintigduizend. Dan was overzichtelijk geweest en had ik een lening kunnen afsluiten. Maar ruim een ton verlies, nee, dan was ik reddeloos verloren. Voordat ik de klapdeuren opende, stopte ik nog even bij de koffietafel. Ik griste twee handen vol mariakaakjes van de schaal en moest moeite doen om niet te gaan scanderen. Wat zou ik zin hebben gehad om alle kuttenkoppen in de zaal duidelijk te maken dat ze zich niet realiseerden wat voor pijn en verdriet er achter ieder koopobject schuilging. Het liefst had ik hier ter plekke een speech gehouden. Lieve allemaal, Huurbazen, huisjesmelkers, krenten en vrekken, Lekker goedkoop een huisje scoren. Dat is de reden dat jullie hier vandaag samengekomen zijn. Waarom zou je meer betalen dan nodig is? Je bent toch zeker niet gek? Geef je ogen goed de kost en bekijk de foto’s die in rap tempo voorbijflitsen op de PowerPointpresentatie van meneer de veilingmeester. Hij is er druk mee geweest. Knippen, plakken, beetje typen. Waan je als een kind in een snoepwinkel. Als een vos in een kippenhok. Als een pooier tussen zijn hoeren. Op de foto van mijn huis zag ik dat de gordijnen dicht waren. De gordijnen die mijn moeder gemaakt heeft. Die mooie witte. Die krijgt u er gratis bij. U zult wel blij zijn dat u geen gordijnen op maat hoeft te maken. Want geloof me, deze ramen hebben godsonmogelijke, afwijkende maten. De gordijnen zijn niet simpel met enkele banen in elkaar te naaien. Daar komt echt vakwerk aan te pas. Moeder de vrouw zal u dankbaar zijn.       En ziet u die schutting in de achtertuin? Die heb ik eigenhandig opgeknapt. Het hout was verweerd en grijs. Die kekke groene verf, dat was mijn idee. Uiteraard heb ik er begrip voor als u liever een authentieke kleur kiest. Een middagje kwasten en hij is helemaal naar uw believen. Die keuken is ook leuk, nietwaar? Afgelopen Kerst stond ik daar met de hand af te wassen na het gourmetten. Tientallen kleine, aangekoekte pannetjes, schaaltjes met restjes saus en mini-spateltjes stonden te weken in de wasbak. De vaatwasser had het juist die ochtend begeven. Geen zorgen, hoor. Ik heb de vaatwasser laten vervangen voor het nieuwste model. Er zitten vooral ecologische standjes op. Ik ben nogal begaan met de wereld om ons heen, ziet u? Vergeeft u me alstublieft dat ik de tuin slecht onderhouden heb. Ik heb geen groene vingers, begrijpt u? Ik weet niks van wortels, stengels, stammen. Nachtschades, zaadlobben, bladgroen, het zegt me bar weinig. Hopelijk maakt u een mooi plekje van de tuin. Het zal er ’s zomers heerlijk vertoeven zijn. De buren zijn uiterst vriendelijk en veroorzaken nooit of te nimmer geluidsoverlast. Ik kan u nog veel meer vertellen over mijn huis en zou u heel graag verder op weg helpen, echter, vandaag heb ik weinig tijd. Ik moet namelijk om twaalf uur werken en daar ik door uw vrekkige aankoop de schuldsanering in moet, kan ik me het niet veroorloven de kantjes ervan af te lopen en mijn baan te verliezen. Mocht u nog vragen hebben, schroom dan niet om contact met mij op te nemen. Ik wens u veel plezier en geluk toe met uw zeer voordelige aankoop en de laagste hypotheek die u ooit zult hebben. Wie weet woont u over twee jaar al hypotheekvrij. Dat zou fantastisch zijn, nietwaar? Tot slot wil ik nog graag opmerken dat u niet verder na te denken hoeft over het verleden. Aan de mensen die tot voor kort nog in uw zojuist aangeschafte pand woonden. Die leef en leed hebben gedeeld, seks hebben gehad op het aanrecht, de eerste stapjes van hun kind hebben gadegeslagen in de woonkamer, baalden van de klemmende douchdeur, genoten van het uitzicht vanuit de erker. U hoeft daar niet over na te denken. Maakt u zich maar geen zorgen. De een zijn dood is nu eenmaal de ander zijn brood. Zo is het altijd geweest en zo zal het altijd blijven, door mensen zoals u. Namens alle mensen met hoge hypotheekschulden, betalingsachterstanden en andere financiële penarie: heel hartelijk dank. Ik legde de mariakaakjes terug op de schaal. Wat moest ik er eigenlijk mee? De veiling ging verder met een ander huis. Ik keek vluchtig op het grote scherm en zag een failliete cafetaria. Wat daar uiteindelijk voor schamel bedrag voor neergeteld ging worden, hoefde ik niet te weten. Ik liep de deur uit en dacht aan een ietwat gezette man, met snor en grijs haar. Vol goede moed begonnen aan een patatzaak om zijn gezin te onderhouden. Helaas ook slachtoffer geworden van de economische crisis. Mensen gingen hun eigen patat en frikandellen wel bakken, in de schuur. Hans Worst – ook voor al uw patatten – zag de bezoekersaantallen teruglopen. Er ontstond een achterstand in de lasten van het pand. Het ene gat was niet meer te dichten met het andere. Totdat Hans, met een brok in zijn keel, de zaak noodgedwongen sluiten moest. Zijn vrouw is er nog kapot van en ligt sindsdien hele dagen op bed.                  

Juliëtte Rosenkamp
0 0

I love Belgium

Voordat er flauwe Belgengrappen gemaakt gaan worden naar aanleiding van deze titel, wil ik uitleggen waarom ik graag met Belgen samenwerk. Ik schets hiervoor tweemaal een vrijwel identieke situatie. De ene keer in Nederland. De tweede keer in België. Het verschil zal duidelijk worden. De wekker gaat. Het is vroeg. En koud. Eerst nog even snoozen. Nee, Juul. Opstaan. Nu! Je hebt nog een lange reis voor de boeg. Het ochtendritueel voltrekt zich hetzelfde als elke andere doordeweekse dag, met ingrediënten als: restauratiewerkzaamheden aan hoofd (ik dank Chanel elke dag op mijn blote knietjes voor het ontwikkelen van de perfecte make-up), veel cafeïne, een kind dat volstrekt géén haast heeft en een kat die besluit om eens een goede haarbal neer te kwakken. Terwijl ik een half uur later dan gepland de deur uitga – wegens kind dat geen haast had en haarbal van kat – loop ik in mijn hoofd het lijstje na met spullen die ik mee moest nemen: manuscripten, boeken, visitekaartjes, map met aantekeningen, laptop, navigatiesysteem… en uiteraard moet ik nog een keer terug. Drie trappen op, bepakt met tas, koffer en sporttas, breekt het zweet me uit. Ik had al ruimschoots op de A1 willen rijden, de eerste file voor willen zijn en tijd hebben gehad om een koffie te halen bij het tankstation. Helaas. Ik ben de oplader voor het navigatiesysteem vergeten. Vertrouwen op mijn richtinggevoel heb ik al eens eerder geprobeerd en dat werkte niet. Twee files, uitgebreide wegwerkzaamheden, een plaspauze en drie uur later rij ik Mechelen binnen. Ik kijk op mijn horloge. Elf uur. Mijn afspraak was om half elf. Ik ben te laat. Ik vervloek mezelf, schaam me alvast kapot en neem me heilig voor, zoals elke keer, om de volgende keer een uur eerder te vertrekken. Ook in het centrum van Mechelen vinden wegwerkzaamheden plaats. Het navigatiesysteem kan hiermee niet uit de voeten en dirigeert me dwars door het natte asfalt heen. Ruim een uur te laat ren ik de uitgeverij binnen. Eerst een kort bezoekje aan het toilet, om wat poeder op mijn zweterige voorhoofd te kwasten en mezelf een deo-douche te geven. Ik pluk mijn rokje recht en loop op de uitgever en mijn collega’s af, die klaar zitten voor het overleg. En dit is het moment waarop het verschil tussen samenwerken met Nederlanders en samenwerken met Vlamingen duidelijk wordt. Alle collega’s en de uitgever staan op, geven me een hand en een dikke, vriendschappelijke zoen. De een haalt koffie: ‘U had met melk, toch?’ De uitgever schuift een van zijn kastjes open en haalt er verschillende pakken koekjes uit. Met chocolade, met nootjes, ‘natuur’ en met caramel. Terwijl hij op zijn buik klopt zegt hij: ‘Eet u ze alstublieft op, ik mag deze koeken niet meer van mijn vrouw.’ Daarna pakt hij uit zijn bureaulade een pak gezonde koeken voor zichzelf en lacht. ‘Ik mag alleen nog maar deze.’ ‘Ik weet dat ik te laat ben,’ begin ik het overleg. ‘Normaal ben ik fashionably late, maar een uur te laat is niet fashionable, dat is asociaal.’ Mijn Belgische collega’s schudden hun hoofd, merken op blij te zijn dat ik er ben, vragen hoe mijn reis verlopen is, spreken hun waardering uit dat ik de moeite genomen heb ‘helemaal uit Holland’ te komen om erbij te zijn, informeren naar mijn zoontje en gaan over tot de orde van de dag. De knoop in mijn buik verdwijnt als sneeuw voor de zon. Tegen lunchtijd krijg ik de keuze: broodjes bestellen of buiten de deur een hapje doen. Ik kies ervoor op de uitgeverij te eten. Het was al mijn schuld dat we later begonnen zijn. Als we dan ook nog naar het centrum moeten rijden en we aan het eind van de middag niet klaar zijn dan is mijn schuldgevoel compleet. Er wordt de tijd genomen. We kletsen uitgebreid bij onder het genot van pistoletjes met hesp en chocoladecroissants. Een glaasje cava hoort erbij. Dan nog een. Na de lunch, die twee uur duurde, ronden we binnen een uur de laatste puntjes van de agenda af. Mijn collega’s lopen mee naar de auto, wensen we een goede terugreis, stoppen me hapjes en drankjes toe voor onderweg en geven me een knuffel. Nog voor de spits rijd ik naar huis. Welnu, dezelfde situatie, andere locatie. Ochtendritueel: identiek. Een file, een plaspauze en twee uur later rijd ik een voorstadje van Den Bosch binnen. Ik kijk op mijn horloge. Kwart over een. Mijn afspraak was om een uur. Ik ben een kwartier te laat. Ik vervloek mezelf, schaam me alvast kapot en neem me heilig voor, zoals elke keer, om de volgende keer een uur eerder te vertrekken. Mijn navigatiesysteem heeft moeite met het vinden van het adres. Op mijn richtinggevoel hoef ik niet te vertrouwen. Alle gebouwen op het industrieterrein lijken op elkaar. Het regent snoeihard. Amper twintig minuten te laat ren ik de uitgeverij binnen. Een kort bezoekje aan het toilet zit er niet in. De uitgever kijkt op zijn horloge en gaat verder met de zin die hij door mijn binnenkomst afbreken moest. Ik pluk mijn rokje recht en loop naar een lege plek aan de vergadertafel. Mijn collega’s zijn al begonnen en maken druk aantekeningen. Ik snak naar een kop koffie. Of een glaasje water, op zijn minst. Ik heb nog een kauwgompje in mijn mond. Waar laat ik die zo gauw? Straks moet ik reageren op punt drie van de agenda en zit ik hier als een herkauwende koe. Ik voel me al ongemakkelijk genoeg. Onopvallend probeer ik mijn tas op mijn schoot te trekken, op zoek naar een zakdoekje of papiertje om stiekem mijn kauwgompje in te stoppen. Juist als ik een geschikt papiertje voel, helemaal onderin, kijkt de collega recht tegenover me geïrriteerd aan. Ik vermoed dat ze probeert duidelijk te maken: ‘Ssst! Ik kan niet horen wat meneer de uitgever voor belangrijks te zeggen heeft. Door jou.’ Zal ik het kauwgompje anders doorslikken? Zal ik het doen? Ik voel een lichte tinteling in mijn buik. Nee, dat durf ik niet. Ik heb weleens gehoord dat dat heel slecht is. Dat iemand een blinde darmontsteking kreeg na het doorslikken van kauwgom. Ik weet me geen raad met de kauwgom en veel tijd om er over na te denken heb ik niet meer. ‘Juliëtte, wat vind jij daarvan?’ De uitgever kijkt me indringend aan over zijn leesbril heen. Ook de ogen van mijn collega’s zijn op mij gericht. Ik heb geen idee waar het over gaat, ik was immers druk bezig met oplossingen bedenken voor mijn kauwgompje en met me voor lul voelen staan omdat ik te laat was. ‘Juliëtte?’ Hup. Van schrik slik ik mijn kauwgom door. ‘Sorry, wat was precies de vraag?’ Een herhaling krijg ik niet. De vraag wordt doorgespeeld naar de dame rechts van me. Het braafste kind van de klas. Nederlanders zijn er heel goed in afspraken te plannen voor of na etenstijden. Ik weet niet of dat uit krenterigheid is of dat het uit de tijd stamt dat men geacht werd ‘tussen de middag thuis warm te eten’, maar het is in ieder geval erg praktisch. Vooral voor de organisator van de afspraak. Het enige wat hij of zij hoeft te regelen is een kleine koffiepauze. Dat er een of geen koekje bij de koffie geserveerd komt, behoeft geen enkele uitleg. Aangezien ik al te laat was en de vergadering door mij dus later gestart is – ze hadden tien minuten gewacht, toen was ik er nóg niet, dus waren ze maar vast begonnen – wordt de koffiepauze overgeslagen. In plaats daarvan wordt de secretaresse gevraagd koffie te brengen. Ik krijg een Haags bakje. Op mijn schoteltje ligt geen cupje melk. Om melk vragen durf ik niet. Honger maakt rauwe bonen zoet. Ik drink de lauwe koffie in een paar slokken op. We sluiten het werkoverleg ruim na zessen. Ik geloof niet dat dat kwam door tien minuten later beginnen, wel door de continue ruimte voor discussie en het uiten van meningen. Met knorrende maag, uitgedroogde keel en bonkende koppijn sluit ik achteraan in de file. Ik bel naar het thuisfront dat ik laat ben. Mijn huisgenoot zet alvast een groot glas wijn klaar.

Juliëtte Rosenkamp
0 0

Post-Sintum

Als ik voor de derde keer een kop thee wil maken met behulp van mijn espressoapparaat – de koffie was op, oh verschrikking! – besluit ik de beker te vullen met gluhwein. Aangeschaft voor pakjesavond, waar iedereen massaal aan de bubbels en witte wijn ging. Zelfs de goedheiligman bliefde geen glaasje warme bisschopswijn tijdens zijn bezoek. Na een minuutje pingt de magnetron en vult mijn keuken zich met een ouderwets lekkere geur. Het toeval wil dat ik de kerstmarktbeker van vorig jaar gebruikt heb. Zo. Sint voorbij. Da-haag, Sinterklaasje. Kerst in aantocht. Vanmorgen in alle vroegte heb ik de restanten pepernoten en zacht geworden speculaasjes in de dakgoot gestrooid. De meeuwen kunnen hun geluk niet op. En de kat zit al gedurende enkele uren voor het raam te mauwen naar zijn gevleugelde vriendjes. Over de kat gesproken, als ik vanmiddag een kerstboom ga kopen, zal ik ook zeker weer voldoende onbreekbare ballen en dito versierselen moeten aanschaffen. U weet wel, van die lelijke vilten sneeuwmannetjes, klokken van stro en papieren engelen. Mijn Siberische Boskat heeft een voorliefde voor alles wat hem doet denken aan zijn roots. Als een eekhoorn beklimt hij, meerdere keren per dag, de zorgvuldig uitgekozen Nordmann. Vanaf de balk bereikt hij de piek en mauwt hij net zolang, bibberend op een dunne tak, totdat ik hem eruit haal. De bak waar de kerstboom instaat wordt dagelijks gevuld met water, opdat de boom zeker tot oud en nieuw mooi blijft. Dat de boom onderwijl een langzame, tergend pijnlijke dood sterft, lijkt niemand te deren. Bovendien blijkt de bak met water sneller leeg dan gedacht, aangezien de kat heel dankbaar is met zijn nieuwe drinkbak. En het smaakt ook zo lekker naar de natuur, naar het bos. De pokon laat ik dit jaar maar achterwege. Van catnip wordt de kat al high genoeg. Op Kerstavond is er vaak al weinig over van de boom. De versieringen zijn kapot, kwijt of anderszins niet meer in originele staat. De papieren engelen zijn onthoofd, de klokken klingelen niet meer, de plastic ballen zijn stuiterend richting alle hoeken van het huis gerold en het plastic kindeke Jezus heeft een afgekloven hoofdje. Amen. Ik weet nu al dat ik de kerstboom en andere kerstmeuk op 1 januari de deur uitdoe. Vanaf tweede kerstdag verheug ik me daar al op. Dan ben ik die hele zooi al zo zat en is er van mijn VT-wonen-idee van huis is kerstsfeer echt werkelijk waar helemaal niets meer over. Soms neem ik me dan voor om volgend jaar een keer geen kerstboom te nemen. Edoch zwicht ik er ieder jaar weer voor, onder het mom ‘het hoort erbij’, ‘het is zo gezellig’ en vooral ‘ik wil dat mijn zoontje later terugdenkt aan het huis met Kerst, zoals ik ook warme herinneringen koester aan mijn ouderlijk huis in kersttijd.’ Kortom, ook dit jaar ga ik direct na Sinterklaas weer over in de kerstmodus. De kop is er af, de eerste gluwein is gedronken. En nu óp naar de kelder, op zoek naar de lichtjes in de duisternis.     P.S.: Om mijn kat niet helemaal af te blaffen op zijn natuurlijke gedrag, laat ik hem op 1 januari, als ik onder het genot van restjes champagne en koude oliebollen, de restanten versieringen en lampjes verwijderd heb, zich een paar uur helemaal uitleven op de boom. De dagen daarna is hij druk met het wegknagen van de hars tussen zijn pluizige teentjes.    

Juliëtte Rosenkamp
0 0

Passage uit manuscript Douceurtje

‘Ik ben spiritueel aan het ontwaken,’ zei Robin op een vrijdagavond. Ik gooide de koekenpan en het schuursponsje in de wasbak en draaide me om. ‘Je bent wat?’ vroeg ik. Ik moest moeite doen om niet in lachen uit te barsten. Of in tranen. ‘Spiritueel aan het ontwaken,’ zei hij nogmaals. Hij ging zitten in de brede vensterbank, pakte een van de kussentjes en legde die in zijn rug. ‘Ik ontwaak ook iedere morgen,’ zei ik, ‘maar dat doe ik bij voorkeur met een kop koffie.’ Robin schudde zijn hoofd. ‘Je begrijpt het niet. En dat is oké. Een ieder heeft zijn eigen pad te volgen. Mijn pad wordt me steeds duidelijker. Ik voel de energie stromen,’ zei hij, terwijl hij uit het raam staarde. Hij trok zijn benen op, zette zijn blote voeten ook op de vensterbank en wreef met zijn handen over zijn tenen. ‘Is dat wat ze je leren op die reiki-cursus die je volgt?’ vroeg ik. Robin legde zijn handen op zijn knieën. ‘Vanwaar die woede?’ ging hij op zachte toon verder. ‘Omdat ik je godverredomme helemaal niet meer herken, Robin!’ riep ik. ‘Vroeger was je tenminste normaal. Nu lijk je wel een verstandelijk beperkte hippie. Hou toch eens op met dat gezweef. Lul!’    ‘Waar het verstand ophoudt, begint de woede,’ antwoordde hij, ‘daarom is woede een teken van zwakte.’ Met tranen in mijn ogen draaide ik me om en ging weer verder met het afwassen van de aangekoekte koekenpan. Ik schuurde net zo lang en net zo hard met het sponsje, totdat de anti-aanbaklaag aan het verdwijnen was. Net zoals mijn gevoelens voor Robin. ‘Het lijkt me verstandig als een van ons een tijdje uit logeren gaat,’ zei Robin. ‘Ik heb ruimte nodig om verder te groeien. Dat kan niet in deze negatieve energie.’ Ik smeet de koekenpan in het afdruiprekje. ‘Prima!’ schreeuwde ik. ‘Blijf jij maar lekker hier. In je dorp. In je wierookhol. Geniet ervan.’ Ik rende de trap op, griste wat kledingstukken bij elkaar en smeet ze in een tas. Zonder wat te zeggen liep ik langs Robin, die nog steeds in de vensterbank zat. In mijn kleine, zwarte autootje reed ik terug naar Amsterdam. Op de hoek van de Leliegracht liet ik me vollopen met alcohol. Midden in de nacht slenterde ik huilend naar Lotje. ‘Hij trekt wel weer bij,’ zei ze, ook met een flinke slok op, ‘hij gaat je heus wel missen.’ © Juliëtte Rosenkamp www.julietterosenkamp.nl

Juliëtte Rosenkamp
0 1
Tip

Wijn met een rietje

'Wat wil jij drinken, opa?' vraag ik. Het duurt even voordat er een reactie komt. 'Doe mij maar een witte wijn,' antwoordt hij, al is het nauwelijks te verstaan. Alleen het woord 'wijn' komt er nog duidelijk uit, de rest is gebrabbel. Maar ik ken zijn intonatie en daarom weet ik wat hij bedoelt. De gastvrouw kijkt mij aan. Ze wacht zeker totdat ik een goedkeurend knikje geef. Ze zal zich vast afvragen waarom deze man, in zijn driedelig pak en met zijn hoedje op, om half elf 's morgens een wijntje wil. In de wereld van mijn opa is het niet meer ochtend, middag of avond. Hij weet niet eens welke dag het is. Het enige wat hij wil is zijn pak aan en met me mee naar het restaurant van het verzorgingstehuis. En dat doe ik, elke dag. Ik haal hem op van zijn kamer, help hem in zijn rolstoel en rij hem hier naartoe. Ik herhaal de bestelling: 'Een witte wijn voor mijn opa, met een rietje graag'.   Met een servetje veeg ik wat broodkruimels van opa's lippen. Vroeger, toen ik nog klein was, liet hij vaak expres kruimels op zijn lippen zitten. En ondertussen maar doorpraten en doen alsof hij niks in de gaten had. Hoe smeriger ik het vond, hoe meer lol hij erom had. Tegenwoordig is het geen grap meer. Hij heeft het niet meer in de gaten. De kruimels op zijn lippen zitten er en blijven zitten totdat iemand ze wegveegt. Als hij probeert te praten, zie ik ook restanten van zijn ontbijt. Ik voer opa een slok wijn. 'Neem maar een goede slok,' zeg ik, 'dan kun je meteen die stukjes brood wegspoelen.' Braaf doet opa wat ik hem opdraag. Ik breng het rietje naar zijn mond en hij slikt.   Een eindje verderop, bij de schuifdeur, staat mevrouw Kers. De deur gaat niet open. Daarvoor moet je de code kennen en die weet ze niet. Mevrouw Kers heeft haar jas aan en ze houdt haar handtas stevig tegen zich aan gedrukt. Een paar dagen geleden is ze ook opgenomen op deze gesloten afdeling van het verzorgingstehuis. Ze is de nieuwe buurvrouw van opa. Als ik naar haar toe loop, raakt ze lichtelijk in paniek.  'Ik moet naar huis,' roept ze en bonkt op de dichte deur. 'Ik moet hier weg.' ‘Waarom wilt u naar huis?’ vraag ik. ‘Ik heb jonge kinderen,’ roept ze, ‘en die zijn helemaal alleen thuis.’ Ik leg een hand op haar schouder. ‘Zal ik straks even bij uw kinderen gaan kijken?’   Mevrouw Kers knikt. ‘Als dat kan, heel graag.’ 'Kom,' zeg ik en begeleid haar naar haar stoel, ‘over tien minuten gaat u eerst lekker eten.’ Opa heeft niet eens in de gaten gehad dat ik even weg was. Zijn ogen zijn dicht. Hij zit te sukkelen. In zijn hand houdt hij een denkbeeldig glas vast en brengt het naar zijn lippen. Vlug pak ik zijn echte glas en breng het rietje weer naar zijn mond. Opa neemt een slok en zet zijn fictieve glas terug op tafel.    De liftdeuren gaan open. Oudjes in rolstoelen worden door verpleegsters binnen gereden. Enkele, enigszins mobiele senioren wandelen erachteraan met een rollator. Ze gaan zitten in een kring en de begeleidster zet een CD aan. De Oudhollandse liederen worden meegezongen door enkelen. De rest zit er voor spek en bonen bij. Opa's ogen zijn nog steeds gesloten. Ik vraag me af waar hij over droomt. Is hij bang? Verdrietig? Of zit hij gewoonweg in een eeuwigdurende roes? Wat zal er in dat kopje van hem omgaan? Mevrouw Kers staat opnieuw bij de schuifdeur te roepen dat ze naar huis moet. De verpleegkundigen zijn druk bezig met de steunkousen van mevrouw Maandag en het voeren van appelmoes aan meneer Ten Dam. Ik besluit de oude dame nogmaals te helpen. ‘Geen zorgen,’ zeg ik, ‘straks ga ik bij uw kinderen kijken.’ Mevrouw Kers kijkt me verbaasd aan en begint hard te lachen. ‘Kinderen? Ik heb helemaal geen kinderen.’ ‘Maar zojuist vertelde u over uw kinderen…’ Resoluut schudt ze haar hoofd. ‘Nee hoor, dat heb ik nooit gezegd.’ ‘Dan heb ik het vast verkeerd verstaan,’ antwoord ik. ‘Komt u maar met mij mee.’ Mevrouw Kers loopt aan mijn arm mee en gaat weer zitten op haar stoel bij het raam. Ze zwaait naar wat voorbijgangers op straat. Bij het horen van de muziek beweegt ze haar hoofd en handen aritmisch mee.   'Geef mij maar Amsterdam' wordt afgesloten met een daverend applaus door de activiteitenbegeleidster en de anderhalve paardenkop die meegezongen heeft. Vanuit mijn ooghoeken zie ik dat mevrouw Kers weer aanstalten maakt om naar huis te gaan. Voordat de warme maaltijd geserveerd zal worden, is er nog tijd voor een liedje. Het betreft een verzoeknummer, vertelt de begeleidster. Even is het stil. Mevrouw Kers blijft ook even stilstaan. Dan klinken de eerste klanken van 'Mijn opa'. 'Mijn opa, mijn opa, mijn opa... In heel Europa was er niemand zoals hij..' Er verschijnt een glimlachje op opa's gezicht. © Juliëtte Rosenkamp www.julietterosenkamp.nl

Juliëtte Rosenkamp
0 1

Opleiding

Cursus Literair Debuteren - Paul Sebes

Publicaties

Prenten-, kinder- en jeugdboeken:
- Tellen en rijmen met de familie Muis (Clavis, ISBN: 978 90 4482 056 0)
- In het bos (Bakermat, ISBN: 978 90 5924 103 9)
- In het bos - informatief (Bakermat, ISBN: 978 90 5924 105 3)
- Wolf is stout/lief (Bakermat, ISBN: 978 90 5924 107 7)
- De wolf - informatief (Bakermat, ISBN: 978 90 5924 109 1)
- De snor van Knor (Bakermat, ISBN: 978 90 5924401 6)
- Snorren - informatief (Bakermat, ISBN: 978 90 5924 402 3)
- Klein maar fijn (Bakermat, ISBN: 978 90 5924 098 8)
- Verschillen(d) - informatief (Bakermat, ISBN: 978 90 5924 100 8)
- Roodkapje houdt van groen (Bakermat, ISBN: 978 90 5924 112 1)
- Kleuren - informatief (Bakermat, ISBN: 978 90 5924 400 9)


Buitenland/vertalingen:
- Tæl og find med familien Mus (Uitgeverij Klematis, ISBN: 978 87 7139 089 6):
Deense vertaling van Tellen en rijmen met de familie Muis


Romans:
- Niet voor herhaling vatbaar (Uitgeverij FM, ISBN: 978 90 4842 741 3)


In de maak:
Momenteel ben ik voor uitgeverij Bakermat bezig met het schrijven van tien nieuwe kinderboeken op AVI-niveau, behorend bij De Taalbende-reeks.

Naast de Deense vertaling van Tellen en rijmen met de familie Muis, zal er volgend jaar ook een Engelse vertaling volgen (Clavis, New York).

Tevens schrijf ik aan het manuscript Douceurtje; een roman over het actuele onderwerp financiele problematiek. Deze ligt momenteel ter beoordeling bij literair agent Paul Sebes.

Prijzen

1e prijs Internationale Kinderverhalenwedstrijd, categorie peuterverhalen, georganiseerd door o.a. Inclusive Works en The British Council.

Publicatie in columnboek 2014, De brul van Hul.