Het ligt weer vol. In de haven met die foutgeschreven jachten.
Vissersboten brachten dode vissen en een albatros verzamelt blauwe plekken voor de grauwe lucht.
Ik heb twee tongen en één brood gekocht, boter in dat sober geel.
Thuis wacht er een hond op geuren in de wind, misschien op mij.
Ik heb daar ook een glazen kot dat vaak naar warmte hunkert.
Het hangt er vol. Met nieuw oranje en tomaten die naar rood verlangen.
Iets verderop daar zijn ze schoon genageld, planken aan mijn schuurtje, dogma's aan een kruis.
Wees gegroet, mijn schat.
Ik spreek de eenzaamheid liefst eervol aan.
Tot zij smelt. Die boter is niet dwaas en weet wat te gebeuren staat.
De vis zal zwemmen in die pan, behoorlijk stil. Alleen de boter zal zich roeren.
Een stukje brood wordt straks geofferd aan mijn maag, zich laten doppen in dat goud.
Het is mijn etmaal, roept de zon. Morgen is het aan de maan om weer een dag naar zich te noemen.
Wees gerust, mijn hondje.
Bij duisternis laat ik je uit. Je mag dan lopen door het bos en zich gedragen als een wolf die naar de hemel huilt.
De tranen zullen zich verschuilen in het meer.
Bedenk. Hoe krom die oude maan ook is, knikken zal zij nooit.
Slaap nog niet, mijn schat. Bewaar die schijn zolang je kan.
Er is een schaatsenrijder onderweg die zomaar op zijn poten drijft.
Hij weet dat hoop zo snel nog niet verdrinkt, waarom de tijd hem niet verjagen zal.
uit de reeks 'Waanhoop'