Sommige formuleringen in mijn Vergunning voor een Private Begraafplaats voor Kleine Creaturen moeten van de hand van burgemeester Schimmelryck zijn.
Want wie gebruikt nu de term 'creatuur'?
Dat moet uit een geïmpregneerde geest komen.
Ignace knikt. Onze nepprofessor weet dat allemaal.
Een Australisch Droomtijd kan het zijn. Ook een hindoe, boeddhist, islamiet denkt zo krampachtig.
Helemaal van de pot gerukt zijn de scheppingssprookjes van de joden en de christenen.
Alles in een dag of zeven, voor wie geen geduld had en graag snel een mens zag komen die de boel verkloten zou.
Die Hemelryck is bij de CD&V.
Een echte christenhond dus. Zijn ganse jeugd doordrenkt met christelijk kutsap.
'Wezens' ware beter geweest.
Dat zou dan wel die akelige mensapen omvatten.
Ja. Die worden vanzelfsprekend uitgesloten.
Zoiets wil ik niet op mijn Kerkhof voor de Onschuld.
En wat met kabouters?, vraagt Ignace die als een schijngeleerde mijn vergunning las.
Alfred brengt onze dubbele portie Stoverij op de Wijze van een Stokoude Kok.
Ik ben niet van plan te sterven, zegt Alfred
Je gelijkt toch te veel op een kleuter, stel ik hem gerust.
Voor een gnoom met menselijke eetgewoontes zal er toch geen plaatsje zijn op mijn kleine grafakker.
We proeven onze stoverij en weten het.
een dag zonder poëzie eindigt altijd wreed
sinds mijn ontbijt kwam elke stap te vroeg ofwel te laat
ik dronk thee, ik mompelde, ik stormpelde over de sporen van een weggelopen trein
straks sleept het zijn mij mee omdat ik leven moet
de geit die gisteren de nek uitstak terwijl een dolle wind op wielen ons verlegen dorp doortrok
zij is niet meer, de laatste druppels melk en bloed
die stromen nu niet meer, ik hoop dat ik een plaatsje vind
ergens op de achtergrond, liefst in dat zacht langharig zand
- IX -
uit de reeks 'Duivelsverzen'