Nu gaan we poseren. Ons werk zit erop, de glimlach kan beginnen hoewel grazen nooit helemaal stopt. Er staat een man met lens, hij neemt de tijd om van beesten beelden te maken. Koe met kind, het wordt een foto mét titel.
Merk je het aan mijn blik? In mijn ogen een boodschap die je niet kan ontcijferen als je een mens bent. Zie je dat jong, ooit van mijn uiers profiterend? Na het zogen veranderde het gedrag van dat kalf! Ze beet mijn melkklieren tot ik versomberde, tot ik pijn kreeg.
De boer heeft een boerin, zij bezitten ons, in huis zijn er thuishulpen, wij zijn de weihulpen. Wij worden vet gemest, houden het gras kort, rijden op tijd naar de slacht maar zonder achter het stuur te zitten. Iemand rijdt ons naar de beul.
Ik sta al dagen op dezelfde plek, met dat jong om op te leiden. Het observeert en imiteert. Het laat al wat onbruikbaar is vallen; allemaal kak. Stinkende kak waarvan de geur opstijgt in de lucht die ons omringt. Wij zijn als varkens of vieze vuile wezens op twee benen, wandelend of fietsend of plankgas gevend in moordwagens.
Nu willen we op de foto omdat het schoon is dat iemand momenten vast wil leggen. Later komen die momenten terug, ze worden bekeken, ze worden besproken, wij komen weer los te liggen. Precies zoals het leven dat pas vastligt na de dood.
Wij waren het onderwerp, het beeldmateriaal, ergens in een onbekend huis en op een onbekende tafel duiken we weer op. Naast het bord een vork, prikken in ons vlees.

