Het snerpende geluid van de wekker begon geleidelijk tot hem door te dringen.
Godverdomme, nu al. Het leek alsof hij nog maar net gaan slapen was.
Een bonzende pijn in zijn voorhoofd. Hij kroop verder weg onder zijn deken.
Maar het hield niet op.
Zijn keel was droog, zijn oren suisden.
Zijn maag zat in de knoop.
Waar was hij allemaal geweest gisteren? Hoe was hij thuisgeraakt?
Hij herinnerde zich vaagweg een donkere bar. Gepraat. Bier, wodka, wat nog allemaal.
Hij moest pissen. Kotsen ook misschien. Maar hij wilde nog niet uit de warme cocon van de deken komen.
De wekker bleef maar lawaai maken, het gepiep ging door merg en been. Woedend mepte hij overal op zijn nachtkastje, tot het stil werd.
Rust.
Waarom moest hij opstaan? Moest hij ergens zijn vandaag?
Hij opende zijn ogen. Het was donker in de kamer, maar door de spleetjes in de rolluiken priemden straaltjes daglicht naar binnen.
Hij rolde zich op zijn andere zij. De kamer bleef nog even nadraaien. Zijn maag keerde zich om.
Naast hem lag Lena. Met haar rug naar hem toe, en het deken zo hoog opgetrokken dat enkel haar lange bruine haren er nog bovenuit kwamen.
Aah, Lena. Toch iets goeds deze morgen.
Hij kroop dicht tegen haar aan, tot hij haar warme lichaam kon voelen en haar haren kon ruiken. Ze roken vreemd, anders dan anders.
“Liefje, ben je wakker?” Hij klonk hees.
“Mmmm.”
Hij glimlachte.
Haar stem klonk een beetje raar. Waarschijnlijk ook te veel gedronken, te hard geschreeuwd in bars en cafés. Hij streelde haar rug.
Haar rug was bloot. En warm. Lena droeg altijd een oud t-shirt in bed, anders kreeg ze het koud, zei ze.
“Lena?”
“Goeiemorgen, lieverd...”
Hij trok zijn arm terug, ging abrupt rechtop zitten – té abrupt. Hij voelde hoe zijn maaginhoud brandend zijn slokdarm inliep en weer zakte. De hele kamer draaide in verwarrende cirkels om hem heen.
Lieverd? Lena haatte dat woord.
Hij deed zijn nachtlampje aan. Ze draaide zich om en keek hem aan.
Het was een mooi meisje, ongeveer zo oud als Lena. Ze had ook lang bruin haar, maar niet hetzelfde bruin, zag hij nu. En verder leek ze absoluut niet op Lena.
What the hell...
Zijn hersens werkten op volle toeren, voor zover ze dat konden – de kamer bleef maar draaien.
Wie was ze? Hoe kwam ze hier?
Had hij haar meegebracht? Had hij met haar—
Was hij echt zó dronken geweest?
Nee. Dat kon niet. Dat mocht niet. Zoiets zou hij nooit doen.
Lena zou het hem nooit vergeven.
“Kerel, je kijkt alsof ik een zombie ben... Je moet jezelf anders eens bekijken...”
Het meisje lag hem glimlachend aan te kijken, met de deken nog steeds tot aan haar kin.
“Ik... Euh... Wie ben jij?”
“Oh Steven,” zei ze wanhopig. “Herinner je je echt niet wie ik ben?”
Hij schudde verward zijn hoofd – zijn hersens klotsten heen en weer in zijn schedel.
Ze zuchtte.
“Ik ben Karen...”
“Karen...” Hij kende geen Karen. Dat dacht hij toch. Denken, Steven, denken!
Ze schudde haar hoofd. “Ik hou dit niet meer vol, Steven... Ik hou van je, maar dit... Dit kan ik niet meer aan...”
Ik hou van je?
“Wat? Wie... Wie ben jij? Waar is Lena?”
“Lena is dood, Steven.”
Dood? Lena?
Hij hoorde zichzelf bazelen, schreeuwen, maar wist niet wat hij zei. Hij vloog op haar af, greep haar vast, rolde samen met haar de grond op – hij hoorde haar gillen, hoorde zichzelf roepen.
“Wat heb je met haar gedaan? Wat heb je met haar gedaan?”
Eindelijk besefte hij weer wat hij aan het zeggen was. En toen besefte hij dat hij bovenop haar zat, dat hij zijn handen om haar nek gekneld had. Ze keek hem verschrikt aan.
Hij liet haar los, deinsde hijgend achteruit.
Duizelig staarde hij haar aan, kon zijn blik maar niet gefocust krijgen.
Ze lag op de grond op haar rug, naakt op een roze slip na. Lena had net zo’n slip.
Ze was bijna even mooi als Lena.
Maar hij wilde niet naar haar kijken, hij wilde haar blote lichaam niet zien, hij wilde het niet in zijn kamer! Wat zou Lena zeggen...
“Steven!” riep ze hijgend. “Ik heb niets gedaan, Steven. Ze heeft een ongeval gehad – jullie hebben een ongeval gehad, je zat naast haar. Ze moet even de controle zijn kwijtgeraakt, of – ze weten het eigenlijk niet goed. Ze was op slag dood, Steven. En jij—”
Ze zweeg even.
“Ik kan het niet meer aan, Steven, het duurt nu al maanden...” Een traan liep over haar wang. “Ik weet dat je van me houdt, dat zeg je elke avond, en elke avond hoop ik dat je me ‘s morgens nog zult herkennen, maar—”
Hij schudde zijn hoofd. Dit kon niet waar zijn. Hij wilde iets zeggen, hij wilde duizend en één dingen zeggen maar kreeg niets over zijn lippen. Hij had geen idee wat hij de avond ervoor gedaan had, hoe hij aan deze kater kwam – was het wel een kater?
Hij stond op en zwalpte naar de badkamer. Hij moest pissen. En nadenken.
Hij ging zitten op de toiletpot, bang dat hij anders zou omvallen. Dit kon gewoon niet waar zijn. Hij was gisteren gaan werken, zoals altijd, en ‘s avonds zou hij naar een feestje gaan. Was het toen gebeurd – was dat toch niet gisteren geweest?
Hij zette de radio aan, het kleine blauwe radiootje dat Lena absoluut in zijn badkamer had willen zetten – ‘een streepje muziek onder de douche,’ zoals ze dat zo mooi zei. Hij draaide verwoed aan de knop tot hij een nieuwszender vond. Twaalf januari zeiden ze dat het was.
Maanden? Hij herinnerde zich Nieuwjaar nog, toen was hij met Lena bij vrienden gaan eten, ze hadden het zaligste feestmaal allertijden klaargemaakt.
Het klopte niet, natuurlijk klopte het niet.
Het nieuws begon, het ging over terrorisme in Parijs.
Daar ging het gisteren ook over. Er zat geen maandenlang hiaat in zijn geheugen, enkel die ene avond. Te veel gedronken, veel te veel, dat was alles.
Maar wie lag er dan in godsnaam halfnaakt in zijn slaapkamer?
Hij stond op, stak zijn handen onder de kraan en kletste flink wat koud water in zijn gezicht.
Wat had ze in godsnaam met Lena gedaan?
Hij gooide de deur open en stormde de slaapkamer in.
“Je liegt!” schreeuwde hij. “Je liegt! Wie ben je en wat heb je met Lena gedaan!”
Ze lag languit op het bed met één been gestrekt en het andere opgetrokken en keek hem aan met een wulpse blik. Haar rechterarm lag uitgestrekt op het bed, haar hand op zijn kussen.
“Kom hier, lieverd, ik hou van je.” Het klonk gebiedend, zelfverzekerd. Niet zoals daarnet.
Hij zocht zijn gsm. Hij moest Lena bellen, haar stem horen.
“Vind je mijn haar niet mooi zo misschien?” vroeg ze teleurgesteld. “Is het niet de juiste kleur?”
Waar had hij zijn gsm gelaten? Niet op zijn nachtkastje. Hij zocht in de zakken van zijn jas, zijn broek die over een stoel hing. Daar was hij.
“Lena’s huid is bruiner, niet? Is het dat? Daar kan ik wel aan werken als je wil hoor...”
Hij ging niet aan, de batterij was leeg.
Hij vloekte. Hij moest Lena bellen. En de politie – plots besefte hij dat hij de politie moest bellen.
Bij de buren dan maar. Hij stormde naar de voordeur.
Op slot. Er zat geen sleutel op. Hij haalde nooit de sleutel van de deur als hij thuis was.
Hij begon als een waanzinnige aan de deur te rammelen – tevergeefs.
“Ik denk dat je best even rustig aan doet,” zei het meisje kalm.
Hij keek naar haar.
Ze lag nog steeds op het bed, in exact dezelfde pose. “Het was gemakkelijker geweest als je me geloofd had, maar goed...”
Ze draaide zich op haar zij en keek hem aan. “Luister, lieverd, ik ben helemaal van jou en ik doe alles wat je wilt in dit bed, oké? Ik beloof je dat ik stukken beter ben dan die Lena van je.” Terug die zelfverzekerde, ietwat hautaine toon. “Maar als je zo bezorgd bent over haar, kan je best even doen wat ik zeg: er wordt niet geschreeuwd, er wordt niemand gebeld, en we gaan nergens naartoe. En geen woord meer over haar.”