Iedere ochtend wacht het voorverwarmde gareel
op nekken die niet uitgestoken worden
ook vandaag worden de kleine lettertjes niet gelezen
en dopt men lusteloos in de inkt van een voorgeschreven leven
het neonlicht zoemt waarover men niet meer spreekt,
blikt neer op geplande bezigheid,
als een verheven schijnsel dat zich bewezen prijst
vermaakt en ingeduffeld botsen we op kiezels, ingeslikt tot galstenen
met alles dat we eruit halen, kunnen we onszelf inhalen
op de rand van elke inzinking groeit er vertrouwen in de onpeilbare diepte,
het zwart waarin de vergeten scepter slaapt
genummerd en verzekerd de afgrond mijdend, zo wordt de waan verteerd,
een zeemzoete afleiding die zuur opspeelt
dit is geen grond om op te landen, het is hier ontaard
gebonden aan een verharde leidraad die doorheen een landschap
van uitgebrande kraters kraakt, te strak rondgedraaid
onomwonden omgeleid langs het oude weten
met de vraag naar meer als koud advies in zachte plooien,
en de zwaarte van wil en dank in onze schoenen,
schuifelen we zonder richting achterwaarts

