Over KarolienDeman

Momenteel leg ik de laatste hand aan mijn tweede boek genaamd ‘Definities’. Het is een woordenboek van 111 termen die via diepgaande existentiële contemplatie worden ontleed, gaande van Aarding tot Ziel.

‘Auto-immuun: van ziekte naar inzicht’ was mijn eerste boek en behandelt mijn ervaring met chronische ziekte en de inzichten die daaruit voortkwamen. Hoewel het een boek is met een totaal andere invalshoek, vormt het zoeken naar diepere betekenis en zingeving ook daar een rode draad.

Mijn essays en gedichten vertrekken vanuit dezelfde drijfveer: het onderzoeken van wat schuilgaat achter de zichtbare werkelijkheid. Mijn schrijfwerk bevindt zich op het kruispunt van filosofische analyse en esoterische intuïtie. Het is analytisch van aard, maar steeds verankerd in een intuïtieve en ervaringsgerichte basis. Centraal staat het belichten van de spirituele essentie van de mens, voorbij conditionering en materiële identificatie.

Mijn academische achtergrond ligt in het artistieke veld, met een master en postgraduaat in de beeldende kunsten. De interesse in het metafysische weerspiegelt zich ook in mijn creatieve praktijk. Een kunstopleiding leek mij altijd een logische keuze, omdat het ruimte biedt om de grenzen van conventioneel denken in vraag te stellen.

Wanneer een lezer herkenning vindt in mijn teksten, ervaar ik dat als een moment waarop onderlinge verbondenheid zichtbaar wordt. Die verbondenheid kan bemoedigend werken en tegelijk helderheid brengen in persoonlijke processen.

www.karoliendeman.com

Opleiding

Master in de beeldende kunst en postgraduaat in tentoonstelling en beheer van actuele kunst

Publicaties

boek 'Auto-Immuun, van ziekte naar inzicht' bij Willems Uitgevers

Prijzen

Teksten

Een traktaat over het bewust omgaan met de fysieke drager

1.      Als hoeder van een soeverein lichaam ben ik mij bewust van de tijdelijkheid van dit vehikel dat mijn ervaringsveld afbakent. Dit doet echter geen enkele afbreuk aan de onvoorwaardelijke liefde waarmee ik mijn verschijningsvorm omring. Tegelijk weet ik dat het bewustzijn van waaruit ik nu spreek deze grenzen van tijd en vorm overstijgt. Ik ben niet dit lichaam. 2.      Als hoeder van een soeverein lichaam heb ik het zeggenschap over wat er met mijn lichaam gebeurt en hoe het behandeld wordt. Zonder mijn bewuste en vrijwillige toestemming is er geen enkele externe bron die over deze hoedanigheid beschikt. Indien ik door uitzonderlijke omstandigheden niet bij machte ben om die toestemming te geven, dient er steeds een universeel respect voor de natuurlijke intelligentie van het lichaam vooropgesteld te worden. 3.      Als hoeder van een soeverein lichaam draag ik de verantwoordelijkheid voor het welzijn van dit lichaam. Ik zie erop toe dat er gehandeld wordt naar de grenzen en noden van mijn lichaam en ben mild voor mezelf als mij dat om bepaalde redenen toch niet lukt. Fundamenteel draag ik de intentie om dit lichaam gezond te houden en tijdig te voorzien van dat wat voedend, heilzaam en herstellend is. Eigenliefde is de bron van waaruit ik mijn lichaam benader. 4.      Als hoeder van een soeverein lichaam heb ik vertrouwen in de natuurlijke intelligentie van dit lichaam en tracht ik hier naar te handelen. Ik raadpleeg mijn lichaam als bron van informatie die het rationele denken overstijgt en stel mezelf open om boodschappen van mijn lichaam te ontvangen. Ik accepteer dat heling geen lineair proces is en hecht waarde aan zowel de subtiele als minder subtiele gewaarwordingen in mijn gevoelsveld.  5.      Als hoeder van een soeverein lichaam behoed ik dit lichaam voor schadelijke externe intenties en ga ik bij het lichaam zelf ten rade om dat onderscheid te kunnen maken. Ik raadpleeg daarvoor mijn intuïtie en bij twijfel zoek ik naar heldere informatie die intern resoneert. De heilzame keuzes kenmerken zich door hun ongedwongenheid en vertrouwen in het lichaam en zijn niet gefundeerd op angst of een plichtsgevoel. 6.      Als hoeder van een soeverein lichaam draag ik de wetenschap dat dit lichaam holistisch verbonden is met mijn denk- en gevoelswereld, met voorouderlijnen en alle externe verschijningen. Dit lichaam maakt deel uit van een oneindig creatief geheel en reageert cyclisch en natuurlijk mee met de bewegingen van dat geheel. Via mijn lichaam kan ik niet alleen gewaarworden wat er speelt in mijn persoonlijk veld, maar ook wat er zich roert in het collectieve veld. 7.      Als hoeder van een soeverein lichaam beschouw ik geen enkele kwaal of fysieke beperking als een ‘fout’ van het lichaam, omdat ik weet dat elke ervaring zijn betekenis en waarde heeft. Omdat de intelligentie en beweegredenen van het lichaam, die verbonden zijn met een universeel geheel, het menselijk perceptievermogen overstijgen, is twijfel niet gegrond. Zelfs al kan ik vanuit deze vorm het geheel niet overzien, toch weet ik dat de reacties van het lichaam vanuit een dieperliggende waarheid voortkomen en behandel ik elke fysieke reactie als betekenisvol. 8.      Als hoeder van een soeverein lichaam bescherm ik dit lichaam tegen commerciële exploitatie. Mijn lichaam is geen handelswaar, noch verbindt het zich aan een contract of verdienmodel. Mijn lichaam is niemands bezit en wordt beschermd tegen de invloed van opportunistische belangen. De essentie van het lichaam overstijgt cijfers, statistiek en elke vorm van dataverwerking.  9.      Als hoeder van een soeverein lichaam sta ik in voor het waarborgen van de natuurlijke vrijheid die mijn lichaam toebehoort. Ik zal waken over de helderheid van mijn perceptie en steeds gegrond trachten in te schatten welke keuzes of overtuigingen deze vrijheid inperken. Ik ben verantwoordelijk voor het bewaken van mijn lichamelijke vrijheid en belichaam die verantwoordelijkheid in een levenshouding. 10.   Als hoeder van een soeverein lichaam volg ik het ritme van mijn lichaam. Uit liefde voor mijn lichaam koppel ik mij los van externe maatstaven die natuurlijke cyclussen overschrijven. Een natuurlijk ritme staat los van planning, verwachting en werkdruk. Mijn lichaam zal rusten als het om rust vraagt, ook als dat indruist tegen overtuigingen, verwachtingen en gewoontes. Ik tracht mijn keuzes en reacties af te stemmen op een gezond en authentiek ritme en vind manieren om dit gebalanceerd te integreren in de praktische werkelijkheid. 11.   Als hoeder van een soeverein lichaam weet ik dat het lichaam, in elke toestand, steeds een perfecte creatie is. Er kunnen wel ideeën en verwachtingen gekoesterd worden die perfectie omschrijven, maar vanuit universeel standpunt is elk natuurlijk lichaam volmaakt in zijn huidige toestand. Alle mogelijke wijzigingen, modificaties, manipulaties of correcties aan het lichaam die niet geworteld zijn in hoogbewuste vrijwilligheid worden voor de hoeder van een soeverein lichaam als ongewenst beschouwd.  12.   Als hoeder van een soeverein lichaam sta ik erop dat elke medische behandeling en interactie gefundeerd is op nederigheid en respect ten opzichte van het lichaam. Dat begint al bij de manier waarop het lichaam taalkundig aangeduid wordt. Het lichaam is geen ‘case’, geen nummer, noch is het woord ‘patiënt’ passend. Het lichaam is de unieke verschijningsvorm van een entiteit die tijd en vorm overstijgt. Het is een sacraal instrument waarvoor er ontzag en verwondering kan opgebracht worden. In plaats van ‘dokters en patiënten’ zouden we bijvoorbeeld kunnen spreken over ‘genezers en ervaringsdragers’. In het beste geval zijn de genezers eveneens ervaringsdragers. 13.   Als hoeder van een soeverein lichaam weet ik dat ik dit lichaam kan helen. Het zelfherstellend vermogen van het lichaam kan op een bewust niveau bekrachtigd worden met aandacht en intentie. Elk lichaam is ontvankelijk voor aandacht en intentie. Het zijn primaire genezingskrachten. 14.   Als hoeder van een soeverein lichaam ben ik mij bewust van de invloed van taal en waak ik over de woorden die ik gebruik wanneer ik over mijn lichaam spreek. De specifieke energie die met een woord verbonden is, kan zowel een magische spreuk als een beperkende vloek zijn. Ik kies er daarom voor om mij te omringen met anderen die zich even bewust zijn van de kracht van taal en ze heilzaam hanteren. Karolien Demanhttps://www.karoliendeman.com/blog/2026/5/22/hoeder-van-een-soeverein-lichaam(Door mij bijgesneden) foto van www.talesofaperture.com

KarolienDeman
0 0

Mijn focus groeit uit ruis

Ik leg mijn oor tegen de grond, beluister muren en hoeken. Na het ontkoppelen van diverse stekkers en het onderzoeken van toestellen in en rond huis concludeer ik dat het geluid niet van bij mij komt. Toch blijf ik zoeken en raden. Mijn brein denkt controle te kunnen verwerven door het te begrijpen. Maar het is zoals met de diagnose van een ziekte: het benoemen en categoriseren van kwalen, lost ze niet op. Iets begrijpen garandeert niet dat je het kan transformeren. Het geluid is nieuw sinds een aantal weken. Er was al een constant laag gezoem waar ik doorheen de jaren vrede mee gesloten heb, vergelijkbaar met een generator die ergens in de verte staat te trillen, maar nu is dit geluid erbij gekomen. Het nieuwe geluid klinkt als een soort waterpomp die met onregelmatige intervallen aan en af slaat. Het is dat onregelmatige ritme dat het zo doet opvallen. Van het moment dat het geluid stopt, valt de reeds geaccepteerde soort van ‘stilte’ van voorheen weer als een warm deken over me heen. Het stopt telkens slechts voor enkele minuten of seconden. Mijn gekke geest kwam al op het idee om de intervallen van stilte te timen, om te zien of er misschien een patroon in zat. Allerlei absurde ideeën dienden zich aan met de wens om te begrijpen wat ik niet kan veranderen. Als het op omgaan met geluidsoverlast aankomt, voel ik me doorleefd. Levend als een hypersensitief wezen in een druk bevolkte welvaartsmaatschappij, waar iedereen wel over één of andere zeurende machine beschikt die instaat voor comfort of onderhoud, waar eenzame blaffende honden meer regel dan uitzondering zijn en bluetooth speakers vrolijk beats de ether in knallen, heb ik al heel wat training in wat je ‘mindfulness’ zou kunnen noemen, achter de rug. Met enige trots en opluchting dacht ik mezelf verlost te hebben van de frustratie over lawaai. Ik was door processen gegaan en had mijn focus weten te verleggen. Want dat is dan ook het sleutelwoord van dit hele gegeven: focus! Wie zijn focus kan beheersen is een vrij mens, zo klinkt het inzicht dat eruit voortkwam. Maar na een aantal lessen vruchtbaar te hebben afgerond, komt natuurlijk het examen. Het levensspel brengt van tijd tot tijd een uitdaging die ik een ‘bosslevel’ noem. Een level of stadium dat alle voorgaande oefeningen en lessen samenvat in één groot monster van een uitdaging. Alsof het universum wil testen of de transformatie die ik doorgemaakt heb wel gegrond is, stevig geworteld zit. Dit nieuwe geluid test mijn mentale oriëntatie. Het laat zich niet uitblokken met oordopjes, integendeel, ik hoor het zelfs nog beter met afgesloten oren. Ook lijkt mijn huisje als een soort klankkast te fungeren, want ik hoor het ook beter binnenshuis dan buiten. Ik vermoed dat de trillingen via de grond tot mij komen en zo doorheen mijn gebeente vibreren. Er is geen fysieke manier om eraan te ontsnappen, tenzij misschien verhuizen dan, een gedachte die doorheen de jaren wel eens de kop opstak. Maar het idee dat ik niet kan vluchten van triggers zou met mij mee verhuizen. De triggers zouden enkel veranderen, niet verdwijnen. Want de sleutel ben ikzelf natuurlijk, niet mijn omgeving. Paradoxaal genoeg woon ik al op een plek die mensen als ‘rustig’ omschrijven, in een klein huisje in de natuur, maar het blijft wel het immer bedrijvige Vlaanderen. Deze tekst had ik een paar dagen geleden als oninteressant gezeur van een overprikkeld mens geklasseerd en wou hem dan ook half geschreven laten liggen. Ware het niet dat ik online op een artikel botste waarin beschreven wordt hoe een ondefinieerbaar laag brommend geluid een man tot waanzin drijft. Die man was overgegaan tot stappen die voor mij geen optie lijken, zoals het contacteren van instanties. Maar er was alsnog geen verlossend antwoord gekomen. In het artikel werd het probleem serieus genomen, men had er zelfs een term voor: LFG of laagfrequent geluid. Het zijn geluiden tussen de 20 en 125 Hz, lage tonen die zeer grote afstanden kunnen afleggen en dwars doorheen muren en isolatie trillen. Toen ik de reacties onder het artikel opende, vond ik tot mijn verbazing sympathieke bijval in plaats van de ongevoelige kritiek die ik had verwacht. Tal van mensen leken hiermee te maken te hebben. De erkenning en herkenning die ik vond via dit artikel trok me over de schreef om er toch over te schrijven. Het lijkt mij dat de sensitiviteit van het collectief gestaag aan het verscherpen is, dat er met andere woorden steeds meer mensen gevoeliger worden. Die verhoogde gevoeligheid uit zich in de eerste plaats vaak in ongemak, maar het is dankzij dat ongemak dat er uiteindelijk transformatie of vergroting van het bewustzijn kan plaatsvinden. Gevoeligheid krijgt langzaam maar zeker weer een plaats in deze met ratio dicht geplamuurde maatschappij. Het is een traag proces dat mij enige hoop geeft.  Overlevend tussen warmtepompen, windturbines, koelinstallaties, generatoren, compressors, ventilatiesystemen, dreunend vrachtverkeer, servers, ongedierteverjagers, elektriciteitscabines en tal van andere machinerie, krijgt het zenuwstelsel van een fijngevoelig mens dagelijks heel wat te verduren. En dan zijn er nog de ultrasone trillingen die we niet kunnen horen, maar die het lichaam wel opvangt. Geen wonder dat ik zo snel op de grenzen van mijn energievoorraad bots. Er is zoveel dat ik onbewust te verwerken krijg. Iets uitblokken of negeren kost natuurlijk ook energie. Onlangs werd ik eraan herinnerd dat iets uitblokken of negeren niet hetzelfde is als de focus verleggen. Ik vind het niet evident om dat verschil te omschrijven. Het lijkt me dat negatie alsnog een soort van onzichtbare energetische verbinding in stand houdt met het te negeren onderwerp. Het negeren of uitblokken blijft doorgaan zolang het te negeren onderwerp zich voordoet. Terwijl ik het verleggen van de focus als een onafhankelijk zoeklicht kan zien, als een soort spot die zich ergens op richt. Het licht, of de aandacht, die ik op een bepaald onderwerp laat schijnen is niet verbonden aan een externe situatie. Dat licht is er altijd, het schijnt onvoorwaardelijk.  Dat licht is de aandacht of focus die ik ergens aan kan schenken. Ik kom erop uit dat dit het meest waardevolle is dat ik ‘bezit’. Of dat ik ben? Ik zie mijn licht niet schijnen zoals een lamp, maar eerder als een projector, want ik creëer tegelijk ook wat ik zie. Dit projector-gegeven zou ik nog verder kunnen uitdiepen, maar het punt dat ik hier wil maken is: leven is schijnen en creëren. En  meester zijn over de focus is cruciaal in deze wereld om gezond te blijven. Er zijn immers maar al teveel afleidingen, zoveel dat om onze aandacht roept.  Waar mijn aandacht naartoe gaat, daar gaat mijn licht, energie en levenskracht naartoe. De lage bromtoon die zich nu als extra afleider in mijn leven heeft aangediend, kroon ik tot de zoveelste motivator om mij te focussen. Het had de druppel kunnen zijn die mijn emmer vol prikkels en uitdagingen deed overlopen, maar ik kies er bewust voor om het een stimulans te laten zijn die mij naar binnen drijft. Het herinnert mij aan de kracht van mijn focus en de vrijheid die er is om die op elk mogelijk onderwerp te schijnen. Ik zet daarmee ook de spot op het ongenaakbare in mij: dat wat immer stabiel, stil en oneindig is. Het is mijn essentie die al het vergankelijke ervaart, maar in wezen altijd heel en volledig is.  Ik kan het misschien wel lyrisch verwoorden, maar natuurlijk is er ook weerstand, frustratie en boosheid. Het is van belang gebleken dat deze emoties en gevoelens in beweging blijven. Erin blijven hangen door ze dagelijks te voeden met aandacht is moordend. Ik kan ze op z’n minst als een vruchtbare ondergrond gebruiken. Zo bevat het vuur van boosheid een stuwkracht die de koers van mijn aandacht kan wijzigen. Een boosheid die zegt: ik laat me niet afleiden, leegzuigen of verstoren. En de weerstand en frustratie tonen mij waar er oude energieverslindende patronen liggen waarmee ik mezelf hinder. Patronen die mij zodanig uitputten dat ik het verlangen om iets te veranderen bij mezelf sterker voel worden. Het is de wrijving die de stroom vertraagt en doet stilstaan bij wat er getransformeerd wil worden. Het gaat natuurlijk met ups en downs. De ene dag is mijn focus al wat scherper dan de andere. Het is een proces. Zonder enige rustpunten in dat proces is het niet leefbaar, die moeten er op één of andere manier wel zijn. Tussen alle herrie vind ik gelukkig wel nog gaten of intermezzo’s van waaruit ik alles kan laten bezinken en opnieuw rangschikken volgens prioriteit. In de spaties van het bestaan vind ik de klaarheid die nodig is om mijn focus scherp te stellen. Het is eigenlijk zoals het afstellen van een lens. Iets ontwijken, afblokken of proberen te negeren zijn als vlekken op die lens. Het bekrachtigen en verfijnen van onze projectorlens is een ander werk dat volgens mij zuiverend werkt. Zoals je wel doorhebt, gaat deze tekst niet over geluidsoverlast, maar over innerlijke focus. De geluidsoverlast was in dit geval het middel of de uitnodiging om daartoe te komen. En zo beschouw ik elke externe uitdaging als een motiverende duw richting mijn essentiële Zelf. Ik heb niet het gevoel dat ik alles al helemaal klaar zie, laat staan dat ik dit kan beschrijven zonder mezelf ergens tegen te spreken. Ik vertrouw er hier weer op dat er tussen de lijnen gelezen kan worden. Dat je als lezer doorheen de woorden prikt en daarbij misschien de herkenning voelt die verbondenheid bevestigt. Want de bewegingen van persoonlijke processen deinen steeds uit in de poel van het collectief. https://www.karoliendeman.com/blog/2026/5/18/mijn-focus-groeit-uit-ruisFoto door Dries Luyten

KarolienDeman
0 0

Wat echt is en wat niet

Wat echt is en wat niet; het is een onderscheid dat gemaakt kan worden in deze wereld. En aangezien alles hier ondersteboven staat, is het onechte dat wat zich als ‘echt’ profileert. En het echte wordt als onecht weggelachen. Wat echt is dringt zich niet op. Het echte is quasi onzichtbaar. Deze ochtend zag ik iets bewegen in mijn living. Het leek op witte rook, maar dat was het niet. Het was een lang lusvormig ‘iets’, het deed me denken aan het oog van een naald. Het was er maar voor een fractie van een seconde, ik zag het voordat mijn brein het wou be-grijpen. Toen ik ernaar reikte en voelde op de plaats waar het was geweest, viel mij plots een besef binnen. Ik besefte dat alles op hetzelfde moment bestaat, op dezelfde plek. Ik kan wel voelen en focussen op een detail, maar al het andere bevindt zich daar ook. Werkelijk Al dat is. Bij deze aanzet voel ik meteen hoe mijn woorden nog niet half het inzicht dat mij toen helder werd kunnen uitdrukken. Toch zijn het inzichten van die aard die zinnen in mij wakker maken en zal ik hier trachten het ‘weten’ dat ik voelde, toen ik naar dat lusje reikte, vorm te geven. Leven in deze fysieke wereld betekent dat je een minuscuul klein fragmentje ervaart van alles dat zich afspeelt. Ik wist dat ik in het Alles reikte en dat ik een ontiegelijk klein fragment van het totale bewustzijn wou voelen, en daarbij Al de rest negeerde. Ik zocht naar dat fragmentje, dat lusje, dat zich schijnbaar op een andere frequentie afspeelde omdat het niet zichtbaar was met fysieke ogen, tenzij de mind uitstaat. De mind is de filter die ervoor zorgt dat we het merendeel niet waarnemen, maar enkel een klein driedimensionaal veld. We zien slechts een flinterdun laagje van het oneindig grote geheel. Dat flinterdunne laagje ervaar ik nu in de vorm van een mensenleven met een indruk van tijd en ruimte. Het is een ervaring die het bron-bewustzijn schept, maar eigenlijk is er geen tijd noch ruimte. Er is alleen de ervaring daarvan. Net zoals de plaatsen die we in onze dromen bezoeken ook geen fysieke ruimte innemen. Elke omgeving is een ervaring die nu plaatsvindt.  Alle persoonlijke materiële vormen waaraan ik mij hecht, zoals mijn woning, mijn lichaam, het lichaam van mijn partner, zijn niet ‘echt’, ze zijn deel van een tijdelijke ervaring. De ervaring verandert continu en is relatief. Elke ervaring is immaterieel, maar doet zich als materieel voor. Elke ervaring is een illusie, doch het woord illusie heeft een negatieve bijklank en misschien kan ik beter ‘creatieve voorstelling’ als term gebruiken. Elke ervaring is een voorstelling die gecreëerd wordt door creatief bewustzijn. Het vergeten dat de ervaring in essentie niet van materiële aard is, zorgt voor een immersieve ervaring. De overtuigingskracht van de ervaring wordt rechtgehouden door het vergeten. Zonder het vergeten konden we Niets ervaren. En datzelfde Niets is juist de krachtbron achter het hele spektakel van de levenservaring. Al die ogenschijnlijke materie die het decor vormt van deze ervaring vraagt om onderhoud of om een vorm van manipulatie. Van het doen van de afwas tot het onderhouden van mijn lichaam. Zelfs al hecht ik mij zo min mogelijk aan materie, dan nog kan ik de manipulatie en interactie met de illusoire materie niet ontwijken. Om te ervaren dien ik een droom vorm te geven. Ik moet kneden en sculpteren in de klei van onechtheid. Fantaseren of dromen is in feite doelloos creëren. Je kan je hele leven wijden aan een meesterwerk, maar dan word je plots wakker en besef je dat er niets materieel tastbaar is als resultaat. Alles wat je hebt opgebouwd blijkt niet te bestaan en nooit bestaan te hebben. Het enige dat rest is de ervaring. Mocht je komen te beseffen dat dit met alles zo is, dat er in wezen niets tastbaar bestaat of zal bestaan, zou je dan stoppen met creëren? Geeft de ervaring louter op zichzelf voldoende motivatie om iets te scheppen? Of is de illusie van een tastbare wereld vereist om het gevoel te hebben dat er wel degelijk gewicht in de schaal ligt? In de ‘onechte’ wereld draait alles om resultaat en het najagen van illusies. Het echte raakt door materiële verlangens en tastbare ‘zekerheden’ ondergesneeuwd. Er heerst een soort van vrijwillige slavernij waarbij vrijheid wordt ingeruild voor materieel bezit. Ook is er de energie van het collectief, een co-creatie waar je als individu niet omheen kan. Maar wat als je nergens rekening mee hoefde te houden en je niets kon scheppen dat blijft bestaan, zinvol of functioneel is? Is het voor te stellen wat je dan zou doen? Het diepe besef van hoe het is om doelloos en onthecht in een immer vergankelijke en zinloze wereld te leven is moeilijk voor te stellen. Want we zijn geprogrammeerd om het onechte heel serieus te nemen. Zo serieus dat we er onze ware verlangens door vergeten. Maar stel dat het je lukt om je zo’n wereld voor te stellen. En je daarbij de vrijheid kan voelen van immer openliggende mogelijkheden, zonder dat er ooit iets ‘moet’. Zonder dat er iets mee te winnen of bereiken valt, omdat alles enkel draait om de ervaring. Wat zou je dan doen? Met welke acties zou je de illusie van tijd en ruimte vullen? En wijken die acties dan erg af van wat je vandaag in je leven doet? Als de illusie jou goed in haar greep heeft, dan zou dat inderdaad zo moeten zijn. Als de vergetelheid het fundament is waarop de perceptie van jouw bestaan steunt, dan is deze tekst cryptisch en kan je er weinig bij voorstellen.  Ten dienste staan van de materie, de materie voeden, ze onderhouden en haar vrezen te verliezen: daar kunnen ettelijke mensenlevens aan gewijd worden. Meerdere incarnaties. En dan na al die ervaring komt op een gegeven moment weer de herinnering: ‘hey, er is helemaal geen materie!’ Betekent dit dat ik mijn praktische taken zoals de afwas doen, mezelf wassen en spullen opruimen laat vallen? Nee, het besef verandert weinig en veel tegelijk. Op materieel vlak is er zichtbaar geen verschil, de verandering zit in het bewustzijn. Alles wat echt is blijft onzichtbaar voor het onechte. Maar het echte ziet wel wat onecht is.  Het besef dat er niets bestaat buiten de ervaring brengt geen plotse verlichting waarmee je oplost in het Niets. Ik heb dat besef en ik ben ‘hier’ nog, vrezend en mij hechtend, doch wetend dat dit leven zoals een droom is en dat alle fysieke labeur en pijn tevergeefs is. Ik zei het al eerder: iets weten is geen garantie om het consequent als een levenshouding te belichamen. Het is slechts het begin van het proces dat je ontwaken zou kunnen noemen. En iets zegt mij ook dat een volledig ontwaakt bewustzijn in het Niets ‘vervalt’ en dan weer, puur voor de ervaring, over ‘iets’, zal beginnen dromen. Zelfs het ontwaken is eigenlijk een doelloos gegeven. Er is geen eindpunt, enkel een oneindige rijkdom aan belevenissen.  Ervaring vraagt om dualiteit. Want ervaring - bestaan op zichzelf - is wat mij betreft altijd duaal. Het Niets dat zich voorstelt ‘iets’ te zijn, kan dat enkel in relatie tot iets anders. Vanuit dit standpunt lijkt er enkel de binaire keuze te zijn tussen iets en niets. Tussen bestaan of niet bestaan. Als ik denk dat ik de keuze heb, dan kies ik voor bestaan. Maar dan wel onder voorwaarden. Zo zou ik voor plezierige ervaringen kiezen natuurlijk. En dat kan! Maar voor hoelang? Hoeveel levens en vormen wil ik ervaren terwijl ik voornamelijk voor slechts één helft van de duale totaliteit kies? Hoeveel mooie dromen wil ik beleven alvorens het verlangen ontstaat naar een uitdaging die als moeilijk of pijnlijk kan beschreven worden? Lijkt het geen natuurlijke beweging om zowel het gevoel van scherpe stenen als van zacht gras te willen voelen? Hoe kan ik gras trouwens zacht noemen voordat ik de hardheid van steen ken?  Ik weet dat de keuze tussen bestaan en niet bestaan, tussen duaal en non-duaal, geen keuze is, maar een evenwichtige onverwoordbare toestand. Ik ben zowel Niets als iets tegelijkertijd. Er is niets te kiezen, want alles is er altijd op hetzelfde moment. Het bron-bewustzijn, de schepper van dualiteit, kiest niet. Het omvat werkelijk alles en sluit niets uit. Het is absolute onvoorwaardelijke liefde die de mogelijkheid schept om voorwaarden te bedenken. Om alles te bedenken wat het maar belieft en niet belieft. Zonder reden, zonder doel, noch heeft het enig nut. Ook wij mensen, met onze hersenen, hebben de natuurlijke neiging om vanuit niets iets te scheppen. Ontneem de zintuigen hun prikkels en er zullen op den duur vanzelf prikkels ‘bedacht’ worden. Het lijkt eigen aan bewustzijn om te gaan boetseren met de klei van het Niets. Het onderscheid tussen hallucinatie en echt staat eveneens op zijn kop in de praktisch denkende wereld. Zoals je wel merkt, hou ik ervan om die grenzen te onderzoeken. Om wat gewichtig lijkt als een illusie te zien. En wat licht, efemeer en subtiel is serieus te nemen. Zoals het witte lusje dat even in mijn living verscheen.   www.karoliendeman.comFoto door www.talesofaperture.com, maar dan geïnverteerd

KarolienDeman
4 0

Zelfontwikkeling als de vruchtbaarste maatschappelijke interventie

Wat is jouw bijdrage aan de ‘maatschappij’? En wat houdt het juist in om een bijdrage te leveren? Ik zou denken dat het gaat over het maken van persoonlijke keuzes die ook een positieve invloed uitoefenen op het collectief. In het huidige mainstream narratief klinkt die bijdrage als een offer: persoonlijke energie en tijd die ten dienste staat van een collectief systeem. Het individu dat iets ‘inlevert’ en ‘opbrengt’; belastingen, diensten en goederen die de economie draaiende houden. Iedereen moet zijn steentje bijdragen. Welk steentje precies, dat moet je voor jezelf uitmaken, zolang je maar iets te dragen hebt. Wie niets bijdraagt profiteert. We hebben tegenwoordig te maken met een ‘solidaire afscheiding’. Juist omdat we het zogezegd voor een ander doen, verliezen we het contact met die ander. Klinkt dat bekend? Iedereen dient een offer te leveren door in zekere mate geoccupeerd te zijn met het bijdragen van zijn of haar steentje. Aan de toename van het fenomeen burn-out te merken, voelt het voor velen niet langer als een steentje, eerder als een blok aan hun been. Wat ooit een samenleving was, is een maatschappij geworden. Zoveel mensen die gebukt gaan onder hun werk- en levensritme en er tegelijk op toezien dat hun ‘maten’ het zeker niet beter hebben. De ‘maat’ in maatschappij verwijst nu naar een maatstaf waarmee het gewicht van jouw bijdrage wordt beoordeeld. De collectieve energie, die onder andere te lezen valt in reacties op sociale media, bevat veel bitterheid en afgunst. Als er bijvoorbeeld iemand aankondigt een camper te hebben gekocht en voortaan off-grid wil leven, dan wordt er spottend gewezen op de regels en verplichtingen die zo’n keuze bemoeilijken. Iemand die stiekem, of zeg maar onbewust, droomt van zo’n vrij leven, maar zichzelf diep heeft ingeprent dat zo’n levensstijl onmogelijk is, zal deze overtuiging ook op anderen projecteren. De beperkingen die mensen zichzelf opleggen, willen ze evenzeer een ander opleggen. Het gaat hier over beperkingen die aangeleerd en ingeprent zijn en dus in essentie niet eigen zijn. Het zijn in feite externe verhalen die zich zodanig prominent opdringen dat we ernaar zijn gaan leven. Ik zie hoe beperkingen die van ‘bovenaf’ komen, gestuurd door autoritaire krachten, eigen gemaakt en verdedigd worden alsof het gaat om een persoonlijke waarheid. Mensen die ontwaken uit deze massahypnose, en dat zijn er steeds meer, voelen hoe onnatuurlijk de druk is die het systeem uitoefent. Mensen blijven soms in een destructieve relatie omdat het alles is dat ze hebben en kennen. Het alternatief is het onzekere onbekende. Liever de voorspelbare ellende, dan een sprong in het ongewisse. De relatie die mensen met het huidige systeem hebben, zal niet zomaar opgegeven worden. Uit angst voor verlies van comfort en zekerheid. De polariteit van vandaag gaat over de kloof tussen mensen die de relatie reeds hebben opgegeven en mensen die ze nog hartstochtelijk verdedigen. Niet authentiek kunnen leven levert frustratie op, en die frustratie zorgt ervoor dat men het anderen ook niet gunt. Men zit geklemd in de klauwen van een systeem dat alles dat natuurlijk is op zijn kop zet, onder het mom van zekerheid en controle. Intuïtief weten en voelen we dat,  ons lichaam bezit die natuurlijke intelligentie waarmee we het onderscheid tussen ‘echt’ en ‘onnatuurlijk’ kunnen maken. Dat verklaart ook de enorme toename aan auto-immuunziekten en andere welvaartsziekten. Onze lichamen schreeuwen dat er iets niet klopt. Maar op rationeel vlak zitten we collectief met diepe indoctrinatie en hypnose. Wat nu als ‘normaal’ wordt geaccepteerd, wordt overeind gehouden met drogredeneringen en angst. Angst voor het mogelijke ongemak van verandering. De sociale zekerheid is al lang niet meer sociaal in een wereld waar mensen elkaar verklikken en benijden. De meerderheid doet exact wat het systeem (of de overheid) verlangt, wat een kernzaak is in het ontwerp van dat systeem. Want de motor of batterij van het systeem bestaat uit de mensen voor wie het ontworpen is. Terwijl er wordt geploeterd in de materie, schuift de energetische kant van de realiteit naar de achtergrond. Menselijke energie is niet enkel te vergelijken met een motor of batterij, maar ook met een antenne. De energie die we uitzenden als we een authentiek vrij leven leiden, heeft een heel andere frequentie dan wanneer we ons beperkt en geforceerd voelen. De vraag naar wat iemand bijdraagt aan het collectieve veld, link ik daarom aan de energie die iemand de ether inzendt en niet aan fysieke prestaties. Iemand die de natuurlijke voeling met zichzelf verliest door hard te werken en in te staan voor anderen, draagt vanuit dat opzicht minder bij aan het collectieve energieveld dan iemand die vanuit zelfzorg en dankbaarheid thuis op de sofa zit. Een zienswijze die op heel wat weerstand kan rekenen! Weerstand die het product is van een prestatiegerichte maatschappij en niet van een gezond functionerende samenleving. Wat mij betreft zijn de handelingen die we uitvoeren ondergeschikt aan de manier waarop ze uitgevoerd worden. In een natuurlijke samenleving primeert de trillingsfrequentie of gemoedstoestand waarin taken worden uitgevoerd en voelt het leveren van een bijdrage niet als een sleur of uitputtingsslag. En omdat we allemaal anders zijn, zou het dan ook meer dan normaal zijn dat er verschillende ritmes naast elkaar bestaan, in plaats van één algemene maatstaf te hanteren. Het collectieve veld is de co-creatie waar we allemaal mee te maken hebben en soms op botsen. Er is momenteel een omwenteling gaande waarbij de vorm van die co-creatie wordt herzien. De moeilijkheid is natuurlijk dat er meerdere krachten aan het werk zijn. En dat veel krachtbronnen zich niet bewust zijn van hun kracht. Ik ben erop uitgekomen dat zelfvertrouwen en eigenliefde de efficiëntste middelen zijn die iemand ter verzachting van de huidige co-creatie kan inzetten. En dat het belangrijk is om goed te onderscheiden welke intentie, en dus energie, elke persoonlijke keuze en handeling drijft. Want het is die energie die je bijdraagt aan het collectieve veld. Ik zou daarom bewuste zelfontwikkeling de vruchtbaarste maatschappelijke interventie noemen. Het is de basis die vereist is om ook in de praktische sociale wereld een positief verschil te kunnen maken. Schaamte, angsten en schuldgevoelens die gepaard gaan met het ‘uitvallen’ door burn-out of ziekte, horen bij een wereld die natuurlijke processen ridiculiseert, ontmoedigt en onderdrukt. Het is een geprogrammeerde respons met een lage trillingsfrequentie die indruist tegen onze ware aard en bovendien heling bemoeilijkt. Wie de wereld wil zuiveren van donkere vlekken, dient zichzelf aan te pakken. Een uitzuivering van de eigen beperkende overtuigingen is het meest waardevolle dat je aan het collectieve veld kunt schenken. Ik wens dat je je dit herinnert op een moment dat jouw kern om een ‘nee’ vraagt terwijl jouw persona zich verplicht voelt om ‘ja’ te zeggen, en omgekeerd.  www.karoliendeman.com    

KarolienDeman
14 2

Mijn superkracht

Laatst zag ik de film ‘The Invisible Man’ op Netflix; het idee van onzichtbare, doch wel voelbare, entiteiten intrigeert me al heel mijn leven. Vooral de scène waarin het hoofdpersonage een gevecht aangaat met de onzichtbare man wekte een vreemd gevoel van herkenning op. Hoe vaak had ik al te maken gehad met energieën die zich rond mij begeven, hun invloed voelbaar uitoefenen, maar die niet zichtbaar, tastbaar of bewijsbaar zijn? Als kind had ik het hier heel moeilijk mee. Hier in deze wereld is het alsof ik geblinddoekt ben en mij op de tast doorheen sferen en energieën begeef. Dat kan heel kwetsbaar en onzeker voelen. De perceptie die deze menselijke vorm mij biedt is uiterst beperkt, schijnt zelfs nog minder dan 0,001 procent te zijn van het totale elektromagnetisch veld. Dus ja, het gros van de bestaansmogelijkheden zien we niet. Toch dringt deze werkelijkheid, deze materiële illusie, zich op alsof er niets anders is. Het leidt ons uiterst efficiënt af van alles dat niet in de illusie past. Wie zich kan afwenden van de afleiding en doorheen de illusie kijkt, verruimt en bevrijdt zichzelf. Maar het is vaak een proces met vallen en opstaan. Het proces van ‘ontwaken’, waar zovelen tegenwoordig de mond vol van hebben. Mocht ik een superkracht kunnen kiezen in deze wereld, dan zou ik voor onzichtbaarheid gaan. Omdat ik mijn aanwezigheid te midden van anderen als ontzettend intens ervaar. En omdat afwezigheid, zonder daarbij op te houden te bestaan, me een rustige toestand lijkt. Geen ogen die op mij gericht zijn en toch erbij zijn. Vrijgesteld van de penetrante blik van een ander. Geen haken of tentakels die zich aan mijn wezen kunnen hechten. Ik stel me voor hoe het zou voelen mocht ik mij in een groep blinden bevinden. Het zou me geruststellen dat ze mij, mijn blik in het bijzonder, niet konden zien. Mijn blik die door zienden wél ‘gevangen’ wordt. De blik waarlangs er van alles uitgewisseld wordt. En dat uitwisselen, vooral de intensiteit ervan, overweldigt mij vaak. Het put mij uit, waardoor ik dan uit het zicht van anderen weer moet opladen. Om mij dan later, met frisse authentieke energie, weer in het gezichtsveld van anderen te ‘moeten’ begeven. Dit is voor mij een vermoeiend cyclisch menselijk gebeuren, een uitdagend proces waardoor ik mezelf beter leer kennen. Waarnaar de blik gaat, is waar de energie van de ziel naartoe gaat. Aandacht is energie van de ziel. Geen wonder dat er zoveel in het werk gesteld wordt om ons af te leiden. Elk scherm is een zwart gat waarin die energie opgezogen wordt. Onzichtbaarheid gaat over niet gezien worden, maar er wel zijn. Wat niet gezien wordt, krijgt geen aandacht. En misschien krijg ik te veel aandacht, wat me overprikkelt en ik niet goed kan verteren. Te veel om op in te gaan, te veel dat om een reactie vraagt. Daarom triggert de zin ‘ik wil je zien’ mij zo. Het is het uitgesproken verlangen van de ander om zijn blik aan mij te haken, bij mij energetisch binnen te dringen. Uiteraard is connectie mooi, is verbinding met anderen voedend en ontzettend waardevol. Verrijkend en verwarmend. Dat en nog veel meer. Maar mijn gevoel zegt dat het te veel is. Terwijl mijn angst nog steeds ‘verlies’ predikt. Onzichtbaar willen zijn, gaat ook over de perceptie van anderen willen controleren. Bepalen wat zij mogen zien en wat niet. Want wat zou er gebeuren mochten zij zien en ervaren wat ik niet wil dat zij zien en ervaren? Dat zou een messcherp oordeel kunnen opleveren. Dus mijn superkracht zou eigenlijk gebaseerd zijn op angst voor het oordeel van anderen. No surprise there. Dat oordeel van anderen schrijf ik blijkbaar veel macht toe. Het woord ‘messcherp’ doet me ook denken aan mijn operaties. Ik liet toe, omdat ik schijnbaar geen keuze had, dat ze in mij sneden en stukken weghaalden. Net zoals ik geen keuze leek te hebben, althans geen gunstige, om mijn yurts weg te halen. Het gaat hier allemaal om de waarde en het gewicht dat ik toeschrijf aan het oordeel van anderen. Mocht dat niet zo doorwegen, dan zou ik waarschijnlijk voor een andere superkracht kiezen, kunnen vliegen bijvoorbeeld. Nu denk ik er meteen bij dat ik onzichtbaar zou vliegen, zodat ze mij niet uit de lucht kunnen knallen. En alweer is daar die angst voor wat anderen me zouden kunnen aandoen. Die is niet zomaar weg te rationaliseren. Onzichtbaarheid geeft je ook de gelegenheid om dingen te zien en te ervaren die anders verborgen zouden zijn gebleven, door af te luisteren of ergens stiekem mee te kijken. Het lijkt me iets dat ik vooral in het begin zou doen, uit nieuwsgierigheid. Maar ik heb het idee dat het in teleurstelling zou uitmonden, en uiteindelijk is mensen bespioneren ook niet mijn voornaamste beweegreden om onzichtbaar te zijn. Met mijn onzichtbaarheid wil ik me in de eerste plaats juist van menselijk contact afschermen. Ik vind het bij het kiezen van een superkracht belangrijk om goed na te denken, echt je tijd te nemen voor de details. Het gaat hier immers over een superkracht, dus waarom zou je binnen bepaalde grenzen blijven denken? Ik neem me daarom ook voor dat ik niet alleen mezelf onzichtbaar kan maken, maar ook objecten en andere mensen. Mijn superkracht bestaat dus uit het aan het oog onttrekken van massa. Wat bestaat, kan ik doen verdwijnen. Zo zou ik dan mijn yurts laten verdwijnen op het moment dat de handhaving komt controleren. Of er een koepel van onzichtbaarheid overheen gooien zodat ze ook vanuit de lucht niet gespot kunnen worden. Ik zou alles dat niet getolereerd wordt onzichtbaar maken, zodat er ook geen oordeel of verdict over gevormd kan worden. Zodat het in alle rust en vrede kan blijven bestaan, zonder iemand te storen. Met het onzichtbaar maken van andere mensen, doel ik niet op het laten verdwijnen van ongewenste contacten. Want ik kan met mijn superkracht niets echt definitief laten verdwijnen, ik kan alleen iets aan het zicht onttrekken. En bovendien kan ik daarbij ook bepalen wie nog steeds kan zien wat ik onzichtbaar heb gemaakt. De mensen die ik vertrouw kunnen nog steeds zien wat anderen niet meer zien. Ik zou geliefden in bepaalde situaties kunnen beschermen door hen onzichtbaar te maken. Het hele idee om objecten, personen en mezelf onzichtbaar te maken gaat fundamenteel over bescherming. Wat niet gezien wordt, blijft gevrijwaard.  De macht die anderen uitoefenen en hoe dat nadelig kan zijn voor mij: daar draait het vaak om in dit leven. Het is iets waar ik een kluif aan heb op het vlak van mijn persoonlijke ontwikkeling. Sommige mensen lijken daar helemaal geen last van te hebben, maar de meeste mensen wel. Massaal worden er de hele dag door tal van activiteiten uitgevoerd en keuzes gemaakt die niet authentiek zijn en bijdragen aan een beroerde toestand, maar die toch systematisch worden doorgezet omdat er anders gevolgen zijn. Gedreven door de angst voor boetes, sancties, straffen, ongemak, armoede, pijn, trauma en ander leed. In het algemeen gaat het over een dreiging die van autoritaire bronnen uitgaat. Hoe meer zeggenschap iemand (of iets) heeft, hoe gevaarlijker. Een pure bron zal nooit iets opdringen, noch ergens mee dreigen. De waarheid eist geen zeggenschap, schreeuwt of dwingt niet. Wat echt is, heeft geen reden om iets te manipuleren of voor te liegen. In een wereld die we thuis kunnen noemen, is er niets verplicht. Het is niet abnormaal dat het hier zo wringt voor mij in deze wereld. Wat niet waarachtig is, krijgt hier zeggenschap. Het krijgt die zeggenschap, vanwege de angst, en dwingt het onrechtmatig af. Het is iets dat ons constant boven het hoofd hangt.  Ik wil dus onzichtbaar zijn voor dat wat niet echt is. Ik wil uit het vaarwater van een opgedrongen oordeel blijven en tegelijk toch authentiek kunnen leven. Omdat ik geen onechtheid wil dienen of voeden, wil ik er ook geen aandacht aan geven of van krijgen. Zo zit dat met die superkracht. En het lijkt me logisch, ik begrijp mijn keuze. Maar daar strand ik dan. Op een strand van frustratie, onrecht en machteloosheid. Deze tekst had hier kunnen stoppen, ware het niet dat ik me weer een belangrijk inzicht herinner. Het inzicht der inzichten wat mij betreft, althans in deze materiële illusie. Het luidt: om het recht te zetten, moet je het op zijn kop zetten. Draai het om! Draai alles om wat in deze illusie als normaal gezien wordt, vooral dat wat men verplicht noemt. Doe het omgekeerde en je komt er beter uit. Echter. Puurder. Dat concludeerde ik voor mezelf. Het is een richtlijn die me veel houvast geeft in deze matrix. Het omkeren van gewoontes, ideologieën en overtuigingen is een geestverruimende oefening die in veel situaties toepasbaar is. Toen ik vroeger tijdens mijn kunstprojecten even vastliep, dan kon ik de inspiratie ook weer laten stromen door simpelweg te brainstormen over het tegengestelde van wat ik wilde bekomen. Dus daar, op het strand van frustratie, onrecht en machteloosheid, bouw ik een boot. Ik laat uit het niets een boot ontstaan. Ik doe het omgekeerde: in plaats van iets te laten verdwijnen, laat ik iets ontstaan. Het wordt geen reddingssloep, maar een heus comfortabel schip. Met dit schip vaar ik moeiteloos tegen elke stroom in. En kan ik veilig ankeren in woelige wateren. Mijn superkracht, eentje die ik reeds bezit en dagelijks toepas, bestaat uit het zichtbaar maken van het immateriële. Met mijn creatief voorstellingsvermogen schep ik energetische velden die een invloed uitoefenen op mijn realiteit. Een kracht die ik, afgeleid door de toeters en bellen van de matrix, schromelijk heb onderschat. Vanuit frustratie en angst fantaseer ik erover om dingen, inclusief mezelf, onzichtbaar te maken. Terwijl ik vanuit lichtrijke kracht en vertrouwen dingen juist zichtbaar maak en toevoeg. Dingen, of energieën, waarvan ik vind dat ze ontbreken en kunnen bijdragen aan, om het even met een cliché uit te drukken, meer licht en liefde. Als ik alles rechtmatig op zijn kop zet, dan zie ik helder hoe illusies in deze wereld voor echt aangezien worden en hoe wat echt is als een illusie wordt afgedaan. Als ik alles omdraai, dan houdt het steek. Voor mij is de materiële wereld een waanvoorstelling die een bron van waarachtigheid bedekt. Wat ik met mijn gevoelswereld waarneem, een wereld die zich laat vertalen naar vorm, textuur en kleur, is voor mij echter dan de plek waar ik me lijk te bevinden. Met mijn derde oog zie ik de dingen accurater dan met mijn fysieke ogen. De lichtkoepels die ik met mijn adem blaas, de kleuren en bewegingen van aura’s, de draaiende vortexen die we tijdens drumcirkels creëren, de wemelende energie in een ruimte, de magie die ontstaat tijdens rituelen, een heldere ingeving die als een boodschap binnenkomt, de intuïtie die waarschuwt zonder rationele verklaring, ... het zijn allemaal ervaringen die de materiële wereld overstijgen. Ze zijn te vinden in het vruchtbare veld van subtiliteit. In tegenstelling tot de om aandacht schreeuwende materiële wereld, fluistert de waarheid. Welke superkracht zou jij willen bezitten? En hoe zou je deze symbolisch kunnen omkeren tot iets waarmee je vandaag het collectieve veld verblijd?  De 3 runen die ik trok voor deze tekst waren: -            Perthro: wat (nog) niet zichtbaar is, het onvoorspelbare-            Ingwaz: vruchtbaarheid, innerlijke groei-            Wunjo: vreugde, harmonieFoto door Lieven Herreman

KarolienDeman
8 1

Het onderscheid maken om niet scheef te groeien

Alles transformeert vanzelf; beweging is een constante. Elk einde is een overgang naar iets anders. Alles wat bestaat, is bezig te verdwijnen en daarmee iets anders te worden. Transformatie is dus een natuurlijk proces dat zonder sturing geheel vanzelf plaatsvindt. In welke mate sturen planten hun groei? Is het de vrije wil die ons het gevoel geeft het transformatieproces een richting te kunnen geven? En als ik niet bewust zou sturen, welke groeipatronen zou ik me dan onbewust eigen maken? Sturen of niet sturen: het zijn twee manieren om om te gaan met dezelfde illusie. Omdat alles toch vanzelf beweegt, kan ik in overgave en vertrouwen loslaten en meebewegen. Maar vanuit diezelfde overgave en vertrouwen kan ik ook sturen en creëren. Besluiten dat er een balans tussen beide moet worden gevonden, brengt nu slechts afgestompte verzadiging. Ik wil nog niet naar het midden, maar eerst zo ver mogelijk naar de uitersten van beide polen toe. In een natuurlijke, open omgeving met zonlicht kan een zaadje gezond transformeren tot een sterke plant of boom. Maar wat als die omgeving niet zo natuurlijk is? Wat met stilstaand, artificieel licht dat nooit dimt? Licht dat geen richting aangeeft, maar de omgeving enkel van één kant belicht? Het zal de zaailingen, die in volle vertrouwen en overgave naar het licht reiken, scheef doen groeien en uitputten. Zouden de plantjes over de mogelijkheid en de vrije wil beschikken om zich af te wenden van het valse licht, als ze zich zelfstandig konden richten op een natuurlijke lichtbron, dan zouden ze zichzelf misschien kunnen redden. Mochten ze over de focus en kracht beschikken om het onnatuurlijke licht te negeren, omzeilen en te overstijgen, hoe prominent aanwezig het ook is. Zoiets valt uiteraard niet te verwachten van plantjes; de plantjes sterven dan ook als metafoor waarin wij een deel van onszelf herkennen. Het deel van ons dat, verblind door vals licht, scheef groeit en verschrompelt. De vraag is: beschikken wij mensen wél over de focus en kracht om ons af te wenden van artificieel licht? En ons opnieuw af te stemmen op het licht van de ware bron? Ik geloof van wel. Het bijsturen van de focus - van echt naar vals, of van onbewuste afleiding naar bewuste richting - doen we met de vrije wil. De vrije wil bestaat uit de ruimte tussen twee punten; of, om in het thema te blijven, tussen twee lichtbronnen. Bewust kiezen voor echtheid, of meegroeien in de richting die de omgeving aangeeft. Eenmaal er weet is van de ware bron - want bewust-zijn begint immers met die her-innering - kan men in vertrouwen moeiteloos, zelfs stuurloos, groeien. Maar vóór die zorgeloze manier van groeien kan worden belichaamd, dient volgens mij eerst het onderscheid tussen de lichtbronnen te worden gemaakt. Het maken van dat onderscheid vormt een ruw geschetste samenvatting van mijn leven. Het ongemak en de pijn van het groeien naar het onechte licht vormen de grootste motivatie om de scheiding tussen echt en vals te verscherpen. Kijk, het is in principe mogelijk om naar artificieel licht toe te groeien en zo te overleven. De overgrote massa lijkt het zo te doen. Ik zal ook niet beweren dat ik me nooit meer laat verblinden en verdoven door leeg, wit licht, maar ik wil me bewust blijven van het onderscheid en van de vrije keuze die ik kan maken om me af te wenden. Dat afwenden wordt echter een steeds zwaardere opgave wanneer er een zekere gewenning is ontstaan, wanneer in het artificiële licht comfort en gemak zijn gevonden. Dat is ook wat het artificiële licht predikt: dat je nooit meer voor jezelf hoeft te denken of te bewegen, enkel nog te focussen op het witte licht. Het eigen ritme is dan niet langer van belang, want het valse licht zal wel een ritme aangeven. Het is een ritme dat je laat overleven en je tegelijk voldoende uitput om het vuur van de keuzevrijheid te doven. En wanneer er nog slechts enkele smeulende kooltjes overblijven - zoals bij veel mensen vandaag helaas het geval is - dan is er veel ademwerk nodig om weer tot vlammende wilskracht te komen. Vandaar misschien het overaanbod aan breathwork-sessies. Maar om opnieuw aan te knopen bij de aanvang van dit stuk: als ‘ik’ (als een organisme dat licht nodig heeft) niet bewust transformeer, dan transformeer ik alsnog, maar waarschijnlijk in de richting van het valse licht. Bewust transformeren is keuzes maken en betekent dus sturen. En daar is dan weer die paradox, een dooddoener in ‘evenwicht vinden’: overmatig sturen leidt tot controleverlies. Volledig loslaten daarentegen, of het blind groeien in vertrouwen zoals de zaailingen, leidt tot misleiding. Het lijkt dan neer te komen op in vertrouwen in een natuurlijke richting groeien. Dus: eerst die richting onderscheiden, en dan - handen omhoog zoals in een rollercoaster - loslaten. Pas nadat de richting is bepaald, kan er in vertrouwen worden losgelaten. Toch voelt het niet alsof het daarna slechts een kwestie is van vrij en losjes meebewegen, eenmaal de natuurlijke richting is gevonden. Het zicht op die natuurlijke bron wordt vaak vertroebeld, en ik moet het proces van onderscheiden telkens opnieuw hernemen. Uiteindelijk merk ik wel vooruitgang in het sneller, intuïtief onderscheiden van ‘echt’ en ‘vals’, maar schijnbaar levend in een matrix waarin het artificiële licht zo fel schijnt, vraagt het blijvende inspanning om niet scheef te groeien. Dus stuur ik telkens met mijn vrije wil bij tot ik de ware lichtbron weer voor ogen heb, om daar in vertrouwen naartoe te groeien, terwijl ik weet dat ik in wezen nergens naartoe ga. Alleen de artificiële lichtbron heeft de intentie mij ergens naartoe te leiden. Het valse licht zet een spot op verhalen, plannen, rollen en wendingen - op dingen en personages die we kunnen worden. Het is voeding voor het ego. De natuurlijke lichtbron daarentegen verlangt niets en vermengt zich als lege zuiverheid met mijn verschijning. Het is het licht waarin ik als licht opga, en niet wordt beschenen als een object.Karolien DemanFoto door Toni Meert

KarolienDeman
12 0

Er zit veel meer in minder

‘Less is more’: het is een leuze waarmee composities, creaties en andere uitingen in hun essentie worden neergezet. Een enkele toevoeging zou de kracht van de zuivere eenvoud alleen maar verzwakken. Dat er meer uit minder te halen valt, werd mij doorheen mijn leven op tal van manieren duidelijk gemaakt. Het is een houvast bij het maken van keuzes geworden. Weten dat het kleine al het grote bevat, neutraliseert de angst om iets te missen. Het verlangen naar opvulling zit de ware invulling in de weg. Ik mis niets als ik bij de kern blijf. Voor mij verrijkt een ervaring zich als ze mij niet overweldigt. Ik heb het mogen ervaren tijdens reizen en ontmoetingen: mijn lichaam geeft aan wanneer het ‘te veel’ is. En het is al snel te veel, althans zo lijkt het voor het deel van mij dat wel meer zou willen. Dat deel is een thrill seeker, wil steeds het onderste uit de kan halen en vraagt zich constant af of het wel genoeg is. Als ik hierin meega, dan krijg ik op korte termijn gegarandeerd ‘minder’, wegens ziek in bed. Zo heb ik mezelf meermaals mogen tonen dat ik grootsheid uit het kleine dien te halen, wat ik eerst als een beperking zag. Maar mezelf verliezen in overvloed is de echte beperking. Ik vertrouw erop dat ik niets verlies als ik iets loslaat, maar dat de essentie daarmee alleen maar zichtbaarder wordt. Als ik denk iets te missen, dan ga ik ervan uit dat de huidige ervaring niet compleet is. Terwijl het ‘hier en nu’ in zijn eenvoudige essentie altijd een volmaakte ervaring is die enkel kan worden bezoedeld door interpretaties en oordelen. Met die bezoedeling bedoel ik trouwens niets negatiefs, het is enkel een woord voor de toevoeging aan iets dat reeds perfect is. Het bezoedelen van ervaringen maakt deel uit van het proces van mens-zijn. Zelfontwikkeling is het zelf gestaag ontdoen van alle extra’s om zo de pure kern te vinden. Zoals ik zelf al ervoer, kan het gevoel van ‘te veel’ een weg zijn naar het authentieke ‘minder’. Hoewel het leven in deze dimensie mij soms overweldigt, besef ik tegelijk dat heel deze menselijke ervaring een immense reductie is van mijn Ware Zelf. In essentie ben ik veel meer dan de vorm waarin ik dit moment ervaar. Het lijkt daarom absurd dat mijn oneindige, vormloze identiteit zich zou laten overweldigen door de dunne, beperkende laag van de materiële realiteit. En toch is dat het geval. Die materiële laag lijkt vanuit dit menselijke perspectief dan ook heel geconcentreerd en ondoordringbaar. Ik ben er niet aan uit of ik er zelf voor gekozen heb, of dat ik in deze beperkende dimensie ben gedwongen of gelokt. Maar ik weet wel dat ik vanuit de materiële realiteit veel minder zie, wat het vergeten van het Ware Zelf natuurlijk in de hand werkt. Of ik nu zelf gekozen heb voor de illusie van het ‘minder zijn als mens’ of niet, het doet er momenteel niet toe. Ik begrijp anderzijds hoe kloppend en functioneel de materiële beperking is. Dit is het ‘less’ van waaruit ik het ‘more’ kan leren kennen. Vanuit het minder ontdek ik het meer van mezelf. Het is een unieke invalshoek. ‘Iets’ is een reductie van ‘niets’. Geïnterpreteerd vanuit de materiële illusie klinkt deze uitspraak omgekeerd. Maar als we verder uitzoomen, wordt zichtbaar hoe het ‘niets’ niet langer oneindig en zuiver is vanaf het moment dat er ‘iets’ ontstaat. Het is dan bezoedeld met het bestaan van ‘iets’. De onzuiverheid of reductie van niets brengt wel de meerwaarde van ‘iets’, maar het schijnbare ‘verlies’ van de ware, onbezoedelde essentie. Dat ‘verlies’ is eigenlijk niet meer dan tijdelijk uit het oog verliezen en vergeten, want de vormloze oorspronkelijkheid is onaantastbaar en onsterfelijk. Het is de grondlaag, of het canvas, waarop alles zich afspeelt. Het is de leegte die ruimte biedt voor in- en opvulling. Het ‘lesser than less’ dat ‘something and more’ mogelijk maakt. Het lijkt me dat er via de beperking van ‘iets’ te zijn, het ‘niets’ zich kan uiten en exploreren. De ware aard van het niets weerspiegelt zich in alles wat bestaat. Meditatie is een bewustzijnstoestand die focust op het oorspronkelijke niets, ook wel de innerlijke stilte genoemd. Door het reduceren van prikkels, ervaringen en oordelen komen we tot 'Onszelf'. De veelheid der dingen prononceert tegelijkertijd de bewuste keuze voor stille aanwezigheid. Het ene versterkt het andere, als yin-yang. Het oneindige, identiteitloze Niets beleeft de potentie van zichzelf door alle mogelijke identiteiten en vormen aan te nemen. Omdat er werkelijk geen grenzen zijn aan de creatieve uitingen van het Niets, is dit eigenlijk geen beperking te noemen. Ik ben het, redenerend vanuit een schijnbaar beperkte vorm die zich de grenzeloosheid herinnert, die het woord beperking kiest. Deze bewustzijnstoestand die zich met een ‘ik’ identificeert, voelt als het ‘less’ dat deel uitmaakt van ‘something more’. En tegelijkertijd - een genialiteit die het menselijk redeneringsvermogen overstijgt - is dit gevoel van ‘less’ het ‘more’ dat overheen de essentie schuift. Als een sluier die de absolute waarheid aan het zicht onttrekt. Zonder de sluier zou er werkelijk niets te zien zijn; we hebben de sluier nodig om de dualiteit ‘iets-niets’ te kunnen onderscheiden. Voor mijn welzijn in deze fysieke toestand zoek ik naar een balans tussen less and more. En wat ik voor less neem, draait soms uit op more, en omgekeerd. Zo vind ik grootsheid in kleine, schijnbaar banale momenten. Ik hoor meer in de stilte. Zie meer in het donker. Hoe minder beweging rondom en in mij, des te sneller ik ergens naartoe lijk te gaan. Uit details, nuances en subtiliteiten haal ik grote inzichten. En zo duik ik wel vaker in het less om zo more te vinden. Het collectieve leven buiten mijn persoonlijk energieveld voelt vaak als too much. Als het more dat neerdrukt en leegzuigt. Het is een uitdaging om te midden van het schijnbare ‘te veel’ de subtiele onderlagen van het ‘minder’ terug te vinden. Ik train mezelf om doorheen de materiële laag te kijken en zo meer te zien. Het meer dat de veelheid mindert. Ik meng meer en minder doorheen elkaar en krijg iets dat op harmonieuze chaos lijkt. Het voelt als mijn plaats vinden in een structuur van perfect in elkaar geweven tegenstrijdigheid.

KarolienDeman
11 0

Kletterende wandelstokken: hoe het ego een verhaal nodig heeft

Dat verhalen de wereld maken en hoe ze zowel voor verbinding als verdeeldheid kunnen zorgen: daar wil ik het nog eens over hebben. Ik besef dat mijn wereldbeeld en alle dagelijkse interpretaties deel uitmaken van een verhaal dat ik mezelf aan het vertellen ben. Het is een vertelling die voor mij centraal staat; er lijkt momenteel geen alternatief te zijn dan het creëren en beleven van dit levensverhaal. Maar het is tegelijk ook ‘maar’ een verhaal, te midden van ontelbaar veel andere persoonlijke verhalen. Ze komen allemaal voort uit persoonlijke ervaringen en allemaal zijn ze even veranderlijk en vergankelijk. In essentie zijn we natuurlijk veel meer dan personages in een verhaal, maar in materiële interacties komt het hier wel op neer. In mijn tekst getiteld ‘Dit is een verhaal over de verhalen van de wereld’ had ik het over het onthechten van verhalen, iets dat ik niet als evident ervaar, maar waarin ik wel blijf oefenen. Vooral in bepaalde contexten, wanneer ik merk dat mijn verhaal een natuurlijke stroom belemmert. Mijn eigen verhaal kan me soms in de weg zitten. Het kan ook anderen triggeren en afstoten, waardoor ze me zouden kunnen veroordelen en uitsluiten. Vooral dit laatste idee is bij mij en vele anderen gekoppeld aan trauma. Een trauma dat vele generaties teruggaat. Denk maar aan heksenverbrandingen, waar niets anders dan verhalen aan de basis lagen. Wanneer veronderstellingen verhalen worden, kan het gevaarlijk worden. Ik mocht onlangs nog eens voelen hoe het is wanneer verhalen tegen elkaar aan schuren of botsen en niet compatibel zijn. Ik constateerde dat mijn wereldbeeld schril afstak tegen het wereldbeeld van mijn gesprekspartner. Met een human design als projector is het voor mij een automatisme om me in het standpunt van de ander te plaatsen, en zo hoorde ik mezelf een aaneenschakeling van schijnbaar vergezochte fantasieverhalen en complottheorieën verkondigen. Het was natuurlijk onmogelijk om decennialang persoonlijk onderzoek en al de (soms schokkende) bevindingen daarvan even samen te ballen en aan haar over te brengen. Ik ben zelf doorheen verschillende fases gegaan om tot zo’n verhaal te komen, heb op momenten alles weer verworpen en ben opnieuw begonnen, om dan later weer op hetzelfde punt uit te komen. Ik wil maar zeggen: de vorming van mijn huidige wereldbeeld was een intens proces, gestoeld op ratio, emotie en intuïtie. Het is een wijdvertakt gegeven, diep geworteld in mijn persoonlijke ervaring. Ik kan het dus niet zomaar ter plaatse samenvatten voor iemand die een ander proces heeft doorleefd en afwijkende, of zelfs polaire, bevindingen heeft. Ik merk nu op dat ik in deze tekst ‘wereldbeeld’ en ‘persoonlijk levensverhaal’ als inwisselbare termen gebruik en sta even stil bij het verschil tussen beide. Het lijkt dat het wereldbeeld ontstaat vanuit het levensverhaal. Maar er is wel een verschil in focus: het levensverhaal is persoonlijk en intern, terwijl het wereldbeeld een projectie naar buiten is. Het levensverhaal kan natuurlijk bepaalde keuzes bevatten die gelinkt zijn aan een specifiek wereldbeeld. De interne en de externe wereld vloeien als twee delen van hetzelfde geheel door elkaar heen. Dat maakt dat wanneer iemand jouw wereldbeeld veroordeelt en afwijst, het als een persoonlijke afwijzing kan voelen. En dat het ego in actie schiet wanneer er een bedreiging van het ‘zelf’ wordt gedetecteerd. Het persoonlijke verhaal en het bijbehorende wereldbeeld, dat met vallen en opstaan en tal van confronterende processen en trauma’s tot stand kwam, dient verdedigd te worden. Want voor het ego is er niets waardevoller en juister dan dat. Het heeft moeten lijden om tot die informatie te komen. Wanneer het ego geen ruimte laat voor enige twijfel en het eigen verhaal voor absoluut waar neemt, is er geen diepgaande zelfreflectie. Geen nederige speling voor de mysteries die het ego overstijgen. Zelf zoek ik nog naar een balans tussen ‘zelfverzekerdheid’ en de wetenschap dat ik niets weet. Misschien mondt dit uit in zelfverzekerd zijn in het niet-weten, wie zal het zeggen. Ik ben echter wel overtuigd van mijn gevoelsmatige weten, terwijl ik besef dat ik vanuit deze menselijke ervaring eigenlijk in het duister tast. Het persoonlijk verhaal wordt ondoordringbaar en gewichtig als alles erop wordt ingezet. Ik wil mijn eigen verhaal graag licht en poreus houden door te beseffen dat ik niets zeker weet. Ik beschik wel over een gezond functionerend ego dat een heel verhaal over hoe deze realiteit mogelijks in elkaar zit passioneel kan ophangen, maar ik (de ‘ik’ die zich niet identificeert met dat ego) onthecht mij van verhalen, omdat het ‘slechts’ verhalen zijn. Omdat de essentiële vorm- en naamloze identiteit oneindig veel verhalen kan bedenken, maar nooit een verhaal zal zijn. En alle creaties van die essentie zijn evenwaardig, dus waarom strijden als niets in wezen ‘juist’ of ‘fout’ is? Elk verhaal is een ervaring die voortkomt uit dezelfde bron. Het is dezelfde kunstenaar die alle mogelijke scripts schrijft, beleeft en met elkaar laat concurreren. Op het moment waarop ik mijn hele verhaal zo zorgvuldig mogelijk, en tegelijk voorzichtig aftastend tot waar ik kon gaan, uit de doeken stond te doen tegen een ‘andersdenkende’, kon ik de grens tussen ego en essentie scherp onderscheiden. Vanuit die essentie zag ik twee zielen van dezelfde bron en met dezelfde liefdevolle uitgangspunten en intenties, enkel met afwijkende verhalen en interpretaties in de materiële realiteit. Vanuit ego voelde ik de angst voor afwijzing en de noodzaak om mijn verhaal te staven, te verantwoorden en te verdedigen. Het was leerrijk om diverse delen van het wezen dat ik hier belichaam te ervaren tijdens zulke confrontatie. Er is natuurlijk een weg afgelegd om op het punt te komen dat ik kan uitzoomen op het moment dat mijn ego in actie schiet. Het onthechten van de ‘zelf’ is wat mij betreft een cruciale fase in zelfontwikkeling. Ik kan nu mijn ego met mededogen aanschouwen als een deel dat instaat voor mijn bestaan in deze materiële levenssimulatie. Het is het deel dat mijn grenzen aanduidt en mijn bestaansvorm afbakent te midden van andere bestaansvormen. Het ego heeft houvast nodig, maar het ego is anderzijds niet het houvast waarop ‘ik’ wil steunen. Het houvast dat mijn ego nodig heeft om zijn rol in deze realiteit goed te kunnen vervullen, is een idee van hoe de dingen in elkaar zitten: een zelf- en wereldbeeld. De metafoor van een wandelstok kwam daarbij naar voren; een persoonlijk verhaal en wereldbeeld zijn een houvast om hier te navigeren, iets om op te steunen tijdens de wandel op het levenspad. Mensen die constateren dat hun houvast gelijkaardig is, laven zich aan herkenning en erkenning. Wandelstokken worden vergeleken en vertonen dezelfde sporen van slijtage, bestaan uit dezelfde materialen en decoraties. Maar wanneer ego’s merken dat het houvast van de ander aanzienlijk anders is, ontstaat al snel de neiging om die stok omhoog te tillen: om ermee te wijzen, zwaaien, schermen of zelfs slaan. Ze gaan er daarbij vanuit dat ze hetzelfde pad bewandelen en dat er voor dat pad maar één geschikte wandelstok bestaat. Allebei zijn ze overtuigd van de juistheid van hun houvast. Dat is wat polarisatie is: tegen elkaar kletterende en hard neerkomende overtuigingen. Totalitarisme is dan weer wanneer bepaalde overtuigingen geen houvast meer zijn, maar knuppels zijn geworden om andere overtuigingen mee neer te slaan. Ik wil mijn houvast dicht bij mij houden, liefst ook uit het zicht van anderen. De verhalen die voor mij steek houden en houvast bieden, hoeven niet verdedigd, verspreid of verheerlijkt te worden. In het beste geval zijn ze niet langer na te vertellen omdat ze zodanig opgaan in mijn gevoelswereld en intuïtie. Het zijn dan geen verhalen meer, maar bewust doorvoelde toestanden in dit bestaan, die komen en gaan als golven. Zonder overtuigingen of woorden kan ik voelend weten wat voor mij klopt. Al is het verleidelijk voor de schrijver in mij om al die innerlijke beweging toch te proberen vertalen naar woorden. Er is ook de voldoening wanneer dat ergens ook maar een beetje lukt. Het ego dat dan juicht als het iets in een vorm kan vatten die anderen kunnen herkennen. Er is een ‘ik’ die mijn ego laat spelen en de dingen laat doen waarvoor het ‘gemaakt’ is. Maar er is ook een ‘ik’ die het ego op gepaste tijden overstijgt en tot de orde roept. Het lijkt een beetje op een moeder-kindrelatie. Het ego heeft zijn functie, tijd en plaats. Het is in deze aardse realiteit zowel een hulpmiddel als een valkuil. Ik ben dankbaar voor alle verhalen die werden vergaard, vooral de verhalen die inzichten werden. Maar tegelijkertijd neem ik ze niet al te serieus en ben ik bereid om ze los te laten. Ik wil mij in elk geval niet opwinden wanneer ik te maken krijg met verhalen die volledig tegen de mijne indruisen. Dit leren omgaan met polarisatie lijkt me een prominent en cruciaal proces in de huidige collectieve ontwikkelingen.   www.karoliendeman.comFoto door www.talesofaperture.com  

KarolienDeman
3 0

Het dunne laagje

Wat mij ondertussen ook helder is geworden, is hoe futiel de materiële illusie in feite is. De schijnbaar zwaar doorwegende materie op deze realiteit is niet meer dan een flinterdun laagje. De materiële wereld is een artificiële laag, soms ook wel een ‘sluier’ genoemd, die bovenop de ‘echte’ wereld ligt. Het menselijk perspectief is specifiek ‘ontworpen’ voor deze laag. Onze zintuigen zijn erop afgestemd. Vanuit een materieel of fysiek perspectief gezien, kan het lijken alsof er niets anders bestaat dan de materiële wereld.Iemand die zegt ‘ik moet het zien om het te geloven’ zegt eigenlijk: ‘alleen wat ik in de beperkte laag van mijn perceptie kan capteren, neem ik voor werkelijk’. Wetenschap, het stokpaardje van rationele materialisten, toont nochtans aan dat er een heel spectrum aan frequenties bestaat die buiten het zintuiglijk veld liggen. Er wordt geschat dat we minder dan 1% van alle frequenties en energieën die bestaan kunnen waarnemen of meten. En die 1% is nog serieus overschat.Enfin, het is zo klaar als een klontje dat er veel meer in onze wereld speelt dan onze zintuigen doen vermoeden. Vanwaar komt dan die collectieve ontkenning van alles dat zich niet in de materiële laag afspeelt? Ik merk bij het gros van de mensen een (cultureel ingebedde?) desinteresse naar de immateriële essentie achter de fysieke verschijningen. De minderheid die zich daar wel mee bezighoudt, botst vaak op ridiculisering van hun onderzoek. Zogenaamde ‘spirituele praktijken’ worden door de ongeïnteresseerde massa gemarginaliseerd, gecategoriseerd als naïeve hobby en gecommercialiseerd.Het is die hardnekkige alomtegenwoordige ontkenning en desinteresse die mij vroeger wel eens deed twijfelen. Misschien maakte ik mezelf iets wijs? Het lijkt immers waanzin om tegen de stroom in te roeien, om naar boven te kijken als iedereen naar beneden kijkt. Maar ik kan nu niet anders meer dan concluderen dat de massa de sluier van materie vrijwillig rond het hoofd gewikkeld heeft en bovendien ook nog het bestaan van die sluier ontkent. En uiteraard ook alles dat ermee aan het zicht onttrokken wordt. Dàt noem ik juist waanzin. Er is zelfvertrouwen nodig, gestoeld op persoonlijke ervaringen en gevoelens die het materiële veld overstijgen, om de gesluierde visie van de massa langs je heen te laten gaan. Om niet te gaan wankelen als er, soms dwingend en dreigend, waanzin naar je hoofd gegooid wordt. (Denk maar aan de coronagekte)De materiële wereld lijkt een harde ondoordringbare laag te zijn, één die een mens volledig omsluit. Het is een illusie die zich zo totalitair en immersief aandient, dat ze motiveert om elk subtiel intuïtief gevoel te negeren en uiteindelijk zelfs te vergeten dat er zoiets als intuïtie bestaat. Of dat er überhaupt gewaarwordingen buiten het materiële ervaringsveld bestaan. De materiële wereld is een gigantisch ego dat elke dag in ons gezicht om aandacht schreeuwt. Het klasseert elke vraag naar wat er zich achter haar schermen afspeelt als zinloze bezigheidstherapie. Het leidt ons op talloze manieren af van ons essentiële wezen en helpt ons om te vergeten dat we in essentie geen fysiek lichaam zijn.Hoe uitdrukkelijk aanwezig de materiële wereld ook mag lijken, het blijft een illusie die kan doorzien worden. Een shift in perceptie is de enige ‘actie’ die men kan ondernemen om de illusoire laag te doorprikken. We hoeven met andere woorden niets te ‘doen’ of te ‘worden’ om onszelf te bevrijden uit de zwaarte van de materiële klei. Het loslaten van materiële overtuigingen is een inwendig proces dat geen materie vereist. De sleutel ligt bij het bewustzijn dat zich niet vereenzelvigt met materie.Het is niet mijn bedoeling om de materiële ervaring volledig te reduceren tot een verblindende laag die we dienen af te schudden. Het ervaren van bewustzijn binnen de grenzen van een sensitief lichaam, in een veelzijdige onvoorspelbare tastbare omgeving, is immers iets wonderlijks. Het is een tijdelijke persoonlijke ervaring voor oneindig onpersoonlijk bewustzijn. De intentie van deze tekst is om te wijzen op het onevenwicht en de verwarring die tijdens deze ervaring ingeprent, aangeleerd en opgedrongen wordt. Deze materiële ervaring lijkt gecreëerd of gekaapt (één van beide schokkende mogelijkheden lijkt me plausibel) te zijn door duistere krachten die er alles aan doen om helder bewustzijn te vertroebelen. Om ons af te leiden en weg te houden van onze ware natuur.Zo richt de medische wereld zich uitsluitend op het lichaam, doet alsof er geen immaterieel bewustzijn bestaat en zit daarmee met tal van hiaten in haar systeem. Hiaten die veel leed veroorzaken. De zogenaamde ‘body-mind connectie’ is echter een bekend gegeven, maar wordt door tal van symptoom bestrijdende middelen naar de achtergrond gedrukt. Ik heb nog lang gedacht dat onwetendheid, een eigenschap die je niet kwalijk kan nemen, aan de basis lag. Ondertussen ben ik eraan uit dat er ook een duistere onwilligheid dat systeem orkestreert.Mensen die mij kennen weten dat ik het medisch systeem als voorbeeld neem omdat ik uit diepgaande ervaring spreek. Maar ook tal van andere systemen in deze westerse mensenwereld prediken de materie als enige echte wereld. Allemaal om het immateriële bewustzijn te laten geloven dat het niet verder reikt dan wat de zintuigen aangeven. Beperking is hier norm.Toen de materiële laag zich nog niet zo manipulatief en luidruchtig als vandaag gedroeg en zich uitsluitend als ‘wilde natuur’ vertoonde, leken onze voorouders nog enige bewuste connectie te hebben met wat er achter de tastbare werkelijkheid speelt. Er was de notie dat er nog ‘iets anders’ was dan de materiële wereld, een notie die vandaag grotendeels verloren is gegaan. Wat nu als ‘primitief’ wordt afgedaan, zoals men natuurvolkeren omschrijft, omvat in feite een ruimer perspectief op het bestaan dan wat de gemiddelde westerse mens zich kan voorstellen.Ik heb zelf ervaren hoe de prominente hardheid van de materiële laag kan variëren en verzachten naargelang mijn locatie en bewustzijnstoestand. Op krachtplaatsen die we over heel de wereld vinden, plaatsen waar leylijnen kruisen of waar er bewust een sterk energetisch veld werd neergezet, voelt de materiële laag veel dunner. Niet toevallig werden veel krachtplaatsen doorheen de geschiedenis vernietigd, geclaimd of verdoezeld. Onze voorouders lieten in de vorm van megalithische structuren sporen na die getuigen van een bewust contact met wat zich buiten de tastbare laag bevindt. Het is informatie die vandaag verpakt en verkocht wordt als ‘entertainment’ en toerisme.Een altaar is voor mij een plekje dat symbool staat voor de oneindige mysterieuze wereld achter alle verschijningen. Niet alleen mijn altaar herinnert me aan deze wereld, maar ook tal van andere elementen in mijn leefomgeving. Er is uiteraard helemaal geen materie vereist om bewust contact te maken met de wereld buiten de materiële laag, maar materie kan wel op een rituele of ceremoniële wijze benaderd worden zodat de tastbare laag wat transparanter en lichter voelt. Het draait natuurlijk allemaal om het bewustzijn dat de materie hanteert. De perceptie van het bewustzijn is de sleutel om doorheen lagen te kijken, om zelfs gaten of vortexen te creëren.Het paradoxale is dat de materiële illusie in feite ‘gemaakt’ is uit ‘iets immaterieels’ en dus eigenlijk deel uitmaakt van dat wat het aan het zicht onttrekt. Daarmee ontkent het een deel van zichzelf. Net zoals de menselijke psyché uit diverse en tegenstrijdige delen bestaat, het ene deel al prominenter aan de oppervlakte dan het ander. Het onderbewustzijn is de wereld achter de laag die we ‘ik’ noemen. De wereld achter de grenzen van die ‘ik’ exploreren, ontdekken wat er zich onderhuids en nog verder daaronder afspeelt, is de meest diepgaande en verrijkende reis die een mens kan ondernemen. Er moet natuurlijk wel de notie zijn dat die wereld bestaat, en dat die groter is dan we ons kunnen voorstellen.Logischerwijs kom ik erop uit dat er geen ‘externe’ lagen te doorprikken zijn. Ik kan enkel de lagen in mezelf transparanter maken. Ik kan vortexen in mezelf neerzetten. De mechanismen die me verhinderen om verder te kijken dan bepaalde lagen zijn gezeteld in mijn eigen bewustzijn. Er valt niets extern te wijzigen, voorkomen of te bestrijden, maar ook niets intern. Want het gaat over bewustzijn dat ‘ziet’, maar niets hoeft te ondernemen. Dat ‘beter leren zien’ neemt op zich, tenminste bij diepgaande exploratie, al een heel mensenleven (en waarschijnlijk nog veel langer) in beslag. Het is een reis die we binnen de grenzen van bepaalde lagen met elkaar kunnen delen, maar voornamelijk alleen afleggen.Karolien DemanFoto door Toni Meert

KarolienDeman
6 1

Dit is een verhaal over de verhalen van deze wereld.

De realiteit waarin ik mij lijk te bevinden, hangt aan elkaar van de verhalen. De meeste verhalen vertellen hetzelfde, maar gebruiken andere woorden. We zijn allemaal personages in een verhaal, verzonnen door onszelf en onze omgeving. Mensen vinden het een reden om zich op te winden wanneer hun een verhaal ter ore komt waar ze niet achter staan. Het zijn verhalen die oorlogen motiveren. Er heerst veel gehechtheid aan verhalen, alsof verhalen drijfhout zijn in de oneindige lege uitgestrektheid van het bestaan.Om te kunnen bestaan als mens, lijken we verhalen nodig te hebben. We bevinden ons immers altijd in een context die kan benoemd en verklaard worden, wat automatisch een verhaal vormt. Zelfreflectie is een proces van zich bewust worden van wat voor verhaal er wordt gespeeld en nog belangrijker: wie de ‘ik’ is die het verhaal interpreteert. Diepgaande contemplatie over het ‘zelf’ dat verhalen verzint, mondt uit in de conclusie dat het verhaal ondergeschikt is aan de bewustzijnstoestand van de verteller of interpretator. En wie nog een stap verder gaat, kan besluiten dat ook het hoofdpersonage in ons eigen levensverhaal een illusie is.Internet en sociale media zijn op niets anders gestoeld dan het uitwisselen en exploreren van verhalen. We schenken ons bewustzijn aan de oneindige verhalenstroom die op een scherm verschijnt. Via onze ogen, de zogenoemde spiegels van de ziel, glijdt aandacht en vrije wil in deze bodemloze verhalenput.Soms liggen we wakker van verhalen over mensen die we niet kennen. We vormen een standpunt en mening over verhalen die zich letterlijk mijlenver van ons bed bevinden. We zouden voor ongevoelig kunnen doorgaan als we dat niet deden. Met voorgekauwde signalen van empathie, bijvoorbeeld in de vorm van een aangepaste profielfoto met slogan, wordt het leed van andermans verhalen erkend en moreel ondersteund. Er is ons geleerd om te huilen en juichen voor elkaars verhalen. Kortstondig echter, want er staat altijd een ander verhaal dat aandacht ‘verdient’ klaar in de rij.Het inzicht dat het zinloos en uitputtend is om externe of collectieve verhalen te proberen te veranderen en dat het in de eerste plaats constructiever is om zich te richten op een verrijkende transformatie van het individuele verhaal, is ook een mijlpaal in het proces van zelfontwikkeling en -reflectie. Dit gaat vaak samen met het besef dat de externe verhalen die we opvangen en interpreteren ons eigen verhaal op één of andere manier reflecteren. Want wat een verhaal met ons doet, vertelt uiteraard iets over onszelf. Aan de hand van hoe we reageren op verhalen krijgen we een inkijk in onze mechanismen. Weinig mensen lijken echter bereid om hier dieper op in te gaan. In onze samenleving ligt er een veel grotere focus op de inhoud van verhalen dan op de inhoud of aard van het bewustzijn dat die verhalen interpreteert. Er heerst een hardnekkige afleiding die ons collectief in z’n greep houdt. Althans volgens mijn verhaal.Omdat mijn personage in dit levensverhaal zoekend blijkt te zijn, gaat mijn interesse uit naar het Verhaal achter alle verhalen, ook wel de waarheid genoemd. Het definiëren en ontmantelen van wat waarheid is, of zou kunnen zijn, is een queeste die een aanzienlijk deel van mijn verhaal beschrijft. Ik speel de grotendeels onzichtbare rol van een realiteitsonderzoeker; iemand die niet omheen de leemtes van het niet-weten kan leven.Het is voornamelijk ongemak, in diverse vormen, kleuren en maten, dat een mens uiteindelijk motiveert om achter de sluiers van gewoonte en veronderstelling te kijken. Afhankelijk van de aard van het interpreterende bewustzijn, kan het duister een brenger van helderheid zijn. Het verwerven van inzichten en het daaropvolgende gevoel van een iets meer verruimd bewustzijn, kan enthousiasme en zelfs euforie opwekken. Er worden bijeenkomsten georganiseerd voor mensen die dit ervaren, waar dan een veld met een ‘hoge frequentie’ wordt gecreëerd. Ze hopen hiermee niet alleen zichzelf maar ook hun omgeving te ‘helen’.En ja, ik spreek uit ervaring, het voelt goed om omringd te zijn door gelijkgestemden en samen te vieren wat we met vallen en opstaan weer hebben kunnen (mogen?) herinneren. Het voelt als een opluchting om anderen te ontmoeten die vanuit een herkenbare helderheid communiceren, of alleszins die intentie hebben. Maar het neemt niet weg dat ik mezelf nog steeds identificeer met een verhaal. Een verhaal dat nu veel beter lijkt te passen bij wat voor mij als authentiek voelt, maar uiteindelijk toch ook weer zijn beperkingen prijsgeeft.Kan ik niet ‘gewoon tevreden’ zijn met wat zich voordoet? Is het dan nooit ‘goed genoeg’? Ik voel een onrust die uit verhalen wil breken, maar geen idee heeft wat het alternatief (of origineel) dan juist inhoudt. Vanuit dit beperkt menselijke perspectief kan ik mij niet voorstellen hoe een bestaan zonder verhalen eruitziet. Er zou dan ook niets te zien of ervaren zijn. Het absolute niets kennen we enkel als concept. Een iets minder extreem idee dan een bestaan zonder verhalen is het zich onthechten van verhalen, of zonder weerstand of oordeel het verhaal ‘spelen’. Ervaren zonder de ervaring toe te eigenen. Een personage spelen zonder het personage te ‘zijn’. Ik heb een bibliotheekkast vol boeken die vertellen hoe je zo’n meditatieve bewustzijnstoestand kan bereiken. Ik heb glimpen mogen opvangen van zo’n toestand, maar op momenten dat ik er het meest nood aan heb, blijft het eveneens bij een concept.Ik zou kunnen stellen dat ik gewoon wat meer mijn best moet doen als ik mezelf wil verlossen van mezelf. Beter worden in mediteren en observeren zonder te reageren. Nog meer de ‘stilte in mezelf’ opzoeken. Oefenen, leren, bijsturen and repeat. Tot ik bij een vredige versie van mezelf uitkom? Tot er een verhaal gecreëerd is met een van het verhaal onthecht personage? Wel, ik heb het gevoel dat ik het gehad heb met het nastreven van zulk verhaal. De vraag is dan weer: welk verhaal komt ervoor in de plaats? De focus op het doorzien van verhalen is ook niet meer dan een verhaal dat mij afleidt van iets essentieels. Wat die essentie dan juist is, is het onderwerp van vele verschillende spirituele verhalen. Zo blijven we ter plaatse trappelen.Ik voel vaak weerstand tegen de vorm en toestand waarin ik mij schijnbaar bevind. Ik zeg bewust ‘schijnbaar’ omdat niets zeker is, zelfs niet mijn eigen bestaan. Vanuit die fundamentele bestaansonzekerheid zijn we als mens genoodzaakt om verhalen te verzinnen. En zolang iets een verhaal is, is het geen waarheid. Absolute waarheid vindt geen bodem noch zuurstof in een duale realiteit. Van het moment dat iets bestaat, is het niet langer absoluut waar. In de dualiteit kan bewustzijn enkel onwaarheden beleven en belichamen.Het enige constante en waarachtige in de immer transformerende verhalenstroom is het bewustzijn zelf dat dit alles verzint en ervaart. Ik zou mijn leven tot nog toe kunnen omschrijven als een exploratie van bewustzijn in een werkomgeving die niet stabiel of betrouwbaar is. Het is een vorm van zelfonderzoek zonder dat ‘zelf’ te kunnen zien of aanraken. De ware Zelf ligt bedolven onder geconstrueerde illusies. Het bevrijden van die Zelf vraagt geen actie, noch een verhaal. Maar om een specifieke perceptie.Hier sprekend vanuit deze menselijke vorm kom ik niet verder dan mentale cirkeltjes en verstrik ik mezelf in paradoxen. Een onmiskenbare paradox die deze tekst belichaamt, is dat mijn pleidooi voor het loslaten van verhalen enkel verpakt als een verhaal kan verschijnen. Dat waarover ik wil spreken laat zich niet vatten als één absoluut geheel, enkel als een mogelijkheid die zich te grabbel gooit voor oordeel. Alles wat groots is, wordt door de artificiële wetten van deze wereld klein en onzichtbaar gemaakt. En wat niet van essentieel belang is, wordt als afleiding in het gezicht geduwd.Wie aan diepgaand Zelfonderzoek doet, botst gegarandeerd op muren. En wanneer de ene muur gesloopt is, verschijnt er daarna een andere. Misschien bestaat het doorbreken van dit patroon van eindeloos opdoemende muren uit de absolute overtuiging dat er in feite geen muur is? En in afwachting van die verlichte bewustzijnstoestand zou ik het slopen kunnen staken en overgaan tot het bewust observeren en ervaren van de beperking, waarvan ik weet dat die er niet is. Ik ‘wacht’ dan als het ware op de inzichten en perceptie (verworven uit ervaring) die ik nodig acht om doorheen barrières te kijken en mijn bestaan te verruimen.Met ‘wachten’ refereer ik niet aan een passieve toestand, maar aan het integer spelen van een levensverhaal terwijl ik oefen in liefdevolle onthechting. Anderzijds wil ik dit leven natuurlijk liever niet tot ‘oefen-‘ of ‘wachttijd’ reduceren. Het wachten op ‘iets beters’, wat veel religies prediken, is al lang achterhaald. Dus dan toch maar terug aan het slopen gaan, in de hoop dat de muur waar ik druk op zet de laatste is die naar ‘buiten’ leidt. Het ‘buiten’ dat in deze omgekeerde wereld ook het ware ‘binnen’ kan genoemd worden.Het is een gok of ik mij het slopen van zoveel muren niet ga beklagen. Net als iedereen heb ik nergens zekerheid over, ik kan alleen iets enten op de dingen die ik besluit te geloven. Ik heb voor mezelf besloten dat ik niets weet en aan alles dat los zit zal rammelen. Mijn geest vindt geen berusting in de versluierde of ommuurde wereld en kan zich niet ontdoen van de nieuwsgierigheid naar wat erachter zit.Het idee herkenning te vinden bij een minderheid ‘murenslopers’ motiveerde me om deze, en andere teksten van mij, openbaar te delen. Ik hoef deze (h)erkenning zelfs niet bevestigd te zien, alleen al het ‘weten’ dat de processen waarover ik spreek deel uitmaken van iets dat mijn persoonlijke ervaringsveld overstijgt, is voldoende. Ik voel zelf wat voor een impact de zorgvuldig neergepende woorden van andere auteurs op mijn onderzoeksproces hebben. Hoe herkenning vinden in de existentiële bevindingen van anderen tot meer zelfvertrouwen en focus kan leiden. Het stabiliseert enigszins het eigen fundament dat zich aan weinig betrouwbaar kan toetsen. Maar de moraal van dit verhaal is en blijft wel: of je nu herkenning vindt in deze woorden of niet, het blijft ‘slechts’ een verhaal dat zich nooit zal kunnen loskoppelen van de duale driedimensionale wereld die als slijk over de onuitspreekbare waarheid ligt.Karolien Deman(Foto door Lieven Herreman)

KarolienDeman
12 0

In de arena

Thuis in mijn veilige cocon verwerk ik het leven, de oude en nieuwe indrukken die het naliet, en laad ik weer op voor de volgende ronde in de arena. Met de arena bedoel ik iedere ruimte waar ‘anderen’ zijn. Anderen die mogelijk triggers, uitdagingen en oncontroleerbare waanzin op mijn pad gooien. Of anderen met hun verwachtingen, oordelen, conventies en ongeuite maar voelbare energie. Ik kan die ander natuurlijk niet verantwoordelijk stellen voor mijn gevoelens en ervaringen, zo ver ben ik gelukkig al. Het is echter de alchemie van mijn persoonlijke energieveld met dat van een ander waaruit een mix ontstaat die mij ofwel smaakt, voedt, op de maag ligt of doet kotsen. Rustig gecentreerd in mijn eigen authentieke energie zie ik alles klaarder dan ooit. Daar ontstaan de inzichten, levenslessen en de voornemens. In mijn eigen stille veld heerst er een helderheid die mij onthecht van verhalen en materie. Het gebeurt natuurlijk dat ik de verhalen en materie van de arena in mijn cocon meeneem. Dan is er tijd nodig om alles uit te zuiveren. Ik lijk dubbel zoveel tijd nodig te hebben als wat het conventioneel aangenomen werk- en levensritme predikt. Naast de tijd die ervaringen in de arena innemen, heb ik ook minstens dezelfde hoeveelheid tijd nodig om die ervaringen te verwerken, verteren en plaatsen. Daar zijn de agenda’s in deze wereld niet op voorzien. Na een ervaring in de arena, die ook wel het ‘werkveld’ genoemd kan worden, komt er meteen nog één en nog één en nog één. Als ervaringen routineus verlopen, als in voorspelbaar, dan valt er niet zoveel te verwerken, zou je kunnen denken. Dan kan er dag na dag urenlang in de arena vertoefd worden. Ja misschien wel, maar is dat leuk?  Nee Karolien, maar is dit leven gemaakt om leuk te zijn? Het tegendeel laat zich frequent zien. Het hele routineuze en zogezegd comfortabele westerse systeem is er niet voor ons plezier.  Het is er voor ons eigen bestwil, hoor ik het in raamloze kamers galmen. Kamers zonder het uitzicht op ‘iets anders’. Uitzicht op iets alternatiefs? Nee, op iets oorspronkelijk.  Ik heb gemerkt dat veel mensen die zich gevangen voelen in de ratrace getriggerd raken door het idee van een persoonlijk natuurlijk ritme. Omdat zij geen tijd hebben om dieper in te gaan op de authentieke verlangens die in hun persoonlijke centrum liggen, mogen anderen dat ook niet. Iedereen gelijk voor de wet, zeggen ze. Miserie is er om gedeeld te worden, maar mag niet worden aangekeken of benoemd, laat staan aangepakt. Als iemand zegt dat die kiest voor een rustig leven, dan hoor je het briesen in de stallen van de werkpaarden. Welvaart is werken. Comfort is geluk hebben. Tijd is niet altijd vrij. Vrijheid kost geld. Geld is schaars. Het zijn slechts enkele mantra’s die achter de tralies van het systeem weerklinken. Helaas ook overtuigingen die diep geprogrammeerd zitten in vele afgeleide en vermoeide hoofden.   Ik merk dat de tekst zichzelf weer schrijft, zoals wel vaker gebeurt. Ik was eigenlijk niet van plan om het alweer te hebben over dat kromme systeem dat lichtwezens tot slavernij dwingt, maar over het contrast tussen de helderheid en rust in mijn veilige plek en de verwarrende ruis die daarbuiten lijkt te liggen. En hoe uitdagend het is om de inzichten en lessen die in mijn cocon ontstaan ook daadwerkelijk in de arena te belichamen. De arena is het werk- of oefenveld waarin ik mijn opgedane inzichten en levenslessen kan testen in de praktijk. Zo ben ik onder andere scherp gaan inzien dat eerlijkheid een prominente kernwaarde is in mijn leven. Daarnaar leven betekent mijn waarheid, gevoelens en grenzen durven uitspreken. In de cocon klinkt het meestal simpel, maar in de arena lijk ik alles weer vergeten. Wanneer ik mij middenin een praktische uitdaging bevind, je zou het een test of oefening kunnen noemen, dan nemen voorgeprogrammeerde overlevingsmechanismen het al snel over. Had ik me bijvoorbeeld voorgenomen om te spreken, dan betrap ik mezelf in de arena op pleasen en zwijgen. Of als ik voor de zoveelste keer besloten had om mijn grenzen te respecteren, ongeacht wat anderen doen of vinden, dan zie ik mezelf later toch weer een uitzondering maken. De oefeningen in de arena blijven oneindig komen, dus ik heb ook evenveel kansen om het telkens opnieuw te proberen en het dan ‘beter’ te doen. Authentieker en eerlijker. Naarmate ik steeds beter mezelf kan zijn in de arena, des te complexer en slinkser de uitdagingen worden. Soms denk ik een bepaalde wederkerende uitdaging nu wel onder de knie te hebben. Het hoofdstuk omtrent grensoverschrijdende mannen, bijvoorbeeld. Na ettelijke valkuilen meen ik een sterk afgestelde radar te hebben ontwikkeld voor zulke types. Ze kwamen in alle vormen en maten: van transparant en voorspelbaar, tot sluw en vermomd als iemand met inzicht. Maar toch lijkt dat hoofdstuk maar niet afgerond. Keer op keer moet ik constateren dat ik voorgevoelens en intuïtie in de wind heb geslagen en ben ik boos op mezelf dat ik er niet naar heb gehandeld. En waarom niet? Vaak uit angst. Angst om verkeerd te zijn, angst voor oordeel, angst om te kwetsen, angst om af te schrikken, angst om iets te verliezen, enzovoort. Ik word wel steeds geduldiger met mezelf. Het is niet zo dat ik ‘faal’ als ik mijn voornemens en inzichten niet belichaam in cruciale praktische situaties. Als er achteraf in de veilige cocon voldoende aandacht is voor de gevoelens die voortkomen uit de ervaringen in de arena, dan kan dit de inzichten en levenslessen alleen maar bekrachtigen. Dit hele proces van zelfontwikkeling met praktische oefeningen berust op een evenwicht van mentale contemplatie en het bewust doorvoelen van gevoelens. Met dit tweede heb ik het lang moeilijk gehad, wat zich uitte in ziektesymptomen. Dankzij dat ziekteproces werd me duidelijk hoe belangrijk het is om zowel in als buiten de arena te durven voelen. Harde klappen in de arena hadden ervoor gezorgd dat ik het voelen systematisch uitschakelde en verving door overmatig denken en pleasegedrag. Een ziekmakende strategie om te overleven. Natuurlijk wil ik meer dan overleven. Ik wil écht leven. Mezelf niet beperken. Durven authentiek spreken en handelen zonder bang te zijn voor gevolgen. Het besef dat de veilige cocon veel meer is dan mijn knusse thuis dringt steeds dieper door. Het is geen fysieke plek die onderhevig kan zijn aan destructieve krachten, maar het is een ongenaakbaar centrum in mezelf dat ook in de arena toegankelijk is. Dat centrum terugvinden en betreden, te midden van overweldigende of triggerende indrukken, is een procesmatige uitdaging die ik aanga. Ik heb de tijd om de kunst eigen te maken van het gecentreerd blijven, ongeacht welke vertoning er op mijn pad wordt gegooid. En ik weet nu dat dat ‘gecentreerd blijven’ geen neutraal en gevoelloos standpunt is, maar dat het draait om eerlijk voelen en daarmee in het reine zijn.  Het is tegelijk mijn intentie om de spelen in de arena minder gewichtig op te nemen. Om niet langer verontwaardigd en gefrustreerd te zijn bij wat ik de absurditeit, onwetendheid en waanzin van de wereld noem. Ik wil het waarachtige van de afleiding kunnen onderscheiden. Het authentieke van de overlevingsmechanismen. En handelen vanuit de helderheid van mijn centrum. Karolien DemanFoto door Toni Meert

KarolienDeman
12 1

Slechts brokstukken

Het overweldigende gevoel, zich vertakkend in verwarring, stamt uit alle mogelijkheden, beweringen en waarheden die rond mij samentroepen. De ene al dwingender dan de andere. Als straatkinderen die in mij een rijke toerist zien, met zakken vol aandacht en ander snoepgoed. Ik ben in het verleden gul geweest, maar wil mij niet langer laten pluimen. Mijn strategie klinkt simpel: voelen wat voor mij klopt, de rest negeren. Alleen nog focus op het intuïtieve gevoel, geen verstrooiing door verhalen. De verhalen bonzen op de poort van mijn heiligdom. Ik zet daarom het volume van mijn innerlijke wereld hoger zodat ik ze niet hoor. Het duurde even voor ik die volumeknop vond. Het gebeurt nog dat ik hem even kwijt ben. Een illusie wordt niet altijd doorprikt door haar te doorzien. Weten dat er een illusie is, verandert de illusie niet. Het verandert voor mij wel de handvatten in hoe ermee om te gaan. Handvatten die ik eigenhandig uit mijn kern heb moeten beeldhouwen. Want het onechte diende zich aan zonder grip. Of: ik was het die zich aandiende in het onechte, om redenen die ik vergeten ben. Kwetsbaar, puur en open arriveerde ik ergens waar ik niet thuishoor, maar blijkbaar wel dien te zijn. Met alle informatie in mijn wezen, behalve de verhalen van deze wereld. Er werd mij geleerd hoe te denken en te spreken, en de verhalen overschreven systematisch wat ik wist zonder woorden. Denkend en sprekend in een taal die de mijne niet is, tracht ik, decennia later, te herinneren wie ik oorspronkelijk ben. Om het echte van het onechte te onderscheiden, is mijn gevoel er dus als enige betrouwbare leidraad uitgekomen. Uit het oneindige kluwen van redeneringen trek ik aan de lijn die me rechtstreeks naar ‘binnen’ leidt. Mijn houvast, mijn handvatten, zijn niet langer tastbaar. Ik vind tegenwoordig meer grip in de leegte, in het vacuüm van het zinloze. Wat ooit chaos leek, voelt nu bevrijdend. Ik verkies chaos boven gestructureerde verwarring. Wat zich in het onechte als logisch en normaal voordoet, maakt deel uit van een artificiële zingeving. Het is die zin, verzonnen, opgelegd of pijnlijk ontbrekend, die het leven van gewicht voorziet. Zonder die zin is er alleen maar bewegingsruimte. Zonder zingeving is er geen agenda of planning, enkel maar het aanwezig zijn in het moment. Deel uitmaken van de leegte. De onechte structuur waarin ik scheef groeide, maakte mij tot een samenhangsel van onbewuste stukken en vastgekoekte angsten. En zo bewoog ik mij doorheen oneindige raadsels van informatieve zingeving. Er openbaarde zich een oneindige zee aan mogelijkheden die ik kon ‘benutten’, waar ik iets mee kon ‘doen’, iets over kon ‘denken’ en ‘zeggen’, iets van kon ‘maken’. Allemaal met het achterliggende idee dat het ‘iets’ is. Dat ‘iets’ beter is dan ‘niets’. Maar met vallen en opstaan wist ik mezelf recht te trekken uit deze illusie en herinnerde ik weer dat ‘niets’ aan de basis lag van alles. Ik kan natuurlijk altijd ‘iets’ neerzetten waarvan ik weet dat het ‘niets’ is, om mijn tijd hier enigszins vermakelijk door te brengen, vandaar ook deze tekst. Het belang van materiële aanwezigheid reduceert enorm wanneer het besef van zinloosheid zijn licht, dat soms als een schaduw voelt, werpt op de dingen. Ik heb gegraven en gewroet in de bodem van wat mijn fundering zou moeten zijn; ik dacht er wortels te vinden, maar vond er vooral verhalen en verwarring. Dan maar in het ijle drijven en zien waar de stroom mij brengt. Er is nog weinig waarop ik mij kan vastklikken dat van waarde is. Ik moet mij in nauwe hoeken wringen om de normaliteit van de simulatie mee te spelen. Het comfort dat mensen in deze onechte wereld denken te vinden, is iets waar ze in hun naakte bewuste essentie nooit voor zouden tekenen. Maar hier, in de overweldigende beperking, geeft het schijnrust. Die schijnrust is een muur die ik al jaren aan het afbreken ben om te zien wat erachter ligt. En nu verschijn ik tijdens sociale interacties met slechts brokstukken, waarmee ik snel opnieuw een schamele constructie maak die het even volhoudt. Hoe lang nog? Mijn lichaam geeft nu duidelijker dan ooit aan dat de muur afgebroken is en ik quasi naakt in de leegte sta. Opnieuw kwetsbaar en puur. Ik ben dus niet langer bestand tegen interacties die niet authentiek voelen. De beperkende middelen en taal die ik nu gebruik om deze tekst te construeren, zijn tools van de matrix. Deze woorden zijn niet meer dan vage schimmen van het ‘niets’ dat nu in ‘iets’ gepropt wordt. Maar misschien valt er te snoepen van een glimp echtheid die uit de lege omhulsels lekt? Dat hangt natuurlijk ook af van het bewustzijn dat over deze letters dwaalt. De meeste mensen zullen op hun honger blijven zitten. Dat komt onder andere omdat ze in een omgekeerde wereld leven. Ze hebben zich daaraan aangepast. Ik blijf het lastig vinden, zo ondersteboven, en vind het in veel ‘normale’ situaties niet gemakkelijk om mijn maaginhoud binnen te houden. Ik voel me ook vaak moe. Moe van hier dag in, dag uit te zijn. Of te doen alsof ik hier ben. Schipperend tussen misschiens en mogelijkheden, het minimum uitvoerend, want ‘je weet nooit’. Veel schrijven en lezen omdat niet schrijven en lezen misschien ramen en deuren sluit. Ramen en deuren in de muur waarvan slechts brokstukken overblijven. Tekst door Karolien DemanFoto door Toni Meert

KarolienDeman
12 0

Het broedend duifje

Er zit een duifje op haar nest en het zit er al enkele weken. Ik weet niet precies hoe lang, maar toch al zeker drie weken, misschien zelfs vier. Het zit er rustig, met het geduld en vertrouwen van een wezen dat geen twijfels heeft over haar bestaan en impulsen. Ik ga ervan uit dat het een ‘zij’ is, maar het zou ook een mannelijk duifje kunnen zijn die deze taak op zich neemt. Misschien uit liefde en het nalatenschap van zijn vrouwtje waar hij om rouwt? Nee, dit laatste is te ver gefantaseerd, teveel Disney-sentiment. Ik meende wel enkele weken geleden twee duifjes te hebben gezien, eentje op het nest en eentje ernaast fladderend op takken, ik vermoedde toen om te helpen met eten brengen.  Over het nest had ik eerst mijn twijfels, het leek er niet heel stabiel uit te zien, maar na enkele serieuze wind- en regenvlagen zat het duifje er nog steeds onbewogen en kordaat. Het nest lijkt toch wel genoeg beschut door takken en bladeren waardoor het niet veel wind vangt. De kletterende regen zal het duifje moedig, zonder het zelfmedelijden en gezeur dat een mens zou produceren, hebben doorstaan.  Ik zoek bewust niet op hoe lang de broedtijd van een duif is. Zolang het duifje overtuigd is van het slagen van haar broedkansen ga ik in vertrouwen met haar mee. Al ervaar ik wel die menselijke twijfel en onzekerheid. Compassie ook jegens het duifje. Zelfs enige kwaadheid naar de hardheid van het leven dat toelaat dat onschuldige dieren zwaarte en pijn ervaren. Wat als het duifje daar vergeefs zit? Als ze al die weken daar heeft gezeten, heeft volhard en uiteindelijk uitgeput moet concluderen, misschien heel gestaag en instinctief, dat de eieren geen leven bevatten? En wanneer en hoe zou het duifje eten? Komt het andere duifje soms nog, want ik zie het nooit meer? Het enige wat ik elke dag zie, op eender welk moment, is een duifje dat één lijkt te zijn geworden met haar nest en de boom. Ik heb de verrekijker erbij genomen om meer details te zien. De blik in haar ogen bijvoorbeeld. Met het blote oog zie je haar haast niet zitten. Mocht je het niet weten, dan merk je haar niet op. Maar ik merk haar op. Ik schrijf zelfs over haar. Het bestaan van dat wezen wordt gezien, erkend en het werkt ook nog eens inspirerend. Ik vraag mezelf af wat het duifje mij toont, welke boodschap het voor mij heeft. Het duifje is hier niet alleen als duifje om eieren uit te broeden en alle problematieken daarrond te ervaren, maar ook om zich, onbewust, aan mij te laten zien. De plek van haar nest, vlak bij mijn livingraam is niet toevallig.  Het lag vast door het ‘lot’ dat het duifje precies daar haar nest zou maken en dat ik het zou zien en erover nadenken, voelen en schrijven. Vanuit haar vrije wil koos het duifje deze nestplaats, ware het niet dat die vrije wil verbonden is met het netwerk van het universum waar mijn vrije wil ook deel van uitmaakt. Mijn vrije wil, noch die van het duifje, kan niets in beweging zetten zonder daarmee iets anders aan te raken. Het duifje en ik zijn één, we maken deel uit van hetzelfde universele geheel. We bestaan uit dezelfde ‘energie’ die gefragmenteerd verschijnt in een duif, een mens en een omgeving of wereld. Door het duifje te observeren, leer ik iets over een deel van mezelf dat zich representeert als een duifje. De vragen die het duifje bij mij opwekt, zijn de vragen die nu voor mij van toepassing zijn in mijn proces van zelfontwikkeling. Het duifje zet mij, onbewust en zonder daarvoor iets te moeten doen, in beweging. Het duifje hoeft alleen maar te ‘zijn’, rustig zittend op haar nest, zonder ergens van gewaar te zijn. Ik besef dat ik evengoed gewoon hoef te ‘zijn’ om mijn rol op verschillende vlakken constructief te spelen in deze wereld. Mijn bijdrage aan deze wereld bestaat in de eerste plaats uit mijn aanwezigheid en dus niet enkel en alleen uit mijn creaties en prestaties. Ik hoef niets te ‘doen’, enkel te ‘zijn’. Net zoals het duifje. Terwijl ik rustig op mijn nest zit, ben ik onbewust een inspiratiebron voor anderen. Ik hoef alleen mezelf te zijn om iets waarachtigs neer te zetten. De rol die ik speel in dit levenstoneel bestaat uit zuivere aanwezigheid die vorm en omgeving ervaart. Wat ik precies vanuit die ervaring doe of verwezenlijk, of mijn eieren nu uitkomen of niet, maakt eigenlijk niet uit. Zolang ik maar aanwezig ben.  Net zoals het duifje niet door heeft dat ik reflecteer over haar bestaan, heb ik ook vaak geen notie van de impact van mijn aanwezigheid op anderen. Net zoals het duifje die eieren vanuit een natuurlijke creatiekracht gelegd heeft, schep ik ook dingen. Maar het leven draait niet om wat er geschept wordt, maar om hoe we scheppen en wat we daarbij ervaren.  Trouwens over die eieren: ik kan die vanuit mijn perspectief niet zien liggen in het nest. Ik ga er eigenlijk gewoon van uit dat ze er zijn, maar het kan ook dat er helemaal geen eieren zijn en dat het duifje op een leeg nest zit. Zou dat een verschil maken? Vanuit menselijk standpunt, een standpunt vol ideeën, overtuigingen, projecties en reflecties, waarschijnlijk wel. Ik zeg niet dat dieren geen emoties en gevoelens ervaren, ze dragen alleen het extra gewicht niet van een zelfreflecterende en contemplerende laag waar mensen onder gebukt gaan. Ze overdenken niet, maar handelen instinctief vanuit gevoel. Als zij lijden, dan lijden zij, zonder de projecties en ideeën over dat leed. Ze hebben er geen oordeel over, het is er gewoon en ze gaan ermee om.  Ik ben mij ervan bewust dat ik allerlei ideeën en verhalen projecteer op het duifje. Net zoals ik dat ook doe op mezelf en mijn omgeving. Mensen zijn verhalenmachines. We bedenken automatisch verhalen rond de verschijnselen die we zien. Bewust en onbewust. En anderen horen of lezen die verhalen, projecteren er nog anderen ideeën op, veranderen de verhalen. Het is een mentale ketting aan verhalen die we collectief aaneen rijgen. Sommige delen van die ketting worden ‘erfgoed’ genoemd. Dieren doen zoiets niet, ze maken geen kettingen en structuren van verhalen. Ze leven hier en nu, in een verhaal dat belichaamd wordt, maar niet verteld. Want daarvoor zijn er mensen. Ieder speelt zijn rol in dit veelzijdige universum. Het duifje op haar nest en ik schrijvend in mijn bed over het duifje. Of we nu over bevruchte eieren beschikken of niet, we zijn evenwaardig en ons bestaan is geen vergissing of toevalligheid, maar een uiting van ‘God’ die zichzelf wil ervaren als duif en als mens en al de ruimte daartussen. Het is God, de scheppende kracht, die zichzelf zo ontmoet, zich weerspiegeld ziet in tal van facetten, op diverse niveaus en dimensies, bewust en onbewust. Ik kom mezelf tegen in diverse lagen van deze levenservaring, en al herken ik mezelf niet altijd, toch ben ik het steeds opnieuw. Ik dank het duifje om er te zijn en om haar pure authentieke frequentie uit te zenden. Ik dank mezelf voor het oppikken van die frequentie, voor het zien van grootsheid in details en het tasten onder de lagen. Ik weet en voel dat mijn visie en begrip ontzettend beperkt is ten opzichte van de oneindigheid die buiten de grenzen van mijn menselijk perspectief lijkt te liggen. Ik weet dat ik in essentie oneindig en onbegrensd ben, maar dat ik dit enkel kan beweren vanuit een begrensde vorm. Zo ben ik zowel vrij als onvrij en besta ik dus uit het hele pakket en niet slechts de helft van de dualiteit. Ik ben een geheel van donker en licht. Paradoxen zijn er als symbool van ‘heelheid’. Zowel het ene als het andere leeft, er wordt niets uitgesloten, er ontbreekt niets. Tegenstellingen zijn er om een eenheid te vormen en dat kunnen ze alleen als ze tegengesteld blijven. Ultieme eenheid kan geen vorm hebben, niet ervaren worden, zonder tegenstellingen. Of beter: de notie van tegenstellingen moet bestaan om de notie van eenheid te kunnen ervaren.  Zo, en dat allemaal op een dinsdagochtend naar aanleiding van gedachten over een duifje op haar nest. 

KarolienDeman
8 3

Onder alle lagen

Onder alle lagen van het gedomesticeerde mens-zijn zit er een natuurlijk wezen dat schreeuwt om aandacht. Die schreeuw klinkt vaak als een auto-immuunziekte, een allergie, een hernia, een burn-out of een andere kwaal. De hardnekkigheid van lastige kwalen, maar ook van confronterende triggers, ligt als een sluier over al wat niet aangekeken wordt. Alle emoties en gevoelens die rationeel gezien geen bestaansrecht krijgen wegens te onlogisch, te destructief, te kwetsbaar, te lelijk of gewoonweg onaanvaardbaar, liggen diep in het onderbewuste te sudderen. En na vele bochten en omwegen kom ik erop uit dat boosheid de wortel is van die woekerende plant die ‘chronisch leed’ heet. Bedolven onder dikke lagen verdriet zit er een ingehouden vuur. De vlammen likken al jaren aan mijn ingewanden, een deel van mezelf ging in as op. Een vuur dat ‘er niet hoort te zijn’. Een vuur dat steeds opnieuw aangewakkerd wordt door de luchtstroom van mijn gedachten. En eenmaal het laait, is er die aangeleerde schaamte en angst die zegt dat het vuur mijn donkere kanten belicht en gevaarlijk is. Snel weg ermee, voor iemand het ziet. Ik strooi er excuses overheen, gooi er enkele relativerende redeneringen tegenaan. Ik heb geleerd om mijn vuur in een doosje van mooi verwoorde argumenten te verpakken. Ik voel zelfs trots over de esthetiek en kundigheid van mijn verpakking. Zo had ik jarenlang veel gedachten en woorden, zonder het vuur echt te voelen branden. Ik merkte de pijn van de schroeivlekken natuurlijk wel op en die werden het voornaamste focuspunt: symptomen voorkomen. Trachten te functioneren in een wereld die haaks op de mijne staat terwijl ik er alles aan deed om de schade van het innerlijk vuur te beperken. Het voelde als Sisyphusarbeid. Te midden van een onmenselijk ritme plande ik telkens tijd om te recupereren van handelingen die mij niets authentiek opbrachten. Uit angst die gefundeerd was op aangeleerde sociale conventies. Angst die van bij mijn geboorte, en waarschijnlijk zelfs daarvoor al, als een sluipend gif mijn vrije wil programmeerde. Het geniale aan de donkere krachten in deze wereld is dat ze maar half werk moeten leveren, want de rest doen we zelf wel. Tal van extern gehanteerde overtuigingen, wetten, regels en voorschriften worden door veel mensen gewoon geïnternaliseerd. Een onnatuurlijke levensstijl met bijbehorende ideologie die door een systeem van bovenaf wordt voorgeschreven, wordt massaal geïmplementeerd. De controlerende organen van dat systeem worden bijgestaan door ‘burgers’ die zich de regels eigen hebben gemaakt en daarmee hun eigen authentieke richtlijnen hebben overschreven. Het verklikken of aangeven van wie de systeemregels overschrijdt, is daar een misselijkmakend voorbeeld van. Ik ben mij bewust van de vervuiling die ik toegelaten heb in mijn puurheid. Van de verstoring en onderdrukking van mijn ware zelf, uit angst en overlevingsdrang. En ik vergeef mezelf daarvoor. Het openbaren, uitzuiveren en loslaten van destructieve overtuigingen die van nature niet bij mij horen, is een proces. Het is niet alleen een individueel proces, maar ook een collectief proces dat nu gaande is. De onnatuurlijke, gejaagde, op materie en ego gefixeerde westerse levensstijl wordt nu nog door tal van onbewuste systeemaanhangers verdedigd, maar loopt wel op z’n laatste benen. Er is een kentering gaande en dat zorgt ervoor dat het contrast tussen ‘echt’ en ‘onzuiver’ helderder dan ooit is voor mij. En mijn kompas is en was altijd mijn gevoel en intuïtie. Het is wel zo dat ik dat kompas steeds beter ben gaan begrijpen. Mijn moeizame zoektocht van ups en downs leverde vooral helderheid op. En een nog fijner afgestelde gevoelswereld, iets dat mijn rationele zelf jarenlang als angstaanjagend beschouwde. Het gaat ook over het herwinnen van zelfvertrouwen: durven vertrouwen op de zuivere juistheid van wat er intuïtief en gevoelsmatig aangegeven wordt, zonder dat er een rationele ‘ja, maar’ op volgt. ‘Ja, maar dit gevoel kan ik niet uiten, want het zou anderen kunnen kwetsen.’ ‘Ja, maar als ik mijn gevoel zou volgen, dan kan ik weerstand en consequenties verwachten.’ ‘Ja, maar leven volgens mijn gevoel is niet praktisch haalbaar, financieel noch sociaal.’ Het zijn enkele voorbeelden van collectief ingebedde ‘ja, maars’ die niet eigen of authentiek zijn. Het zijn overtuigingen die als een beperkende koord rond de vrije wil zitten gewikkeld. En rond het natuurlijke zijn. Ik ben mezelf al jaren aan het bevrijden van het kluwen aan beperkende overtuigingen dat mijn ware zelf belemmert. Ik begrijp nu ook ineens waarom ik mezelf zo vaak gewikkeld in touw heb geschilderd. Via kunst, of dat nu schrijven, zingen, schilderen, dansen of spelen is, krijgt het onderbewuste een podium. In onze creatieve uitingen lezen we wat er onder de vele lagen van overlevingsstrategieën echt speelt. Daarom vind ik het belangrijk om dat met anderen te delen. Ik kan en wil niet anders meer dan bij ontmoetingen spelen en samen creatief zijn. Ik wil alle ingehoudenheid en sluiers van oppervlakkigheid achterwege laten. In een sociale context kan ik geen urenlange mentale processen voeren zonder dat mijn lichaam grenzen aangeeft. Ik wil, moet zelfs, loskomen van ratio en verhalen en dieper zakken richting gevoel, anders voelt het leven voor mij als een opgave of een strijd. Dit is ook een maatstaf voor de bijeenkomsten die ik bijwoon of zelf organiseer: het praten en redeneren mag niet primeren boven het verbindend voelen, desnoods doorheen weerstand en angst. Maar natuurlijk steeds in zachtheid, met liefde en respect voor onszelf en elkaar. Ik heb het gevoel dat deze tekst resoneert met de frequentie van de zogenoemde ‘nieuwe wereld’ die eraan komt en in feite de ‘oude’ of ‘oorspronkelijke wereld’ is. Er is immers niets nieuws aan onze ware natuur, ze is er altijd geweest. Soms bedolven onder vergeetachtigheid en allerlei systemische mechanismen. Dit is weer een tijd van herinneren en uitzuiveren. De verontwaardiging en boosheid die ik zo lang heb getracht te relativeren is gegrond. Er is niets te ‘overgevoelig’, ziek of moeilijk aan mijn ware authentieke zelf, hoe hard deze soms ook lijkt af te steken in collectief aanvaarde contexten. In de ogen van oppervlakkigheid lijkt diepgang en gevoel een zwakte en het is aan mij om mezelf niet langer door die ogen te bekijken. De verbinding met andere zielen die zich herkennen in dit relaas, of mij hierin erkennen, voelt als heerlijk thuiskomen in een wereld die steeds groter wordt rond mij. Een zalige wereld waarin ik mezelf niet hoef in te perken om aanvaard en geliefd te zijn. En ik voel daarvoor zoveel dankbaarheid! Het geeft zoveel steun! En vanuit passie bouw ik graag mee aan dit netwerk van liefde, zodat steeds meer zielen dit thuiskomen kunnen voelen.* De afbeelding bij deze tekst is een schilderij dat ik maakte in 2010 getiteld 'Twisted & Turned', verwijzend naar de bochten waarin ik mezelf dacht te moeten wringen om te overleven in deze wereld vol rare kronkels.

KarolienDeman
5 1

De ruimte tussen waak en slaap

Er zijn mij ongetwijfeld heel wat anderen voorgegaan, maar nu wil ik het zelf eens proberen. Ik wil de ruimte tussen waken en slapen – die zacht zwalpende en halfslachtige droomtoestand – proberen te vatten in woorden. Het is om te beginnen een illusie te veronderstellen dat ik haar in haar geheel zou kunnen omvatten. Ik mag al tevreden zijn als ik eromheen kan draaien, er met taal een glimp of versplinterde fractie van mag opvangen. Want taal cirkelt overal onbeholpen omheen, raakt nooit de kern en kan alleen maar suggereren waarover het gaat. Het is aan de interpretator om woorden te ontcijferen tot gevoelens en indrukken. Het harmonisch en efficiënt schikken en combineren van woorden om de essentie van een boodschap of sfeer zo dicht mogelijk te benaderen, is waar het voor een schrijver om draait. Dat is waar het voor mij in deze tekst om draait. En de bewustzijnstoestand tussen waken en slapen is het onderwerp. Het is een onderwerp dat mij wijds, magisch, mysterieus en – vanuit artistiek en literair standpunt – enorm potentieel voorkomt. Het is tevens een bewustzijnstoestand die ik verheerlijk. Nu ik er zo over nadenk, vraag ik me af of ik wel over voldoende expertise beschik om mij hierover schriftelijk en openbaar uit te laten. Als ik het echt serieus en wetenschappelijk zou aanpakken – wat de geloofwaardigheid van deze tekst misschien alleen maar ten goede zou komen – dan hield ik gedurende een lange periode een dagboek bij waarin ik mijn ervaringen neerschreef. Dan zou ik de halfslaaptoestand bewust proberen uit te lokken en deze analytisch benaderen. Ik zou ook een enquête kunnen houden, mensen bevragen over hun ervaringen met deze toestand. Daarin dan patronen en correlaties zoeken. En pas na dit alles zou ik een goed onderbouwd essay kunnen schrijven dat, gezien vanuit een zuiver rationeel perspectief, enig gewicht in één of andere schaal zou kunnen werpen. Maar de kaarten liggen nu anders. De geloofwaardigheid van deze tekst ligt in haar spontane rauwheid. In de eerlijkheid van speelse creativiteit – een bewustzijnstoestand die ook in de onbepaalde tussenruimte heerst. Ik schrijf dit vanuit de losse pols. Geheel onvoorbereid – tot een uur geleden wist ik zelfs nog niet dat dit het onderwerp van een tekst zou worden. Ik ben hier nu een plotse ingeving energie en vorm aan het geven. En degene die dit leest, doet hetzelfde. Evenmin wetend of dit überhaupt ergens toe zal leiden. Uit ervaring weet ik dat er veel waarde schuilt in plotse ingevingen. Op momenten dat ik nergens specifiek mee bezig was – bijvoorbeeld tijdens de gedachteloze, motorisch ingesleten verplaatsing van slaapkamer naar toilet – zijn mij ideeën binnengevallen die later een grote impact op mijn leven hadden. Om maar te zeggen: iets hoeft niet doordacht en wetenschappelijk onderbouwd te zijn om tot grootse inzichten of transformatie te leiden. Waarmee ik niet pretendeer dat deze tekst daartoe zal leiden, maar de aanzet biedt er in elk geval ruimte voor. De toestand tussen waken en slapen is, net zoals mijn routineuze korte tocht van slaapkamer naar toilet, een tussenruimte. Het is een soort vacuüm zonder regels waarin alle schijnbaar tegenstrijdige werelden elkaar ontmoeten. Het begin en einde van deze tussenruimte laten zich niet aanduiden. Ze schuift als het ware geruisloos en onzichtbaar open, en plots zweef ik tussen stukjes onthechte mogelijkheden. Vanaf het moment dat mijn bewuste geest het onbewuste opmerkt en wil begrijpen, voel ik hoe die tussentijdse, tijdloze toestand mij weer ontglipt. Hoe de vaste contouren van de praktische, tijdelijke werkelijkheid zich weer proberen door te drukken in die onvaste, vormloze wereld. De tussenruimte wordt bewandeld door een geest die het begrijpen loslaat en zich laat meedrijven met de ‘onsamenhangsels’ en spiraalvormige kronkels van wat losstaat – en tegelijk verbonden is – met alles dat zich voordoet. Deze ruimte is als een oeverloos bad waarin de denkende geest kan oplossen. In mijn leven draagt alles symboliek, en reflecteren in alle details holistische inzichten. Dat hier nu zo spontaan mijn focus uitgaat naar de lyrische omschrijving van een overgangsfase, komt helemaal overeen met mijn algemene gevoelstoestand. Ik lijk me al enige tijd in een overgangsfase te bevinden. De kans is groot dat heel mijn leven een overgangsfase is. De kans is ook groot dat dit nu zo lijkt, louter en alleen omdat het gevoel van een overgangsfase nu zo uitdrukkelijk leeft. Ook hier kan ik geen duidelijk begin- of eindpunt markeren. Een overgangsfase of tussenruimte voelt als een smalle strook, een soort tunnel of oneindige gang zonder deuren. Het gezellig inrichten van ruimtes is een van mijn passies. Ik wilde eerst ‘kwaliteiten’ schrijven in plaats van ‘passies’, maar waar ik passioneel over ben, wordt misschien niet door iedereen als een kwaliteit omschreven. En aangezien ik iemand ben die – zoveel dat het bijna onmogelijk wordt – rekening houdt met het perspectief van anderen, oefent die eigenschap natuurlijk ook invloed uit op mijn woordkeuze. Dat energieslurpende patroon om mezelf te verliezen in de energie van anderen, is een ander paar mouwen. Ik wil wel eens voor de sier en persoonlijke inkijk een zijsprong maken, maar ik dien ook gefocust te blijven op het onderwerp ‘overgangsruimtes’, om te voorkomen dat deze tekst uit zijn vorm zakt zoals een cake die niet wilde rijzen in de oven. Het ding met die lange tussenruimtes is dus dat je erin kunt reizen zonder ergens naartoe te gaan. Dat is misschien ook wat mij het meest eraan aantrekt. Mijn favoriete dagen – dagen waarop mijn lichaam en geest ontspannen – komen overeen met lege vakjes in mijn agenda. Onbepaald en ongepland, net zoals tussenruimten. Gedachten en ideeën die dan resoneren met de energie van het moment, dienen zich aan als gewillige bouwstenen zonder verwachtingen. Het zit niet in mijn aard om potentiële leegte onbespeeld te laten; het wakkert juist mijn creativiteit aan. Geef mij niets, en ik voel mij rijk door zoveel mogelijkheid. In de schijnbare leegte van het tussenmoment wemelt het van de energie. Tussen waken en slapen voel en hoor ik mezelf cirkeltjes maken die steeds groter worden, tot ze uiteindelijk uitdeinen tot hele landschappen die het thuisland vormen dat ik om praktische redenen op aarde dien te vergeten. Er resten enkel nog de vage herinneringen als rafelige, flinterdunne doeken die ik als een idee van bescherming om me heen sla en waarmee ik nu een tekst poog te breien. Ze vallen uiteen op het moment dat ik nog maar de intentie heb om ze in deze tastbare illusie te verwoorden. Ik kom hier nu bij u aanzetten met losse flarden en snippers van iets dat je misschien wel herkent, maar dat om een bewustzijnstoestand vraagt die zich – te midden van de inspanning des levens – moet inspannen om ontspanning te vinden. Want we zijn het overleven zodanig voorbijgelopen dat we geen adem meer over hebben om echt te gaan leven. Deze tastbare materie, met al haar personages en verhalen, geeft ons de indruk ergens naartoe te gaan of ergens vandaan te komen. En de geniale zinloosheid van dat geheel maakt dat ieder voor zichzelf zin en betekenis aan de levenservaring toeschrijft. De tussenruimte van waken naar slapen (en omgekeerd) lost de lijm op die de elementen van een persoonlijke realiteit aan elkaar hecht. Ze ontbindt alle overtuigingen die tot een logisch geheel bijeen gebundeld waren. En terwijl ik in de praktische omgang met anderen een fervente aanhanger ben van logica, doet de ongedefinieerde tussenruimte mij beseffen hoe bevrijdend een onlogisch en spontaan wemelende zijnstoestand kan voelen. Het is een gevoel van in overgave gewichts- en vormloos zweven in de meest vruchtbare poel van oerenergie. En daar een perfect passend deel van uit te maken, zonder het gevoel enige verantwoordelijkheid of controle te hebben. Het is een bewustzijnstoestand waarin geen vragen worden gesteld en waar de meest prominente energieën van het moment geobserveerd kunnen worden vanuit diverse standpunten, zonder hechting of verlangen. Mijn begrijpende geest zoekt verzachting in de buurt van deze tussenruimte. Om het overleven te overstijgen in het praktische leven, ga ik ertegenaan leunen en doorheen de scheidingswanden kijken, voelen en horen. Met deze tekst schets ik u – in weliswaar veel te grove, kortbochtige en onvolledige lijnen – de speelruimte die in ieder van ons leeft. Ik blaas haar concept, het idee van haar bestaan, en alle herinneringen die ons terug naar haar kunnen leiden, levenskracht in. Als een kleine moedige rimpeling in woelige wateren. Een door het lawaai gedempte lofzang voor het ongedefinieerde als oerbron onder alle manifestaties. Het is een lied dat om gevoelige oren vraagt. Dat is eigen aan mijn repertoire. De vraag is, zoals altijd, hoe ik deze spontane creatie tot een enigszins bevredigend einde kan brengen in de oneindige voortgang der dingen. Welk besluit ik kan vormen dat zowel open als afgesloten klinkt. En zelfs als ik tot zo’n einde kom: wat maakt dan dat ik het klaar acht om het – in alle kwetsbaarheid – buiten de perimeters van mijn energieveld te sturen? Kan ik deze tekst niet beter even laten rusten en rijpen, tussen de vele andere die ik met een wijzere blik in de toekomst wil hernemen? Maar de gedachte aan de onvoorstelbare veelheid bagger of ‘content’ die dagelijks de ether wordt ingebraakt, sterkt mij nu om ook spontaan en vloeiend (impulsief, aldus mijn innerlijke criticus) op de ‘deelknop’ te drukken. Et voilà.  

KarolienDeman
22 1

Dieren als spiegels rondom mij

Pas na het bezoek van de handhavende instanties viel de symboliek van de eksters mij op. Net als zij huppelden de eksters met z’n zessen over hetzelfde pad richting mijn heiligdom. Onaangekondigd en met een vanzelfsprekende zekerheid over hun optreden. Ze voelden zich de baas over dit terrein, trokken met hun sterke snavels aan alles dat los zat en glansde. Ze plunderden nesten en stalen de eieren van mijn kippen. Ik voelde me machteloos en gefrustreerd omdat ik de verstoring en schade die zij toebrachten niet kon voorkomen, ondanks verschillende pogingen. Zowel de eksters als de overheidsinstanties vormden een domper op de gelukzaligheid van een leven in de natuur. Het zwart-witte verenkleed van de één weerspiegelde de zwart-witte denkwereld van de ander. De eksters, gedreven door Moeder Natuur, de instanties door Vader Overheid. Beiden klauwden zich onlosmakelijk vast in hun destructieve missies. Tot tweemaal toe betrapte ik een ekster op heterdaad in het kippenhok, waarna ik hem even opsloot – de kippen waren op dat moment vrij aan het rondscharrelen op het terrein. De eerste keer wist de ekster redelijk snel te ontsnappen, maar de tweede keer had ik alle ontsnappingsgaten dichtgemaakt. De ekster en ik keken elkaar diep in de ogen, en ik ging het gesprek aan. Net zoals bij de instanties kreeg ik geen respons op mijn steekhoudende argumenten. En opeens viel het me op hoe gehavend de ekster eruitzag. Zijn veren leken oud en rafelig en hij had een gezwel op zijn keel. Daarin zag ik de symboliek van hoe ook de gezaghebbende instanties op hun laatste benen liepen in dit afbrokkelende paradigma. De ingezette shift naar een andere wereld zorgde ervoor dat ze de druk opvoerden. Hun intentie om ons weg te houden van onze natuurlijke rijkdommen hing als een mist in de ether. Het maakte de connectie met de essentie moeilijker, maar niet onmogelijk. En zo was het moeilijk om de eieren van mijn kippen dagelijks te beschermen, maar niet onmogelijk. Het lukte me een tijdje om de eksters af te schrikken met een vogelverschrikker – volledig aangekleed, met pruik en zonnebril, de ingang naar het kippenhok versperrend. Die joeg ook bezoekers de stuipen op het lijf. Eksters zijn natuurlijk uitzonderlijk slim, dus het duurde niet lang voor ze doorhadden dat het om bluf ging. Dus de kippen en ik pasten ons aan. Pas als alle eieren waren gelegd, ging de deur open. En het gebeurde nog weleens dat een ekster zijn slag kon slaan, maar het merendeel van de eieren bleef gespaard. En zo heb ik ook in het dagelijks leven compromissen te sluiten met machtuitoefenende instanties, zonder daarbij te veel van mezelf weg te geven. In de periode dat de onzekerheid, voortgekomen uit het contact met dreigende instanties, zwaar op mijn schouders drukte, was er een specifiek insect dat mij voor het eerst opviel. Teruggetrokken tussen het groen, zoekend naar rust en ontspanning, werd ik plots omringd door kniptorren. Als ze op hun rug terechtkwamen, konden ze hun schild zodanig laten ‘knippen’ dat ze weer op hun poten belandden. Omdat ik ze dag na dag rond mij, van alle kanten, hoorde knippen, zocht ik informatie over dit insect. Zo leerde ik dat de kniptor graag teruggetrokken tussen het groen leeft en dat hij, hoewel hij er kwetsbaar uitziet, over een verrassende kracht (de klik) beschikt. Ik was de kniptor. Als ik op mijn rug terechtkwam, kon ik rekenen op mijn eigen innerlijke kracht om weer rechtop te komen. Een enkele klik in mijn bewustzijn was genoeg om de richting te veranderen. Er laaide een ontembaar vrouwelijk vuur onder mijn schild, waarmee ik mezelf steeds uit benarde situaties wist te ‘knippen’. Ik bestudeerde het gedrag van de kniptor en beschouwde het tegelijk als een vorm van zelfreflectie. Ik zag hoe een kniptor zich voor dood kon houden. Met eindeloos geduld zat hij daar, met ingetrokken pootjes, voelsprieten en kop, te wachten tot de kust weer veilig was. En op het moment dat ik mijn aandacht begon te verliezen, kwam er heel voorzichtig een tastend pootje uit zijn schild tevoorschijn, de omgeving scannend op onraad. De kniptor vindt veiligheid bij zichzelf, in zichzelf. Hij vlucht nergens naartoe, maar keert naar binnen. Zolang als het nodig is. De instanties hadden me gemotiveerd om een groot hoofdstuk af te sluiten. Ik was er eigenlijk wel aan toe en denk dat ik, zonder die externe motivatie, was blijven doorgaan tot ik erbij neerviel. Het was natuurlijk schrikken en ook wat beangstigend – zeker omdat ze dreigden met ‘sancties’ – maar ik zag wel in hoe het loslaten van iets ouds ruimte maakte voor iets nieuws. Ik had altijd best veel hooi op mijn vork genomen, was ook gewend om dingen alleen te doen. Het beëindigen van dit stuk werd ingeleid door nieuwe ontmoetingen en potentiële samenwerkingen. Ik zag en voelde dat mijn weerbaarheid en bereidheid om los te laten mij vanzelf, zonder enige moeite, leidde naar nieuwe projecten waar ik enthousiast van werd. Het idee om weer met anderen samen te werken, maar dan met minder verantwoordelijkheid dan ik mezelf voorheen toeschreef, wakkerde mijn creatieve vuur aan. Ik zag deze symboliek niet meteen, toen ik – niet toevallig vlak voor een succesvolle samenwerking – per ongeluk in een mierennest ging zitten. Ik kreeg toen diverse brandende mierenbeten te verwerken. Ook de dagen daarna leek het alsof ik omgeven werd door mieren. Onder en in elke bloempot, in de kelder en garage, rond de steencirkel, in de serre... De boodschap die de mieren mij brachten, ging over samenwerking en gemeenschapszin. Dit voelde erg toepasselijk, daar ik ook had gevoeld wat een grote tribe er achter mij stond in moeilijke situaties. Anderzijds was het ook belangrijk om mij tijdig terug te trekken, mezelf niet te verliezen in het contact met anderen. Dat was wat de mierenbeten mij vertelden. Naast eksters, kniptorren en mieren zijn er nog tal van andere dieren waarin ik stukken van mezelf in dit aardse bestaan herken. Zo is er het koppeltje eendjes dat zo goed als dagelijks komt chillen aan mijn vijver. Zij symboliseren voor mij standvastigheid, trouw en het houvast van eigen gewoontes en rituelen. En de groene specht die elke keer haastig wegvliegt, alsof hij ergens op wordt betrapt. Ik roep hem dan soms nog achterna: “Ik zag je wel!” De specht herinnert mij eraan om trouw te zijn aan wat er voor mij vanbinnen klopt. Om mij niet te schamen voor mijn waarheid, voor wat voor mij juist voelt. Het antwoord zit binnenin, zegt de specht die instinctief gaten in bomen maakt om eruit te halen wat erin zit. En dan zijn er natuurlijk nog mijn twee zwarte katten en vier witte kippen, die van heel dichtbij meeflowen op de golven van mijn bestaan. De nabijheid van dieren is een prachtig geschenk. Dieren zijn spiegels, boodschappers, helers – en soms ware zielsgenoten. Klein of groot, allemaal hebben ze een blik in hun ogen waarin ik een zuivere connectie met de bron lees. De blik van een dier kan een portaal naar een andere wereld openen. Er is niets dat mij zo diep kan ontroeren als de puurheid van dieren. Door hun kleine dierenleventjes te leiden, leveren ze een grootse bijdrage aan de ontwikkeling van het collectieve veld. Een dier komt nooit toevallig in je leven; het komt jou iets tonen – hoe onbeduidend het op het eerste gezicht misschien mag lijken. Niets is onbeduidend, er zijn geen details zonder betekenis. Geen ontmoetingen zonder communicatie. Het is een kwestie van horen en zien wat je getoond wordt. Aandacht schenken aan het subtiele. Opmerken hoe jouw hele omgeving meebeweegt en jou reflecteert.

KarolienDeman
76 1

Waarom, wat en hoe

Waarom, wat en hoe: het zijn woorden die als voegsel tussen mijn fundamenten zitten. Het besef dat ik niet lijk te ‘weten’, iets te zijn vergeten, dringt door naar de bovenste lagen. Al zeer jong keek ik rond en vroeg ik waarom. Niet alleen uit praktische redenen, maar vanuit een essentieel verlangen om het geheel te overzien. Mijn levensblindheid te overstijgen. Ik zag anderen verhalen schrijven die gebaseerd waren op een collectief script. Gebaseerd op wat vooropgesteld was, als een blauwdruk waarover een transparant leven werd gelegd. En dan maar calqueren, de lijnen overzetten die het bestaan in een bepaalde richting leiden. Je zou kunnen denken dat de richting van het collectief voortkomt uit de levenslessen van onze voorouders. Zij die het spel reeds gespeeld hebben en een handleiding achterlieten. Dat leek mij logisch, de natuurlijke gang van zaken die maakt dat we ergens op kunnen voortbouwen. En dat deden ze ook, onze voorouders. In harde steen, in majestueuze monolieten, verspreid over de hele wereld, liggen hun levenslessen, waarschuwingen en wijsheden opgetekend. Boodschappen die ten dienste staan van het her-inneren. En het vergeten reeds hebben ingecalculeerd. Ze maakten esoterische kennis hiermee zichtbaar in de externe wereld als een spiegel van onze interne wereld. Het vergeten is in deze duale werkelijkheid niet te bestrijden en ik geloof ook niet dat dat de bedoeling was van onze voorouders. De mogelijkheid om te vergeten schept nieuwe ruimte. Het maakt het leven verrassend. Het zoeken naar iets zet ons in beweging, laat ons avonturen beleven. Het onderscheid tussen ‘vergeten’ en ‘niet-weten’ is wat mij betreft louter een taalkundige afspraak; in wezen zijn ze één en hetzelfde. Al wat we niet weten, zijn we eigenlijk vergeten, maar zit wel onbewust opgeslagen in ons wezen. Er is alleen maar het herinneren. Er is alleen maar een creatieve kracht die alles weet en cyclisch weer vergeet. Het ‘niet-weten’ is een cruciaal deel van het leven. Ook dat wisten onze voorouders. Het is echter niet zo dat de achtergebleven wijsheden van onze voorouders voor het collectief van vandaag een leidraad vormen. Het bewustzijn van de massa is gekaapt door een macht die het vergeten voedt, cultiveert en aanmoedigt. Diezelfde macht heeft zich er eeuwenlang op toegelegd om de oude kennis, vaak letterlijk, te ondergraven, ondermijnen en af te doen als mythen en bijgeloof uit primitieve culturen. Er wordt systematisch en consequent verwezen naar het verstand met zijn eindeloze denkwereld, de ratio. En al dat wijzen naar boven leidt ons natuurlijk af van wat er beneden gebeurt. Ons hoofd, dat als een antenne signalen ontvangt en zendt, wordt belaagd door een veelheid aan informatie. Maar als het contact met de aarde ontbreekt, met onze wortels, dan is al die informatie niet meer dan ruis. En zo vind ik mezelf wel vaker uitgehold én verzadigd door zoveel ruis. Om het overleven te verrijken naar ‘voluit leven’, strijk ik tegen de richting van mijn geconditioneerde haren. Dat voelt natuurlijk ongemakkelijk en ongewoon. Maar om mijn wilde haren een kans te geven om weer te groeien, moet ik ingaan tegen alles wat mij aangeleerd is. Ont-leren en deprogrammeren wat niet gezond en natuurlijk is. Mijn eigenliefde vanonder de overlevingspatronen halen. Her-inneren wat er onder de ruis ligt. Het proces van herinneren vertaalt zich in de oppervlakte naar waarom-vragen. Omdat waarom-vragen rationeel georiënteerd zijn, kunnen ze geen diep verzadigende antwoorden voortbrengen. Het begrijpen van iets valt niet meteen gelijk met ernaar handelen, het beleven of voelen. We kunnen iets weten zonder het te belichamen of toe te eigenen. Antwoorden op waarom-vragen brengen geen verandering of vooruitgang, het is een valkuil om te stagneren na het verwerven van zo’n antwoord. Het antwoord is dan ook vaak de reden of verantwoording voor de stagnatie. Bijvoorbeeld: ‘Waarom heb ik een ziekte? Omdat mijn moeder het ook had en het erfelijk is.’ Of een antwoord op een nog dieper niveau: ‘omdat het een resterende overlevingsrespons is op een trauma.’ Het maakt eigenlijk niet uit hoe ruimdenkend het antwoord is, als het hierbij blijft, is er niets essentieel begrepen of geleerd. Echt begrijpen is ook integreren en handelen. Vanuit de waarom-vraag ontstaat uiteindelijk vanzelf de hoe-vraag. Van ‘waarom overkomt mij dit’ naar ‘hoe kan ik ermee omgaan’. Weten waarom jou iets overkomt is geen garantie om jezelf ervan te kunnen verlossen. Het beantwoorden van de hoe-vraag vereist actie, vaak met trial and error. Het woord ‘hoe’ is de inleiding die aan de intentionele handeling vooraf gaat. Om de persoonlijke antwoorden op een hoe-vraag te integreren en belichamen is er moed, motivatie en doorzetting nodig. Zeker als deze sterk afwijken van wat er collectief voorgeschreven wordt. De weg van ‘waarom’ naar ‘hoe’ is een grote sprong in de persoonlijke ontwikkeling. Terwijl de waarom-vraag een passieve machteloosheid suggereert, is er bij de hoe-vraag de intentie om te handelen en de verantwoordelijkheid te nemen. Het invullen van een persoonlijke waarom- en hoe-vraag kan decennia in beslag nemen.  Misschien zelfs meerdere levens. Het stellen van deze vragen op existentieel niveau maakt onlosmakelijk deel uit van ieders proces van zelfontwikkeling. Een iets bewustere variant op de waarom-vraag is de wat-vraag. Wat vertelt en leert een bepaald voorval of probleem? Wat is de boodschap die erachter zit? Door ons deze vraag te stellen, eigenen we onze ervaringen toe in plaats van ze als externe willekeurigheden te beschouwen. Het interpreteren van de symboliek der verschijningen kan ons waardevolle informatie verschaffen over onszelf. Wat zich buiten en rond mij voortdoet en hoe ik mij daarbij voel, weerspiegelt hoe ik in elkaar zit. De wereld rondom mij toont wie ik ben, maar bepaalt niet wie ik ben. Angst en vergetelheid cultiverende machten hebben niet alleen onze ware geschiedenis aan het oog onttrokken, maar ontmoedigen en marginaliseren het stellen van existentiële vragen. Waarom leven wij, hoe leid ik mijn leven, wat is de zin van het leven; het zijn vragen die in de privésfeer van een filosofisch of spiritueel kwartier mogen plaatsvinden, maar worden door het dominerend rationele denken opzij geschoven als volksvermaak en bijgeloof. Er zouden zogezegd geen antwoorden op die vragen zijn, alleszins niet tastbaar en meetbaar. Het grote niet-weten of de fundamentele bestaansonzekerheid die eigen lijkt aan het menselijk bestaan is als geschenkverpakking. Het omhult iets dat we niet kunnen zien. En we vermoeden, weten en voelen dat er iets in zit, maar de vorm geeft niets weg. Zonder die verpakking zou er geen verrassing zijn, geen magie, noch de vreugde van ontdekking en verwondering. Het is des mens om te pulken aan die verpakking. Om glimpen van de inhoud te willen opvangen. Het is tevens een verpakking van meerdere lagen, dus we kunnen naar hartenlust pulken. Hoezeer men ons ook iets anders wil doen geloven: er is wel degelijk een geschenk voor ons bestemd waarvan wij de inhoud mogen en kunnen ervaren. Het levensspel draait om te ontdekken wie de schenker en wie de ontvanger zijn, de inhoud zal zich op die manier vanzelf openbaren. Het is aan ieder van ons om persoonlijke vragen te stellen en daar ook een persoonlijk antwoord op te geven. Authentieke vragen kunnen niet beantwoord worden door een gestandaardiseerd rationeel systeem. Als iets voor mij waar is, voel ik het eerst - pas daarna noem ik het weten. Authentieke waarheid maakt zich kenbaar via de gevoelswereld, er daarna rationeel over reflecteren is optioneel maar niet noodzakelijk. De antwoorden van onze voorouders mogen dan wel weggemoffeld worden, ze maken nog steeds deel uit van wie we zijn. Deze wereld waar ratio zich doordrukt en opdringt zal het fundamentele voelen nooit kunnen uitroeien. Net zo min het vergeten het weten kan verdrijven, en omgekeerd.

KarolienDeman
33 1