In de binnentuin van het oude Gasthuis staat een magnolia. Ik zie hem elke dag door de grote glazen wand van het cultuurcentrum waar ik werk. Oude muren rondom, een modern gebouw van glas en beton ervoor, en daartussen een boom die elk voorjaar roze ontploft.
Vandaag staat hij in volle bloei. Bloesems groot als porseleinen soepkommen. Roze, zacht, een beetje overdreven. Alsof iemand met een brede kwast de lente op de takken heeft gesmeerd.
Magnolia’s hebben weinig geduld. Terwijl andere bomen nog zitten te twijfelen — gaan we al? nog even wachten? — staat deze madam al in avondjurk. De rest van het park nog half in pyjama en zij al klaar voor het feest.
Ik hou van magnolia’s. Misschien een beetje te veel. Want een magnolia brengt me altijd terug naar een andere tuin. Een klein stadstuintje van een grote liefde van vroeger. Daar stond ook een magnolia.
En als die begon te bloeien, wist je: het seizoen is open.
Stoelen naar buiten. Aperitieven die plots om vier uur begonnen. Een barbecue die al warm stond terwijl we nog deden alsof het maar voor straks was. Hij met een tang in zijn hand alsof hij een Michelinchef was. Ik met een glas wijn en grote theorieën over het leven.
Er werd gelachen. Veel te luid. Buurmannen die over de haag kwamen hangen. Vlees dat te lang op het rooster lag omdat we weer eens een verhaal moesten afmaken. En ergens tussen een schaal sla en een aangebrande merguez zat dat grote gevoel waarvan ge denkt: voilà, zo moet het dus.
Het jaar na onze breuk zag ik overal magnolia’s. Echt overal.
Iemand had de stad volgezet met roze herinneringen waar ik niet om had gevraagd. Ze stonden te bloeien in voortuinen, langs straten, in parken. Roze wolken van gezelligheid waar ik niet meer bij hoorde.
Dat was liefdesverdriet in de prille zon. Uitgesmeerd over een hele stad.
Ik werd er kwaad van. Op die bomen. Op hun overdreven romantiek. Alsof ze mij stonden uit te lachen met hun bloesems.
En dan gebeurt wat elk jaar gebeurt met magnolia’s. Eén nacht vorst. Eén. En het is gedaan. Die majestueuze bloemen vallen plots uit de lucht. Niet meer poëtisch. Niet meer zacht. Maar bruin. Vettig. Plat. Een soort slijmerige bloesemdrek die zich over de tuin verspreidt.
Daar ligt dan uw romantiek. Als een nat tapijt waar ge beter niet over loopt.
Ik heb ooit echt gedacht: wie zet er nu vrijwillig een magnolia in zijn tuin? Ge weet toch hoe dat eindigt. Eerst een paar dagen operette. En daarna een hoop bruine pulp waar ge met uw schoenen door moet.
Gelukkig doet de tijd zijn werk. Verdriet verplaatst zich. De scherpe kantjes verdwijnen. Wat overblijft zijn de verhalen. De avonden. Het gelach. De liefde die er wél was.
En zelfs die magnolia.
Vandaag kijk ik opnieuw door de glazen wand naar de boom in de binnentuin van het oude Gasthuis. Hij staat daar weer schaamteloos te bloeien. Alsof hij elk jaar opnieuw denkt dat het deze keer anders zal zijn.
Roze bloemen. Zon. Lente.
En ik denk: ja ja. Wacht maar tot morgen.

