Ik begon het nieuwe jaar met ‘word jezelf’,
dus waste ik mezelf schoon van oude namen,
schreef mijn angsten op briefjes, verbrandde ze
als offers aan de god van ‘persoonlijke groei’
en hing in mijn kledingkast alleen neutrale tinten:
beige voor de ziel, grijs voor de toekomst,
zwart voor wat ik niet durfde uit te spreken.
Ik stond om vijf uur op,
niet uit discipline, maar omdat slapen
steeds meer voelde als een belofte
die mijn lichaam niet kon houden.
Ik dronk citroenwater met mindfulness,
terwijl mijn gedachten als ratten
aan de binnenkant van mijn schedel knaagden:
Ben je genoeg? Ben je genoeg? Ben je…
Jij kwam in de lente,
met handen vol citaten over ‘voorbestemde ontmoetingen’.
We bouwden een liefde van Pinterest-quotes
en avonden waarin we ‘geen telefoons gebruikten’.
Je zei: Je verdient iemand die je ziel ziet.
Maar toen je keek, zag je alleen
wat ik had gecureerd:
een museum van glimlachen zonder tanden,
een tuin waar niets bloeide, maar alles ‘netjes’ was.
We probeerden ‘less is more’.
Dus gooiden we emoties weg
die niet pasten in onze minimalistische relatie.
Geen ruzie, geen tranen
alleen een stilte die zo dik werd
dat we erin vastliepen,
alsof het tapijt onder ons
was veranderd in beton.
Toen zei je: “Groei gebeurt buiten je comfortzone.”
Dus stapte ik naar buiten
maar buiten was alleen regen
en een wereld die niet wist
dat ik bestond.
Ik probeerde grenzen te stellen,
maar mijn ‘nee’ klonk als een blad
dat van een dode boom viel:
zacht, onopgemerkt, nutteloos.
Op een nacht, om 3:33 uur,
zei je: “Misschien moeten we stoppen
met proberen te redden wie niet gered wil worden.”
Ik knikte.
Want ik wist: jij bedoelde mij.
Maar ik bedoelde jou.
En misschien bedoelden we allebei
onszelf.
Nu woon ik in een appartement
dat perfect is voor Instagram:
licht, luchtig, levenloos.
Mijn avondroutine eindigt
altijd met hetzelfde gebaar:
ik kijk in de spiegel
en vraag niet meer wie daar staat.
Ik zeg gewoon:
“Goed gedaan. Je hebt de dag weer overleefd.”
Alles op zijn plek. Zelfs mijn afwezigheid.

