Mijn mama is een taart

23 feb 2026 · 6 keer gelezen · 1 keer geliket

Iedere ochtend ontwaakt mijn mama, en start ze plichtsbewust aan haar dag. Ze kneedt zichzelf in de vorm waarin ze dient te passen, en kiest met welke vulling en toppings ze zichzelf versiert die dag. Appelen, peren, krieken, pruimen, wat meringue of amandel, en vergeet zeker niet een rijkelijke toets room!

Ze geeft aandacht aan hoe het oog de maag verleidt, zodat de mensen een stap in haar richting zetten. Een eierwasje vormt een uitnodiging om de blik over haar gouden korst te laten glijden, haar essences en aroma’s dienen om de neus te bekoren, en het totaalplaatje verleidt om je tanden diep in haar kern te doen zinken. Haar liefde vloeit in de fluwelen siroop die haar doordrenkt. Fleurig, fruitig, zacht, en zoet, zo ken ik ze wel.

Ze wil ons voeden, dat weet ik wel. Vreemd genoeg voel ik me nooit echt gevuld. Iedere ochtend biedt ze me een beet aan. Iedere ochtend zit ik op mijn honger. Hoe ouder ik word, hoe meer ik zie van de wereld, hoe meer ik ervan wil proeven, hoe meer de mogelijkheden me smaken, hoe slechter haar taart valt op mijn maag. Haar geglazuurde glans lijkt altijd meer te beloven dan dat ze ooit echt kan geven.

Deze ochtend is een ochtend zoals een andere. Ik tref mijn mama op de vensterbank, afkoelend van haar harde werk. Ze begroet mij:

 

“Ach me jonk, zijt ge al do! Vergist u niet, al is wel kloar. Wa geduld, ‘kzènnekik nog te héjet. Mah bekans, joa bekans, krijg ge wel euw beet!”

 

Ik kijk naar mijn mama, en zie wie ze is vandaag. Karmijnrood vanbinnen, knalroze siroop rijkelijk besprenkeld bovenop, en romig wit helemaal rondom – ze is gelaagd maar gekend; Een klassieke aardbeientaart, zoals je ze alleen maar treft in de meest appetijtelijk ogende kookboeken. Als een hond bij de bel kwijl ik binnensmonds, maar mijn maag keert zich om.

Ze wilt ons voeden, maar ik heb geen trek.

 

“Zo, me jonk, zedde gereed? Ge moet nog zo gruien, dus hier – neemt u e beet.”

 

“Wat hebben we nog?”

 

“Wasda nou? Zijde zeek? Neemt enkel e kletske, dan worde nie bleek.”

 

“Ik – ik voel me prima, mama. Ik heb gewoon niet zo’n goesting in een stuk taart.”

 

“Mah jonk toch! Wa zegde gij? Ge eet déés ieleke morgent, en ‘t maakt u altied zo blij!”

 

“Ik eet het iedere ochtend, omdat je nooit iets anders geeft! En ik wil het niet!”

 

“Zo’n attitude kan krei vertieren! Eet nu, en laat os hier nimmei over schmieren.”

 

De rommelende donder in mijn maag blijkt sterker dan de regenwolken en bliksemschichten in mijn ogen. Mijn mama, de prachtige aardbeientaart, werpt me een bezorgde blik.

 

“Ek em enkel ‘t beste met u voor. Iejen êtteleke hap, en ek geef u men oor.”

 

En hoewel mijn maag uit mijn lijf lijkt te willen kruipen, en iedere zenuw in mij smeekt om al dat spul buiten mij te houden, is die belofte van mijn mama te groot.

Dus ik bijt op mijn tong, 
grijp de vork in mijn hand,
breek de onberoerde oppervlakte van mijn mama,
open mijn trillende lippen,
neem de taart in mijn mond,
en slik het door.

 

Iets is anders aan haar vandaag.
Iets kleeft. Iets plakt.

 

Ik probeer te smakken, maar mijn kaken verstijven. Mijn kiezen kleven aan een. Mijn tong, dat dreunend en zwellend plak vlees, scheurt zich met moeite van mijn gehemelte, en klit zich aan de onderkant van mijn mond. Ik slik, het ongemak zo hopelijk weg, om alleen maar alles in mijn mond stroperiger te doen voelen.

Dat siroop slibt dieper neerwaarts, ik voel het mijn keel dresseren, als friszoet pek dat alles overneemt. 

Ik kijk naar mijn mama, de klassieke aardbeientaart, en voor ik zelfs maar kan proberen een klank van onrust en paniek te maken, spreekt ze:

 

“Ach me jonk, ge voelt nou gin glans. Mah voor u ligt er e hennige kans!
Euw vieraars ginge ook over déés pad. Ook zij hemme dien hennige sjans gehad.
Geloof me jonk, ‘t es plezeering om os te zeen. Ge gaat u dankbaar voelen, en ‘t houdt al aaneen.
Wellie voeden, wellie vûlle, wellie maken den buiken vol. Vruger of loater wordt déés ook euw rol.
Loat me u helpen, e vloai zeen is en eer. Déés lèèste beet doet et gerinste zeer.”

 

Mijn huid kraakt en krakelt. Mijn gewrichten lijken te verstijven. Ik stik en verslik in dit aarbeienslik. Ik zoek naar mijn eigen reflectie, en zie hoe dat mijn lichaam muteert in iets dat ik niet ben. Mijn huid meer en meer gouden gezwollen, mijn ogen bloesemend als verse bessen, mijn blik steeds rozer getint, mijn brein steeds meer dichtgeslibd, mijn stem steeds meer klevend versmacht, mijn hart steeds harder bonzend in mijn borstkas – ik staar naar dat groteske spel voor mij.

 

Wah is da da ek zien? 
Of is déés wah een wien?
Wach, wah is déés afzichtelijk patroon?
Ek klènk nimmei as me eigen persoon.
Nei, déés kan neet, déés is neet wien ek zen!
Loat ‘t stoppen vooraleer ek mezelf neet mier herken!
Ek smeek naar al die me kunnen horen:
Loat déés vlees mien geest neet versmoren!
Is déés dan al? Met eeuwige zeer?
Déés is den vrucht, ondanks mien afkeer.
Wah ek ken, is neet mier. Wellie lopen déés pad.
Alzelééven vur me leven, gelijk men monne ook betrad.

 

 

 

Men monne is e vloai, en ‘kzènnekik dat ook.
E tradiese op generatie, zo zuut dat ek kook.
Den zaolëgste vruchten en e kos vá goud.
Ek smaak no woar gij ‘t mieste vá houd.
‘t Is wêrreke al dagen, doch zènnekik zo froj.
Want gij, den wereld, eist pertang die vloai.
Me jonk, ge moet wete, den wereld is vrieët.
Want bekans, joa bekans, krijgt ge ook wel euw beet.

Geraakt door deze tekst? Maak het hartje rood of deel de woorden met je vrienden.

Zo geef je mee een stem aan de woorden van deze schrijver.

23 feb 2026 · 6 keer gelezen · 1 keer geliket