De mist hing zo dicht boven het strand dat haar wereld zich beperkte tot enkele passen. Ze strekte haar armen uit en zag hoe de zachte witte muur haar vingers verzwolg. Alles rondom haar was verdwenen: de duinen, de einder, de hemel. Het natte zand trok zachtjes aan haar voeten, de koude beet zich dieper vast. Ze wist niet of hij haar daar verwachtte. Ze draalde, nam een stap achteruit, klaar om rechtsomkeer te maken. Op dat moment herkende ze het zachte, donkere geluid: zijn voetstappen in het vochtige zand.
‘Ben jij het?’, vroeg ze.
Haar woorden zweefden de witte mist tegemoet.
‘Ja.’
Zijn contouren tekenden zich af in de nevel. Ze hoorde zijn ademhaling, rustig en beheerst. ‘Kom’, zei ze kort. Hij volgde. De mist tussen hen begon zich langzaam te vullen met hun onuitgesproken woorden. Soms verdwenen zijn voetstappen in het geruis van de golven, om dan weer terug te komen, dichterbij dan daarvoor. Maar hoe dicht hij ook kwam, hij bleef een schets, een vluchtige figuur die ze al duizenden malen had uitgelijnd in haar gedachten. De stilte naderde haar breekpunt.
‘Ik zou graag één nacht met je willen’, zei ze zonder aarzelen.
Zijn tred vertraagde.
‘Een nacht?’, in zijn stem klonk een warm vibrato. Ze had een snaar geraakt.
‘Ja.’ Ze slikte. ‘Een nacht. Zonder klok, zonder deur die op een bepaald moment dicht moet.’ Het werd stil. De golven sloegen harder in op het zand. Ze bleven staan.
‘Waarom?’, vroeg hij uiteindelijk. Alles kraakte onder hun zinderende gedachten. Een golf gleed naar hun voeten.
‘Ik wil je kennen’, zei ze zacht.
Hij bewoog zich dichter naar haar, net niet dicht genoeg om haar aan te raken, maar net dicht genoeg om haar hele lichaam ervan bewust te maken dat hij er was.
‘Hoe dan?’, fluisterde hij.
‘Ik wil je kennen in de uren waarin de wereld je niet nodig heeft. In de uren die liggen tussen de werkelijkheid en het verlangen. De uren waarin de nacht ons haar zwarte inkt uitleent, waarmee we onze vehalen kunnen schrijven die we anders nooit prijs geven’, antwoordde ze met zachte stem. Ze voelde hoe haar haren nat werden door de duizenden fijne mistdruppels. Een verborgen traan liep langs haar hals.
‘Een zomernacht of een winternacht?’, vroeg hij zacht.
Ze strekte haar arm uit en hij stapte dichter. Haar vingertoppen raakten zijn jas aan en hielden halt bij de plek waar zijn hart hoorde te zitten. Misschien kon ze de zee ook daar ontdekken mocht ze haar oor tegen zijn borst leggen. Ze deed het niet. Ze speelde met de waterdruppels op zijn mantel. Ze tekende cirkels, schreef langzaam haar hunkering op hem neer.
‘Een laatste winternacht, in de weken voor de lente zich aankondigt. Een nacht vol bittere koude, waarin de sterren ons herinneren aan de traagheid van de tijd. Ik zou met je willen kijken naar het breekpunt van nacht en dag, het moment waarop de eerste schemering zich aankondigt. Het moment waarop de tijd ons aanmaant om opnieuw onze rol op te nemen waarvoor we in dit ondermaanse bestemd zijn’, zei ze terwijl ze verder bleef schrijven met de kleine mistdruppels die zich aandienden. ‘Een nacht is een klein verzoek in de tijd die ons gegeven is, er is niemand die weet hoeveel van die tijd er ons rest. Het is een kwalijke gewoonte om te denken dat de dag ons genadig is.’
Zijn borst bleef in hetzelfde ritme op en neer gaan terwijl ze met haar vingertoppen bleef verder praten. Ze voelde hoe zijn antwoord zich vormde. Uit zijn longen begonnen woorden hun weg af te leggen. Nog voor ze over zijn lippen stroomden, legde zij er een vinger op.
‘Ik weet wat je zal zeggen. Het is onmogelijk.’ Haar woorden dreven als kleine wolken de mist in. Haar hand maakte zich los, daarna haar lichaam. In de compacte stilte die volgde, bleef het volkomen onduidelijk of hij daar daadwerkelijk bij haar had gestaan. Misschien had ze hem opgeroepen uit de diepste, meest eenzame holtes van haar eigen verlangen. Ze jaagde haar laatste restje warmte naar haar voeten en maakte zich los uit de verweekte tijd die haar probeerde te verzwelgen. Doorheen het hermetisch wit klonken zijn voetstappen, ver weg. Ze draaide zich om en liep zonder nadenken de melkwitte oceaan in, op zoek naar de plek waar het daglicht opnieuw geboren werd uit de onderstroom van haar rusteloze verlangen.
Geïnspireerd op ‘On the nature of daylight (Entropy)’ door Max Richter.