Had ik nog maar stof om weg te blazen.
Waar is die woestijn, het zeer dat niet gedijen wil in sober zand?
Was er maar een vreemd bestand dat alle beelden dragen wou. De kameel heeft bulten vol verleden tijd.
Ik vroeg nog aan die bol waarop die wezens kruipen. Wanneer laat je nu die spanning los?
Word toch weer die schijf, rauwe planeet, een week geval met slechts wat rimpels.
Had ik maar wat foto's niet verbrand. Ik zou willen krassen in het vel en je gezicht verminken.
Intussen leef ik nog en als de koning preekt over een vaderland, dan klinkt dat woord bijzonder zwaar.
Gelukkig zijn er nog die schorseneren. Woede trekt ze uit de grond. Het schilmesje kent geen genade.
Rode bieten kocht ik ook. Die zijn voor moedig sap of voor een zon die nooit van deze kleur zal houden.
Had ik maar wat stof. Om mezelf in te verliezen. Waar is de woestijn, hier bij het strand dat veel te smal is voor de schimmen?
De schaduwen. Ze spreiden zich thans over gans het achterland, van kindertuin tot het volwassen veld.
uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'