Alles komt. Ofwel uit de lucht, uit de grond of uit het niets en er is die keizermier met een achterban waanzinnig groot.
Mijn hoofd moet het geloven. Dit aftasten op zoek naar eetbare levensresten begint van bovenaf.
Deze kolonie moet afgedaald zijn. Ze kropen door de kieren van mijn zadeldak. Een paard met kloven in de ogen keek gelaten toe.
Vertekend is het uitzicht op een redding. Ze mogen mild begaan, tot ik niets meer voel.
Gelukkig groeit er schimmel op mijn schedel. Een recent symptoon, beweert het nieuwste uur.
En echt. Deze keizermieren vreten alles, zelfs de sporen van verslagen tijden, gedachten die zich overgaven aan het lot.
Mierenhoop, denkt de rib waaruit ik ooit gegroeid ben, dat is wat mij rest.
Intussen. Kleinigheden hebben zich verzameld op het binnenplein.
Sterf nog niet, beginneling, zegt de uil uit fabelland. De dag is nog pas vers. Het paard heeft nog drie hoeven en die toverfee komt straks.
Zij weet alles over schimmen, paddenstoelen, giftig fruit, driften van de slangen met een kop of drie.
Zo snel bloed een avondzon niet leeg. Haar spreuken zullen in mijn oren kruipen. Samen met het puntje van die tintelende tong.
uit de reeks 'Majnun, het gebrabbel van een gek'
