Het is het moment van de rust, ergens tussen avondeten en bedtijd, en hij en ik zitten samen aan de tafel. De kinderen zijn na de gegeerde toestemming als gnoes de keuken uit gestoven. Voor ons staat de vuile vaat als een metafoor van ons rommelig leven ons grijzend in het gezicht te staren. We moeten ons geen illusies maken. Dit moment duurt maar heel even. Straks tikt de klok weer ongenadig verder en verdwijnen we weer zachtjes in de maalstroom van de dag. Maar nu zitten we, samen, en de klok tikt niet meer. De vaat mag grijnzen wat ie wil, de kinderen zijn verdacht stiller, maar ook dat dringt amper tot ons door. Ik kijk naar mijn man en ik zie de zwaarte van de dag langzaam zijn schouders afglijden. Het is pas in dit moment, wanneer alles wat eerst moet al klaar is en alles wat daarna moet nog enkele tellen op zich laat wachten, dat we echt kunnen thuis komen.
Het is vreemd, maar nu en elke dag op deze nu, moet er niemand dringend plassen, staat er nooit een kat te janken om naar buiten - of nee toch maar binnen - te gaan; op dit moment belt er niemand aan en als men het toch zou wagen, zou de bel zeker dienst weigeren. Dat hebben we nog nooit getest, maar sommige dingen staan vast zonder dat ze ooit werden uitgesproken of opgeschreven.
We kijken elkaar niet aan, we spreken ook niet. Ik vraag me af of hij wel weet dat ik hier zit, hoewel we net samen gekookt, opgevoed, gepakt, gekuist, gegeven, gesneden, geprikt, aangemoedigd en - oh ja - gegeten hebben. Ik voel me rustig en stabiel, we voelen het vast allebei: we kunnen dit. Meer zelfs: we doen dit.
Het is het moment van de dag dat ik het meeste koester, een gouden randje omhult op dit moment ons huis, ons gezin, onze toekomst. Buiten regent het of het is net veel te warm, maar dat geeft niet. Nee, dat geeft niet. We worden immers nergens meer verwacht en niemand zit nog op ons te wachten. Het is hier te doen, bij ons. Ondertussen liggen de uren en de ervaringen van vandaag onder zijn stoel en het is stil in mijn hoofd, voor heel even. Voor heel even zijn wij wie willen zijn - altijd tussen etenstijd en bedtijd. Voor heel even hebben we de touwtjes in handen. Ik begrijp hem. Hij zegt niks, maar ik begrijp zijn onuitgesproken woord. Ik vind dat ook, jongen, ik vind dat ook. Ik denk heel erg hard aan hem en hoop dat hij dit voelt. Via de liefde ofzo, denk ik naïef. Dat mag nu, in dit moment mag dat. Naïviteit heeft een plaats tussen etenstijd en bedtijd. We zouden kunnen spreken, bedenk ik me, maar ik voel en weet dat dit moment dat niet nodig heeft. In deze tijd kan alles, mag alles, in deze tijd zijn we de best mogelijke versie van onszelf. Thuisgekomen. Wat is het stil. Thuis is waar het stil is, hoe luid we met zijn allen ook zijn.
Langzaamaan hoor ik weer kinderstemmen in mijn hoofd en ik zie in mijn ooghoek dat er een kat voor de deur zit. Hoelang zit dat beest daar al? Het is alsof mijn man me aanvoelt, want ik hoor hem zeggen dat hij seffens de tafel gaat opruimen en op dat ogenblik is het onvermijdelijk voorbij. Het gouden moment is ingehaald door het leven, vanaf nu is het wachten op een nieuwe dag. De klok tikt oorverdovend hard in mijn hoofd en ik roep de kuikens toe dat we seffens moeten gaan slapen en dat ze eerst nog moeten douchen, opruimen, tv kijken, kaka doen, nog wat opruimen en zeker niet vergeten om ... op te ruimen.
Ik kijk terug naar hem en zie dat hij de zwaarte van dag van onder zijn stoel heeft bijeengescharreld en terug op zijn schouders heeft geladen. Ik stel hem volwassen vragen over zaken waar ik eigenlijk veel te weinig van snap en vraag me af wanneer mensen eigenlijk echt volwassen zijn? Is volwassen zijn altijd afwas hebben staan of is volwassen zijn nooit alle antwoorden hebben op moeilijke vragen? Hij kijkt in mijn ogen en nu voelen we het zo: Kunnen we dit wel? Meer nog: Wat zijn we eigenlijk aan het doen? Het maakt me onzeker en ik probeer een stukje zwaarte van zijn schouders te lichten en op de mijne te laden. Dat moet de liefde zijn. Ondertussen hangt er een kind aan mijn broek, is een ander kuiken kasten aan het leeghalen en vertelt de laatste een mop waar ik eigenlijk niet mee moet lachen. Volwassen zijn is een poging doen om overtuigend te lachen met oerslechte moppen.
We doen allemaal maar wat, zeg ik. En er is niemand die me ongelijk geeft. Morgen, wanneer de klok weer even stilstaat tussen etenstijd en bedtijd, neem ik me voor om de zwaarte onder de stoel van hem weg te keren nog voor de tijd ons weer voortduwt. Het zal me niet lukken, weet ik, en dat is helemaal oké. Het is immers altijd een voornemen dat ons doet leven.
Morgen, zeg ik, morgen neem ik me voor om wat meer te leven.