Men koopt jetons. Er zijn die schuifmachines. Vele gele eendjes ook.
Men richt op krijtstaafjes of eet er oliebollen. Rond wordt er gedoold.
De kerktoren kijkt toe en ziet gevaarlijk scherp.
Zelfs de verte kent die vrees voor ogen die nooit moe lijken te worden.
Aan de bevolking. Het mag wel eens verkondigd worden.
Aan de vogels. Vlieg het liefst voorbij.
Want echt waar. Bij nacht dan sluipen zij.
Alle resten worden opgegeten. In de zakken zullen gaten komen.
Muis. Rat. Wezel. Alle hebben zij een zachte vacht. Ik zeg het u.
In de kaas. Te Hamelen of Babylon. Overal schuilt onheil.
Nochtans Meneer Pastoor. Hij heeft de paarden en de auto's ooit gezegend.
Toch slaat alles eindeloos op hol.
Het rad zal dol roteren. Snijden door de lucht. Krijsen wil de horizon.
Aan de betweters. Aan hen die bol van olie kunnen scheiden. Iedereen die raak schieten bemint.
Weet nu reeds. Dat geel zal blijven grijnzen en die kermis pleegt te overheersen.
Het zal te laat zijn voor eeuwige rust.
Misschien te vroeg, beweert de achterkant.
Want alles wil verschuiven.
uit de reeks 'Metamorfine'