Terwijl de zee uit mijn horloge glijdt, vloeit de tijd naar een monding.
Zo is dit land waarin ik droom, dit heden waar verwarring woont.
Straks, mijn lieve beuk met kreupele gedachten, dan kruip in in je kruin.
Ik wil dat wel eens zien hoe men dat deftig doet, zo'n modderland doorploegen.
Ik wil het einde kunnen zien, polaire lucht ontdekken, vliegen in een V zonder die vogels.
Het gekrijs van deze wereld zoekt een dode echo om zichzelf traag in te vergeten.
Kruip maar schoon terug in mijn horloge, mieterse minuten, want de boer rijdt straks voorbij.
Hij rijdt de aarde altijd doelloos plat en zaait te valse orde rond de kerk.
Ik wil zijn tractor stelen, naar de branding rijden, wrakken slepen uit de zee.
Zo dom ben ik, zo scheel zijn mijn intenties, terwijl de streken van het lot zich eindeloos vermaken.
uit de reeks 'Over eelt en zurkelteelt'