Drie ontheemde rechtsoldaten schreeuwden mij berechting toe. Eén jeugdzondemoord, bijna vergeten, bijna versmoord, aan dat bos Seline zo ver van hier, waar geweien herten aten en gij genoot hun pijn te zien. Slechts bij weerlicht, pijl en dood, die man met huisje knus in ‘t groen. Zo was ’t u genegen, oh wat kon ik doen. Koelbloedig rood, uw mond, schaambloot mijn wang. Doch geen zoen, Seline, schonkt gij mij ooit.
De man met hart en houten pijlen schoot de rechtsoldaten dood. Meer rood voor u en weg mijn zonde uit dat ver verborgen land.
Zeepbel met kil verleden, lauw opgedroogd.
