Een winterwandeling kent zijn eigen uitdagingen. De koude ga ik te lijf met een goede basislaag. Handschoenen zorgen ervoor dat mijn vingers niet paars kleuren en mijn tenen bescherm ik met schapenwol. Een goed staptempo warmt me op. Met elke pas die ik neem versoepelen mijn spieren en voel ik het effect van het voortbewegen. De temperaturen die net niet het vriespunt bereiken houden me scherp. Mijn hele lijf is aan het werk maar het orgaan dat er volop voor gaat is mijn blaas. Die vertelt mij iets over bloedvaten die vernauwen en nieren die meer vocht afgeven om mijn lichaam warm te houden. Nooit gedacht dat mijn wekelijkse pilatesles een training is voor lange afstandswandelingen. Elke dinsdagvoormiddag lig ik op een mat en knijp ik afwisselend mijn binnenste dijspieren en bilspieren samen. Ik breng mijn schouders omhoog, krul nog een beetje hoger zodat ik mijn diepe buikspieren zeker voel. Ik kantel mijn bekken om tot een brug te komen en als het dan nog kan hef ik beurtelings mijn benen op. Mijn bekkenbodemspieren wapenen zich tegen het winterweer en zijn neveneffecten.
De kaalte van de bomen verandert het landschap en biedt een vergezicht aan dat andere seizoenen doet vergeten. Wanneer mijn blaas zich laat voelen en ik een plaats zoek in het bos verlang ik naar de zomer en zijn beschutting in de vorm van bladeren en struiken. Een winters vergezicht is op dat moment een spelbreker. Je kan het vergelijken met een wandeling door de velden, die hebben ook hun plasbeperkingen. Elke andere aanwezige wandelaar kan mij op mijn hurken zien zitten, hoe dik ook de boom waar ik achter gekropen ben. De nood overwint het altijd van de schaamte en tot nu toe ben ik er steeds ongeschonden uitgekomen. Behalve die ene keer toen er vanuit het niets een kudde schapen voorbij kwam.
Mijn beste vriendin tijdens deze tochten is Dixi. Wij kennen mekaar van mijn festivalperiode lang geleden. Af en toe kom ik haar opnieuw tegen. Soms sluit ze zich af en soms is ze mijn onverwachte redding. Dan staat ze daar plots, eenzaam en verlaten op een stuk braakliggend grond dat tot voor kort nog bos was. Ze verwelkomt me. Ze ruikt verrassend fris en verzacht mijn omstandigheid met gerecycleerd papier. Ik veradem en zet dan vervolgens mijn tocht verder. Dixi blijft wachten op de volgende al dan niet genodigde passant.
Dit soort wandelingen eindigt met een treinrit naar huis. Ik ben één van die mensen die doelloos door het raam staart en uit deze schijnbaar vruchteloze situatie inspiratie haalt. Ik vraag me af hoe dringend het moet zijn wanneer iemand beslist neer te hurken naast een spoorweg. Misschien had die persoon niet verwacht dat er net op dat moment een trein zou voorbijkomen en al helemaal niet dat er net op die trein iemand uit het raam kijkt. Dat die persoon een schrijver is die schrijft over plasavonturen in de winter en zo een moment van hoogdringendheid voor eeuwig neerpent.
