daar slaapt een fiat panda zwart met wit, stilte wil ik op de parking van de dierentuin
neen dat karretje het is niet van de koning, die is thuis gebleven, telt de wespen op een veel te rode taart
niet van proeven, ruik dit belgië en wacht op haar, zij is al onderweg die schat
mijn goede god de koning roept, ik ben zijn assistent gehoorzaam altijd braaf
ik schil alvast patatten spaar de schillen voor een naakte slak
weldra borrelt vettig goud in onze frietpot, hij staat netjes in het rommelkot
nu en luister goed, weerklinkt de vraag of er een dokter is die weet hoe men een kikvors aderlaat
het is zijn stem die van het vaderland, hij zegt dat hij wil proeven van het bloed dat water kwaken doet
mijn goede god de dag wordt lang, geen angst is straks nog bang van zwarte nachten
noteer mevrouw meneer, schrijf op wat sterven wil op zacht papier, het einde is nabij
nog niet ik bel eerst naar de wegenwacht, die fiat panda is kapot, sleep hem zeer voorzichtig weg
de koning wil hem kopen denk ik, voor de bruiloft van zijn koe
een dutje doen dat eerst, ik keer ik kijk wat door het raam van deze instelling, verdieping zes
ik zit hier hoog en droog, drank zal mij allicht weer lokken naar de loge waar ik als een prins zal kijken
naar het schouwspel naar het brassen naar de wespen op het rood van warme taart en zwoele ondergang
uit de reeks 'Waanhoop'
