Ze is zijn wederhelft.
Samen een keurige cirkel.
Haar lijf past
in haar halve cirkel,
als beton in een mal.
De vorm zit haar gegoten,
als een foetus
in hun baarmoeder.
Zijn halve cirkel,
op drijfzand gebouwd,
verliest steeds meer vorm.
Onrustig stampend,
de mal te krap.
Hij duwt en trekt,
wringt tegen de rand.
Tijd
opnieuw
geboren te worden.
