Er is hier helemaal geen vraag naar verse groenten.
Anders zag je ze wel. Knagend op de velden. Als zotten. Zich rot te knabbelen.
Zelfs vervoering moet eerst op transport en ik. Roeland. Ik zie dat goed. Een paard staat daar te gapen.
Bovendien. Ik ben zeer en uitermate onschuldig. Dat is zeker. Ik heul ook mee. Met niemand!
Zelfs niet met gedachten en Trump, Dutroux, Van Rompuy, Anne-Laure Vandeputte. Die ken ik niet eens.
Er wordt echt nooit meegelopen. Niet gezeuld met zakken patatten van anderhalve kilo.
Wie doet zoiets nu en toch. Ik blijf vasthouden aan mijn ongulzige innocentie.
Kijk niet onnozel! Ik heb geen strafblad. Geen Renault Fuego. Nooit moeten overgeven in de schoot van een maagd.
Er is helemaal geen vraag naar beterschap. Naar ontheffing uit mijn lot.
Het antwoord bood zich aan en tante Hannelore zei dat het goed was
Dat mijn lust nog zo dwaas niet klonk wanneer het stoeltje wiebelde.
Dat ik gerust uitgeteld mocht bekomen zonder de formule te kennen.
Het is ontstaan gelijk cellen dat kiezen. Zoals tanden dat proeven durven op een schone zondeloze vrijdag.
Doe echt niet onnozel. Denk. Aan wrtelen en witloof. Zurkel en gezwollen kolen.
Wij kweken dat. Wij wassen niets. Wij spoelen geen huid die schuren wil.
Knagen op de velden. Dat doen muizen. Zij echter. Zij vertelt.
Over pure drang die vuile vingers strelen mogen
Over hoe dwaas een ring kan zijn en vergeet dat alles.
Zwijg over Pietje Bel. Dat kindergekwel. Kankergezwel. Jacques Brel. WC-papier.
Heb het niet over die zieke tijden. Beschrijf ze niet. De vele gele eendjes drijvend op het Minnewater.
Want er is nu eenmaal die zee van liefde en ik voel hoe zij geneest. Tante Hannelore schilt geen schorseneren.
Er wordt gewreven. Er wordt niets gevraagd. Zagen doen de cirkelbladen.
Er strijken vogelbeesten neer. Zij lusten alles rauw.
Er kijken kauwen toe.
Wij houden van elkaar.
uit de reeks 'Roeland Wittebolle'
