Sneeuwkettingen zijn niet langer verplicht om mij te berijden.
Zo had de prinses gesproken en alle kabouters in het frietkot moesten lachen.
Intussen zijn wij verder geraakt, onderweg naar de kust.
Zero zeerovers voor Zeebrugge en bij eb kunnen wij ons iets verder distantiëren van die viezigheden.
Containerkranen. Windmolens. De pier van Blankenberge. Wij zullen dat moeten verdragen, ginds in de verte.
Werp nog een stok naar mij, wil de branding en mijn hondje is niet te houden.
Wat zich van mij verwijdert, mijn vertrouweling brengt het steeds terug.
Een surfer hangt iets verder aan een spandoek. Een kite. Zo zou hij mij corrigeren.
Wat de wind met ons kan verrichten. Het is bijzonder.
Wat een spons met het verleden kan doen. Weinig.
Al die tijd waren de kabouters in de duinen gebleven.
Zij wilden konijnen worden. Holen graven. Zich veilig voelen voor het grote.
En de prinses. Zij zat daar nog. In dat frietkot. Aan tafeltje. Samen met die glasblazer.
Zij aten niet. Hij zou een tombe voor haar blazen, iedereen verbazen.
Want hoe krijgt men dromen in gesmolten zand.
Hoe kust men een kwal.
Hoe slikt men zout.
Hoe vertel je aan een hond, welk gevoelens in schelpen schuilen.
uit de reeks 'Alfred Frietkabouter'