Lezen

Prachtige wallen (deel 2)

28 januari 2014 Geen verbetering vandaag. Voel me belabberd. Cafeïne lijkt niet meer te helpen. Concentratie is nu echt nul. Kan nergens nog mijn hoofd bijhouden. Ga vanavond weer slapen, deze situatie is niet langer houdbaar. Ik weet nu echter dat het kan, een paar dagen in hetzelfde lichaam rondlopen. Experiment geslaagd en voor herhaling vatbaar. Ga haar wel missen, Magda. Het was een eer om een paar dagen Mark Desmet te mogen zijn. 29 januari 2014 Shit. Fuck. Godverdomme. Ik ben nog steeds Mark Desmet. Gisteren als een blok in slaap gevallen en tot mijn verbazing in hetzelfde bed weer wakker geworden, naast dezelfde vrouw. Betekent dit dat ik nu voor eeuwig Mark Desmet ga blijven? Nee, toch? Dat geruzie was leuk voor een paar dagen, omdat ik wist dat er een einde aan zou komen, en het dus als een spelletje kon zien. Maar nu lijkt het erop dat ik vastzit in dit lichaam, in dit huwelijk, in dit leven. In mijn leven… Elke dag wakker worden naast Magda Desmet, voor de rest van mijn leven… ik… fuck… 30 januari 2014 Weeral wakker geworden in hetzelfde bed. Dit begint stilaan eng te worden. Vroeger bestond ik eigenlijk niet. Er was geen mezelf, geen vaste identiteit. Ik was een soort acteur die elke dag een andere rol kreeg, elke dag een ander personage mocht vertolken. Nu niet meer. Ik speel niet meer Mark Desmet, ik ben Mark Desmet. Ik speel niet meer de echtgenoot van Magda Desmet, ik ben de echtgenoot van Magda Desmet. Ik speel niet meer de vader van twee dochters, ik ben de vader van twee dochters. Wat een knoeiboel. Alles gaat me vanaf nu persoonlijk aan. Ik heb opeens verantwoordelijkheid. Kijk, vroeger deed ik ook mijn best om alles goed te doen. Test wiskunde? Ik studeerde me kapot. Dochter in het ziekenhuis? Ik bleef de hele dag bij haar. Topsporter aan de vooravond van een groot kampioenschap? Ik trainde me suf. Omdat ik meeleefde met de personages die ik vertolkte, net zoals je meeleeft met de personages uit een boek of film. De volgende dag zou ik niks meer met mijn vorige identiteit te maken hebben, maar ik dwong mezelf mijn medeleven te tonen. Omdat die mensen het verdienden de vruchten van hun arbeid te plukken, omdat ze het me nooit zouden vergeven als ik hun vrienden of familie zou teleurstellen. Toch voelden hun lichamen nooit aan als mijn lichaam, hun jobs nooit als mijn job, hun zussen nooit als mijn zussen. Net zoals een acteur met een valse snor nooit vergeet dat hij een valse snor draagt. Uiteindelijk hoefde ik me nergens zorgen over te maken. Er waren geen gevolgen. Maakte ik ruzie met mijn vrouw, dan was ik het niet die het de volgende dag met haar zou moeten goedmaken. Zakte ik voor een examen, dan was ik het niet die een herexamen zou moeten afleggen. Ik deed natuurlijk mijn stinkende best, maar dat was het dan ook. Meer kon ik niet doen. Angst voor de toekomst was er niet; die lag elke dag ergens anders, en had nooit iets met het heden of verleden te maken. Arm gaan slapen en rijk opstaan, als man in bed gaan en als vrouw wakker worden, het kon allemaal. En daardoor kon geen enkele tegenslag me raken, want mij overkwam nooit iets, het overkwam mijn personage. Dat lijkt nu veranderd. Ik ben Mark Desmet.  En Mark Desmet zit in de knoei. Zijn huwelijk vertoont barsten. Zijn vrouw wil dat ze een relatietherapeut opzoeken. Terwijl hij niet eens weet waarom ze ruzie maken, wanneer ze ermee zijn begonnen. Omdat zijn verleden – zijn verleden als Mark Desmet – maar een paar dagen oud is en zijn geheugen niet verder strekt. Ik weet Godverdomme niet eens hoelang ik al getrouwd ben. Of we ooit werkelijk gelukkig geweest zijn. Hoe moet ik dan in Godsnaam weten of deze relatie nog te redden valt? 31 januari 2014 Vandaag was mijn oudste dochter jarig. Ik had natuurlijk geen flauw idee. Hoe zou ik ook moeten? Maar ja, probeer dat eens uit te leggen. 'Papa is eigenlijk een soort persoonlijkheidskameleon, hij is al duizenden keer van identiteit veranderd. En normaal gezien zou hij dat nog duizenden keren doen. Alleen zit hij nu vast. In dit rothuwelijk. Met je vuilbekkende moeder. Snap je? Eigenlijk ben ik je papa niet. Eerder een acteur in papakostuum, een acteur die vastzit in dat papakostuum.' Denk niet dat dochterlief zo tevreden zou zijn met die uitleg. Acht jaar. Zo oud is ze vandaag geworden. En ze wil niet meer met me praten. Dat zijn al twee vrouwen in dit huis. 1 februari 2014 Beginnen roken vandaag. Tegen de stress. Zo aan de praat geraakt met een van mijn collega's, de lerares wiskunde. Ze vroeg zich af wie die gruwelijke afbeeldingen van kapotte longen en verrotte tanden had gekozen die op de achterkant van elk pakje sigaretten prijken. 'Dat moet toch een sadist zijn? Mensen willen waarschuwen voor de gezondheidsrisico's, daar is op zich niks mis mee. Maar dit… Alsof rokers niet weten dat tabak schadelijk voor de longen is. Dit is gewoon treiteren. De niet-roker die zich beter voelt – moreel verheven – dan zijn rokende medemens en ervan geniet om hem met het vingertje te kunnen wijzen. Kijk eens wat er met je longen gaat gebeuren, kijk dan. En hier, zo gaan je tanden eruit zien, ja, zo ja, wen maar aan het zicht, je gaat het elke dag in de spiegel zien. Hoe kan je nu van dat soort werk genieten?' Wist zij veel. Ik heb die foto's gekozen. Een paar jaar geleden, toen ik voor een dag in het lichaam zat van een reclameman wiens bureau door de overheid gecontacteerd was. Echt genoten heb ik niet van die opdracht. Evenmin gewalgd. Zoveel indruk maken die foto's nu eenmaal niet op iemand die elke dag een ander paar longen heeft. Is nu wel anders, moet ik zeggen. Gruwelijke foto's. Complimenten aan mezelf. 2 februari 2014 Wat zou er met de vorige Mark Desmet gebeurd zijn, de man wiens plaats ik heb ingenomen? Zou hij nu ook mijn plaats hebben ingenomen? En elke dag in een ander lichaam wakker worden? En ervan genieten? Zich bevrijd voelen? Of zou hij zijn oude leven missen? Zijn job, zijn vrouw, zijn dochters. Hoeveel Mark Desmets zouden mij eigenlijk al voorgegaan zijn? En zou Magda Desmet de eerste en enige Magda Desmet zijn? Hoeveel acteurs en actrices als mij zouden er eigenlijk rondlopen? Of ben ik de enige? Was ik de enige? Durf het Magda niet vragen, krijg zo al genoeg koffiekoppen naar mijn kop geslingerd. 3 februari 2014 Je raadt het nooit. Was vandaag de verjaardag van mijn andere dochter. Vijf jaar. Wist ik natuurlijk ook niks van. Zij wil wel nog met me praten. Schat van een meisje. 4 februari 2014 Vandaag voor het eerst naar de relatietherapeut geweest. Daar moesten we tegen elkaar zeggen wat ons dwarszat. Ik mocht beginnen. En zat met mijn mond vol tanden. Het is me namelijk nog steeds niet duidelijk waarover we eigenlijk ruzie hebben. Omdat ik nog nooit een gesprek heb kunnen voeren met Magda. Of ze zit op me te schelden, of ze negeert me. Eén van die twee. Maar een echt gesprek hebben we nog niet achter de rug. Geen flauw idee wat ze me kwalijk neemt, of wat ik haar kwalijk zou moeten nemen. Dus flapte ik maar iets uit. 'Kan me niet eens herinneren wanneer we voor het laatst seks hebben gehad.' 'Tja, ik voel me de laatste tijd niet meer aangetrokken tot jou.' 'En waarom? Wat is er veranderd?' 'Kom nou, je weet goed genoeg waarom. En dan ga je ook nog een beetje beginnen roken… ' 'Tegen de stress. De stress die jij me bezorgt!' 'Ik bezorg jou stress? Ja, draai het maar om... Het is allemaal mijn schuld, zeker?' 'Jij bent de degene die altijd aan het schelden slaat!' 'Heb ik dan geen reden misschien?' 'Ja, zeg dan eens welke reden! Hoe moet ik weten wat er scheelt als jij niet tegen me praat?' 'Je weet heel goed wat je hebt misdaan!' 'Nee, dat weet ik niet.' 'Oh, je gaat je overspel ontkennen dan? Prachtig, dat ontbrak er nog aan…' 'Ik…' En toen was Magda de deur uit, woedend. Mark Desmet heeft zijn vrouw dus bedrogen. En ik mag het in zijn plaats goedmaken. Geweldig… En dan had die therapeut nog het lef om me geld te vragen voor die sessie. Ik heb nu wel meer begrip voor Magda. Alleen kan ik haar dat moeilijk zeggen. 'Schat, ik ben het met je eens, die Mark Desmet is een gigantische klootzak.' 'Jij bent Mark Desmet.' 'Oh ja.' Zou haar nochtans zo graag troosten. Arme Magda, eigenlijk valt ze nog wel mee. Die relatietherapie was ook haar initiatief, toont toch aan dat ze moeite wil doen om onze relatie te redden, Mark Desmet wil vergeven. Heb me misschien vergist in haar, lang niet zo'n takkewijf als ik dacht. Ondertussen praat mijn oudste dochter alweer tegen me. Toch één lichtpuntje.

nEMO
0 0
Tip

Grafietverlangen

Waar zij eindigde en hij begon, dat was moeilijk te zeggen. Zijn warmte had zich al door het hout gedrongen en begon haar grafietkern langzaam te verhitten. Met een zoekende precisie vormde hij zijn grip op haar, en samen vonden ze de juiste balans waarbij zij zich in volle overgave nestelde in de glooiing tussen duim en wijsvinger, het warmste en gevoeligste plekje van zijn hand. Haar lichaam leek speciaal gemaakt voor zijn handpalm; ze was zowel krachtig als breekbaar. Met zijn zachte polsbewegingen voelde ze een lichte trilling om haar heen. Ze ontwarde ongeduldige woorden in de manier waarop hij zijn pols bewoog. Maar waren het zijn of haar woorden?  Zijn gloed maakte haar wendbaar op het papier, en zo loste zij haar kostbare grafiet, haar verborgen kronieken. Zij werd hem en hij werd haar. Hij wakkerde de verhalen aan die diep in haar psyche opgeborgen lagen, relieken van een ver verleden. Zijn zachte hand was licht dwingend, en net dat maakte haar gewild en gewillig. Enkel met hem kon zij op het papier haar verhalende verlangen laten vloeien. Haar lichaam had vele handen gekend, maar nu wilde ze enkel nog maar die éne hand die haar hele zijn omvatte. In zijn grip vond ze haar overgave. In zijn bewegingen gaf zij zich bloot, in zacht aangezette klinkers en de onopvallende maar heel aanwezige medeklinkers. Hij wist hoe hij haar moest laten spreken, hoe hij haar duistere kern moest ontleden en haar glanzende verhalen kon ontsluiten waarin zij gloeide vol herwonnen lust. Zij werd één met zijn huid, duwde zich harder tegen hem aan, en vroeg hem zo om zijn grip te verstevigen. Aan haar grafiet ontlokte hij woorden die zij lange tijd niet had durven uitspreken. Ze zuchtte, haar punt kraakte, maar ze leefde, ze was een ademend verhaal in zijn sterke hand.  Hij liet zijn vingers op het blad over haar gelekte kern glijden, en zo hechtte zij zich aan hem. Hij droeg haar mee in het fijne grijze stof dat aan zijn vingertoppen bleef kleven. Elke haal werd hun herinnering. Zij had geen angst om te verdwijnen. Ze werd kleiner, maar daar maalde ze niet om. Ze wilde dat hij haar tot het einde van haar zinnen hanteerde, dat haar kern zou kunnen versmelten met zijn begeerte. Dat hij elke dag haar schrijvend lijf in zijn handpalm zou leggen, tot er niets meer van haar overbleef.   

Jolien Van de Velde
581 3

Voor wie het lezen wil

Lief herstelt van de griep. Gedachteloos begint ze aan de dringende klusjes. Terwijl ze een bord in de vaatwasser zet, dwaalt haar blik naar het raam. De zon valt precies zoals toen, die middag dat hij haar belde vanuit Nairobi. Jules. Ze glimlacht flauwtjes bij de herinnering aan zijn stem. Na zijn reis naar Kenia had hij gebeld: hij lag in het ziekenhuis met een longontsteking. Ze had hem toen gezegd dat hij beter voor zichzelf moest zorgen. Daarna hadden ze nog één keer kort contact. Sindsdien bleef het stil. Zoals altijd wanneer hij te lang niets van zich laat horen, voelt ze de neiging om zijn naam te googelen.  Het is niet de eerste keer dat hij verdwijnt, maar dit voelt anders. Zonder erbij na te denken opent ze haar computer en tikt ze zijn naam in. De eerste links zijn vertrouwd: sociale media, zijn bedrijf. Dan valt haar oog op een link naar een begrafenisondernemer. Ze aarzelt. Klikt. Zijn gezicht verschijnt op het scherm. Onder de foto twee datums: de eerste is zijn geboortedag en de tweede? NEE!  Dat kan niet! De geluidloze kreet vult haar lichaam. Maar de rouwbrief laat geen ruimte voor twijfel: hij is dood. En de uitvaart heeft al plaatsgevonden. Haar mentor, haar geliefde: gestorven. Verdoofd sluit ze haar computer. Ze loopt naar de hoek van de kamer waar haar meditatiebankje staat. Ze gaat zitten, de rug recht, de handen losjes op haar knieën. Ze sluit haar ogen en ademt diep in, zoals ze zo vaak heeft gedaan om haar gedachten te ordenen. Maar de gedachten die nu komen zijn vreemd ontwrichtend. Eerst denkt ze aan de afwas. De pan van vanmiddag staat nog op het aanrecht, aangekoekt met restjes pasta. Die moet ze laten weken, anders krijgt ze hem nooit schoon. Haar geest drijft door naar de boodschappenlijst die aan de koelkast hangt. Heeft ze nog eieren? Ze ziet de lijst hangen. Ze kijkt ernaar alsof daar iets belangrijks op staat. En de planten moeten nodig water krijgen. Ze weet dat sterven op negenenzeventig niet uitzonderlijk is. Ze beseft dat ze hem in een vlaag van vrees googelde, maar dat... dat begrijpt ze niet. Hij zou hoogbejaard worden, juist zoals zijn moeder; daar was ze vast van overtuigd. Haar hart slaat met een rustig ritme. Het enige wat leeft, is de plicht van de afwas en de dorstige planten. In het vroege uur staart ze met open ogen naar het plafond. Elke ademhaling bevestigt dat zij leeft, hij niet. Op automatische piloot komt ze uit bed en zet ze haar voeten op de koude vloer. Onder de hete douche schrobt ze haar huid in een poging alles van zich af te spoelen. Haar armen trillen, haar huid gloeit. Het spiegelbeeld dat naar haar tuurt, herkent ze amper: bleek en oud, vooral oud. Ze reikt naar hun laatste telefoongesprek. Het was kort. Ze hoorde dat zijn stem vermoeider klonk. Hij was erg vermagerd en kwam niet meer buiten. Mogelijk zei hij nog meer, maar dat is verdwenen in de waas van haar koortsige hoofd. Toen zijn vrouw thuiskwam, moest het gesprek, zoals zo vaak, abrupt eindigen. ‘Zorg goed voor jezelf.’ Het waren de laatste woorden die ze tegen hem zei. Veel te weinig. Zijn antwoord is verdwenen. Mogelijk zei hij, zoals hij altijd deed: ‘Salut.’  De herinnering aan het telefoontje smaakt bitter. Had hij haar willen waarschuwen? De vragen tollen door haar hoofd, opnieuw en opnieuw. Dan staat ze een klein beetje verdriet toe. Haar ogen prikken, maar er komen geen tranen.  Stijfjes staat ze op en loopt kriskras door de woonkamer, terwijl haar gedachten hetzelfde doen. Ze wil het gesprek herscheppen, woord voor woord, maar dit keer met een hart dat het wel begrijpt. Ze hoort zijn stem met zinnen die hij misschien wel zei, zijn afscheid dat ze niet begreep. Of misschien toch? ‘Dat wordt het zonder hem,’ fluistert ze. Misschien kan ze naar Marie. Een paar dagen maar. Bij haar zus en haar man vindt ze afleiding en genegenheid. Alleen Marie en haar vriendin Suzanne weten van haar relatie met hem, de getrouwde man met wie ze zoveel jaren deelde. Ze pakt het hoognodige in, een kleine rugzak; meer hoeft ze niet. Terug thuis na haar verblijf bij haar zus, hangt ze haar jas aan de kapstok. Geen administratieve mallemolen die op een overlijden volgt, niets dat haar kan afleiden van het beangstigende niet meer. Een eigen kaartje? Ze plaatst het kaartje op de kast. Ze legt haar hand op de foto in de hoop dat haar aanraking door de lens van de camera kan reiken. Maar ze moet hem ook ergens neerleggen in de wereld. Bij de bloemist op het marktplein koopt ze een rode roos. Ze gaat naar het kerkhof. Ze zoekt een plaatsje aan de rand van de strooiakker, uit het zicht van de anderen. Ze hurkt neer en legt de roos op de natte aarde.  Een eerste snik, dan nog een. De tranen vullen haar ogen en rollen langzaam over haar wangen. Haar lichaam geeft zich over aan de rouw. In dat ene moment wordt het verlies echt, niet langer een bericht op het scherm.  ‘Hij is dood.’ Ze zegt het fluisterend.  Na het kerkhof verlangt ze naar gezelschap. Ze belt Suzanne, en ze spreken af in het park op een bankje weg van het wandelpad. Ze zit er al als Suzanne aankomt. Zodra Lief haar ziet, proeft ze het zout op haar lippen. Suzanne zegt niets, gaat zitten en neemt Lief in haar armen. Dan zegt Lief: ‘Het is... het voelt gewoon... weet je? Alsof het niet echt is. En het doet meer pijn dan logisch is. En dat laatste gesprek... Suzanne, ik voel me zo schuldig. Wat als hij afscheid nam en ik het niet hoorde?’ Ze veegt haar neus af met haar mouw. ‘Jullie kennen hem niet echt. Niet zijn stem. Niet hoe hij lachte.’ Suzanne onderbreekt haar niet. Ze trekt een pakje papieren zakdoekjes uit haar zak en legt het zwijgend tussen hen in. ‘Ik dacht dat ik al afscheid had genomen,’ zegt Lief. ‘Al twee jaar hebben we elkaar niet meer ontmoet. Het contact bestond alleen nog uit telefoongesprekken. En zelfs toen we elkaar nog zagen, was het altijd tussenin. Een paar uur. Een restaurant. Een wandeling. Een telefoontje.’ Als haar stem stopt, blijft het even stil. Dan antwoordt Suzanne: ‘Misschien hoef je het allemaal niet te begrijpen. Mogelijk hoef je alleen maar ervoor te zorgen dat je het overleeft.’ In de koffiebar vlakbij zitten ze met hun handen rond een warme cappuccino. En dan vertelt Suzanne dat ze ergens heeft gelezen dat koffie eigenlijk een vrucht is. Dus technisch gezien drinkt ze elke ochtend een fruitsalade in een kopje. Alleen, zonder banaan en zonder appel. Een onnozel grapje, maar Lief lacht. In de bibliotheek bladert ze door boeken, maar er wringt iets. De troostende woorden brengen haar niet dichter bij wat er in haar roert. Er ontbreekt iets. Niet alleen hij, maar ook hun manier van bestaan lijkt nergens te passen tussen die verhalen. Ze zal zelf een boek maken: Het Julesboek. Een verzameling foto’s, citaten en flarden van gesprekken en brieven die zij nooit durfde te versturen.               Ze begint te zoeken in haar kasten en schuiven, tussen haar boeken. In een lade vindt ze een foto van de rozen die hij haar gaf bij zijn eerste bezoek. Ze opent een doos waarvan ze niet meer wist dat die bestond. Bovenop ligt een knoopje, losgeraakt van een hemd. Ze draait het tussen duim en wijsvinger. Een niemendal, maar het gewicht ervan verrast haar. Onder een stapel oude kleren ligt het T-shirt dat hij in zijn haast openscheurde. Uit een oude map valt het verjaardagskaartje dat hij haar stuurde vanuit New York. Tussen de pagina’s van een boek vindt ze een brief in zijn handschrift, met de krullende letters. Ze legt hem bij de foto van de rozen, het knoopje, het gescheurde T-shirt en het kaartje. Ze doorloopt zijn sociale media en verwondert zich over wat hij achterliet: nu eens zakelijk – zijn tweede naam was Alexander – dan weer onverwacht poëtisch. ‘Geen plek waar broodjes zo zingen in hun korst, en soezen zo fluisteren van zoetheid, als bij bakker De Korenaar,’ dichtte hij. Ze glimlacht bij die woorden. Ze leest de zin opnieuw. Niet om het brood of het gebak, beseft ze, maar omdat hij daar spreekt zoals ze hem niet kende.  Ze knipt de citaten uit, slaat de berichten op en bewaart elk stukje zorgvuldig. Toen hij nog leefde, wachtte ze vaak op hem. Nu hoeft dat niet meer. En toch is hij er vaker. Het lijkt wel alsof hij is verhuisd van de buitenwereld naar haar innerlijke wereld. Ze begrijpt er niets van.  Ze gaat aan haar bureau zitten en opent het schrift dat ze Het Julesboek is gaan noemen.  Langzaam buigt ze zich over het schrift, ademt diep in. De woorden moeten ergens beginnen. Met haar dierbaarste herinnering. Tijdens de zomer van het vorige jaar bleef haar telefoon lang stil. De vrees dat er iets kon zijn gebeurd, benauwde haar. Toen ze hem vertelde dat ze bang was uit zijn gedachten te verdwijnen, antwoordde hij: ‘O, maar dat zal nooit gebeuren. Je bent een deel van mijn leven!’ Ze vormt de letters met precisie, alsof de inkt hem tastbaar kan maken. 'Je bent een deel van mijn leven,' staat er nu, blauw op wit. Die ene zin is het mooiste wat hij haar ooit heeft gezegd, en tegelijkertijd de laatste uiting van genegenheid. Ze leest de zin opnieuw. Ze fluistert de woorden, wachtend op de echo van zijn stem. Zijn blijken van affectie zaten verborgen in vluchtige momenten waar ze zich nu aan vastklampt. Ze hengelde soms naar bevestiging. ‘Ik bewonder je intelligentie,’ zei hij dan, terwijl zij hunkerde naar het antwoord: ‘Ik zie je graag, je bent belangrijk voor mij.’ Een keer kwam hij dicht in de buurt. Ze zaten op het terras van een restaurant. Hij kwam juist terug van vakantie. Ze plaagde hem, vroeg op wie hij verliefd was. Hij grijnsde, en in zijn ogen dansten pretlichtjes: ‘Je weet op wie ik verliefd ben.’  Vandaag, terwijl ze de zinnen neerschrijft, trilt haar hand. Zodra ze ophoudt met schrijven, gaat alles zijn gewone gang. Ze maakt wandelingen, spreekt af met vrienden, zoekt Marie op of trekt een weekend eropuit met Suzanne. Ze geniet van het gezelschap, de gesprekken en de lichtheid daarvan. Ze brengen haar rust, broodnodig nu ze moe is tot in elke vezel van haar lijf. In gezelschap lijkt ze normaal te functioneren, denkt ze toch. Maar soms vangt ze een blik op die haar doorziet. Het schrijven in Het Julesboek trekt haar een tunnel in, tot de kou in de kamer of de leegte aan de andere kant van de tafel haar weer bruusk terugduwt in het nu. Ze had gedacht dat de pijn milder werd. Maar dan is ze er weer in alle hevigheid, als een schaduw die gaat en komt. Ze schrikt van de gedachte dat hij ooit echt zou kunnen verdwijnen. Wie blijft er dan nog over van de vrouw die zij bij hem was? En mogelijk is ze al veranderd, zonder dat ze het merkte. Misschien is er een stukje van haar met hem verast. Ze slaat Het Julesboek open.  Eerst vreest ze dat de bron snel zal opdrogen, dat ze te weinig van hem weet om een heel schrift te vullen. Maar de herinneringen dienen zich ongevraagd aan. Een vleugje van een bepaalde geur, een liedje op de radio, de naam van zijn stad. Ze schrijft over hoe hij ooit in een restaurant sprak met een ober die zichtbaar stotterde, zonder één keer ongeduldig te worden. Ze herinnert zich hoe hij de rechterkant van het bed opeiste, de eerste keer al, alsof die plek altijd al op hem had gewacht. Hij hield van blauw, de kleur van de diepzee en de avondlucht, al zag ze hem er zelden in.  Zijn auto was zijn tweede thuis, een rijdend eiland van vrijheid. Als hij haar onderweg belde, hoorde ze op de achtergrond vaak Radio Nostalgie. Op regenachtige dagen vormden de ritmische tikken van de ruitenwissers de soundtrack van hun gesprek.  Hij genoot van de absurde kronkels van Kamagurka, maar bleef onvermurwbaar nuchter als het op lichamen aankwam. ‘Zonde om te beschadigen,’ zei hij over tatoeages, terwijl hij met een afkeurende blik naar een voorbijganger keek. Ze ziet zijn gezicht weer voor zich: die eigenwijze trek om zijn mond, de nuchterheid die haar soms irriteerde, maar haar ook rust gaf. Officieel interesseerde voetbal hem niet. Maar toen ze in een restaurant tegenover hem zat, zag ze zijn ogen over haar hoofd naar de televisie glippen. Toen Zidane scoorde, hield hij op met kauwen, zijn aandacht volledig opgeëist door de herhaling van het doelpunt, totdat hij besefte dat ze naar hem keek. Met chocolade en kreeft kon ze hem verleiden, al vermoedde ze dat de kreeft vooral zijn hang naar status streelde. Eigenlijk hield hij meer van paling in ’t groen, biechtte hij ooit op. Ze glimlacht als ze zich herinnert hoe hij vertelde erg kwaad te zijn geweest op het koffiezetapparaat. Hij dacht dat het kapot was, omdat er geen koffie uitkwam. Bleek dat hij vergeten was water in het reservoir te doen. Hij sprak het apparaat heel ernstig toe. Pas toen hij zichzelf hoorde, moest hij zo hard lachen dat hij haar belde om het te vertellen. Maar ze realiseert zich ook hoeveel ze niet weet. Ze heeft hem nooit zijn tanden zien poetsen, nooit de geur van zijn scheerschuim in een gedeelde badkamer geroken. Ze weet niet veel over zijn ochtendrituelen, maar op andere momenten kende ze hem feilloos. Hij keek niet in haar broodtrommel; hij lag ’s morgens niet naast haar in bed. Geen schoenen van hem in de hal. Ze mist hem, al speelde hun samenzijn zich altijd af buiten het gewone ritme van het leven: telefoontjes, wandelingen, restaurants, middagen die los leken te staan van de rest van de wereld.               Ze denkt aan een zin van Simone Weil die ze onlangs noteerde: ‘Aimer purement, c’est consentir à la distance.’ Ze schrijft de woorden langzaam over in Het Julesboek.  Haar gedachten dwalen af naar de buitenwereld. Ze ziet de blikken voor zich: ‘De andere vrouw’. Dat oordeel hangt als een sluier over haar rouw. Was haar toewijding minder waard omdat er geen trouwring aan te pas kwam? Ze herinnert zich de woorden van Dirk De Wachter die ze op de radio hoorde: ‘Het is niet belangrijk wie je liefhebt, als je maar liefhebt.’ Het klonk destijds als een zegen over hun geheime uren. Maar nu in de lege keuken schuurt die gedachte. Zou diezelfde mildheid ook gelden als hij de details kende? Ze probeert haar liefde 'zuiver' te noemen, maar het woord voelt breekbaar aan. Ze had zich dikwijls afgevraagd wat er zou gebeuren als hij plotseling zou sterven. Hoe zou ze dat dan te weten komen? Kon ze zijn dochter contacteren als ze lange tijd niets van hem hoorde?  Meer dan eens vroeg ze hem om een regeling te treffen, een eenvoudige afspraak, een contactpersoon of een boodschap die iemand voor haar kon bewaren. Maar elke keer als ze het onderwerp aansneed, wist hij zich eruit te praten. Tot hij op een dag aarzelend toegaf dat hij niets kon bedenken. Ze had hem ongelovig aangekeken, alsof ze hoopte dat hij zou zeggen: ‘Grapje.’ Uiteindelijk gaf ze het op. ‘Dan zal ik het wel via Google moeten vernemen’, dacht ze gelaten. Hij was een aantrekkelijke man: groot en slank, met blond haar en blauwe ogen. Wat zou ze hebben gezien als ze afscheid had kunnen nemen? Ze beeldt zich in dat hij mager was, oud en misschien verschrompeld. Zijn haar helemaal grijs. Toen ze hem de laatste keer zag, kleurde het alleen aan de slapen zilver. Maar het beeld blijft vaag. Ze wil zich hem niet in een zielloos lichaam voorstellen. In haar hoofd ontstaat een reeks beelden, als in een fotoalbum: op dat terras waar ze samen zaten of in haar woonkamer leunend tegen de warme radiator. Bij de bakker wacht ze op haar beurt, terwijl de bakkersvrouw praat met een vrouw met een rouwkaart in haar hand. Een herkenbare foto op de voorkant: een glimlachende man. ‘Was het familie?’ vraagt de bakkersvrouw. De vrouw knikt. ‘Mijn schoonbroer.’ Lief kijkt weg. Haar vingers sluiten zich steviger rond het handvat van haar boodschappentas. Ze hoort hoe de bakkersvrouw zachter gaat praten, vriendelijker ook. Achter haar schuift iemand ongeduldig met zijn voeten. Ze denkt aan de eerste weken na zijn dood. Aan hoe ze gewoon boodschappen bleef doen, alsof er niets was gebeurd. Niemand die wist waarom ze soms plots niet meer leek te weten wat ze wilde kopen. Niemand die zag hoe ze zijn favoriete koekjes in haar handen hield en weer teruglegde. Als het haar beurt is, vraagt ze om een volkorenbrood; eten voor een gewoon leven. ‘Dat is dan drie euro twintig,’ zegt de bakkersvrouw. Lief knikt, betaalt en stopt het in haar tas. Buiten ademt ze diep in. De lucht ruikt naar regen op warme stenen. ‘s Avonds schrijft ze in het schrift.  Ze vormt het woord 'weduwe'. Het ziet er vreemd uit op het papier. Ze fluistert het de kamer in. Buiten trekt een wolk voor de zon. Ze kijkt rond en merkt dat alles er nog is, behalve hij. Ze heeft niets van hem om vast te houden. Geen vingerafdruk op een hanger, geen as in een juweeltje, niets wat ze kan omvatten en fluisteren: ‘Hier ben jij nog.’                Plots is dat gevoel er weer. Het was er de voorbije weken al meer, maar ze begrijpt het niet. Het lijkt alsof hij er niet meer is. Nee, dat is het niet. Het zit dieper. Ze kijkt naar de weerschijn van de zon in een venster. En dan dringt het tot haar door: het is alsof hij nooit méér is geweest dan een voorstelling in haar hoofd. Ze pakt haar telefoon en kijkt naar zijn foto. Die is echt, maar ze is niet door haar genomen. Ze heeft ze gedownload, zoals ze honderden afbeeldingen van mannen had kunnen opzoeken. Even later laat ze zich op de sofa zakken terwijl ze resoluut tegen zichzelf zegt: ‘Hij was echt!’ Ze zit even roerloos. Dan ziet ze het: zijn naam, met die kleine krulletjes die altijd zo onmiskenbaar hem waren. Ze komt recht, doorzoekt Het Julesboek en vindt het verjaardagskaartje. En daar staat zijn naam. Ze glimlacht. Het heeft iets levends. Wat als ze die handtekening zou laten graveren? Een bedeltje, haar eigen Juleshanger. Alleen van hem. Alleen voor haar.  Ze opent het internet, vindt de naam van een goudsmid en maakt een afspraak. De jonge vrouw in het atelier luistert aandachtig terwijl zij haar verhaal vertelt. Ze zegt niets, maakt een ontwerp. Lief, de ogen vol verwachting, houdt haar adem in. Ontroerd knikt ze. ‘Ja, zo stelde ik het me voor.’ Ze kijkt de vrouw dankbaar aan, en in de warme blik die ze terugkrijgt ligt begrip. Nog even geduld. Dan zal ze het dragen dicht bij haar hart. Toen ze zijn foto op de kast zette, nam ze zich voor er niet tegen te spreken. Zonder het te merken is ze toch tegen de foto gaan spreken, eerst gedachteloos, daarna vanzelfsprekender. Ze glimlacht dan naar hem, zegt goedemorgen of slaap wel. Ze vertelt hem wat ze denkt over de gebeurtenissen in de wereld en hoe ze zich voelt. Als ze de deur uitgaat, roept ze: ‘Tot straks.’  Ze had gedacht dat het verdriet zacht zou uitdoven, als een lamp die wordt gedimd. Maar soms komt er iets anders onder vandaan. Woede. Het overvalt haar terwijl ze boodschappen doet. Terwijl ze een glas afdroogt. Hoe heeft hij haar zo kunnen achterlaten in een niemandsland? Niet door te sterven, daar kon hij niets aan doen, maar door niets na te laten. Geen enkel teken dat zei: als er iets gebeurt, laat haar weten dat ze belangrijk was.  Ze probeert mild te blijven. Ze weet hoe bang hij was voor confrontaties, voor ingewikkelde emoties. Maar soms denkt ze: nee. Nee, dit was niet alleen angst. Dit was ook lafheid. Ze loopt door de woonkamer terwijl de woede door haar heen jaagt. Ze blijft staan bij zijn foto. ‘Je had me niet zo mogen achterlaten,’ zegt ze, hardop nu. De woorden blijven in de kamer hangen. Ze slaapt sinds enkele weken licht, wordt vroeg wakker van het zonlicht en van het huis dat ademt in de ochtend. Soms, juist voor de ochtend, droomt ze over hem. Ze zit helemaal achteraan in de aula van het kerkhof. Alle plaatsen zijn bezet, behalve de plaatsen rondom haar. De aanwezigen zitten roerloos, hun gezichten zonder gelaatskenmerken. Iemand moet iets zeggen. Niemand zegt iets. Ze beseft dat ze droomt, maar dat helpt niet. Vooraan staat een kist. Niets anders: geen foto, geen aanwijzing wie erin ligt. Ze wacht, maar niemand staat op om een begin te maken met de rouwdienst. Dan ziet ze een hand losjes over de rand van de kist hangen: die hand, zijn hand. Ze wil roepen, maar er komt geen geluid. Als ze wakker schrikt, weet ze niet meteen of ze nog droomt. Het licht is hetzelfde, haar kussen nat.  Ze sluit Het Julesboek af en laat haar hand nog even op de kaft rusten. Onwillekeurig vraagt ze zich af wat hij van haar herinneringsboek zou hebben gevonden. Ze weet wel dat hij het nooit zal lezen, maar de vraag blijft hangen. Zou hij zich herkennen? Of zou hij zijn wenkbrauwen fronsen en zeggen: ‘Wat haal jij je toch allemaal in je hoofd?’ Ze haalt diep adem en houdt het boek dat ze alleen voor zichzelf bedoelde losjes in haar handen. Maar nu voelt ze iets verschuiven. Misschien mag het ook zichtbaar worden. Niet voor iedereen, maar voor wie het openen wil.  

Hildegarde
109 1

De Pelgrim

Ik ben voor een paar dagen in Frankrijk. In het noorden. Een beetje vakantie, een beetje vriendendienst en een beetje retraite. De precieze verhoudingen durf ik niet te zeggen. Sommige dagen voelen voor zeventig procent als vakantie, andere vooral als vluchten met een cultureel verantwoord excuus. En ik heb ze zo graag, die dagen waarop ik helemaal alleen op stap ben. In een land waar de taal tegelijk klinkt naar romantiek en chagrijn. Waar zelfs een parkeerverbod klinkt alsof iemand u eerst nog even in de nek zal kussen. Een land waar ze gul water en brood op tafel zetten nog vóór ge beslist hebt of ge de formule du midi zult nemen. Waar de bebouwde kom echt bebouwd is en dan ook ineens gedaan. Gewoon: huizen, een bord met een rode streep erdoor en daarna velden. Uitgestrekt, glooiend en leeg genoeg om uw hoofd eindelijk eens zijn mond te laten houden. Ik had de dag doorgebracht zoals een cultuurmens dat doet: met een bezoek aan een museum. Ge kunt mij drie dagen vrij geven en toch zal ik op een bepaald moment vrijwillig voor een schilderij gaan staan met mijn handen op mijn rug. Daarna was ik gaan cruisen door de velden. Raampje open, muziek aan en wegen volgen waarvan zelfs Google Maps leek te denken: als gij het echt wilt. Later bracht ik nog een bezoek aan Saint-Quentin. Gezellig. Mooi zelfs. Maar verwacht niet te veel. Dat is trouwens een uitstekende levenshouding, niet alleen voor Saint-Quentin. Voor de nacht had ik een kamer geboekt ergens in een gat met een naam die alleen door mijn gps werd onthouden. Zo’n plek waar rust nog gewoon rust is, gastvrijheid gastvrijheid en een badkamer iets wat ge deelt met mensen van wie ge hoopt dat ze ongeveer dezelfde normen hanteren als gij. De bedden piepten, de vloer ook en vermoedelijk had zelfs het nachtkastje iets te vertellen wanneer ge er een glas water op zette. Het fijne aan alleen reizen zijn de ontmoetingen. Alleen zijt ge beschikbaar voor de wereld. En ik geloof niet dat toeval bestaat. Dus zat daar die avond, aan de boord van een kanaaltje, bij een ondergaande zon die overdreven haar best deed, een Nederlander op mij te wachten. We waren allebei bijna kinderlijk blij dat we onze eigen taal konden spreken. Na een paar dagen Frans wordt een mens al gelukkig van iemand die zonder aarzelen begrijpt wat ge bedoelt met “amai”.  Hij was muzikant. Dat hielp. Voor we goed en wel wisten hoe de ander heette, hadden we al professioneel en cultureel een paar raakvlakken gevonden. We praatten over muziek, over jonge talenten en over hoe het is wanneer iemand op een podium nog niet heeft geleerd om zich kleiner te maken dan hij is. Over mensen die iets kunnen maar nog niet helemaal weten wat ze daarmee moeten aanvangen. En waarschijnlijk ook een beetje over onszelf. Want er komt blijkbaar een leeftijd waarop ge de dingen eens moet kunnen overschouwen. Niet omdat alles voorbij is, maar omdat er al genoeg achter u ligt om eindelijk een uitzicht te hebben. Ge kijkt naar wat ge hebt gedaan, wat ge nog wilt doen en welke stukken van uw leven ondertussen vooral bestaan uit veel lawaai en weinig muziek. Hij had beslist om dat nu te doen. Een paar maanden niets. Hij had zijn gitaar ingeruild voor een fiets. Amsterdam voor de onvoorspelbare wegen van de Camino. Optredens, afspraken en vertrouwde straten voor iedere ochtend opnieuw vertrekken zonder precies te weten wat de dag hem zou brengen. Geen strak schema. Geen agenda. Geen applaus. Alleen een fiets, een weg en Santiago ergens ver voor hem. En vertragen. Dat was toch de bedoeling. Hij was een week onderweg en dat laatste moest hij nog een beetje leren. Want ge kunt uw gitaar thuislaten, uw agenda leegmaken en Amsterdam achter u laten, maar uw eigen tempo fietst gewoon mee. Ge stapt niet op een fiets en wordt bij het eerste Franse dorp plots een zacht glimlachende pelgrim die bij iedere zonnebloem de zin van het leven begrijpt. Sommige mensen beginnen zelfs aan onthaasten met een strak dagschema. Ik vond dat geruststellend. We maken van vertrekken graag iets groots en zuivers. Alsof ge bij het overschrijden van een grens automatisch alles achterlaat wat zwaar is. Maar zo werkt het niet. Uw twijfels reizen gratis mee. Uw onrust hoeft geen kamer te boeken. Uw gedachten zitten achterop en vragen om de paar kilometer of het nog ver is. Misschien is dat net de Camino. Niet de weg naar Santiago, maar de afstand die ge nodig hebt om eindelijk wat trager te worden dan uw eigen hoofd. Ik keek naar hem en voelde iets wat verdacht veel op bewondering leek. Misschien ook een beetje jaloezie. Niet op de kilometers, begrijp me niet verkeerd. Mijn spirituele ontwikkeling kent grenzen en zadelpijn hoort daar voorlopig niet bij. Maar wel op de eenvoud. Eén weg. Eén richting. Een paar maanden waarin ge niet voortdurend iets moet beantwoorden, organiseren of uitleggen. Een pelgrim hoeft ’s morgens niet te beslissen wie hij wil zijn. Hij moet alleen vertrekken. Hij zou de volgende ochtend opnieuw op zijn fiets stappen. Altijd in dezelfde richting, dichter bij Santiago. Hopelijk ook een beetje dichter bij het tempo waarnaar hij op zoek was. Ik zou mijn gps aanzetten en verder rijden naar plekken waarvan ik de naam niet kon onthouden. Een beetje vakantie, een beetje vriendendienst en een beetje retraite. Zonder fiets, zonder schelp aan mijn rugzak en voorlopig ook zonder maandenlange sabbatperiode. Maar wel met een ontmoeting die daar volgens mij niet toevallig aan dat kanaaltje zat. Misschien hoeft een pelgrim niet altijd naar Santiago. Misschien is het soms al genoeg dat ge vertrekt. Dat ge alleen door vreemde velden rijdt, met iemand praat die ge gisteren nog niet kende en onderweg even stilstaat bij waar ge vandaan komt.  

Katrien Daniels
111 9

Rapunzel gaat door het dak

Rapunzel zit in het archief. Het dakraam is op slot. Het is best spannend. Zo spannend dat je hoopt dat één haar tenminste wél ontsnapt. Haar vlecht trok haar de kelder in. Geen haar in die vlecht had het durven vermoeden, maar vele haren maken een vlecht zwaar. Zwaar genoeg om de trap af te slingeren. De trap is er niet van gediend;die was pas gekuist. Daar zit ze dan,tussen stalen archiefkasten.Doe het licht uiten je fantasie doet haar werk.Niet dat fantasie graag archiveert,al zeker geen harendie in dossiers blijven steken.Hoe rangschik je die op alfabet?Je bergt dat haar beter in je mond op;haar op de tandenkomt altijd van pas.Ondergronds is niet voor watjes. De archiefkasten hopen al jarenop een sprookje,maar Rapunzelhadden ze niet besteld. Die zoekt een uitweg.Niemand leeft op van administratie;papier legt ze liever in de as.Paperas protesteert niet, wordt als as in haar handen.Recycleren is niet voor sprookjes. Bureaucratie is als een doolhof:zoek daar maar eens de ingang.Een uitgang is er al helemaal niet.Dat dakraam dus.Ze is dan wel in de kelder beland,tijd om de uitgang te overtuigen.Die is er voor nood,maar haar contract is vervallen.Die werkt nu freelance,enkel bij paniek. Maar eerst kracht opdoen.Ze klopt wat stof uit een dossieren slaat het om zich heenals de nieuwste keldercollectie.Ook mode vraagt creativiteit in een kelder,al maak je van een dossiergeen haute couture. Boomknuffelen kan ook in kelders.Je tapt daar energie uit.Beloof zo’n dossier promotieen wie weetkrijg je een knuffel terug. Boven wacht het dakraam,stoffig,maar klaar voor de aanval. Ze zwaait haar vlecht,als een rode vlag.Het dakraam, stierlijkzoals enkel dakramen zijn,geeft meteen op:te veel haarom te bevechten. Rapunzel gaat door het dak.Dat is nu eenmaal gevoeligvoor vlechten met ambities. (eigen afbeelding)

Lien Van Droogenbroeck (Pennig)✍️
66 7

Piu ping ping!

Mijn benen zinderen nog na van de blauwe plek, die samen met alle andere schrammen en regenboogkleuren het slagveld vormt van mijn onhandigheid. Fietsen. Ik moet doorfietsen. De rode lichten negeer ik. Een Nederlandse vrouw schelt me uit voor krapul omdat ik haar afsnijdt. Ik excuseer me niet, noch geef ik haar een repliek. Geen tijd, choose your battles. Net te laat. Ik vloek. Dat gaat van mijn loon en mijn prestatiescore af. Nu ik er ben, kan ik me rustig installeren. Wat water drinken, die granola reep die al twee weken in mijn rugzak zit wordt mijn brunch. De zonnecrème geeft me spookachtige schijn. Mijn hoofd is bedekt onder de kap van mijn fietshelm. Mensen kijken me raar aan als ze passeren. Tenslotte sta ik op het voetpad, onder een brug. Ik kijk raar terug. Wat maakt het uit. Ze kunnen toch voorbij? Of is het eerder omdat het knaloranje t-shirt slobbert rond mijn kleine lijf, onder het heuptasje en mijn fietsbroekje bijna bedekt. Mijn lijfje dat in mijn grote, uitvouwbare matchende oranje LazyFoods rugzak zou passen. Een grap waar menig, vooral witte Vlaamse mannen in de 50, zich heel erg mee vermaakten.  Piu ping ping! Mijn eerste order. Meteen al de supermarkt op de top van de boerentoren. Die sky-markets poppen als paddenstoelen uit de grond. Met de betonstop mogen er geen gronden meer ingenomen worden; dus bouwen ze maar in de hoogte.  Met een zacht gezoem activeer ik de vliegfunctie. Het bezorgd me nog steeds tuimelaars in mijn maag. Gewoon ga ik dit nooit worden. Met een klein hartje zorgen de blazers dat ik opstijg. Ik vlieg de tunnel uit. Tweede versnelling. Derde. De weg ken ik uit mijn hoofd. Daken, nog meer daken. Turnhoutsebaan. Het dak van het oude gerechtshof van Borgerhout. Centraal station. Rooseveltplaats, bussen, vliegende steppen… Ik kijk even op de app of ik juist zit. De vliegende brommer leek van nergens te komen. Met alle macht rem ik. Mijn fiets begint plots te trillen. Piu ping pong! Anti-bots modus geactiveerd.  Voor mijn hersenen begrijpen wat er gebeurd fiets ik dwars door de brommer heen. Alsof we beiden niet  meer uit materie bestaan. De persoon op de brommer is alweer weg. Een muur komt op me af. Voor mijn ogen zie ik mijn leven voorbij flitsen. De muur lijkt van lucht te bestaan, en ik fiets er dwars doorheen. Eindelijk kan ik vaart minderen en lijken mijn remmen toch te werken en kom ik tot stilstand. Ik bevind me in een slaapkamer. Alles is roos en Barbie. Duizenden poppenhoofdjes staren me aan. Een meisje gilt haar longen eruit. Ik begin ook te gillen. Tot we uitgegild hebben kan ik enkel vragen of ze me kan helpen uit haar huis te geraken. Ze wijst me haar huis uit, een gedoe met trappen, en veel schrammen later. Piu ping ping! Het lijkt erop dat je al even stilstaat. Als alles goed is, ga dan verder richting de supermarkt. Ik denk dat ik me ziek meld voor de rest van de dag.       

Janan
4 0