Lezen

Thuislevering

De fietser op het scherm leek hun huis maar niet te kunnen vinden. Hij reed er telkens voorbij in plaats van bij het icoontje te stoppen. Jayden had voorgesteld om de bezorger te bellen, maar dat vond zijn vader niet nodig. Zijn vader had niet geluisterd. Niet echt. Hij zat weer voor zich uit te staren. Jayden liep naar de keuken en nam de laatste rijstwafel uit de kast. Als hij nog meer honger kreeg, zouden zijn ingewanden zichzelf verteren.      Vroeger zou zijn vader boos geworden zijn als hij kruimels maakte. Maar sinds de scheiding werd hij niet meer boos. Dat vond Jayden fijn. Onlangs had hij in de tuin zijn oude pop verbrand. Het was geweldig om het smeulende gezicht te zien invallen, en om te weten dat zijn geheim – dat hij als kleuter met poppen speelde – nu veilig was. Achteraf gezien had hij het beter in het gras gedaan. Maar wat maakte het uit? Zijn vader was over de zwartgeblakerde terrastegel heen gestapt, alsof het hun poes Daisy was.      Een bericht verscheen op het scherm. De bezorger wou dat zijn vader naar buiten kwam.      Jayden legde de aangebeten rijstwafel op de armleuning en zei: ‘Ik ga wel!’      Buiten zag Jayden hun auto staan. Zijn vader had het aluminium zonnescherm achter de ruitenwissers gestoken. Niet tegen de zon – die had niet meer geschenen sinds augustus – maar tegen de schaamte. Waarschijnlijk wou hij niet voortdurend herinnerd worden aan het feit dat de hele straat wist wat er gebeurd was. Jayden ging in het midden van de straat staan en keek of hij het voorlicht van de brommer of de elektrische fiets zag. Het was donker, en de straatverlichting brandde al.      Zijn vader wou niet zeggen wie het had gedaan, maar Jayden was niet dom. Het was zijn moeder geweest, natuurlijk. Ze was kwaad op zijn vader omdat hij met die Brenda had aangepapt. En ze had sporen achtergelaten. Twee auto’s verder, in de goot, had Jayden een ingedeukte vijfliteremmer met spanringdeksel gevonden. Vloeibaar bitumen. Jaydens moeder was dakdekker, en Jayden had zulke emmers dikwijls in de voorkamer zien staan. Voordat zijn vader wakker werd, had Jayden de emmer in de Leie gegooid en met een zware tak ondergeduwd. De voorruit had hij met keukenpapier proberen schoon te wrijven, maar dat was niet gelukt, omdat het papier eraan was blijven plakken.      Toen Jayden een fel licht zag, ging hij aan de kant. De bezorger was niet met de brommer of de fiets gekomen, maar met een elektrische step.      ‘Je hebt je huisnummer niet opgegeven,’ zei hij.      ‘Is dat een Kaabo Wolf King?’      De bezorger zette de step op zijn standaard en opende zijn rugzak.       ‘Hoeveel heb je ervoor betaald?’ wou Jayden weten.      ‘Veel te veel.’      Jayden schudde met zijn hoofd. ‘Twee motoren, vijf uur laadtijd, hydraulische remmen, schokophanging.’      ‘Verfaillie?’      Jayden knikte en nam de tas van de bezorger aan. ‘Trekt dat ding echt zo snel op als een Lambo?’      ‘Ik weet niet,’ zei de bezorger. ‘Nog nooit met een Lambo gereden. Je ouwe thuis?’      ‘Hij hoeft niets,’ zei Jayden.      ‘Ik heb iets voor hem.’      ‘Ik zeg dat hij niets hoeft.’      De bezorger haalde een klein doorzichtig zakje uit zijn binnenzak en schudde ermee. ‘Gratis staaltjes!’      Toen de bezorger langs hem heen liep, in de richting van de openstaande voordeur, aarzelde Jayden geen seconde en trapte de step omver. Onmiddellijk maakte de bezorger rechtsomkeert en zette hem weer overeind.      ‘Mijn bar ends!’ zei hij, terwijl hij het stuur van dichtbij bekeek.      Jayden ging naar binnen. ‘Voor dat geld koop je twee scooters, debiel,’ zei hij, voordat hij de deur dichtgooide.      In de hal controleerde hij of alles erin zat: Haribo Dragibus, Lutti Candylace, Maltesers, Kellogg’s Coco Pops Loops, Dextro Energy, Napoleon Fruitmix, Mentos Gum Aqua Kiss, Fanta Orange Lemonade, Gourmet Gold Kattenvoeding, Aïki Noodles Chicken Flavour en Ben & Jerry’s Cookie Dough S’Wich Up.      ‘Waar zijn mijn M&M’s?’      Jayden rende naar buiten, maar de bezorger was al weg.      Zijn vader was ook weg, toen hij de woonkamer weer binnenkwam. Gaan slapen, waarschijnlijk. Jayden sloot de gsm aan op de lader en duwde de smeulende sigaret uit, die zijn vader in de asbak had achtergelaten.      Toen haalde hij de kaft van een van zijn schoolboeken en spreidde die uit op de tafel. In het midden legde hij de boodschappen, behalve de ontbijtgranen, de noedels, de frisdrank en het kattenvoer. Die waren voor hen. Hij wikkelde de kaft eromheen en plakte de uiteinden aan elkaar vast met plakband. Hij dacht niet dat zijn vader cadeaulint had, dus trok hij een veter uit een oude schoen en gebruikte die om een strik te maken.      Toen was het af.      Om niet aan kerst te hoeven denken, dacht Jayden aan Anita, de directrice van zijn school. Als je iets deed wat niet mocht, bijvoorbeeld de deur van de pannakooi vergrendelen met een paraplu, zodat de kleuters er niet meer uit konden, nam Anita je oorschelp vast en draaide eraan als aan een kauwgomballenautomaat. Uit de automaat kwam dan geen kauwgombal, maar een doodskreet. Jayden had ondervonden dat hij elke vervelende gedachte kon verdrijven door aan haar te denken. Elke vervelende gedachte, behalve die aan Anita zelf, natuurlijk. Wat hij toch als een groot gebrek beschouwde, aangezien ze dikwijls door zijn hoofd spookte.      Hij propte een paar handjes ontbijtgranen in zijn mond, keek in de spiegel of zijn haar goed zat en liep de deur uit.       De gelukkige was een meisje genaamd Tina. Tina woonde twee straten verderop in een rood huis met blauwe kozijnen. Voor de zomer had ze in een sociaal huurappartement in dezelfde wijk gewoond, nabij het park met de twee kasseistroken die aan de oude beluiken herinnerden. Jayden en zij hadden een gemeenschappelijke kennis: Dolfin, een dikke jongen met één arm, die een portefeuille uit je achterzak kon halen – en er weer in stoppen – zonder dat je het voelde. Totdat Dolfin, vanwege een ruzie tussen zijn moeder en de zorgleerkracht, naar een andere school moest, had hij bij Jayden in de klas gezeten. Tina was de kleindochter van de broer van Dolfin zijn opa.      De drie waren bevriend geraakt toen zoenende tieners hen uit het speelhuisje bij de glijbaan hadden verjaagd. Het was juli. Jayden en Dolfin waren dennenappels aan het rapen tussen de bomen ernaast, toen Tina kwam vragen wat er aan de hand was. Jason vond haar aanvankelijk maar niks. Ze had een hese stem en droeg paarse teenschoenen, die er niet alleen belachelijk uitzagen, maar ook geen bescherming boden tegen de glasscherven in het zand. Maar wat kon ze mikken! Na twee pogingen raakte ze de jongen in het speelhuisje pal op de lip. Verder zoenen kon hij wel vergeten. Hij sprong overeind en stootte zijn hoofd tegen het dak en gleed brullend de glijbaan af. Minutenlang hadden ze zich in de betonbuis moeten verstoppen, terwijl ze hun lach inhielden.      Haar vaders motor stond voor de deur, met de hoes eroverheen, en het licht in de fitnesskamer brandde. Jayden aarzelde. Die vent kneep je stuk als een chocolade-ei.       Toch duwde hij op de bel.       Een vrouw met strenge, wij uitstaande ogen verscheen in de deur. In plaats van te praten, kruiste ze haar armen. Plotseling wou Jayden dat haar vader had opengedaan.      ‘Ik wou haar M&M’s geven,’ zei hij, ‘maar de bezorger vergat ze.’      ‘Hij heeft haar brief op het internet gezet,’ zei de vrouw streng. ‘Weet je hoe vernederend dat is voor een meisje van haar leeftijd? Het vraagt moed om je gevoelens te uiten. Het zal jaren duren, voordat ze haar hart nog een keer voor iemand zal durven open te stellen.’      Jayden zag dat de vrouw werkelijk gaf om wat haar stiefdochter overkomen was. ‘Als je wilt, mevrouw,’ zei hij, ‘zal ik hem een lesje leren.’      De vrouw lachte haar vullingen bloot. ‘Nee, nee, nee,’ zei ze, ‘jij hebt al meer dan genoeg gedaan.’      Jayden wou zeggen dat hij niet degene was die Tina’s brief op het internet had gezet en dat ze hem dat dus niet kwalijk mocht nemen, maar hij was bang voor haar reactie en slikte hij zijn woorden in.      ‘Hoe gaat met haar?’ vroeg hij.      ‘Eerst haal jij die vreselijke grap met haar uit,’ zei de vrouw, ‘en dan gebeurt dit. Hoe denk je dat ze zich voelt?’      ‘Slecht.’      ‘Het was een retorische vraag!’ Ze monsterde zijn gezicht en zuchtte. ‘Dat is een vraag waarop je geen antwoord wil, omdat iedereen het antwoord toch al weet.’      ‘O,’ zei Jayden. ‘Sorry.’      De vrouw legde haar hand op haar voorhoofd. ‘Waar zat je met je gedachten, Jay? Ze had daar kunnen sterven!’      Tina had niet om hulp geroepen. Daarvoor was ze te bang geweest. Jayden had zijn oor tegen de stalen deur moeten houden om haar te kunnen horen, tegen de gele driehoek met de bliksemschicht erin. Ze fluisterde bijna, zo bang was ze. Niet omdat het er donker was – al moest ze geen hand voor haar ogen hebben gezien – maar vanwege de knetterende transfo’s om haar heen. Overal afblijven, riep hij haar toe. Overal afblijven, en dan komt alles goed. En toen was hij weggegaan, lachend.      Ze had haar gsm bij zich. Een half uur eerder had hij haar grappige snaps zien maken van duiven met ontbrekende tenen. Anders zou hij het toch nooit hebben gedaan?       ‘Is dit weer zo’n retrovraag?’      ‘Nee!’ zei de vrouw. ‘Waar zat je met je gedachten?’      Jayden keek naar het pakje in zijn handen. ‘Ik weet het niet.’      ‘Wist je hoe gevaarlijk het was?’      ‘Ja.’      ‘Waarom deed je het dan?’      Waarom had hij het gedaan? Het was gewoon gebeurd. Heen en weer lopend over een bankje, enkele meters van het transformatorhuisje, had Tina haar meesterplan aan hem uitgelegd. Blijkbaar had een meisje uit haar klas met het donkere haar op haar armen gelachen, en Tina zou het haar betaald zetten. Ze citeerde uit de brief die ze naar het liefje van het meisje had geschreven, en lachte vals. Een kwestie van tijd voordat hij toehapte, en dan hoefde ze alleen nog maar toe te kijken hoe het stelletje uiteenspatte. De manier waarop ze praatte – ze leek wel een schurk uit een Bond-film. Dit was Tina niet. Dit was iemand anders, iemand slecht. Misschien wou hij zijn vriendin terug? Misschien hij haar transformeren?      ‘Het was een slechte grap, mevrouw,’ zei Jayden. ‘Ik dacht niet goed na.’      ‘Dat kun je wel zeggen.’       Er viel een stilte.      Toen wees de vrouw naar het pakje. ‘Zie ik het goed? Staan daar passertjes op?’      Jayden keek omlaag. ‘Het is kaftpapier.’      ‘Hoe gaat het eigenlijk op school?’      ‘Saai,’ zei Jayden. ‘Naar het schijnt.’      ‘Naar het schijnt?’      Jayden haalde zijn schouders op.      Op de eerste verdieping ging een deur open. Jayden en de vrouw keken omhoog. Een ogenblik later dreunden zware voetstappen de trap af, en kuiten zo dik als hammen verschenen uit de schaduw van het trapgat. Een vlezige hand gleed langs de leuning. Tina’s vader, wiens tanktop losjes om zijn middel hing, leek onderweg naar een van de vertrekken op de benedenverdieping, maar bleef staan toen hij Jayden zag.      ‘Weet je wat,’ zei Jayden. ‘Ik geef het haar wel een andere keer.’      ‘Er komt geen andere keer,’ zei Tina’s vader.      De vrouw nam de hand van haar echtgenoot vast. ‘Jayden komt zijn excuses aanbieden.’      ‘Excuses niet aanvaard.’      ‘Poepie,’ begon de vrouw. ‘Die jongen …’      ‘Niks, Poepie,’ zei de man en maakte zijn hand los. ‘Tina is mijn dochter, en ik zeg dat er geen andere keer komt.’      ‘Glenn is mijn zoon,’ zei de vrouw. ‘Dat heeft je anders nog nooit tegengehouden om op hem te vitten.’      ‘Gaan we zo beginnen?’      ‘Jij bent begonnen.’      ‘Och, doe niet zo kinderachtig.’      ‘Kinderachtig?’ zei de vrouw. ‘Is het kinderachtig als een vrouw voor haar zoon opkomt?’      ‘Ik dacht dat dit over Tina ging?’   Toen Jayden thuiskwam, leek alles weer bij het oude. De kale kapstok in de hal, de deken half op de bank, de peuken in de glazen asbak, zijn dode opa’s knullige stadsgezicht op de schoorsteenmantel, de afstandsbediening van de televisie nog altijd zoek, de tapijten met hun donkere vlekken en rafelende randen – alles stond, lag of hing er nog precies bij zoals hij het een halfuur geleden had achtergelaten. Jayden beeldde zich hoe hij de kapstok uit de muur trok, de deken aan flarden knipte, de asbak op de salontafel uitstortte, een gat sloeg in zijn opa’s stadsgezicht, de televisie omvergooide en de tapijten vanonder de meubels rukte – om de boel eens op te schudden. Maar dat deed hij allemaal niet. Nee, hij ging op de vloer liggen en keek naar het plafond, terwijl hij snoep at uit het pakje dat hij onherstelbaar had opengescheurd.      Een uur of wat later ging de bel over. Ontwaakt uit een diepe slaap, veerde Jayden overeind en prevelde: ‘Brenda?’      Hij verbaasde hem dat hij haar naam uitsprak. Zou hij haar vergeven als ze nu voor de deur stond? Zou hij het kunnen? Zo niet, zou hij Tina dan nog kunnen vergeven?       Toen herinnerde hij zich het probleem met hun draadloze deurbel. Een inwoner van hun straat, vermoedde zijn vader, had een autosleutel die hetzelfde korte radiosignaal verzond, wat dat ook moge wezen. Telkens als hij zijn auto van of op slot deed, ging hun bel over. Dat kon makkelijk opgelost worden, beweerde zijn vader. Je veranderde de frequentie van de bel. Toch deed hij het nooit.       Jayden ging weer liggen, in het donker nu, en at de laatste snoepen uit het pakje, die, zo realiseerde hij zich, als je er zoveel kon eten als je wou, uiteindelijk teleurstelden.

Kenny De Thaey
0 1

Portiek

Portiek  Op weg naar huis begon het te regenen. Om niet nat te worden, ging ik een portiek in. Ik zette mijn tas met boodschappen neer en keek de grauwe grijze straat in. Langs het trottoir stond een begrafenisauto geparkeerd met daar achter drie volauto’s. Er moest dus een lijk in de buurt zijn.      Na een kwartier schuilen, goot het nog steeds. Ik begon trek te krijgen en dacht aan de grote pot zure haring in de boodschappentas. Ik zou er best een lusten. Na wat twijfelen pakte ik de pot en keek door het glas naar de zilverkleurige visjes. Het water liep me in de mond. Er was niemand in de buurt, dus dacht ik waarom ook niet. Ik pakte de pot stevig beet en draaide de deksel, die goed vast zat met een ruk open. Door de schok glipte de pot uit mijn handen en spatte op de grond uiteen. Als een eiland lagen de haringen op een hoop in een plas azijn scherven en uien. Spijtig keek ik naar de ravage en vervloekte mezelf om mijn stommiteit.      Maar zo te zien had de bovenste haring niets geleden. Die zou ik nog best kunnen opeten. Ik ging op mijn hurken zitten om het visje nauwkeuriger te bekijken. Er was niets mis mee. Ik pakte hem op en wilde een hap nemen, toen een deur in het portiek open ging. Er werd een brancard op wielen met daarop een doodskist naar buiten geduwd, waarna een aantal mannen in het zwart de overledene beschut door grote paraplu’s naar de lijkauto brachten.     Intussen kwamen naasten van de overledene uit het huis het portiek in. Ik stond ertussen of ik er bij hoorde en zag droevige blikken van verstandhouding. Niemand zei iets. De stilte werd alleen verbroken door gesnotter en het geknars van glas onder voetzolen.       Een vrouw naast mij vroeg fluisterend: ‘Wat doet u hier meneer. Wie bent u?’      Ik voelde mij ongemakkelijk. Het liefst was ik weggegaan,  maar nu het regenen was veranderd in een wolkbreuk bleef ik staan en zei: ‘Mevrouw ik ben hier om te schuilen voor de regen.’      De vrouw veegde haar rood betraande ogen af en zei iets te hard naar mijn zin: ‘Meneer we zijn hier om tante te begeleiden naar haar laatste rustplaats. Ik vind uw aanwezigheid zeer ongepast.’      Ik keek naar de afkeurende blikken op de gezichten om mij heen en dacht, ook in het uur van de dood kunnen mensen klootzakken blijven.        Gelukkig kwamen de uitvaartmedewerkers terug om de rouwenden naar de volgauto’s te begeleiden.      Ik was weer alleen. Op de grond lag een vieze smurrie van platgetrapte haringen en er hing een ranzige geur van zure vis, regenjassen en parfums. Ik voelde me misselijk worden. Ik moest hier weg en stapte het portiek uit de regen in. Snel ben ik naar huis gelopen waar ik drijfnat aankwam.

Krasslanskyp0⁰
0 0

Patrick en Johanna

‘Wat ben je toch een kliederaar, Patrick! Je kan niet eens een broodje gezond eten zonder te morsen. Zei ik kliederaar? Dat klinkt een beetje vreemd, zeker door die laatste lettergreep. En omdat ik onmiddellijk een verband leg met iets vochtigs, terwijl het hier enkel en alleen om kruimels gaat. Een verband leggen met iets vochtigs doe ik trouwens wel vaker. Ik moet mijn maandstonden weer bijna krijgen. Nu schiet me ineens te binnen dat ik smospot en morsepot veel amusantere woorden vind dan kliederaar. Misschien komt het wel doordat ik lesbisch ben. Mijn excuses. Mijn hoofd is weer druk. Wil je wat ketchup op je broodje? Ik neem even de kruimelzuiger.’ Vriendschap tussen man en vrouw, kan dat eigenlijk wel? Patrick vroeg het zich af. Hij kon er urenlang over filosoferen. Gewoonlijk is het de man die uiteindelijk meer wil. Dat is bewezen. Door wie of wat wist hij niet meer, maar hij had het ergens opgevangen. De kans dat hij gevoelens zou krijgen voor Johanna schatte hij niet hoger dan 0,01 procent. Hij had haar graag en zij hem, dat wel, doch niet op lichamelijk vlak. Bovendien kon hij haar hooguit enkele uren verdragen. Als hij een hele dag samen met haar zou moeten doorbrengen, zou hij haar iets aandoen, en niet omdat ze overtuigd nudiste was.  ‘Ja, ketchup. Dank je. Lekker. Hopelijk ga ik niet kliederen. Kruimelzuiger? Is het niet kruimeldief?’ ‘Ben je gek? In mijn huis is er geen plaats voor dieven. Dat klinkt ook zo negatief, terwijl het een heel nuttig en lief toestelletje is. Ik gebruik het nu wel voor de door jou overvloedig en op onachtzame wijze in het rond gestrooide kruimels, maar soms ook voor kleine lichamelijke pleziertjes, al ga ik daar nu niet over uitweiden. Een kutwoord vind ik dat, omdat ik altijd moet nadenken of je dat nu met een korte ei of een lange ij schrijft. Zelf ben ik aan het uitwijden. Het lijkt wel of mijn heupen met de dag breder worden. Vind jij ook dat mijn heupen met de dag breder worden? Ach, niet antwoorden. Jouw mening is niet van belang, althans niet in dezen. Kruimeldief! Hoe verzin je 't? Waar is je logica? Je zegt toch ook stofzuiger en niet stofdief? Dat doet me meteen denken aan mijn tante Sofia. Ze is al even lesbisch als ik. Toen ze via het internet Yordanka, een Bulgaarse schone, leerde kennen, is ze geëmigreerd. Naar de Bulgaarse hoofdstad, juist ja, Sofia. Omdat Yordanka er woonde. Maar tante Sofia kon niet aarden in Sofia. Daarom zijn ze verhuisd naar Plovdiv, de op een na grootste stad in Bulgarije trouwens. Maar je begrijpt me: de stap van stofdief naar Plovdiv is klein, althans in mijn brein. Ik ga haar straks eens bellen, tante Sofia. Ik ben benieuwd of ze haar kunstgebit ondertussen al heeft teruggevonden.' Ik zou het haar kunnen vragen, dacht Patrick. Hoe haar tante Sofia in godsnaam haar kunstgebit heeft kunnen verliezen. Ze zou het graag genoeg hebben. Volgens mij stuurt ze er zelfs op aan. Ze zou niet liever hebben dan dat ik het haar zou vragen. Ik ken haar. Ze heeft overschot van gelijk. Haar heupen zijn inderdaad breder geworden de laatste tijd. En haar borsten beginnen ook flink door te hangen. Echt geen smakelijk zicht meer. Gelukkig heb ik gedaan met eten. Oeps. Klein boertje. 'Hartelijk dank, Patrick. Echt. Hartelijk dank.' Dat klonk cynisch. Heel even vreesde hij dat Johanna echt gedachten kon lezen, zoals ze vroeger weleens had beweerd.  'Waarvoor?' stamelde hij. 'Voor je appreciatie. In China, en in Bulgarije volgens mij eveneens, is het een compliment als je gast een boer laat na het eten. Een teken dat het gesmaakt heeft. En dat ik nog altijd lekkere broodjes gezond kan maken. Lang geen evidentie, hoor, dat lekkere broodjes ook nog eens gezond zijn. Alhoewel, jij pleurt er zo'n gigantische plas ketchup op, dat dat hoogstwaarschijnlijk niet meer het geval is. Hoogstwaarschijnlijk? Hoogzwanger lijk ik wel! Vind je ook dat ik verdikt ben de laatste tijd? Verdorie! Zie je wel! Ik wist dat ik ze ging krijgen.' Einde maaltijd. Afscheid. Dag. Tot morgen misschien. Het was niet zomaar een dag. Het was de dag dat Patrick voor het laatst ketchup at.      

Danny Vandenberk
0 2

Heerlijk vreemd

‘Moet jij er nog één?’ vraagt ze me. Haar ogen staan serieus, niet langer meer begeesterend en excentriek, zoals ik haar ken. Na enkele seconden kan ik haar blik niet meer vatten, sla mijn ogen neer, en wrijf mijn handen af aan het gras. Een bruin eiken blad blijft aan mijn vingers kleven. Verloren laat ik het er hangen, tot het opnieuw de weg naar de humuslaag vindt. Ik voel me net zoals het mos van de boomstronk waar we op zitten: een spons, die in plaats van water allerlei emoties opslorpt. ‘Geef me er nog maar één.’ Ik kijk haar recht aan en zie hoe de blik in haar ogen verandert. De flikkering die ik al zo lang miste: dáár is ‘ie weer. “Zo één?” Al lachend laat ze een kwartje van een vijg tussen haar wijsvinger en duim balanceren. Ik kijk, wachtend tot het stuk fruit als een Icarus vanzelf richting mijn mond zal vallen.  Ze steekt stoutmoedig het stuk hoger in de lucht, alsof ze het richting de laagstaande herfstzon wil opsturen. Een tevergeefse poging om het verdwijnende hemellichaam terug op te roepen?  ‘Liz, stop er mee’, brom ik haar toe. ‘Vic, je weet niet wat je wil.’ Haar ogen staan tegelijkertijd ernstig en toch blijft de flikkering tegelijkertijd, als een zonnetje in haar ogen schitteren. ‘Oké, hier is ie, proef ‘m dan.’ Ze gooit me met een grijns het stuk vijg toe en met één welgemikte beet hap ik het uit de lucht. Ik zuig de zoete smaak naar binnen, en knabbel het velletje kapot zodanig dat het vruchtvlees mijn smaakpapillen bereikt. Speeksel vormt zich in mijn mond en ik geniet van elke hap.  ‘Hier’, nu gooit ze me een spuuglelijke dadel toe. Behendig hap ik die alsook uit de lucht. Na drie keer knabbelen, spuug ik de pit uit. Als een kanonschot knalt het tegen het tinnen schaaltje met afval, dat verloren gewaand op het picknickdeken voor ons ligt. Het geluid blijft nazinderen in mijn oren, waar de tinnitus toch al zoemt, zoals het geluid dat energetische bijen produceren nadat ze uit hun honingroes ontwaken.  Liz schaterlacht luttele seconden nadat de explosie onze oren bereikte. Het enige wat ik kan doen, is haar vergezellen in haar gelach. Ik voel hoe mijn wangen de kleur van datzelfde verorberde exotische fruit aannemen. Naar adem happen, hoor ik haar nog net uitbrengen: “jij bent zo heerlijk vreemd.” 

Zonsondergangdromen
15 1

potloodventer

potloodventer Het personeel is samen gekomen in de kantine. Zij kijken schichtig om zich heen en praten met gesmoorde stemmen over de onhoudbare toestand in het bedrijf. Soms krijgt iemand een huilbui en worden er tussen de snikken door neuzen gesnoten. Een zichzelf opgeworpen leider drukt iedereen op het hart het hoofd koel te houden.  Iets achteraf staat Wim de jongste bediende. Voor hem is het allemaal te veel. Zijn acne gezicht vertoont zenuwtrekken. Wim schuifelt naar het buffet, haalt een broodmes uit de lade en loopt naar de directiekamer. ‘Iemand moet het doen, sist hij verbeten. Het grensoverschrijdend gedrag moet stoppen. Het in billen knijpen van de biseksuele directeur waarvan Wim ook slachtoffer is moet afgelopen zijn.  In de gang krijgt Wim nog een emotionele optater als hij Agnes de secretaresse en het neukertje van de baas tegen komt. Haar blonde lange vlecht is al lange tijd een bron van zijn wilde seksuele fantasieën. Nu alle remmen los zijn, pakt hij haar beet, smoort haar geschreeuw en snijdt de vlecht af.    Met de haarbundel tussen zijn tanden ramt hij zonder kloppen de deur van de directiekamer open en blijft wijdbeens staan voor het bureau van de grote baas.  De heer van Beukenstein kijkt angstig naar Wim en het mes.  Achter Wim is Agnes de kamer binnen gekomen, gevolgd door het  personeel. Zij maken een kring om het bureau en roepen: ‘Neem hem te grazen Wim. Geef hem op zijn donder!’      Het personeel wordt dreigender. De kring rond het bureau kleiner. De directeur glijdt van zijn stoel, zakt op zijn knieën en smeekt om genade: ‘Alsjeblieft Wim, alsjeblieft spaar me, doe me geen kwaad, dan krijg je promotie en een dikke bonus.’    Zijn welvaartslichaam trilt van angst, maar het maakt op Wim geen indruk. Opgejut door het personeel voelt hij dat er een belangrijke taak voor hem is weggelegd. Maar dan komt er iets van twijfel, als zijn gereformeerde opvoeding opspeelt.   In een flits denkt Wim aan Abraham die zijn zoon moest kelen, maar dat op het laatste moment de slachtpartij werd afgelast: ‘Dat zal mij niet gebeuren!’ Schreeuwt Wim en steekt het mes door het vette hart van de heer van Beukenstein.  Het personeel schrikt en kijkt doodstil naar het stuiptrekkende slachtoffer. Zij doen een paar passen achteruit. Sommigen gaan hysterisch krijsen. Zo extreem hadden zij het nu ook weer niet bedoeld.   Agnes voelt zich gesterkt door de ommezwaai en roept buiten zich zelf van woede: ‘Vieze verkrachter, vuile moordenaar, schoft, ik zal de politie bellen!’   Het personeel begint nu ook luid te roepen: ‘Moordenaar, moordenaar, moordenaar, moordenaar!’  Wim staat er met het bloed aan zijn handen lamlendig bij. Hij is onthutst en zoekt een uitweg. Wanhopig loopt hij naar de balkondeur, duwt hem open en doet een been over de balustrade. Dan roept hij luid: ‘Moeder vergeef mij!’   Met dicht geknepen ogen springt hij van de eerste verdieping boven op een uit de kluiten gewassen Duitse dog die zijn behoeft aan het doen is. Na de doffe smak staat Wim versuft op en kijkt naar de hond, die gebroken in zijn drollen de laatste adem uitblaast.  Intussen is het balkon volgestroomd met het personeel. Reikhalzend kijken zij naar beneden en roepen luid: ‘Dierenbeul, dierenbeul, dierenbeul, dierenbeul!’   Als een geslagen hond rent Wim schuw achteromkijkend de straat uit.  

Krasslanskyp0⁰
7 1
Tip

Eiland

Buiten is het min tien graden maar ik besluit toch een korte avondwandeling te maken, mijn lichaam is moe maar mijn geest snakt ernaar. Om de kou te trotseren giet ik de laatste slokken thee door mijn slokdarm, die hopelijk als een schoorsteen in een herenhuis de warmte vasthoudt. Mijn voetstappen echoën in de hal bij het afdalen van de wenteltrap. Ik druk de code in en duw de zware deur open. Er ligt ondertussen een dikke laag sneeuw, de straatlampen doen het witte kleed glinsteren. Met mijn handen in mijn zakken knisper ik voorzichtig naar het ijzeren poortje, dat het landhuis afscheidt van een parkweg. Via een oude stenen brug kom ik op een kleiner eiland, dat alleen bestaat uit een park. Je kan er enkel komen via deze brug. De oppervlakte van het eiland bedraagt amper een kilometer. Door het late tijdstip en de vriestemperaturen zou het best kunnen dat ik vanavond helemaal alleen ben. De mensen die hier wonen noemen het eilandje soms een ‘enorme privétuin’. Van deze gedachte wil ik even genieten. Ik plant mijn schoenen met de hiel eerst en dan geleidelijk tot de tip in de sneeuw, heel traag, genietend van elke krakende stap, alsof nooit iemand hier eerder is geweest. Kleine vissersboten staan in hun metalen stallen langs de kade. Ze houden hun winterslaap onder plastic zeilen die ze beschermen tegen regen en vorst. Hier en daar brandt een fel werklicht, maar afgezien van een enkele kraai is er geen beweging. Aan de overkant van het meer, dat helemaal bevroren is en waaruit telkens met een meter of twee ertussen meerpalen omhoogsteken aan beide oevers, die me doen denken aan dat Vikingspel waar je ringen rond de palen moet gooien, zie ik rijen huizen met in de gevels allerlei verlichte vierhoekjes. Hoewel er een heldere hemel hangt, tel ik maar een ster of drie. De meest schitterende staat in het zenit boven de kerk. De weg loopt steil naar boven en aan weerskanten staan lantaarnpalen, maar ze werpen al hun licht op het midden van het pad, alsof ze elders niet willen schijnen. Af en toe hoor ik gekraak net voor of na mijn voetstappen in de sneeuw, maar als ik achterom kijk, ben ik alleen. Uit het niets schiet er een kleine zwarte hond rakelings voorbij en volgt de weg die naar links afdraait. Over mijn schouder speur ik het sneeuwlandschap af naar een man of vrouw met een lijn in de hand, maar er is niemand. Er heerst een oorverdovende stilte, alsof de sneeuw ook een laken over al het geluid heeft gelegd. Ik schuifel opzettelijk wat harder in de sneeuw om er zeker van te zijn dat ik niet plots mijn gehoor ben verloren. Dan hoor ik de hond in de verte, het schelle geblaf kaatst tussen de kale bomen. Wanneer het blaffen is uitgestorven hoor ik heel zacht mijn naam. Zonder aarzelen versnel ik mijn pas en volg het pad. Het is alsof mijn lichaam reageert op het horen van mijn naam, zonder dat mijn geest al een besluit had genomen. De stem klinkt steeds duidelijker en dichterbij naarmate ik het pad volg, maar de scène blijft berusten op dezelfde elementen: een sneeuwtapijt, links en rechts een bomenrij, sporadisch onderbroken door een besneeuwde smeedijzeren bank of een lantaarnpaal. De weg begint af te hellen en ik ondervind steeds meer moeite om niet uit te glijden. Uiteindelijk gebeurt toch het onvermijdelijke: ik struikel over een steen en glij naar beneden. Gelukkig kan ik mijn val breken met mijn handen. Wanneer ik weer opsta, is het stil. Geen stem meer, geen geblaf. Ik sta nu op het breedste stuk van het eiland. Aan de rechterkant staan drie schommels. Er schijnt een witgele spot op, waarmee het bedoelde effect, namelijk dat kinderen op dit late uur nog kunnen zien wat ze doen, drastisch wordt omgekeerd, alsof de bedoeling erin bestaat om de kinderen vanuit de duisternis te begluren. Het doet me huiveren. Links staat een amfitheater. De sneeuw geeft de stenen zitjes een bepaald cachet, zoals de rode gestoffeerde stoelen in een Victoriaans theater. Op de op één na hoogste rij, pal in het midden, ontwaar ik een figuur, een man. Hij wenkt me. Wanneer ik dichterbij kom, valt het me op dat hij geen jas, sjaal, muts of handschoenen draagt. Hij is volledig kaal en gladgeschoren. Hij gaat gekleed in een maatpak, met parelmoeren manchetknopen en een kobaltblauwe vlinderdas. Hij zegt niets, hij kijkt me alleen aan en glimlacht. Ik merk op dat er geen sneeuw ligt op zijn pak. ‘Hebt u het niet koud?’ Hij schudt zijn hoofd. Aan zijn voeten ligt een hond, de hond die me eerder voorbijliep. ‘Is die hond van u? Ze zijn in dit park bijzonder streng op loslopende honden, wist u dat?’ De man geeft geen antwoord, zijn mond blijft in een gelukzalige glimlach staan, bijna zelfvoldaan. Sneeuwvlokken dwarrelen langs hem heen, hij lijkt wel een soort warmte te verspreiden. Pas wanneer ik hem wil verlaten met deze kleinburgerlijke opmerking, die ik anders niet zou maken maar die de man aan me had onttrokken door zijn zwijgzaamheid, spreekt hij. ‘Hij was niet van mij.’‘Excuseer, wat bedoelt u?’‘De hond. U vroeg of de hond van mij was. Hij was niet van mij, maar hij is naar me toegekomen, en wat naar me toekomt, komt me toe. Nu is hij dus van mij.’ Ik knik en maak aanstalten om te vertrekken, wanneer hij mijn arm kort aanraakt, met een zacht gebaar. Zijn hand is spierwit maar voelt warm, zelfs door mijn jas heen.‘Bent ook u niet naar mij toegekomen?’ Zijn ogen zijn diepblauw, dezelfde kleur als zijn vlinderdas.‘Ja, omdat u me wenkte…’ aarzel ik. ‘Maar ik moet dringend naar huis.’‘Niemand komt zomaar’, sprak de man onverstoord verder. ‘U bent schrijver, is het niet?’Na de vele wanhoopspogingen tot poëziebundels en een aantal mislukte romans die ik zelfs niet durf opsturen naar een uitgeverij, verval ik bij deze vraag haast automatisch in relativerende lichaamstaal: ik haal mijn schouders op, tuit mijn lippen, blaas ostentatief lucht uit mijn bolle wangen. Maar dan vraag ik me plots af hoe deze man aan die informatie komt. Net wanneer ik hem met stelligheid wil vragen of hij me soms achtervolgt, valt hij me in de rede, alsof hij mijn interne redenering heeft gehoord.‘Ik kan u helpen. Alles wat u hoeft te doen, is mij volgen naar de brug.’ Zonder mijn antwoord af te wachten, staat hij op van de tribune en loopt hij voor me uit. De hond volgt hem en opnieuw maakt mijn lichaam dezelfde beslissing. Na een tijd komen we aan een brug, en hoewel het ontegensprekelijk dezelfde brug is, zijn we de andere kant uitgelopen. Tussen de relingen hangt een gele gloed. Ik wil hem vragen of er misschien een tweede brug is die niet op de kaart staat, maar hij wenst me enkel succes. Daarna keert hij zich om en wandelt weer in de tegenovergestelde richting. Zijn voetstappen laten geen sporen na in de sneeuw. Nu wacht mijn lichaam wel tot mijn geest besluit om over de brug te gaan. Aan de andere kant vind ik niets bijzonders, alleen de plotse zin om te schrijven.

Lennart Vanstaen
112 7

Lambiorix (11)

  Leopold Van Polderleeuw Agent Oranje Annabelle Onverschil De Tic Tac Tovenaar Faust De Fistfucker Kitty Ne Me Kitte Pas Adolf Florian Nageboorte Nonkel Leonard De Konkelfoezer Babette De Striptease Babysitter   Ja. Dat is nodig. Schuilnamen. Het is immers mogelijk dat het er ineens zeer smerig aan toe begint te gaan. Men weet dat nooit bij normale mensen die dan iets meer drinken. Het onderdrukte kan zich plots kwaadaardig uiten. Dat gebeurt het meest bij geesten die zich niet bewust zijn van de wrede normering die zij ondergingen op een manier die hen gebruikelijk leek. Bovenaan. Dat was de lijst van alle invités en invitees. Hannelore, Ignace en ikzelf zijn ook gekomen. Vanwege Lambiorix. Ja. Omwille van het bier. Ik kan dat ook niet anders omschreven. Sorry. Er bestaat geen genderneutraal woord voor invités c.q. invitees. Net zoals dat niet bestaat voor de nochtans onzijdige formuleringen 'mijn vriendje' en 'mijn vriendinnetje'. Taal is wreed. Zij is lastig en toch lazen wij hier boeken, toen wij hier zo ellendig lang geïnterneerd werden. Tot nu toe liep er niet veel verkeerd op de Barbecue van de Krulbokvrienden, die nu plaatsvindt in Het Instituut. Wat doen wij intussen? Hannelore laat zich gretig zoenen maar dat ben ik gewend en voor de rest zijn er die malloten die alles willen lezen, terwijl mijn bic al lang geleden stukgebeten werd. Het wordt dus wachten, beste, tot et iets schunnigs gebeurt, de hemel ergens scheurt, dat rode licht doorlaat.     uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
0 0

Lambiorix (10)

  Het meest recente maandblad van de Pittemse Krulbolvrienden lijkt een ware feestfolder. Normale geesten snakken naar uitbundige bezigheden. Samen zijn. Sociaal gedoe. Zelfs medelijden met de zwakke medemens of afkooksels daarvan zijn tegenwoordig aanleiding tot feestvieren. Neem nu die zieke initiatieven als warmere weken. Dan staat men ginds massaal op een plein om slechts wat te zwaaien en dat valse gevoel te krijgen dat men echt ergens toe bijdraagt. 's Anderendaags, wanneer  het toneeltje voorbij is, komen ze langs, de kuisploegen van de goegemeente, om de sporen van die komedie uit te wissen. Fletse glühwein zuipen zij en draaien muffe plaatjes voor vergeten mensen die hun beeldscherm laten slapen, de radio verkochten aan fanaten van laweit. Soms is het voor een kreupele, een manke ridder op een stokoud paard. Doe Lazarus een verse pamper aan! Hij zal geen wederopstanding beleven. Chot. Wat stinkt het in de verte. Die mengeling van geuren vol vergaan en mans urine zijn echt niet te tarten! Zo kunnen we geen party vrolijkweg beleven! Ouderdom, wezens die een eervol einde niet meer kunnen kiezen, het geleuter dat die randgevallen vaak verkopen, neen bedankt! Doe dan liever deze kille buitenwind, wat beelden op tv, vermeldingen van wie zijn spaarvarken voorbeeldig slachtte voor het oog van fiere zielen. We vergeten straks, de namen van de ongelukkigen, de initialen van degenen die dan toch gewoon verlegen hielden van hun afzondering. Zolang de huur maar betaald is, de erfenis op voorhand schoon geregeld en ze vereffend worden, al die facturen van De Instelling. Hoeveel franken gaan wij op dat feest doneren voor een rein, gerust gemoed? Hoeveel moeite gaan we doen om in te kunnen slapen met een trots gedacht? De Pittemse Krulbolvrienden zijn al even erg. De jaarlijkse Zomerbarbecue zal weer gehouden worden, daar waar Ignace en ik eeuwenlang opgesloten zaten. Hoera dus? De Pittemse Krulbolvrienden zullen de dolle mens met al zijn gebreken eer aandoen door een grillfestijn te houden! Desalniettemin en ondanks alles. Hannelore stelt voor dat we gaan! Lambiorix zal daar immers zijn en Hannelore met haar wilde streken is te vinden voor verwerking in een zatte bui. Alles mag dan in een roes gebeuren en ja. Ignace mag ook mee. Sappig varkensvet mag uit die worsten druipen op dat hete rooster. Oké en voor akkoord. We zullen ons eens laten gaan daar in Ons Instituut, temidden al die Krulbolvrienden en alles, dankzij Lambiorix!     uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
0 0

Angelo's dochter

Angelo’s dochter                                                 ‘Wat! Kom je met de feestdagen niet thuis?’     ‘Nee pa, sorry, er is wat tussen gekomen. Ik ga met Fred op vakantie naar Schotland.’ Angelo drukt de telefoon vaster tegen zijn oor en zegt  geïrriteerd: ‘Maar je zit al een half jaar in Londen. Is het nou niet tijd dat je een keer naar huis komt. En wie is Fred dan wel? Ik wist niet eens dat je een vriend had.’     ‘Ik begrijp dat jullie het niet leuk vinden dat ik niet kom… Maar door Fred is mijn leven nogal veranderd en dat…’     ‘Ja, ja, ja, je kent hem dus pas en nu ga je al met hem op vakantie, zonder dat je moeder en ik kennis met hem hebben gemaakt. Wat is het voor iemand? Hoe oud is hij, wat doet hij voor de kost en is hij vrijgezel?’       Angelo kijkt veelbetekenend naar zijn vrouw die ingespannen de woorden van haar dochter probeert in te vullen.      ‘Ja, hij is vrijgezel en erg sympathiek, jullie zullen hem vast heel aardig vinden. Hij is wel wat ouder dan ik.’     ‘Wat bedoel je met wat ouder?’     ‘Nou ja, hij is achtendertig jaar.’      ‘Wat zeg je! Dan is hij twintig jaar ouder…? Wat moet mijn dochter met zo’n ouwe kerel? Dat kun je je ouders toch niet aandoen?’     Angelo brult het bijna door de telefoon. Zijn hoofd is rood gezwollen van kwaadheid. Zijn vrouw komt geschrokken naar hem toe en pakt de telefoon uit zijn hand.     Marit liefje, met je moeder’       'Hallo mam, zegt ze snikkend. Waarom gaat pa zo te keer. Ik ben toch geen klein kind        meer. Ik ben achttien jaar en ik wil mijn leven zelf indelen.’      ‘Ja meisje, je vader is nu eenmaal driftkikker dat weet je, maar vertel eens hoe is het met je?’      ‘Heel goed mam, ik heb een man ontmoet. Hij heet Fred en ik hou van hem.’     Angelo ergert zich aan zijn vrouw die met haar dochter praat of er niets aan de hand is. Demonstratief loopt hij de tuin in naar de schuur. Heb ik daar nou al die jaren voor geploeterd, om dat kind aan de eerste de beste ouwe smeerlap  mee te geven?     Als hij voor zijn Harley-Davidson staat bedaart hij. Liefdevol streelt hij met zijn hand over het zadel, pakt een doek en gaat de toch al glimmende machine verwoed verder oppoetsen.     Als hij drie kwartier later weer binnenkomt, legt zijn vrouw net de hoorn op de haak.      Angelo loopt naar de ijskast, pakt een blik bier en zet het aan zijn mond.      ‘En…, ben je nog wat aan de weet gekomen over die vent. Wat doet hij voor de kost. Of is het weer zo ‘n klaploper als die vorige verkering van haar?’      Zijn vrouw kijkt hem met een spottend lachje aan en vraagt: ‘Angelo, schenk mij ook eens wat in?’      ‘Zo midden op de dag? Dat ben ik niet van je gewend.’     ‘Die Fred waar jij zo een probleem van maakt is een  hardwerkende man. Hij is zo bezig dat hij miljonair is’     ‘Wat zeg je me nou?’      ‘Ja… en nog iets. Hij is de grootste importeur van motoren uit Japan en de Verenigde Staten in Groot-Brittannië’      ‘Wel allemachtig!’      Angelo zit er verslagen bij. Zonder dat hij het merkt drukt hij zijn halfvolle blik bier in elkaar.     ‘Uit Amerika…? Dan importeert hij ook Harley-Davidson!’       ‘Inderdaad en ik heb met Marit afgesproken dat zij na hun vakantie een paar dagen naar Holland komen. Of vind je dat geen goed idee?’     ‘Uhhhh…, ja natuurlijk dat lijkt me geweldig. Weet je wat, ik zal haar kamer een verfje geven. En als ze er zijn kunnen we gezellig met zijn allen mosselen gaan eten in de bowling. Misschien is het ook leuk om een dagje naar Volendam te gaan, daar kun je in klederdracht op de foto dat lijkt mij leuk voor zijn familie.’   

Krasslanskyp0⁰
0 1

Lambiorix (7)

  Wij lazen veel Ignace en ik. Toen wij in De Instelling verbleven klom de tijd immers op de muren om daar een gevecht te leveren met een wolfspin. Boeken die Ignace nooit zou lezen waren romans die in hun zielige tijd als shockerend beschouwd werden. Bij wie een Vrije Geest bezit, heeft dat geen enkel effect, zo zei hij. Dergelijke boeken zijn slechts aantrekkelijk voor zielen die lelijk genormeerd werden door joodse, christelijke of kleinburgerlijke gedachten. De motivatie van schrijvers om dergelijke flauwe schunnigheden op papier te zetten, is van povere oorsprong. De ontzetting die gezocht wordt bij een lezer, die dan verondersteld wordt preuts te zijn, is even banaal als de leefwereld die men probeert te ergeren. Igance vatte dit samen met de woorden: Het zou ridicuul zijn mocht een Vrije Geest dat steekspel met te vergeten middeleeuwse normen nog enigszins als verlichtend ervaren. Neem nu Mieke Maaike's obscene jeugd van Louis Paul Boon of Lolita van Vladimir Nabokov. Geen haar dat eraan dacht om dat te lezen. Voor Ignace was het uitgesloten dat een wezen met enige filosofische maturiteit daar tijd aan zou besteden. Het is slechts shockeren om te schockeren in een era dat al te preuts en benepen was. De gedachte dat zij noodgedwongen deel uitmaakten van een bekrompen gemeenschap, getuigde enkel van infantiele onmacht. De idee dat geesten die zich gevangen voelden dat betuttelende gedoe niet zomaar konden overstijgen, de noodzaak die zij voelden om zich daar tegen af te zetten, getuigden enkel van even grote bekrompenheid. Dixit Ignace, die in De Instelling danig mijn geestesbroeder werd dat ik hem citeren kan alsof hij in mijn hart kwam leven.     uit de reeks 'Roeland Wittebolle'

Bernd Vanderbilt
0 0

Vakantievrienden

Op tiendaags jeugdkamp in het noorden van Belgisch Limburg in ‘Bosland’, een wondermooi gebied van net geen vijfduizend hectare, leer ik Arnaud kennen. Net voor de grote vakantie zijn wij beiden dertien geworden.Wij slapen in tenten die door de nabijgelegen legerkazerne werden afgedankt. Vandaag trekken wij naar de Hechtelse Duinen. Sommigen noemen het de grootste zandbak van Vlaanderen.‘Waar kom jij vandaan?’ vraag ik Arnaud.‘Ik kom uit Duinbergen’, zegt hij.'O, woon jij daar? Duinen zijn toch geen bergen’, grap ik.‘Neen, maar onze duinen liggen aan de Noordzee en als je op de zee vaart lijken ze wel een beetje op bergen.’‘Ik ben nog nooit aan zee geweest. Ik kom uit Sint-Joost-ten-Node.’‘Dat dorp ken ik niet. Is het ver van hier?’‘Het is geen dorp. Het is een van de negentien gemeenten die samen de hoofdstad Brussel uitmaken.’‘Dan woon jij dus in een stad?’‘Jazeker. Het is er superdruk. Naar het schijnt zijn wij de kleinste maar tegelijkertijd de dichtstbevolkte en armste gemeente van het land.’‘Interessant om weten. Duinbergen ligt vlakbij Knokke, dat is denk ik wel een van de rijkste gemeenten. Weet je dat de duinen bij ons uit wit zand bestaan?’‘Hoezo, niet geel zoals hier in Hechtel?’‘Neen, het strand bij ons is wit, maar niet zo wit als de kusten die je soms in vakantiefolders ziet.’ Al snel worden wij boezemvrienden. De tien dagen vliegen voorbij en binnenkort is ook de vakantie om. Bij het afscheid zegt Arnaud dat ik hem snel eens aan zee moet komen opzoeken. Dan kan hij mij het witte zand van zijn bergen tonen. Zelf heb ik hem niet gevraagd naar Brussel te komen. De armtierige buurt waar ik woon is niet meteen de plaats om een vriend te ontvangen.

Vic de Bourg
12 1