Lezen

Gans anders

  het glas is gefumeerd rook deinst immers nooit terug voor natte ogen   ik zou zowaar een brilletje uitkiezen de montuur mag zelfs  een beetje liegen ging een winkelstem beweren   het glas is gefumeerd alles wordt dan vredig warm jongeman, het is echt waar haard en kaars zij voelen dat zij prevelen verward adem nog een keer die lauwe lucht verdwijnt rook deinst immers nooit terug voor natte ogen   druilerig zo wordt nooit meer een dag een uil zag het gebeuren lang geleden vochtig was het raam druppels durfden rollen naar een diep verdriet   luister toch, meneer we hebben ze in vele kleuren zou dat vroom verkooptalent vertellen mij geloven laten dat het inzicht vurig rood kan worden voel de steun is goed bij alle neuzen zelfs de reuzen zien de rampspoed komen   gelukkig hebben zij mevrouw en ik bedoel die realisten reeds de visjes op het droge terwijl ik dat gevoel hoe fris condens kan zijn nooit meer zal vergeten bovendien hoop ik oprecht dat in die dode zijarm nog wat kikkers zullen leven dat die vizioenen over waterlelies  nachtmerries verjagen kunnen   ik weet dat ook bij nacht dan worden zij bevrucht het zijn het waren rare bloemen toch wil ik dat u nu kiest   op de tast zal het niet lukken ook al koester ik die oude vlammen tamme eindes van de storm dit wordt een nieuw begin   je raakt eraan gewend de trend wil dat het mag een beetje wild parfum verovert dromen sterren sparen niemand nog alle vis is tegenwoordig voorgekookt de blik wordt scheefgetrokken door een rare drang zonder wierook huldigt men hetgeen in harten smeult en wat brillen betreft het glas hoort gefumeerd het hoort ook alles wat u denkt terwijl het noodlot wordt verdacht van prille vonken   ik weet dat ook, mevrouw bij nacht dan worden zij bevrucht ik zou dat toch een keertje willen uitproberen glas fumeren op een kille dag       uit de reeks 'Foute titelatuur'                

Bernd Vanderbilt
4 0

op smaak

bij een slecht gedicht zeggen ze al snel: je bakt er  niks van, gebakken lucht klinkt nog erger want je wilt niet als opgeklopt overkomen of dat  je baksel als smakeloos wordt afgedaan, je  probeert daarom een proeverij te organiseren  met voor ieder wat wils.   je hoopt natuurlijk dat je schrijfsel niet te  zoetsappig is, een onsje minder maakt de tongen  vaak al wat losser, maatschepjes brengen cadans  in je woordenbrei.   kijk wel uit voor ongezouten zinspelingen,  een puntje Sel de Marin op het scherp van de  snede is een aanrader om flauwvallen te  voorkomen, men houdt doorgaans niet  van zouteloze grappen.   de zuurgraad kun je ook maar beter in de gaten  houden, anders krijg je pruilmondjes en zuinige  blikken naar je toe geworpen waar je schrijnplekken van krijgt, bovendien heb je kans  dat je baksel al bij de eerste hap als niet te  pruimen van tafel wordt geschoven en je voor  azijnpisser wordt uitgemaakt.     vergeet in ieder geval het bitter van de  spijtoptant, de misantroop, de tekort gedane  Sammy die weigert het loden hoofd op te tillen  en omhoog te kijken, bitterzoete pillen  zijn moeilijk door te slikken, je wilt  braakneigingen vermijden en dat je woorden ruimte laten voor een glimp blauwe lucht.    je huivert even als je denkt aan zoetgevooisde  declameerstemmen die straks misschien je  woorden als zoete broodjes over de toonbank  laten rollen, je wilt niet dat ze klinken als holle gomballen die aan je gehemelte blijven  plakken als je ze probeert door te slikken, beter  draag je voor uit eigen werk, smaakversterkers  roepen soms allergische reacties op.    als schrijver is het handig je te verdiepen in de  vijfde smaak, je ziet umami vaak over het hoofd,  alleen al vanwege de naam, terwijl dit juist het  geheime ingrediënt is dat van eten een beleven  maakt.   in tegenstelling tot het poesiepoesiealbum, dat in  flesvorm minstens 20 suikerklontjes per liter  bevat, gaat het bij umami om volle en aardse  smaken, denk aan dieprode tomaten, zeewier,  paddenstoelen, als het ontbreekt voel je het  gemis op je tong, je eet je bordje leeg maar  de tevreden zucht na afloop blijft uit, het  nagerecht lonkt.    woorden kunnen wel degelijk smaakmakend zijn,  als je de juiste verhoudingen weet te vinden,  vroeger werd je al verteld dat je niet van suiker  was, dat geldt ook voor gedichten, je leest nu  eenmaal niet voor de kick of om je acute honger  te stillen, maar voor een prettige nasmaak die je  je lachrimpels zichtbaar maakt, een gedicht moet de juiste bite hebben, zoals een muzikant de  juiste toon treft, zodat je kunt zeggen:  hier ben ik vol van. 

Hedianne
0 0

Suite N°1

Zolang je in de schaduw van de hoge huizen in de nauwe straatjes kuiert blijft het koel. In de zonovergoten Zuiderse regio’s biedt de kenmerkende bouwstijl van de oude huizen in massieve natuurstenen ook binnen de ideale verkoeling. Wie zich op dit uur buiten het dorp waagt zonder bescherming stelt zich bloot aan hitteslagen en andere ongemakken.  Vanuit het kleine raampje in de dikke muur van mijn logeerkamer zie ik hoe de lucht zindert boven de smalle asfaltweg die naar dit plaatsje leidt. Enkel de koudbloedige hagedis neemt zijn zonnebad op het terras. Als de zon het hoogst staat, respecteert hier elke inwoner de siësta. Ik kan en wil niet anders dan me letterlijk neer te leggen bij deze eeuwenoude traditie.Enkel de ijsblokjes in mijn drankje durven met hun gerinkel de stilte verstoren. Terwijl ik wegdoezel, lijkt iets mijn aandacht te vangen, als het gezoem van een bromvlieg ergens in de kamer of het tergend druppen van een lekkend waterkraantje. Ik vind tot de dag van vandaag dat de uitvinder van de hor een Nobelprijs verdiende en miserie met waterschade viel mij meermaals ten deel. Maar dit geluid is niet onaangenaam, wel integendeel, het doet me zacht sluimeren. Ik dommel niet in en door mijn lichtgesloten ogen zie ik in mijn hoofd de contouren van het kleine open raampje. Dan besef ik dat er klanken van buiten komen. Nu open ik de ogen, spits mijn oren en herken de tonen die uit de verte naar binnen glijden. Dit is onmiskenbaar muziek. Iemand heeft zijn middagrust ingeruild voor het beroeren van zijn instrument en speelt de eerste cellosuite van Bach. Wie is die onbekende die met haar of zijn goddelijke handen mijn ziel en wezen raakt…? Ik reken mezelf al lang niet meer tot een aanhanger van welke religie ooit, maar geloof eens te meer dat hier in Frankrijk ergens een God leeft…  

Vic de Bourg
4 2

lummeltijd

het fijne van elders is de lege ordelijkheid  waardoor je direct ziet dat er een kopje ontbreekt  of dat er in ieder geval een aardappelschilmesje  aanwezig is, je kunt je ergeren aan de te kleine  soepkommetjes, maar je oog valt ook op  vlekkeloze planken, geboende vloertegels, de  afwezigheid van haren in het ligbad, alles  herinnert je eraan dat je vertrokken bent, dat er  niks te doen is, dat het je taak is om te lummelen  zonder te proberen daar beter in te worden.   vakantie is eigenlijk dat: er is geen hooi om op je  vork te prikken, je boerenkiel kan uit, je hoeft  geen eigen boontjes te doppen want je hebt aan  kant-en-klare maaltijden gedacht.    je kunt de boel de boel laten, ook al is het thuis  een janboel, er zijn geen potjes die ketels iets  verwijten, want alles glimt als nieuw, de  schilderijen aan de muur zijn als ambient music,  je kunt ernaar kijken zonder iets te zien, vanzelf  schuift je blikveld naar de leegte van witte muren,  tijdloze meubels en lampen die de sfeer niet  verlichten maar het gewoon doen.   buiten, op het platje aan water, kun je zitten om  te zitten, je onledig houden met het kijken naar  schaatsenrijdertjes op het wateroppervlak of in  het kroos happende eendjes, of je kunt er wat  ronddrentelen want waarom ook niet, je wilt een  wandeling maken maar stelt het toch zo lang  mogelijk uit, want niets hoeven voelt zo lekker,  iets in je zegt dat je zou moeten koken, maar je doet het niet, potjes en restjes maken je heerlijke  huisje tot restaurant, je geeft jezelf een fooi na  afloop en voelt wat nieuwigheid in je opborrelen.   je ontdekt dat lummelen geen plek is maar je  moet er wel plaats voor maken, het is dan wel  een werkwoord maar toch eerder een rustoord  waar werkschuwe zielen antwoorden kunnen  vinden op niet gestelde vragen, want de oren van  het lijf gaan liever lellebellen in hun  schelpenhangmat,    lummelen neemt leeftijd en ademruimte in, maar  heeft een tijdloos design, vorm en inhoud zijn  twee woorden voor hetzelfde, de stilte is in de  beweging, het is een soort ebben tijdens de  vloed.   weer thuis wacht de rommel, het onkruid, de  volle wanorde, het gebrek aan lummeltijd, het  moeten, het tijdsbestek, de man van de  warmtepomp, hij noteert vast de volgende  afspraak voor over een jaar, je voelt een drang tot  uitpakken, opruimen, wasmachines draaien, je  draait mee met de trommel, rond en rond, je  zingt een wielenliedje, schoon en wel denk je op  de oude voet verder te gaan.   dan kom je erachter dat de oude voet in nieuw  schoeisel is gestoken, de maat wat groter, zodat  er een lummeltje of twee in past, die je op de  voet volgen, je merkt dat hot en her ook zonder  rennen kan en dat er stilte in de storm.

Hedianne
0 0

De vergeten schrijver?

In de kringloopwinkel “De Loods” te Maastricht vond ik voor 1 EUR een boek van Jeroen Brouwers. Hij is voor mij een halfgod binnen de Nederlandse literatuur. Dit boekje had ik nog niet: Winterlicht, met een zijvakje binnen op de verharde voorkant waarop de samengevatte info staat van een bibliotheek te Gulpen. Op de eerste pagina prijkt in lichtblauw gedrukt “Afgeschreven”. Het ironische is dat het boek net gaat over een auteur (een ik-verteller en alter ego van de auteur) die werkt als lector voor een uitgeverij en daarbij de oudere miskende auteur Jacob Voorlandt leert kennen. Het werk gaat daarbij over schrijvers die nooit echt doorgebroken zijn en over zijn angst om zelf een vergeten auteur te worden. Het niet-eeuwige en het eeuwige vormen hierbij met zijn dromen, personages en geschreven impressies een deel van het boek en zijn verhaal.  Hij spaart hierbij noch de uitgeverswereld en de mens en diens kijk op het schrijverschap, noch de schrijver zelf, wentelend in zelfbeklag. Waarbij hij zichzelf op de korrel neemt en in toekomstvisioenen ziet hoe hij wel eens zou kunnen eindigen, net als de schrijver die hij volgt: Jacob Voorlandt. Het beangstigende is dat sommige van de uitspraken van de verbitterde schrijver die hij ontmoet zo juist  aanvoelen: “Wie wil schrijven moet uitsluitend schrijven (…) alles wat hij doet of meemaakt in het teken stellen van het oeuvre dat hij maakt, zijn hele leven lang, en het beschouwen als zijn lot dat hij niet kan ontlopen en overigens tot in de uiterste consequentie ook niet wil ontlopen, - dàt is een schrijver.” Hij laat het personage dit vertellen aan de ik-figuur, die hem als een soort mentor aanvuurt om uit de uitgeverswereld te stappen en zich volledig toe te leggen op het schrijven. Iets wat hij hem vertelt  terwijl deze zelf dronken wegkwijnt, alleen en ergens ver weg van de rest van de wereld.  Wat hij hem vertelt is een herkenbaar gegeven, mits je zo effectief kan overleven en toegevingen doet, met de nodige broodschrijverij, inspelend op wat men je vraagt, aanbiedt en wat net in die periode hip is om over te schrijven. Niet helemaal mijn weg, maar het klopt wel: erken wie je in wezen bent en organiseer je leven daarnaar – met wel deze grote maar die ik daarachter plaats – maar laat ruimte over zodat je niet verengt en in vergetelheid geraakt. Of is dit laatste mijn grote angst die opspeelt na het lezen van dit werk?  Goed, de (vergeten) schrijver dus. Hij is voor mij meer dan een mannetje dat hele dagen achter zijn schrijfgestoelte zit, een schrijver moet ook buitenkomen, ontmoeten, beleven en inspiratie opdoen om het tot zich te nemen, om als flexibel wezen diens schrijverij te heruitvinden en te kunnen getuigen van de wereld zoals die nu is. Dat naar buiten gaan moet in balans zijn met het schrijven, het mag geen vlucht zijn van wat het in essentie hoort te doen. Zoals je leest, inspireert dit boek ook mij. Het is een metaboek omdat het personage dat hij beschrijft als een spiegel voor hem en de lezer dienst doet. Tegelijk druipt de ironie ervan af, hij is zelf een gevierd auteur en zeer begenadigd schrijver, waarvan een werk ergens in de kringloopwinkel ligt; verzeild geraakt vanuit een bibliotheek die om de zoveel tijd boeken afschrijft. Terwijl ik, een onbekend schrijver – die niet schrijft om eeuwig te blijven, maar omdat ik nu eenmaal niet(s) anders kan – het vind en zo verheugd ben over de inzichten omtrent het schrijven.  Ik licht er hier nog een ander mooi citaat uit, waarin het ik-personage uitlegt waarom hij zelfs ‘s nachts zijn dromen opschrijft, iets wat ik ook doe als het intens is en in grote beelden blijft hangen:  (…) een droom die men opschrijft, is daarna opgehouden een droom te zijn: - door de droom te reproduceren heeft men een tekst geproduceerd. Wat vervolgens blijft bestaan (zolang het niet wordt vernietigd) is niet de droom, maar de geproduceerde tekst, ‘het geschrevene’: een tot werkelijkheid gemaakt feit, dat afkomstig is uit een onfeitelijk nietbestaan, waar werkelijkheid bestaat uit onwerkelijkheid. Dit is het wezen van literatuur.”*.  Eigenlijk zou je heel die pagina moeten lezen, want hij vertelt over wat autobiografisch is en tegelijk fictie wordt en daarbij een nieuwe werkelijkheid aanneemt. Waarbij de schrijver exploreert, en niet bezig is met verhalen vertellen, want dat metier is overgenomen door de (toen televisie) media van nu en heel binnenkort voor een groot deel door AI, maar dat is geen literatuur, niet zoals het ik-personage en J. Voorlandt bedoelen.   En ja, wie wil er nu niet vereeuwigd worden als kunstenaar? Dat is jouw erfenis, dat is wat je nalaat en al zeker als je zelf geen nazaten hebt. Nochtans mag wat je creëert evengoed een plezier zijn onderweg, omdat je het graag doet of omdat je van verhalen houdt, zonder meer, en het kan een tijdsdocument zijn en niet meer dan dat. In een zeldzaam geval kan het uitgroeien tot net die grote literaire roman die een hap uit de eeuwigheid bijt, maar je weet niet wat de lange termijn brengt. Het kan even snel zoek geraken ergens in een stoffige rommelruimte en niet ontdekt worden, niet afgestoft en onder het daglicht gebracht worden, en net als duizenden andere boeken verdwijnen. Of zoals het nu gaat van hun kaft ontkleed, de rand weggesneden, als wees onthoofd en ingescand door een machine die dan weer andere would-be schrijvers adviseert hoe het moet, maar jouw naam, koud zweet en tranen die verdwijnen, tenzij, tenzij het nog even in het licht komt door een andere verbeten schrijver spittend in een nog net bestaand archief wat ooit een boekenwinkel was of een archeoloog van het woord die het in een multimediacomplex vindt, deel van wat ooit een bibliotheek was, op zoek naar de oorspronkelijke woorden van de schrijver zelf.  En zo blijf je nog even, tot je verstuift in het licht van de eeuwigheid, het onmetelijke van het universum waarvan soms een restje nazindert, het plankton dat nog ergens bleef kleven, omdat het goed genoeg was, mooi en inspirerend genoeg om te blijven, en al de rest… Misschien is dat net de troost, dat hoe groots je het zelf ook ziet, en hoe hard je er ook onder zwoegt, je je niet zo druk moet maken, want enkel de eeuwigheid zelf is eeuwig. Behalve hij, de schrijver, en de persoon die hem telkens opnieuw ontdekt.    *Jeroen Brouwers, Winterlicht. p. 12 en p. 116  (1984) – kort verschenen na De laatste deur, met essays over zelfmoord in de Nederlandstalige letteren (1983).    

Bart Vermeer
8 0