'Magische werelden liggen niet altijd achter kleerkasten'
Als iemand drie dagen geleden naar Milou's nabije toekomstplannen had geïnformeerd, dan had ze haar tekstje klaar. Ze had geen grootste plannen maar genoeg kleine, bereikbare doelen om wel een uur aan het woord te zijn. Nu bleef daar niks meer van over.
'Ontvoerd worden,' stond namelijk niet in dat lijstje. Het was geen ontvoering geweest zoals ze die kende van de films. Zo eentje met een busje en een openstaande schuifdeur waaruit dan twee mannen sprongen, al dan niet met een bivakmuts, om zich vervolgens op het voorbij fietsende meisje te storten en haar gillend in het busje te sleuren. Waarna ze onder het schreeuwen van 'Go go go' de deur dichtknalden en er met gierende banden vandoor gingen. De getuigen bleven met verstomming achter. In een wereld waarin alles werd vestgelegd door een op likes-jagende instagrammer, had niemand er aan gedacht om zijn gesm uit te halen. En het enige wat overbleef was de fiets, met draaiend voorwiel.
Dat was haar beeld van een ontvoering en dat was helemaal niet wat er haar drie dagen geleden overkwam. Alle schuld lag bij haarzelf, het was best een deprimerende gedachte. Drie dagen geleden fietste Milou van het kot van een vriendin, na een avond van pizza en film, terug naar haar eigen kot.
Ze kende de weg. Ze kende hem bij daglicht, bij schemer en bij nachte. Het voelde als een veilige route: het grootste gevaar school in het lage niveau van dronken studenten die er nu en dan niks beters op vonden fietsers te pesten en de bordjes 'omleiding voor fietsers wegens graafwerken' ergens anders neer te poten.
Dit was de derde maal dat Milou de dupe wed van deze grap, ze maakte zich niet eens zorgen. Ze kende de stad... ze genoot van een rustig fietstochtje onder een volle maan zonder zich te bekommeren om vermiste bordjes.
Tja.
De tunnel was nieuw.
De rotsen waar het water van de muur drupte ook.
Ze werd pas bang toen het natuurlijk al veel te laat was: hopeloos verdwaald in een grottenstelsel waar ze het bestaan niet eens van kende. En daar stonden plots nog enkele andere verdwaalde zielen samengehokt. Hun hoofden gebogen over een soort plattegrond, druk discussiërend over de route. Milou rinkelde bescheiden met haar fietsbel, op dat punt was aandacht trekken van een groep mannen minder angstaanjagend dat het idee nog langer alleen rond te dolen. Zo bang was ze intussen, ze zou het zichzelf niet snel vergeven. Zes zaklampen draaiden haar kant uit zodat ze geen steek meer zag. Natuurlijk had ze de weg gevraagd, met één hand voor haar ogen, iedereen zou de weg vragen aan die met de kaart, toch?
Veilig van op haar fiets, klaar om er vandoor te gaan als één van die snuiters ook maar vreemd naar haar keek. Ze keken vreemd. Alleen anders vreemd, niet zoals ze haar van haar fiets wilden sleuren. Eerder achterdochtig, alsof Milou hier het gevaar vormde. Dat was nieuw, ze voelde zich zelfs een beetje gekwetst.
'De weg terug is vermist.' En met dat antwoord moest ze het doen. Ze keerde haarfiets, reed doelloos rond aan zeven kilometer per uur, viel bijna drie keer en gaf het toen op. De uitspraak trok op niks maar bevatte toch iets van waarheid: ze kon zich niet meer herinneren langs welke route ze gereden had. De mannen, het waren een zestal jongemannen, bepakt en gezakt met rugzakken volspullen en een kruiwagen vol dozen en eten, waren zo beleefd om te wachten tot Milou dezelfde conclusie trok: het was een doolhof.
Ze was de groep gevolgd, er zat niks anders op. Volgen of blijven dolen. Dat is geen ontvoering. Dat is achter de anderen aanlopen en hopen dat zij het beter weten dan jezelf.
Eigen schuld.
En nu lag ze opeen bed, in een kleine, frisse kamer dat haar was toegewezen door een bijzonder streng uitziende vrouw. De spulletjes van de vorige gaste stonden onaangeroerd: er lag een schooltas achter de deur, nonchalant neergegooid en her en der kleren. Het was een meisjeskamer alleen was er van het meisje geen spoor te bekennen.
Dat stoorde Milou hard.
Daar kon ze over nadenken.
Over al de rest niet: haar brein had nog steeds moeite om de feiten te aanvaarden. In Gent dook ze de tunnel binnen omdat het bordje 'omleiding' haar die kant op stuurde, en tot op heden wist ze niet waar ze was.
Alleen dat het heet was.
Buitenshuis, in het huis was het fris.
Rood overheerste: rood stof lag als een dun beweeglijk dekentje over alles.
Mars, dat was haar eerste idee.