Lezen

Het Meirregat

Ik woon in de Berkestraat. Dat is een straat waar ge niet graag een tegenligger tegenkomt. Niet omdat de mensen hier onvriendelijk zijn, maar omdat de straat op sommige plaatsen ongeveer even breed is als een politieke consensus. Ge moet er uw plan trekken. Gelukkig hebben wij hier merregaten. Voor wie niet van den buiten is: een merregat is een uitsparing in de kant van de weg. Een plaats waar ge u even kunt inschieten zodat een tegenligger kan passeren. Letterlijk betekent het het gat van de merrie. Waarom precies, weet ik niet. Sommige woorden zijn te schoon om kapot te analyseren. Mijn tante, die ook mijn buurvrouw is, kent de straat zoals een schipper zijn rivier kent. Elke bocht. Elke haag. Elke put die al twintig jaar gerepareerd zou worden. En vooral: elk merregat. Als er een tegenligger aankomt, heeft zij de situatie al opgelost voor ik doorheb dat er een probleem is. "Die kan daar in." Of: "Nee, wacht gij maar. Verderop is er plaats genoeg." Ze zegt dat met dezelfde vanzelfsprekendheid waarmee ge zegt dat water nat is. En dan zijn er de mensen die hier niet moeten zijn. Mensen met een gps. Mensen die denken dat elke straat hetzelfde werkt. Mensen die midden op de baan blijven staan kijken alsof ze zonet in een natuurdocumentaire zijn terechtgekomen. Mijn tante krijgt daar zenuwen van. Niet omdat ze die mensen iets misgunt. Maar omdat ze de gebruiksaanwijzing van de straat niet kennen. Dat is wat een merregat eigenlijk is: een stukje lokale wijsheid. Een ongeschreven afspraak. Een manier om tegen elkaar te zeggen: ik maak even plaats zodat wij allebei verder kunnen. Hoe ouder ik word, hoe meer ik denk dat het leven vol merregaten zit. Op het werk bijvoorbeeld. Ge hebt collega's die overal rechtdoor willen. Hun idee. Hun planning. Hun waarheid. Ze rijden een vergadering binnen alsof ze een voorrangsweg hebben aangelegd speciaal voor zichzelf. En ge hebt collega's die de merregaten kennen. Die weten wanneer ze moeten spreken en wanneer ze beter luisteren. Die begrijpen dat ge niet elk gelijk moet binnenhalen om samen vooruit te geraken. Dat zijn meestal ook de mensen bij wie ge graag binnenstapt. Omdat ge weet dat er plaats is. Vriendschap werkt zo. Liefde ook. Ge leert elkaars merregaten kennen. De gevoelige plekken. De oude pijn. De onderwerpen waar ge beter wat trager rijdt. En familie misschien nog het meest: in elke familie rijdt wel eens iemand te snel door de bocht. Wordt er al eens getoeterd. Wordt er al eens achteruit gestoken waar dat eigenlijk niet meer kan. Maar de families die blijven werken, zijn vaak de families waar nog iemand weet waar de merregaten liggen. Waar nog iemand bereid is een beetje op te schuiven. Niet om te verliezen. Niet om ongelijk te krijgen. Maar omdat de relatie belangrijker is dan de discussie. Misschien is dat ook waarom mijn tante zich zo stoort aan mensen die hier niet moeten zijn. Niet omdat ze tegen vreemden is. Maar omdat ze weet wat ge alleen leert door ergens lang genoeg te blijven. Dat samenleven niet draait om wie het midden van de baan krijgt. Maar om weten waar ge een beetje plaats kunt maken. En eerlijk? Dat zouden ze niet alleen in de Berkestraat mogen leren. Ge zou ervan verschieten hoeveel miserie er opgelost raakt als mensen het merregat weten zijn.

Katrien Daniels
50 6

'Magische werelden liggen niet altijd achter kleerkasten'

Als iemand drie dagen geleden naar Milou's nabije toekomstplannen had geïnformeerd, dan had ze haar tekstje klaar. Ze had geen grootste plannen maar genoeg kleine, bereikbare doelen om wel een uur aan het woord te zijn. Nu bleef daar niks meer van over. 'Ontvoerd worden,' stond namelijk niet in dat lijstje. Het was geen ontvoering geweest zoals ze die kende van de films. Zo eentje met een busje en een openstaande schuifdeur waaruit dan twee mannen sprongen, al dan niet met een bivakmuts, om zich vervolgens op het voorbij fietsende meisje te storten en haar gillend in het busje te sleuren. Waarna ze onder het schreeuwen van 'Go go go' de deur dichtknalden en er met gierende banden vandoor gingen. De getuigen bleven met verstomming achter. In een wereld waarin alles werd vestgelegd door een op likes-jagende instagrammer, had niemand er aan gedacht om zijn gesm uit te halen. En het enige wat overbleef was de fiets, met draaiend voorwiel. Dat was haar beeld van een ontvoering en dat was helemaal niet wat er haar drie dagen geleden overkwam. Alle schuld lag bij haarzelf, het was best een deprimerende gedachte. Drie dagen geleden fietste Milou van het kot van een vriendin, na een avond van pizza en film, terug naar haar eigen kot. Ze kende de weg. Ze kende hem bij daglicht, bij schemer en bij nachte. Het voelde als een veilige route: het grootste gevaar school in het lage niveau van dronken studenten die er nu en dan niks beters op vonden fietsers te pesten en de bordjes 'omleiding voor fietsers wegens graafwerken' ergens anders neer te poten. Dit was de derde maal dat Milou de dupe wed van deze grap, ze maakte zich niet eens zorgen. Ze kende de stad... ze genoot van een rustig fietstochtje onder een volle maan zonder zich te bekommeren om vermiste bordjes. Tja. De tunnel was nieuw. De rotsen waar het water van de muur drupte ook. Ze werd pas bang toen het natuurlijk al veel te laat was: hopeloos verdwaald in een grottenstelsel waar ze het bestaan niet eens van kende. En daar stonden plots nog enkele andere verdwaalde zielen samengehokt. Hun hoofden gebogen over een soort plattegrond, druk discussiërend over de route. Milou rinkelde bescheiden met haar fietsbel, op dat punt was aandacht trekken van een groep mannen minder angstaanjagend dat het idee nog langer alleen rond te dolen. Zo bang was ze intussen, ze zou het zichzelf niet snel vergeven. Zes zaklampen draaiden haar kant uit zodat ze geen steek meer zag. Natuurlijk had ze de weg gevraagd, met één hand voor haar ogen, iedereen zou de weg vragen aan die met de kaart, toch? Veilig van op haar fiets, klaar om er vandoor te gaan als één van die snuiters ook maar vreemd naar haar keek. Ze keken vreemd. Alleen anders vreemd, niet zoals ze haar van haar fiets wilden sleuren. Eerder achterdochtig, alsof Milou hier het gevaar vormde. Dat was nieuw, ze voelde zich zelfs een beetje gekwetst. 'De weg terug is vermist.' En met dat antwoord moest ze het doen. Ze keerde haarfiets, reed doelloos rond aan zeven kilometer per uur, viel bijna drie keer en gaf het toen op. De uitspraak trok op niks maar bevatte toch iets van waarheid: ze kon zich niet meer herinneren langs welke route ze gereden had. De mannen, het waren een zestal jongemannen, bepakt en gezakt met rugzakken volspullen en een kruiwagen vol dozen en eten, waren zo beleefd om te wachten tot Milou dezelfde conclusie trok: het was een doolhof. Ze was de groep gevolgd, er zat niks anders op. Volgen of blijven dolen. Dat is geen ontvoering. Dat is achter de anderen aanlopen en hopen dat zij het beter weten dan jezelf. Eigen schuld. En nu lag ze opeen bed, in een kleine, frisse kamer dat haar was toegewezen door een bijzonder streng uitziende vrouw. De spulletjes van de vorige gaste stonden onaangeroerd: er lag een schooltas achter de deur, nonchalant neergegooid en her en der kleren. Het was een meisjeskamer alleen was er van het meisje geen spoor te bekennen. Dat stoorde Milou hard. Daar kon ze over nadenken. Over al de rest niet: haar brein had nog steeds moeite om de feiten te aanvaarden. In Gent dook ze de tunnel binnen omdat het bordje 'omleiding' haar die kant op stuurde, en tot op heden wist ze niet waar ze was. Alleen dat het heet was. Buitenshuis, in het huis was het fris. Rood overheerste: rood stof lag als een dun beweeglijk dekentje over alles. Mars, dat was haar eerste idee.

De Donderklif
5 0

TE BERCHEM MIJN LAND

1. ACROBATEN   Spreekt de olifant de kamer aan, dan spreekt ze over trauma; Ongetwijfeld methaforisch ‘balancerend’, Dalai lama; Triomfantelijk verbouwereerd, ‘Ganesha’ onzer fauna; Ik was nooit omsingeld door een ‘slurfen-trio’ in de sauna.    Een Tom Frantzen performance van een ‘bronze’ in balance; Acrobatische malchance; “iets geschiedenis” (je pense);   Olifantelijk, daar staat ze; Sta je even stil, dan praat ze; Methaforisch te verstaan ze blijkt er “Speelsheid in Nuance”     2. GRENSPAAL ‘DE HAND’   Mijn mensen in Berchem, ze kennen Anvers; Entrepreneurs, want ze drijven commerce; Kleine gemeenschap, maar rijk en divers; Met fierlijke trots in dit Vlaamse gewest;   Blauwe arduinse  Begroetende hand; Rechter noch Linker, Eenzijdige kant; Grenzen bepalend, Opsplitsende rand; Brouwertjes Koninck te Berchem, mijn land.    Hoog-Symboliek en Mystiek is de hand; Zeg me, wat is er toch weer aan de hand? Krijgen we tóch weer een golfje hitte, schiet Koninkje Albert vanzelf in brand.          3. MADONNA OP ZUIL   Prima Madonna  Uit nineteen-o’-five; Scultuur-aanschouwelijk Schijnbaar ‘Alive’; Sierlijk figuur en Gedressed in gewaad; Beeld in mijn straat en de zuil is haar plaats;   Spreek geen ‘Latijnse’ Maar ‘sprekend gelaat’; Hoog op haar sokkel, Ik weet waar ze staat; ‘Moeder van God’,  Die geen zondes begaat; Zwijgend in stilte, Waardoor ze niet praat;   Hartje te Berchem, Ze straalt mijn geloof; Religieus tintje, Maar ben filosoof; Geeft ze je hoop nog een sprankeltje hoop? Prima Madonna, Ze is niet te koop. 

Smalle
0 0

Blauwe olijven

Wat is het toch een prachtig fenomeen, onze seizoenen. Ze komen en gaan en bepalen elke dag ons doen en laten. Bij de eerste zon moet er een nieuwe korte broek worden gekocht, want die van vorig jaar is afgeschenen door de zon. Maar dan die tl-buizen onder de korte broekspijpen. Daar is nog werk aan.  Dan heb je het eten. In de zomer zetten we niet hetzelfde op het fornuis en op de tafel als in de winter. Alhoewel, sommige zaken smaken altijd.  In de supermarkt vind je altijd alles. Maar we proberen die seizoenen in ere te houden. Vader had in zijn hof ook niet hele jaar door prinsessenbonen. Die ging na de oogst de diepvries in, zodat we ook in de andere seizoenen een stukje zomer binnenkregen.  Onze olijfbomen geven elk jaar petieterige olijven. Mooi om te zien, maar niet geschikt voor consumptie. Ik fietste naar de winkel, want een spaghetti alla puttanesca zonder olijven is als een ochtend zonder koffie. Het werkt niet. In de koelkast stonden nog groene exemplaren, maar voor deze pasta zijn het de andere. Ik vond ze niet meteen in de supermarkt.  “Kan u me zeggen waar de blauwe olijven staan?”, vroeg ik aan de vriendelijke medewerkster. “Euh”, stamelde ze. “Kom maar even mee. De olijven in blik en glas staan daar.” We waren er vlakbij. “Kijk”, zei ze. “Dat zijn de groene en daarnaast de …” Ze pauzeerde even. Alsof ze op me wachtte. “De zwarte. Zoekt u die?”  Natuurlijk. Zwarte olijven. Welke idioot heeft het nu over blauwe olijven? Ik kon me wel met een blik olijven of het hoofd slaan. “Ja natuurlijk”, zei ik. “Zwarte olijven, die bedoel ik.” Ik stootte een schaapachtig lachje uit. Het was meer mekkeren dan lachen.  Mijn geheugen beleefde wellicht een zwarte zomerdag. Het kan gebeuren.

Rudi Lavreysen
7 1