Lezen

Tegen de regels

./.. De zon op de binnenplaats lokt de hokjesmensen naar buiten. Een half uur, dertig minuten afgebakende vrijheid op een binnenkoer van 10m⊃2;. Twintig stappen, als je ze niet te groot neemt. Bij stap vijftien zit een knaap op een bank. Amper volwassen. Met zijn hoofd tussen zijn knieën, jankend, alsof zijn favoriete speelgoed werd afgepakt. “Sigaret?” vraagt hij, in de hoop dat roken het akelige geluid zal doen ophouden. Twee betraande ogen, eentje blauw omrand, kijken hem boven een stukgeslagen lip aan. Het huilen stopt even. Met de mouw van zijn vest veegt de knaap het snot van zijn neus. Een laatste schokschouderende snik: “ja, bedankt.” “Nieuw hier?” “Neen, twee weken al.” “Nieuw dus,” zegt hij en zet zich naast hem. “Het komt allemaal wel goed.” “Nee dat denk ik niet. Niemand wil me geloven. Ik wil de directeur spreken maar ze zeggen dat ik een brief moet schrijven.” “Dan doe je dat toch.” “Heb ik gedaan. Maar er verandert niets. Ik wil niet terug naar mijn cel!” Het huilen hervat. “Ik vrees dat je daar niet veel aan te zeggen hebt.” “Je begrijpt het niet. Ik heb gevraagd om een andere cel maar die willen ze me niet geven. Ik kan niet terug. Ze zullen het weer doen!” “Wat doen?” De jongen zwijgt en staart voor zich uit. “Ik mag niets zeggen.” Zijn hand trilt als hij aan de sigaret trekt. Het lichtgevend stompje brandt snel op tot aan de filter. “Vertel het maar. Misschien kan ik je helpen.” De knaap aarzelt. “Ze zijn met twee. Twee mannen met tatoeages. Ze waren altijd vriendelijk. Ze zouden me beschermen, zegden ze. Ze gaven me sigaretten. Gisteren was ik bijna in slaap. Ik werd wakker met een van hen boven op mij. Hij hield zijn hand op mijn mond. Ik was bang. Ik wilde weg maar hij was te zwaar. Ze hielden mijn beide handen gevangen. De oudste gromde: “Beweeg niet, klein geneuk. Je zal zien, we gaan ons amuseren alle drie. Als je gilt vermorzel ik je, gesnapt?’ Ik was zo bang!” Zijn ogen zoeken ongerust de binnenplaats af. Met zijn pijnlijke lippen getuit blaast hij blauwe sigarettenlucht de hoogte in. “De man boven op mij draaide mijn arm op mijn rug. Met zijn hand op mijn mond dwong hij me om rechtop te zitten. Hij gromde : ‘ik ga je loslaten, maar bij de minste beweging..!’ Toen liet hij me langzaam los. Ik wilde gillen, brullen, vechten maar ik was zo bang. Ze waren gewoon gek die twee! De man die voor me stond liet zijn broek zakken en wilde zijn ding in mijn mond. Ik draaide mijn hoofd en hield mijn mond stijf dicht. Maar de andere die achter me zat snauwde ‘begin niet vervelend te doen anders moet ik me kwaad maken..’" De jongen zwijgt en kijkt naar zijn handen. “Was je verplicht het te doen?” “Ik heb ze allebei afgezogen! Ze hielden mijn hoofd vast en verplichtten me om de boel in te slikken!” “ De smeerlappen!” De man op de bank kleurt rood van woede. Hij gooit zijn sigaret op de grond en trapt ze nijdig uit. “Dit moet de directeur weten. Je moet het hem nu vertellen!” “Wacht, wacht! Je weet nog niet alles!” roept de knaap terwijl hij recht springt en de man bij zijn mouw trekt. Twee grote tranen rollen in een van haat vertrokken gezicht over zijn wangen. “Ze hebben me vanachter genomen, de smeerlappen. Langs achter, als een hoer, allebei!” De hokjesmensen op de binnenplaats worden weer naar binnen gedreven. De jongste wordt bij de directeur geroepen. Het lawaai op de binnenplaats heeft de rust verstoord. Dat is tegen de regels.  

Annick G
0 0

FREEK

Als je in een vliegtuigje zit (deed je dat al eens?) en je zou laag over ons land zweven, lijkt ons dorp op een zakdoek. Een zakdoek groot, geen dorp om in te verdwalen dus. Die zakdoek bestaat uit grondwater, grond, gras, enkele rijdieren, veel huizen, gebouwen waar mensen werken en twee scholen. Eén van die twee scholen is gelegen in de Rode Loop. Het heeft het huisnummer 16. Een schoolpoort met een koperen hangslot gaat ’s morgens om 6 u open. Het is Marthe die daar voor zorgt. Marthe is goed bevriend met Juf Katrien, en het is die juf die door de kinderen graag wordt gezien.   In de klas van de juf is plaats voor 24 kinderen, die allen een stoel en schrijftafel hebben. De tafels staan zo opgesteld dat iedereen iedereen kan zien. Zo zijn goede gesprekjes mogelijk, en wordt er ook samengewerkt omdat in een kring het gevoel geborgen te zijn het grootst is. Freek is er dit jaar nieuw bijgekomen. Hij is een bijzondere jongen, om twee redenen. Op een dag werd dat een beetje duidelijk voor Jelle. Jelle schrok zich wel een aap, en wist niet meteen wat te doen. Het gebeurde op de speelplaats, op het stukje gras waar het groepje vrienden een koek aten en grapten over hun huisdieren. Freek werd plots stil, zijn aangezicht werd bleker. Er verschenen uit het niets schokjes rondom zijn ogen en trekjes rond zijn mond. Hij keek daarbij wazig, en friemelde zonder op te houden aan zijn mouw. Jelle staarde er naar, en wilde een toezichter roepen. Opnieuw werd Freek weer Freek, zonder meer. Het had niet lang geduurd, maar lang genoeg om een volwassene op de hoogte te brengen.   Juf Katrien luisterde naar het verhaal van Jelle. Ze besloot niet onmiddellijk met Freek te gaan praten over het voorval. Na de lesuren, nam ze contact met de oma van Freek. De oma greep haar gsm en zei: ‘Met Steentje, ik luister’. Juf Katrien stelde zichzelf voor, en praatte, praatte aan een stuk door. De oma van Freek had goed geluisterd en meteen een voorstel geformuleerd. Juf Katrien had haar akkoord gegeven.   Op een woensdag kondigde de juf aan dat de oma van Freek kwam spreken. ‘Zoals een spreekbeurt geven?, had Hanne gevraagd. De oma stond stipt om 9u in de klas. Haar zilveren haar had ze in een dot opgestoken, haar nagels groen gelakt, de rode laarsjes die ze droeg waren gloednieuw. Ze schonk de juf en alle kinderen een brede glimlach. ‘Fijn dat ik hier mag zijn’, zei ze. Uit een grote draagtas haalde ze enorme rollen papier. Iedereen werd erg nieuwsgierig. Wat had dat te betekenen? ‘Ik ben Steentje’, zei ze, ‘en ik wil dit graag met de hele klas delen. Ze ontvouwde de rollen tot enorme prenten. Op de eerste prent herkenden we Freek (een deel was foto, de andere helft tekening) en delen van het menselijk lichaam. De tweede prent leek wel een afbeelding van het heelal: de zon, de maan, de sterren… De oma begon haar uitleg. Ze verklaarde eerst wat Jelle had gezien bij Freek en zo bevreemdend was geweest. ‘Als Freeks lichaam plots en zonder aanleiding schokjes en trekjes vertoont, zoeken de spieren op dat moment een andere plaats in het gezicht’. ‘Is hij dan ziek?’, wil Jelle weten. ‘De ziekte heet epilepsie, maar zal het na jaren opgeven. Er zijn helaas andere kinderen met een ziekte van dezelfde soort, die veel ernstiger is. Zij krijgen ook pijnlijke krampen aan romp en hoofd. Ze strekken of buigen hun hoofd omdat hun hersenen beschadigd zijn’. Alle kinderen luisterden aandachtig, ogen en oren wijd open. Juf Katrien vroeg of ze kon helpen door de prenten tegen een muur te bevestigen. Dat vond Steentje een goed idee.   De rok met vele plooien bewoog plezierig toen de oudere vrouw plaats nam bij de prent met fonkelende sterren. Ze keek alle kinderen één voor één aan, daar nam ze ruim de tijd voor. ‘Bij ons in de familie zijn we gewend geraakt aan de idee dat ieder op zich een sterretje aan de hemel is. De hemel is geen omgeving, ergens hoog en onbereikbaar voor de mens. Nee, ze is opgetrokken uit bakstenen, opgebouwd uit een hart en bloedvaten, uit de wens er voor mekaar te zijn. Dat is onze hemel. Als een jongen of meisje zich eenzaam voelt omwille van een ziekte of erger, en hij of zij kan niet rekenen op begrip en zorg van de anderen, wordt die ster dof en kijkt ze boos. Alle kwaadheid in de aders van die ster in de hemel, daalt naar de aarde en brengt de mensen in hun huizen veel verdriet.   ‘Is het daarom dat ik soms verdrietig ben en niet weet waarom?, vraagt Jelle.      

Ingrid Strobbe
0 1

De ikjes.

                                                                                                                  Ze waren er weer vandaag, de twee ikjes die vanop mijn schouder elke beweging evalueren. Sukkel, galmt het door mijn hoofd als ik voor de tweede keer struikel over een kabel, een tas of beter nog, mijn eigen voeten. Hoe graag ik ook in de belangstelling sta, wordt ik telkens een stukje kleiner als ik mijn collega,s hoor lachen. Niet gemeen, nee zij denken niet wat is dat kind toch onhandig en als ze het al denken is het met een vertederende lach op hun gezicht. Mijn bazin trakteert op lunch omdat ik en mijn collega als vrijwilligers medestrijders zijn om het theater te redden van de verdrinkingsnood. Leuk! Gezellig! We gaan aan de grote tafel zitten in een gezellige zaak gelegen achter het theater. Praat toch niet zoveel, jij weet ook echt elk gesprek naar jezelf te draaien, luister nu maar gewoon, wat jij te zeggen hebt daar zit niemand op te wachten, wie wil nou weten dat je zoon op sportklassen is.........Ik voel hoe mijn schouders langzaam naar voren hellen en me meteen tien centimeter kleiner maakt. Op de fiets naar huis voel ik hoe de tranen branden, inwendig huil ik, niemand die het zal zien.   Ik ben een mensen mens. Ja ik houdt van mensen, hoe ze denken, wat ze zeggen, hoe ze kijken, het lieftst kruip ik in hun hoofd. Maar die ikjes op mijn schouder zorgen ervoor dat ik nog liever tussen vier muren kruip, alleen. Natuurlijk is dat eenzaam, maar dan houden die trutten tenminste hun kop. Niemand die getuige is van mijn stommiteiten, niemand die me misschien pijn kan doen met een kwetsende blik. De ikjes maken me paranoia, een blik is hoe dan ook afkeurend, een lach bespottend en een gesprek zorgt voor uren evalueren. Wat zei ik? Mijn god heb ik dat echt gezegd, nu denkt hij vast......ik heb mezelf volslagen belachelijk gemaakt. En dan neem ik me voor om alleen nog te luisteren, als een vlieg op de muur, onzichtbaar. Maar dat is me nog niet één keer gelukt.   Ik ben een mensen mens, te enthousiast spring ik in de conversatie, maak grapjes die met veel hand gewapper niet enkel de lucht verschuift. Zo heb ik al eens een beker soep die mijn zoontje vasthad uit zijn handen gewappert. Soep niet enkel op hem maar ook over mijn gesprekspartner. Hahahaha, sukkel, lachen de ikjes. Nog geen week later wapper ik de bril van mijn dochtertje haar gezicht. Hilariteit allom vanop mijn schouder, demonisch gelach en de boodschap dat buitenkomen de mensheid enkel kan schaden.   Die ikjes zitten er al zo lang ik me kan heugen, elk op een schouder. Natuurlijk heb ik ze proberen te verjagen. Zo ben ik naar de psychiater gegaan, ‘ik denk dat ik toch een beetje gek ben’. Gek ben ik niet, hoogstens wat perfectionistisch. Jammer genoeg niet met pillen op te lossen die ikjes. Luisteren dan, wat willen jullie nu eigenlijk van me, zeg het maar ik luister....en dan zijn ze stil de lafaards. Mediteren, mindfulness, eenzame opsluiting, een slaappil mischien, ja dat helpt een paar uur. Die ikjes dat ben ik, zoveel wijzer ben ik ondertussen wel. Maar waarom heeft de natuur me zo gemaakt dat ik mezelf wil vernietigen? Dat ik zo streng ben voor ik, dat ik zo negatief ben over ik, dat ik mezelf niet kan uitstaan als ik s’ochtends die kop weer zie in de spiegel? Ja nu kan ik natuurlijk gaan wijzen, het zijn mijn ouders zij hebben naast bij ook die ikjes gecreeerd...lekker makkelijk. Kan ik tenminste blijven rollen in zelfmedelijde maar daarmee zijn ze niet weg, ik en ik. En waarom zijn ze met twee? Zodat ik in evenwicht blijf met op elke schouder een ikje? Soms neemt het ene ikje het voor me op, ach zo erg is dat toch niet, waarop de ander een aanloop neemt en de bal alsnog recht het doel inschopt. Hoopvol pols ik bij mijn lief of hij ook twee van die coaches op zijn schouders heeft. ‘Ja’ antwoorde hij glunderd, ‘fijn he, dat je zo aangemoedigd wordt’. Voorzichtig vraag ik of hij niet ontmoedigen bedoeld. Nee joh, ze zijn mijn grootste fan zegt hij terwijl hij zijn schouders recht. Zuchtend besef ik dat ik de grootste vijhand ben van ik. Het veeleisende ikje wil dat ik niet middelmatig ben, nee nee de top is nog niet hoog genoeg. Terwijl ik balanceer daar boven om toch maar zo goed mogenlijk te presteren probeert de andere me bij elke stap te voorzien van het niet nodige ontmoedigende commentaar. En ja het gebeurd dat iemand me zegt hoe geweldig ik iets gedaan heb, jihaaa gilt de veeleisende ik, well done. Maar dan donder ik met een pijnlijke vaart van de top naar beneden terwijl de ontmoedigende ik me giftige woorden in mijn oor fluisterd.   Moe, ontmoedigd moe wordt ik ervan. Bedankt ik en ik voor weer een opbouwende dag in het leven van IK.       (C) tekst en beeld hanneke

Miss Blue Sky.
13 0

het dorp

Ik schreef mijn eerste roman. Na twee pagina's was ik uitverteld. Ik ging naar buiten en wandelde in het rond. De buurvrouw stond de stoep te schrobben. Ik zei hallo, maar ze verstond mij niet. Ik was niet van hier, ik was een inwijkeling uit het noorden van Oost-Vlaanderen. Daar schrobben ze ook stoepen. Ook daar verstaan ze mij niet. Ik wilde mijn dorp beter leren kennen. Het koor had nog een plaatsje vrij. Ik bood mij aan. Vijftien huisvrouwen ontvingen mij met open armen. We zongen over Jezus, over God en over Maria. Daarna praatten we over koetjes en kalfjes. Letterlijk. Eén huisvrouw zag mij zuchten. Ze legde haar hand op mijn rechterdijbeen, fluisterde in mijn oor dat ze mij begreep. Dat ze ook liever over kippen en kuikentjes babbelde. Haar man had de grootste kippenkwekerij van het dorp. Waar vroeger de plaatselijke jeugd les kreeg, liepen nu vijftienduizend gevederde vrienden op een kluitje. Het was een mooie stiel. Die beesten stonken als de pest, maar liefde dat ze gaven, ge houdt het niet voor mogelijk. Ik knikte en bestudeerde haar ogen. Ze waren bruin met grijze spikkels. Haar wimpers fladderden onophoudelijk. Haar rimpels trilden van excitatie. Als ze lachte zag ik het achterste van haar tong. Ze kakelde maar door, luider en luider. Ik keek op mijn gsm en deed alsof ik een belangrijk telefoontje kreeg. Ik ging naar buiten, naar de regen, de heerlijke regen. De huizen blonken zoals steeds onder te felle straatlantaarns. Opritten barstten uit hun voegen. Dit was mijn dorp, hier was ik beland. Hier moest het gebeuren.

Maarten Verhelst
0 0