Lezen

Pensioenleeftijd

Ik las in de krant een interview met de voorzitter van een politieke vereniging die zich anders wil opstellen. Hij stelde zelf een vraag. ‘Waarom bestaat er een pensioenleeftijd? Dat moeten ze me toch eens uitleggen.’ Ik begrijp wat hij bedoelt en ik zou daar samen met u een boom over kunnen opzetten, maar het nadeel van het opzetten van een boom is dat het nogal snel op ‘zagen’ uitdraait. Dat wil ik u niet aandoen beste lezer. Ook de boom niet. Ik heb, net zoals u, nogal wat gepensioneerden gekend in mijn leven. Mijn vader ging al op jonge leeftijd met brugpensioen en dat was nergens goed voor. Dan zou ik op mijn leeftijd nu ook al thuiszitten. Daar zie ik het nut niet van in. En iedereen werkt tegenwoordig toch zolang als hij of zij wil. Afijn, tot daar deze boom over het pensioen. Maar ik wil daar nog iets anders over kwijt. Daarvoor heb ik uw eerlijke mening nodig. De vraag is eenvoudig. Schat u me ouder in? Ik vraag het omdat ik – weeral eens – iemand tegenkwam die dacht dat ik al met pensioen was. Ik passeerde een oud-collega en het weerzien was hartelijk. “Ik ben blij je nog eens te zien”, zei ze. “Zo gepensioneerden onder elkaar.” Ik heb haar toch moeten overtuigen van het feit dat ik nog niet aan mijn pensioenleeftijd zit. Ze keek me ongelovig aan. Maar het moet dus iets te maken hebben met het feit dat mensen me ouder inschatten. De vorige keer dat het gebeurde is zelfs al enkele jaren geleden. Misschien ben ik oud geboren? Een oude ziel heb ik altijd gehad. Misschien uit zich die oude ziel nu ook aan de buitenzijde. Wie zal het zeggen? Misschien de voorzitter van de politieke vereniging die zich anders wil opstellen.

Rudi Lavreysen
0 0

“Je bent nog jong!”

Ieder jaar mag ik tussen Kerst en Nieuw een kaarsje extra uitblazen. Vaak is het een vrij bescheiden dag, met een handjevol geliefden rondom me. We delen een drankje, een hapje, en lachen met de jaren die gepasseerd zijn en de jaren die nog gaan komen. Rond deze tijd neem ik ook graag een moment om te reflecteren. Eén van de zaken die ik al langer bezin, is de stijgende frequentie waarin ik te horen krijg dat ik ‘nog zo jong ben’, en ‘dat ik nog zoveel tijd heb om de zaken uit te dokteren in mijn leven’. Het lijkt haast dat hoe ouder ik word, hoe meer mensen mij op het hart drukken dat ik jong ben. Nochtans behoor ik als een eenendertigjarige man – volgens meerdere gehanteerde definities – niet meer tot de jeugd van tegenwoordig. Op mijn zesentwintigste verloor ik al meerdere jongerenvoordelen (R.I.P. het gebruiken van een Go Pass), en dertig worden was de laatste nagel in de kist van mijn jeugd. Dus waarom hoor ik de afgelopen jaren steeds meer en meer dat ik ‘nog zo jong ben’?  Begrijp me niet verkeerd, de opmerking komt nooit vanuit het niets. Het is vaak een sussend antwoord op de voortdurende vraag van tijd. Ik durf mezelf omschrijven als een ‘laatbloeier’, en maak me dan ook zorgen over de gespendeerde en resterende tijd. Ga ik nu nog kinderdromen najagen wanneer ik me eigenlijk moet focussen te settelen? Verrassend genoeg krijg ik meer en meer een milde ‘ja, ga ervoor’. ‘Waarom ook niet?’. ‘Je bent nog jong’. Minder kritiek, minder sneren, minder twijfels. Voornamelijk aanmoediging, en de tedere herinnering om mijn tijd te nemen. En hoewel ik dankbaar ben om omringd te worden met geduld en zachtheid, vraag ik me ook af waarom ik dit meer en meer krijg nadat ik zesentwintig jaar werd. Ik kijk terug naar mijn tienertijd, waar ik me ouder – niet per sé volwassener! – voelde dan dat ik nu ben. Hoewel ik daar ook regelmatig aangemoedigd werd om dromen te volgen, voelde de tijd en ruimte véél spannender en benauwder aan om te beslissen wat je nu echt wilt doen. Waar je thuishoort. Wie je wereld is. Sommige jongeren worden op hun twaalfde al opgeleid voor een stiel waar ze dan de rest van hun leven inzitten. Op hun zestiende krijgen ze te horen dat het dan te laat is om te wisselen. Ze zijn gezet voor het leven. Het lijkt alsof we elkaar iets sneller ademruimte willen gunnen, iets meer genade willen tonen, wanneer we ouder zijn. We zien de sluimerende onzekerheden in elkaar, en wensen dit te zalven: ‘Je bent nog zo jong’. En hoewel ik heel dankbaar ben voor de mildheid die ik nu meer en meer krijg, de ademruimte om te exploreren en experimenteren, zou ik ook graag de mildheid van jong-zijn willen geven aan onze huidige jeugd. Degenen die wel jonger dan dertig zijn, en die nog wel gebruik konden maken van de jongerentreinpas – mocht deze überhaupt nog bestaan (R.I.P. het gebruiken van een Go Pass, tout cours).  De manier waarop nu over jongeren gesproken wordt door sommige ‘volwassen’ mensen druipt van pure minachting. Er lijkt steeds minder ademruimte te zijn voor jongeren die zich zorgen maken over hun toekomstkansen en welzijn. En dan spreken we niet eens over de kinderen en jongeren die niet de kans krijgen om volwassen te worden, om te horen dat ‘ze nog zo jong zijn’. De wereld dreigt boven hun hoofden, hun families en gemeenschappen worden uiteen gereten, en de hemel kan ieder moment boven hen instorten. Het zijn niet kinderen en jongeren die verantwoordelijk zijn voor de acties en beslissingen waar zij het ultieme slachtoffer van zijn. En toch krijgen zij continu te horen dat ze moeten zwijgen, geen verweer of verzet mogen geven, en dankbaar moeten zijn dat ze nog niet alles verloren zijn – als dit zelfs maar de realiteit is voor hen. Apathie en hopeloosheid aanwakkeren lijkt het doel van onze ‘volwassenen’ voor de jeugd van tegenwoordig. Al een geluk dat de jeugd dat niet zomaar slikt! ‘Je bent nog zo jong’, zeggen we tegen elkaar. Het is een zalvend mantra voor het innerlijk kind. Ik ben dankbaar voor de mildheid die me steeds meer en meer gegund wordt. Ik gun het ademend kind en jongere even hartelijk het jong-zijn dat wij elkaar zo graag toewensen.

Eden Oscar
7 0

Het was nacht en de kleur Barbie.

De kleur was Barbie-roze. De wijde zee begreep er niets van, en toch kon zij dit meisjesschip dragen. Ik voelde me klein, liep met grote ogen over het pluchen dek. De kajuiten waren opgetrokken uit hetzelfde aaibare materiaal.  Gelieve de eetzaal op tijd te bereiken!, zei een nadrukkelijke stem. Toen gebeurde het. Toen kwam het besef dat ik hem kwijt was. Paniek in mijn botten deed mijn lichaam bewegen en accelereren als een snelle wagen. Tot het volle besef kwam ik pas onderweg; ik was ook onze hut vergeten, het nummer dat ik had moeten onthouden. De gangen leken allen op elkaar. Ik liep ze in en weer uit, ze brachten me in de war, nergens vond ik hem. De gedupeerde vrouw had de cruise geboekt bij Tui in januari 2026. Ze wil met haar verhaal lotgenoten bereiken. De reisorganisatie is niet bereikbaar voor commentaar maar zal het voorval onderzoeken. De gepensioneerde reizigster rouwt om haar verlies nabij de Noorse kust. Plots bevond ik me op een speedboot. Ik schoof van links naar rechts op een spekglad dek. Adrenaline zoefde door me heen, van kop tot teen zocht ik houvast tot het mij te machtig werd, ik riep om hulp met mijn armen rond een glanzende paal, mijn voeten hangend in het niets boven het opspattende water. Help me! Help dan toch! Sssttt, hoor jij dat ook? De kapitein luisterde beter. Iemand, help me dan toch! Aan wal moest ik lang bekomen, het drong daar tot me door. Ik had echt niets meer, geen gsm om mijn leven op te nemen.   (metamorfose in stijl= stijlbreuk)

Ingrid Strobbe
5 1

Mezelf

Wanneer ik alleen op kantoor ben, werk ik niet. Dan doe ik niets, zoals elk verstandig mens zou doen. Als ik productief wil zijn, moet er bijna altijd iemand in dezelfde ruimte zijn—een stilzwijgende getuige, een adem die bewijst dat ik besta. Alleen, in die stille kamers, geef ik mezelf over aan wat men nutteloos noemt: naar buiten staren, gedachten laten meanderen, dromen, hopen. Voor mij is dit geen luiheid, maar de logische aard van dingen. Pas wanneer iemand kijkt, begin ik te bewegen. Hun ogen dwingen mijn handen. Zodra ze zich afwenden, verstil ik opnieuw, als in een omgekeerde versie van het spel 1, 2, 3 piano. Hun blik is het sein; zonder dat signaal sta ik stil, als een klok die niet meer tikt. Vrij voel ik me zelden in het gezelschap van anderen. Hun nabijheid is een muur, hun ogen een last. Ik word me hyperbewust van hoe zij kijken, hoe zij denken, hoe zij oordelen. Mijn meningen zijn geen rotsen maar rimpelingen in water, altijd verschuivend met hun gemoedstoestand. Als zij lachen, vind ik ernst; als zij huilen, zoek ik lichtheid. Ik word een spiegel waarin zij zichzelf zien, maar nooit mij. Mijn vrijheid ligt verstopt in momenten van eenzaamheid, als de wereld slaapt en ik dans in stilte. Dan ben ik lichtvoetig, onbekommerd, een kind dat zingt zonder publiek.   ’s Morgens vroeg, wanneer de huizen zwijgen en de lucht nog koud is, eet ik mijn portie vrijheid als ontbijt. Soms verzaak ik mijn plichten, ontvlucht de kaders van het alledaagse en wandel alleen het bos in. Daar, onder het baldakijn van bladeren, deel ik mijn gedachten enkel met bomen en vogels. Zij oordelen niet, zij vellen geen vonnis over mijn bestaan. Voor hen ben ik niet meer dan een voorbijgaande schim, en juist daarom voel ik mij vrij.   In het bos dans ik, maar mijn dans is vermomd als traag wandelen. Mijn lied klinkt stil, opgeslokt door de ruis van de bladeren. Ik probeer de omgeving op te snuiven, haar vast te houden, haar in mij op te slaan—wetend dat het vergeefs is, dat ik slechts een flard kan meenemen. En toch doe ik het, steeds opnieuw, alsof dat kleine stukje genoeg kan zijn om alles te dragen.    

Piet V.
6 0