Lezen

onvolledig, niet compleet

Het begint met een zaadje en een eitje nee, het begint met een vreemde opmerking, een gerichte blik nee, het begint met zenuwen over wat te zeggen en wat niet nee, het begint met de nood je aan te raken hier en daar het is compleet eender waar nee, het is niet duidelijk hoe het begint of begonnen is,   maar we weten allebei dat het er is en naar wat het leidt. Een kind of twee, 't zijn baby's eerst  spartelend, onwetend, klaar voor verzinnen gevuld met vlees van jou en mij en eigen hersenspinsels onmogelijk om ze los te laten, alleen te laten, ten allen tijde in 't hart, in 't zicht tot ik in het niet verzink met als enige houvast mijn verliefde hart dat zich genadeloos in drie splitst, meteen vergeten dat er een ik is en dat vergeten lukt wel even.   Soms vergeet ik ook jou, een jij  en is het enige van belang zij en hoe dat … Dan blijf ik daar als een klein hoopje verschrompeld verdroogd gips, wanhopig op zoek naar waterdruppels. en die komen ook … later als ik ze zoek en blijf zoeken. Eerst terug drinken, laven bij de basis. Terug bewegen.   Terug heen en weer. Terug leven. En mijn verdroogde gipsen hart laten zacht worden met al zijn liefde voor jullie drieën Beschaamd over wat er nog overbleef. Maar nu geef ik het elke, elke week, een beetje water.   Dat is hoe de liefde terug open plooit als een klein te vaak gevouwen blad papier en dat is waartoe het leidt  nu zit ik hier met al mijn mij-tijd, waarvan ik eindeloos geniet. Nu zit ik hier en voel me onvolledig zonder jullie, niet compleet.

loopvogel
2 0

Pasklare verhalen. Losse eindjes

Het was een ontoereikend woord: Interessant. Maar het klopte. Hij was haar opgevallen. Niet alleen omdat hij knap was. Hij zag er interessant uit. Daarom. Hij stond midden op de trap van het Centraal Station met zijn rug naar haar gekeerd. Op die rug een donkerblauwe rugzak. Zijn haar viel schouderlang, nonchalant bruin over zijn schouders. Wat haar aandacht trok, waren echter niet deze details - die zag ze pas bij de tweede, meer nauwkeurige monstering - maar de resem elastieken die aan zijn schouderriem hingen. Elastieken in alle kleuren en soorten, wel honderd, meest keukenelastiekjes, van het soort dat zijzelf in haar keukenla bewaarde om er van alles en nog wat mee af te sluiten. Waarom in godsnaam zou iemand met zoveel elastieken aan de buitenkant van zijn knapzak lopen? Alsof hij haar gedachte voelde, keerde hij zich om toen ze hem tot op drie treden genaderd was. Even schoot het door haar hoofd dat hij op háár wachtte, hier, uitgerekend hier op deze trap waar ze vandaag toevallig passeerde. Toen ze om hem heen liep - ze had het niet beseft maar in haar nieuwsgierigheid was ze recht op hem afgestevend, als om zijn merkwaardige, veelkleurige oogst aan een nauwkeurige inspectie te onderwerpen -  kruiste zijn blik de hare en ze glimlachte verrast; hij was ouder dan ze vermoed had. Er zaten rimpels om zijn mondhoeken en in zijn voorhoofd en bij nader inzien was zijn haar niet zomaar bruin; er liepen hier en daar grijzende strengen doorheen. In antwoord op haar glimlach fronste hij. Ze hield haar pas in en stopte met ademen tot ze boven aan de trap was. Soms bracht dat geluk. Ze wierp een spijtige blik achterom. Hij keek haar na, wendde het hoofd af. Toen... teleurgesteld besefte ze dat er geen ‘toen’ zou komen. In de stationshal bleef ze staan en keek zoekend om zich heen. Welke uitgang zou ze nemen?  Nog tijd zat voor ze in de congreszaal moest zijn voor haar lezing. Met opzet was ze vroeger gekomen om op deze zonnige dag nog wat te genieten van Brussel. Nu was ze in dubio; zou ze voor een wandeling in het stadspark kiezen of ging ze terrassen? Mensjes kijken? Ze had haar laptop bij, dus werken aan haar nieuwste boek viel ook te overwegen. Maar daarvoor was het weer te mooi. De laptop buiten was geen goed idee en binnen zitten wou ze niet. Terwijl ze nog stond te dralen, kreeg ze hem opnieuw in het oog; elastiekenman. Hij bestudeerde enkele meters verder het stadsplan. Hij is ook niet van hier, bedacht ze. De bonte verzameling aan zijn rugzak (bovenaan hingen zowaar ook nog touwtjes en allerlei losse eindjes) trok opnieuw haar aandacht en zonder verder nadenken stapte ze op hem af. ‘Mag ik u een idiote vraag stellen?’  Dezelfde frons van zo-even.  ‘Ik vroeg me af waarom u die elastiekjes aan uw rugzak heeft? Het is belachelijk, ik weet het, maar het intrigeert me en nu ik u voor de tweede keer zie, dacht ik: ik vraag het gewoon.’ Hij antwoordt niet, meende ze, en het zijn mijn zaken niet. Bovendien, hij mag dan al ouder zijn dan ik dacht, hij is toch nog minstens vijf jaren jonger dan ik. Misschien denkt hij wel dat ik ‘m wil versieren. (Ik wil hem best versieren als hij versierbaar blijkt te zijn.)  De glimlach die op zijn gezicht doorbrak was zo teder (een ander woord kon ze ook later niet bedenken) dat hij haar hart brak en dat ze hier en nu besloot met deze man een verhouding te beginnen. ‘Omdat ze vaak van pas komen,’ zei hij. Zijn ogen waren blauw en zijn glimlach was echt, dat zag je aan het blauw dat blauwer werd. ‘Dát was het moment,’ zou ze later zeggen. ‘Zijn antwoord was zo simpel, zo overduidelijk, dat ik niet begreep waarom ik er zelf niet opgekomen was.’ Zo hóren liefdesverhalen te beginnen.

Goedele Billen
3 0

Pasklare verhalen (3) Joehoehoe

‘Joehoe. Joehoeoeoe. Knock-knock.’Ik verstijf midden in de beweging waarin ik met ogen op mijn rug probeer in de spiegel de aantrekkelijkheid van mijn kont in het blauwe bolletjeskleed in te schatten. Is dat voor mij bedoeld? ‘Joehoehoe, wil je ’s effe kijken?’ De bleke hand die één helft van het gordijntje beetpakt komt me niet bekend voor... De stem – Ik gluur doorheen de opening. Wie?‘Haloohoo – ik zag jou met hetzehelfde jurkje en ik dahacht: laat ik even checken of zij het koohoopt. Oohhh, het stáát je beeheelderig, ehecht.’ Perplex staar ik naar de smalle bidsprinkhaan die paradeert in – inderdaad dezelfde – bolletjes als ikzelf. Alleen, zeven ( vijftien?) maten kleiner. ‘Je kent me toch? Oooh, neehee, herken je me niet?’Ze komt me vaag bekend voor, die ronde bolle ogen, de blik die me niet loslaat... Maar ik heb haar zeer zeker nog nooit horen praten, die neiging om overal ademloze h’s tussen te gooien, zou me bijgebleven zijn. Ik trek weinig toeschietelijk mijn wenkbrauwen op. Passen is bij mij nu eenmaal een intiem gebeuren. ‘Ik werk in de bib, weet je wehel? Tweede verdieping, leeszaal? Wat vind je, iets voor mij, dit? Is het maatje goed? Ze beginnen maar vanaf 34.’‘Ja, euh, het past wel.’ Ik moet mijn gordijn wel openen. Verder sta ik met mijn mond vol tanden. Wat wil ze dat ik zeg? ‘Ohoohh, kijhijk toch eens’, ze springt naast me voor de spiegel, steekt haar arm door de mijne en trekt me mee uit het pashok. ‘We zijn net zusjes. Gewèèheldig. Kíjk nu toch!’ Ik kan in de grond kruipen. Iedereen staart naar mijn bolletjesderriere maat‘je’ 42. ‘Wacht! Nu de gele. Wat toe-va-llig dat ik naast je zit. Zo ongelohofelijk tof hier iemand te treffen die me advies wil geven. Echt tof.’ Ze duwt me weer naar binnen en danst haar paskamer in, ondertussen aan één stuk door ratelend. Zelf slaag ik er net op tijd in mijn eigen short en T-shirt terug aan te trekken voor ze weer ‘Knock-knock, joehoehoe’ haar kop door de opening steekt. ‘Wat vind je van deze? Dat geel? Misschien niet zo mooi voor mij? En hij trekt een beetje, hier...’ Een guitig lachje (wij dikkerdjes onder elkaar). Ze ziet ‘mijn’ bolletjesjurk aan het haakje hangen. ‘Ga je hem kopen? Je gaat hem kopen! Ik wist het. We móeten afspreken wanneer je hem naar de bib aantrekt, dan kan ik ook... Net zusjes! Super. Wacht, ik ga nog alleen de rode proberen. Je hebt gelijk, geel staat me niet. Maakt ons dik, hè.’ Weer terug haar kot in. ‘Rood is best mooi, maar als ik nu ook de blauwe neem, olalala, dat zal zo grappig zijn. Alleen toch nog even proberen, maar ik weet het al, als jij - de blauwe - ' Hier valt haar stem weg, ze zit met haar hoofd in de jurk. Ik sluip vlug, zo geruisloos mogelijk, naar de uitgang. De bolletjes laat ik hangen. Als ik over mijn schouder kijk zie ik een hoogbejaarde dame mijn gordijntje dichtschuiven. Terwijl ik opgelucht naar buiten loop, hoor ik opnieuw: ‘Joehoe? Joehoehoe...’ https://www.youtube.com/watch?v=OsLevxGguGs

Goedele Billen
7 0
Tip

#1

Soms lijkt het stil op het slagveld. Na uren van gekletter en gejammer smelt het lawaai van het gevecht tot één witte ruis alsof de waas van vermoeidheid die om hem heen hangt de geluiden tegenhoudt. Dan hoort Nikephoros enkel het gebonk van zijn eigen bloed in zijn oren, hoe hij hijgend adem naar binnen zuigt, en af en toe, op dagen zoals deze, hoort hij het schreeuwen van zijn naam als een echo in zijn gedachten.  De mannen om hem heen kan hij amper zien. Het zware metaal van zijn helm sluit hen van hem af, maar hij weet dat ze er zijn. Hun aanwezigheid hoort ook bij de ruis, de mengelmoes van bloed en geschreeuw en het versplinteren van schilden. Nikephoros voelt dat zij er zijn en zij voelen dat hij er is. Zijn speech is hij al vergeten, de woorden achtergelaten in het kamp, vertrappeld door de vele voeten die schuifelend hun tent verlieten. Alleen de reactie blijft hangen. Ze kleeft aan zijn lijf. Het gejuich is onder zijn helm gekropen en het enthousiaste gestamp zit verstopt onder zijn borstplaat. Nikephoros. Zegebrenger. Hoewel zijn harnas zwaar weegt op zijn schouders, beweegt hij met een zekere gratie die anderen missen. Naast hem valt iemand neer. Een bijl komt zijn kant uit. Hij duikt neer, zwaard stevig in zijn hand. Het voelt niet meer als doden. Het voelt louter als een zegeviering. De volgende komt zijn kant opgerend, gewapend met een drietand. Nikephoros doorboort zijn borstplaat nog voor de jongen zijn wapen kan heffen. En dan, temidden van de strijd, hoort hij het. Natuurlijk hoort hij het. Het hele punt van de witte ruis is de filter. De blonde lokken zag hij altijd, een baken in de wirwar van geweld. Ze waren oh zo zeldzaam, louter voor hem bestemd. Nu zag hij ze niet. Hij draaide zijn hoofd om, wanhopig zoekend naar zijn geliefde. De kreet klonk zo vreemd tussen al die wreedheid. Zijn zwaard glipte van tussen zijn handen wanneer Nikephoros naar hem toe rende. Hij spotte Agapétos een paar meter verder, verder dan hij had móéten zijn. Zijn blonde haren waren slechts luttele seconden van de bebloede grond verwijderd. “Agepétos. Agepétos.” Of hij de woorden gezegd heeft, weet Nikephoros niet. Misschien fluisterde hij ze, misschien waren ze slechts een echo in zijn gedachten. Het moest zo snel gebeurd zijn, tussen de ene dood en de andere door. Tussen een bijl en een drietand. Een pijl, sneller dan Apollo. Zelf Nikephoros had er niet aan kunnen ontsnappen. Hij zakte neer op zijn knieën, ogen wijd open en mond hetzelfde. Zijn vingers wurmden zich langs de contouren van de borstplaat, voorbij de hardheid en de strijd, tot ze eindelijk zijn huid voelden. Nikephoros gaf niets om de oorlog. Hij gaf alleen om hoe zacht zijn geliefde is, zijn kloppend hart en de glans in zijn helblauwe ogen. Agepétos’ huid leek wel marmer naast de zijne. Zijn lippen, die uren geleden nog de lijnen van zijn lichaam zochten, openden zich moeizaam, op zoek naar een laatste ademhaling. “Agepétos.” Agepétos wilde hem niet aankijken. Hij trok aan Nikephoros’ arm met ogen die getekend waren door paniek, en Nikephoros, de zegebrenger, smolt als was zijn handen. “Blijf,” prevelde hij. Zijn stem klonk zacht en zilver en gouden boven de witte ruis van de wreedheid. Hij fluisterde het zachtjes tegen Nikephoros’ nek, brandde de letters in zijn gebruinde huid. “Alstublieft.” En dus stopte Nikephoros het gevecht, liet zowel zijn zwaard als de belofte van een zegeviering in de steek. Hij lag naast Agepétos, terwijl die uiteenviel op de ergste wijze mogelijk. Zijn handen knoopten zich in zijn haar, vingers gevangen tussen metaal en huid en zijn lippen verbonden met die van zijn geliefde. Agepétos’ hoofd legde hij in zijn nek, zijn steeds kouder wordende neus tegen zijn sleutelbeen aangedrukt. Zo sliepen ze meestal, wanneer ze alleen waren in hun tent. “Agepétos. Agepétos.” Geliefde. Geliefde. “Agepétos.” Tot de witte ruis ook zijn ogen sloot.

Astrid
0 2

Zomerdagboekje Juli 2015 - Juan de winterkoning

Natuurdagboekje juli 2015: Steracteur winterkoning, een echte Don Juan (Troglodytes troglodytes) Een keuze maken tussen al mijn belevenissen is een zware taak. Schrijf ik over het egeltje dat ik dit jaar ontmoette bij valavond op mijn grasveld? Of over de bonte vliegenvangers die elk jaar terugkeren vanuit het zuiden en die ondertussen al een kleine populatie vormen hier in het bos? Of over de kikker die in de prille lente voor mijn deur had postgevat, zodat ik er haast over struikelde? Ik zette het beestje met een stukje keukenrol in het struikgewas, maar vergat het te kussen… tja… dat is dus heus wel een gemiste kans! Ik zou jullie ook kunnen vertellen over Guust de kraai die een nieuw nest bouwde vlak voor mijn huis. Een prachtige locatie, maar niet zo veilig want de eekhoorns en de eksters belaagden het van in het prille begin. Het jong van Guust stierf dan ook in mijn handen… het was uit het nest gevallen en mijn onhandige poging om hem te redden versnelden enkel zijn jammerlijk einde.Het is niet allemaal Disney hier, ook in een sprookjesbos lopen sommige verhalen niet goed af. Een nestlocatie zoeken is voor mijn gevederde bosvrienden een zaak van leven of dood. Letterlijk. Als wij mensen een verkeerde woonlocatie uitkiezen, worden we meestal geplaagd door wat ongemak, maar voor vogels kan een verkeerde keuze zware gevolgen hebben. In de natuur geldt de regel nog steeds: eten of gegeten worden. Ik bewonder de energie die vogels steken in het ouderschap dan ook mateloos. Ze hebben héél veel over om te zorgen voor een gezond en kwiek nageslacht! Tegen augustus - ruitijd - huppen of fladderen de meesten dan ook rond met een pluimenjas die tot op de draad versleten is. Van alle broedende vogels die ik hier opvolg, vind ik het verhaal van Juan de winterkoning toch het bijzonderste. Een winterkoning is goed herkenbaar aan zijn rechtopstaand staartje. Het is een kleine vogel tot 9 cm groot die heel actief is. Hij leeft van insecten en het mannetje maakt meerdere nesten, waar het vrouwtje er eentje van uitkiest om in te gaan broeden. Sommigen noemen hem dan ook wel ‘de immobiliënmakelaar van het bos’. De winterkoning maakt een koepelvormig nest. Hij gebruikt mos en gras om zijn nest te maken. Wanneer het vrouwtje een keuze heeft gemaakt, bekleedt het mannetje het nestje met veren. Als zij op de eieren zit probeert het mannetje een ander vrouwtje op één van de andere nesten te lokken. Je leest het, een echte ‘moderne man’ is de winterkoning niet.Maar Juan is heus wel bijzonder. In 2008 merkte ik hem voor het eerst op toen hij een nest bouwde in een sierkrans die als een pronkstukje aan de wand van mijn houten huisje hangt. Het is een plekje pal boven de houten tuinbank, waar ik op zomerse dagen vaak vertoef. Bij de ‘bouwwerken’ wist Juan dus héél goed dat ik het project zou kunnen opvolgen en eventueel kon verstoren. Het werd een prachtig nest dat al vlug bewoond werd door een vrouwelijk winterkoninkje dat ik de naam Cléo gaf omdat ik vond dat het vrouwtje een iets markantere ooglijn (à la Cleopatra) had. Maar dat is louter suggestief want het onderscheid tussen een vrouwelijke en mannelijke winterkoning is niet te bespeuren door een menselijk lekenoog. Cléo had al gauw een nestje met een stuk of vier kleintjes. Ik volgde alles van dichtbij op en schreef over hen in mijn eindwerk Natuurgids dat ik nét die periode aan het uitschrijven was.Milou, mijn toenmalig hondenmaatje, beschermde het nest héél goed tegen de eekhoorns die de locatie spijtig genoeg al gauw ontdekt hadden. Het was aandoenlijk te zien hoe Cléo onbevreesd voorbij de zware hondenkop van Milou tippelde… ze wist verduiveld goed dat ze een pracht van een bodyguard gevonden had. Toch was deze beschermengel-hond niet àltijd aanwezig en op 30 juni 2008 werd het nest tijdens onze afwezigheid geroofd. Wat bebloede veertjes en een vernield nest, dat waren de getuigen van het drama dat zich had afgespeeld. Ik was ontroostbaar. Juan - die zoals de boeken verhalen het opvoedkundig aspect volledig aan zijn eega overlaat- kwam die zomer nog regelmatig op bezoek en fladderde dan zenuwachtig in en uit het vernielde nest. Ik kon het hem niet vertellen, de leegte was groot. Dat zelfde jaar in augustus verraste Juan (of Cléo?) me met een bezoek in het gezelschap van enkele wattenpropjes… enfin zo zagen ze er toch uit. De dappere oudervogels hadden blijkbaar een nieuw broedsel dat dit keer helemaal gelukt was en waren ook de oude nestlocatie niet vergeten. Vertederd zat ik achter mijn raam te kijken hoe de volwassen winterkoning de kleintjes aanleerde om te ‘landen’ op de - voor deze taak uitstekend uitgekozen - houten tuinbank. Ook het aanvliegen naar het half vernielde nest was duidelijk een goede oefening voor het kleine grut dat er aandoenlijk uitzag met hun nog steeds verwarde veertjes op de piepkleine vogelkop. Dit vogelverhaal leerde me dat, een mooie locatie niet altijd een goede locatie is, en ook: eens het nest ontdekt is door predators, is het haast onmogelijk om de jongen te beschermen. In de daaropvolgende jaren zag ik Juan (of één van zijn nazaten?) regelmatig terugkeren naar de ruïne van het oude nest. Hoe oud een winterkoning wordt weet niemand precies, maar het feit dat deze vogel de locatie van het nest zo goed kende, doet me toch vermoeden dat het een ‘oude bekende’ was.Dit jaar, zeven jaar na de eerste poging, bemerkte ik dat Juan (?) opnieuw de krans aan het inrichten was! Een nieuwe poging.Ik hield mijn hart vast.Uiteindelijk zou de beslissing toch genomen worden door een vrouwtje winterkoning, dus het nest bleef misschien enkel fungeren als ‘modelappartement’.Enkele weken later zag ik dat de winterkoning het nest afwerkte met de witte hondenhaartjes van mijn adoptie hondje Westie (een witte terriër) en toen wist ik het: het nest was terug uitgekozen én bewoond. Vandaag leef ik in blijde verwachting….De jongen zijn ondertussen uit het ei en worden met héél veel zorg grootgebracht door moeder winterkoning die als een klein jachtvliegtuig over mijn terras zoeft, zich totaal niet storend aan onze aanwezigheid. Net zoals indertijd Milou, fungeert Westie als beschermer van het jonge kroost en zelfs in deze hitte ligt hij onder de tuinbank te waken zodat er geen ongure elementen in de buurt kunnen komen. Een tuinparasol zorgt voor schaduw en bemoeilijkt ook het aanvliegen van grotere roofvogels.Moeder winterkoning zorgt uitstekend voor haar 3 jonge bengels die met deze zomerse hitte door het gat van het mooie nest hangen te koekeloeren.Het gevaar is nog lang niet geweken, maar een ‘Happy End’ is ons enige einddoel.We doen ons best. Een hoopvolle groet vanuit een zuiders aandoend sprookjesbos,Carine  

Bosfee
5 0

Een gelukkig mens

Een gelukkig mens - 5 maart 2015 Johan, ‘de mantelzorger’ ( ref.: columntekst van april 2014) schreef me: ‘17.30“Dag dokter, ik ben blij u te zien”“Wat hebt u een mooie tuin mijnheer Faber!““Wilt u hem graag zien, dokter? Hebt u genoeg tijd?”“Ik heb alle tijd van de wereld, mijnheer Faber.”Een half uur later, na een uitgebreide tuintoer.“Bent u absoluut zeker over uw beslissing mijnheer Faber?”“Dokter, het is niet omdat u mij met veel moeite de tuin nog hebt zien rondlopen, dat ik van gedachte ben veranderd. Doe nu maar dokter, ik ben helemaal klaar.”Innis, de poes, zet zich op de rug van de fauteuil en zal daar blijven zitten.“Ik ben een gelukkig mens,” zegt Paul tegen zijn vrouw en dochter.En glijdt weg om 18.40.En alles wat blijft is liefde.’Midden in mijn bucolisch drukke bestaan treft het nieuws me, verwacht en toch onverwacht.Johan brengt het nieuws op zulke cryptische tactvolle wijze dat mijn tranen een uiting van emotie zijn, een mix van verdriet en dankbaarheid. Ik glimlach door een mist van tranen omdat ik voel dat Paul voortleeft in ieder van ons die hij even heeft aangeraakt.De betrokkenheid... Dank je.De moed om je eigen koers te blijven varen… Dank je.De wijsheid om zachtheid te ontdekken in het verborgene….Dank je.Ik voel me onwaardig en vereerd tegelijk en heel triest maar ook blij.En fier... fier dat ik Paul heb mogen kennen. Te kort in mijn gulzigheid. Ik kende Paul via Selene, nog niet eens zo lang, maar zij openden mijn ogen en lieten me kijken in hun wereld vol levenswijsheid, integriteit en vergeving. Het leven dient zich aan en past als een puzzel in elkaar, alles wat je nodig hebt, wordt je aangeboden.In onze snelle maatschappij hebben velen het gevoel dat ze ‘geleefd worden’ en ze herkennen de keuze niet meer die je telkens wordt aangereikt. Ze vergeten te kijken, en ze vergeten te luisteren.Vaak hebben mensen medelijden met me omdat ze denken dat ik met ‘beperkingen’ leef, maar dat is helemaal niet zo. Ik leef met een rijkdom aan waarden en normen en heb de tijd om ze te mogen ontdekken Ik ben een gezegend mens. Ik zie en tracht te luisteren, steeds meer. Alles wordt dan zo eenvoudig.Het leven is een ontdekkingsreis van avonturen als je de sprong wil wagen. Paul was zo’n ontdekkingsreiziger, een levenskunstenaar met groot verantwoordelijkheidsgevoel. Hij hapte in elke dag als was het een rijpe vrucht. Het sap droop hem van de kin en hij smakte, met zijn ogen half toegeknepen, genietend. Carpe Diem.Ik neem dàt deel dat hij me gaf mee in mijn ziel. Ik waag de sprong en bijt in dat leven. Het is in feite heel eenvoudig…gewoon jezelf blijven en luisteren naar de stem van je hart. Op mijn levensreis ontmoet ik steeds meer mentoren, mensen die verstopt liggen onder het betweterig deken van onze oppervlakkige maatschappij. Hun verhalen zijn zo waardevol want zij weten waar de echte waarde in verscholen ligt. Een levenswijsheid die al die culturele trends en materiële verslavingen van zich afgooit tot die ene kern terug wordt vrijgemaakt. En die kern is Liefde. Liefde voor het leven, Liefde voor je naasten, en vooral ook Liefde voor jezelf. Ik ga naar buiten, adem de frisse lentegeur diep in en wandel naar de Turkse boomhazelaar die Paul voor me plantte. De knoppen staan klaar en vol leven. Het gezang van de koolmezen doet me glimlachen…ze toeteren niet, maar zingen hiep-diep-hiep-diep…Je bent nog steeds erg dichtbij mijn vriend, in alles wat leeft. Dank je.    

Bosfee
30 0