Lezen

sjokola

Sjokola kijk, daar zit mathis samen met zijn vriend farhan in mama's blauwe bolderkar. 'mama, het stokspel op school was echt heel leuk, en mama, kijk mijn veters, ik heb ze zelf gestrikt.' mathis heeft een huid van sjokola al maakt dat verder niet veel uit. hij kletst de oren van je hoofd. 'later,' zegt hij, 'word ik goochelaar, of misschien wel zwemleraar'. stoer spettert hij in de rivier. soms klimt hij op blote voeten in de hoge bomen op het plein. dan weer speelt hij kappertje met liesje van de buren 'ai, ai, ik heb wat scheef geknipt, wat nu?' of hij doet verstoppertje met liesjes grote broer lowie. op woensdagmiddag sopt hij soldaatjes in een ei. 'lekker,' glundert hij. ook gaat hij met mama eendjes voeren in het park. de kuikens lopen achter hem aan. 'kwak kwak kwak,' doet mathis en mama lacht. 'wow, een paardenmolen.' die is uniek en vast ook wel antiek. een dolfijn danst op en neer. er staat een sjieke autobus en er is nog zoveel meer. 'kijk, een krekel met een hoedje op. en o, een groen konijn. en daar een elfenslee en ook een paardje uit de zee.' 'één euro voor een rondje,' zegt de man die aan het orgel zit. 'echt te gek,' zucht mathis. 'mama'tje toe, mag ik erop?' 'het is goed, hier is een munt.' dan trekt hij trots de flosj dus mag hij nog een keertje mee. op weg naar huis koopt mathis drie doosjes sjokola: witte voor oma en opa wortel, zwarte voor oma en opa zoo, bruine voor hemzelf en ma en pa. mama zegt: 'doe er maar een gouden lint omheen.' 'het fijnste,' vertelt mathis aan sjarel van de snoeperij, 'dat zijn de vakantiedagen. dan gaan we naar oma en opa wortel en ook naar oma en opa zoo.' vakantie! gezellig met hun drieën rijden ze in papa's auto naar oma en opa wortel. hun dorp heet zo, vandaar de naam. wat zijn oma en opa blij als mathis aan de deur tring-tringt. oma's haar lijkt wel een suikerspin. opa's haar is weggewaaid en aan een koordje om zijn hals wiebelt een bril want zonder hulp dansen de letters in de krant. opa zegt: 'ha, daar ben je dan. echt, is die tekening voor mij? dank je wel, lieve mathis. zeg eens, was het woelig op de weg?' de tafel is feestelijk gedekt. oma deed weer zo haar best.  tomatensoep met heel veel balletjes vol-au-vent en lekkere puree rijstepap met bruine suiker en bij de koffie witte sjokola, cadeautje van mathis. ze fietsen naar de boerderij. oma zegt: 'vroeger werkte opa hier. we mogen even in de stal.' 'één, twee, zeven kleine biggen,' telt mathis. een koe loeit zacht. 'ze likte net haar kalfje schoon,' zegt de boer, 'kies jij maar een naam voor haar.' mathis denkt even na en fluistert zacht: 'hallo, ik heet mathis en jij bent nel.' in het veld achter de stal is de maïs bijna zacht. opa verstopt er gauw een blauwe bal. oma telt: 'drie, twee, één, start!' papa en mathis rennen tussen hoge stengels door. 'gevonden,' roept mathis, sneller dan verwacht. dan gaan ze weer terug. nog een knuffel en dan hup de auto in. oma opa dag bye bye zwaai zwaai. een dag later nemen ze de trein naar oma en opa zoo. ze wonen naast de dierentuin, vandaar de naam. wat zijn ze blij als mathis aan de deur tring-tringt. opa heeft een stoppelbaard. oma's krullen lijken op die van mathis alleen zijn ze wat donkerder. licht danst in haar ogen, putjes lachen in haar wang. opa zegt: 'ha, daar ben je dan. echt, is die tekening voor mij? dank je wel, lieve mathis. zeg eens, was het woelig op de trein?' het is gezellig in de tuin. ze eten uit een aarden kom. soep met maniok kip en rijst en heel veel paprika melktaart van afrika en bij de thee zwarte sjokola, cadeautje van mathis. ze stappen naar de zoo. 'hallo, meneer de uil,' zingt papa. 'wow, hoe die zeeleeuw springt!' opa aapt de apen na. 'gekkerd,' grapt oma en iedereen lacht. dan gaan ze weer terug. nog een knuffel en dan hup de trein op. oma opa dag bye bye zwaai zwaai. mathis is jarig. 'papa, zeg me, is het bijna tijd?' 'heel even nog, mijnheertje ongeduld.' tring-tring. mathis zegt: 'ha, daar zijn jullie dan. een cadeautje, leuk. dank je wel, oma en opa wortel.' tring-tring. mathis ratelt: 'ha, daar zijn jullie dan. een cadeautje, fijn. dank je wel, oma en opa zoo.' fff... fff alle vijf de kaarsjes waaien uit. ze genieten van heerlijke bananentaart met heel veel room erop. ze spelen ganzenbord. ze doen een quiz. oma wortel wint en daarna mathis. ze eten broodjes kaas met sla. 'koffie of thee? en proef gerust een stukje bruine sjokola.' het feestje flitst voorbij. nog een knuffel en dan hup alle oma's en opa's samen de auto in. mathis dag bye bye zwaai zwaai. mathis is moe. loom pakt hij zijn knuffelbeer. 'slaapwel, mijn stoere knul,' zegt papa. 'slaap zacht, zoonlief,' fluistert mama nog en ze trekt het laken glad. mathis merkt het niet meer. zzz... zzz en kijk, hij glimlacht in zijn droom.

monique bol
0 0

Heeft u dat ook? '4'

Je hoort iets, je ziet iets, je ruikt iets en, patsboem, daar is - heel even maar - dat beeld uit je jeugd of kindertijd? Je wordt in de teletijdmachine van professor Barabas gegooid maar ook dadelijk weer terug naar het heden gekatapulteerd. Heeft u dat ook?      Ik alleszins en ik heb dat vooral met liedjes.    In de zomer van 1965 heeft Jewel Akens een grote hit te pakken met zijn liedje ‘The Birds and the Bees’. Ik heb, sullig en dertien zijnde, geen flauwe notie waar de tekst over handelt. In oktober verdwijnt het nummer uit de topcharts maar het wordt nog steeds gespeeld op de grote kermis die jaarlijks in deze maand plaatsgrijpt. Je hoort het prikkelende refrein vooral weergalmen uit de grote luidsprekers die op elke hoek van het gladmetalen botsauto-platform opgesteld staan. In mei van het volgende jaar, als de kleine kermis doorgaat, zijn de vogeltjes en de bijtjes vervangen door een meisjesnaam. De Beach Boys zingen over hun ‘Barbara Ann’ en ook dit is zo’n typisch aanstekelijk nummer. Bij de volgende grote kermis van oktober 1966 is Barbara alweer ingeruild voor ‘Lana’, het lief van Roy Orbison. Twee jaar eerder komt zijn grootste hit ‘Pretty Woman’ net te laat om op de platendraaiers van de autoscooters en rupsen gelegd te worden. Maar de bekende openingsrif is nog steeds één van de kermishits in mei daaropvolgend. Mijn allervroegste herinnering aan de kermismuziek gaat terug naar mei 1960. Sinds het begin van dat jaar heeft Neil Sedaka een monsterhit met ‘Oh Carol’ waarmee hij wat omfloerst zijn liefde verklaart voor de naderhand beroemde zangeres/liedjesschrijfster Carole King. Met dit nummer stoot hij Rocco Granata’s ‘Marina’ van de troon.   Maar dit is een lange aanloop naar wat ik eigenlijk wil vertellen. Je weet wel: terug gesmeten worden in de tijd en daar een fractie van een seconde vertoeven. Wel dat heb ik met ‘Meisje van zestien’ van Boudewijn de Groot.   ‘Meisje van zestien’http://youtu.be/zV3KyGG64-Q   Vanavond zal ik ‘The Birds and the Bees’ horen op de kermis, maar voorlopig zit ik nog even gekluisterd aan mijn bureautje om mijn huiswerk te maken. Het is een taak Engels, waar ik geen moeite mee heb want het is mijn lievelingsvak gegeven door mijn lievelingsleraar Mr. Schippers, bijgenaamd ‘de Schipper’. De radio is afgestemd op een Nederlandse zender en ik hoor de eerste hit van Boudewijn de Groot. Daarna zal hij beroemd worden met zijn eigen composities waar hij de hulp krijgt van tekstschrijver Lennaert Nijgh. Deze zorgt ook voor de vertaling van ‘Meisje van zestien’, een oorspronkelijk nummer van Charles Aznavour ‘Une enfant’.   ‘Une enfant’http://youtu.be/hZOLT2-wGVo   De interpretatie van de Groot is totaal anders dan die van Aznavour, omdat ze geïnspireerd is op (maar, volgens mij, veel mooier uitgevoerd dan) de versie van Noel Harrison die over ‘A young girl’ zingt.   ‘A young girl’http://youtu.be/YK2wfs33trk   Waarom dit liedje en niet een ander, dat mij vijftig jaren terugbrengt? Ik weet het niet, het is niet te verklaren. Het is een gevoel van een nog onschuldig leven en iets wat niet specifiek te benoemen valt, maar wat samenhangt met mijn jeugd, die zich afspeelt in mijn ouderlijk huis dat langzaamaan ontvolkt wordt door oudere broers en zussen die hun weg naar een eigen, nieuw leven inslaan.   Ik zie me zitten op een taboeret met zwart gestreept simili-leder en glimmende inox-poten aan het pas geïnstalleerde bureau. De constructie is ingenieus bedacht door mijn oudste schoonbroer die, benevens een hart van goud, ook handen van hetzelfde edele metaal heeft. Zoals je kan zien op de bijgevoegde snapshot van onze bijna voltallige familie (onze oudste broer maakte immers de foto) hadden we een overdekt terras. Omdat naderhand bleek dat dit bouwsel weinig praktisch nut had, werd besloten om het toe te voegen aan de te kleine ruimte, die onze keuken was. Door de renovatiewerken werd onze kook- en eetruimte dubbel zo groot en kreeg de buitendeur die toegang verschafte tot het terras, een andere rol toebedeeld. Schoonbroer en handige Harry, die in feite François heette, schoot toen aan de gang en transformeerde het deurgat in een handige inbouwkast, met bovenaan twee boekenplanken, dan een plank met de onafscheidelijke radio, daaronder een kleine barkast met een klapdeur die je kon neerlaten en daardoor het schrijfblad vormde van het met groenvilt overtrokken bureau. In de onderste kast vonden mijn schoolboeken onderdak.   Boudewijn de Groot zong over een meisje van zestien. François was zes jaar eerder met mijn oudste zus getrouwd. Zij was toen negentien, maar ik durf te wedden dat hij haar al kende toen ze nog zestien was, ‘zestien lentes zo pril …’

Marc M. Aerts
1 0

Realistische dromer 'Carpe Diem'

Mijn droom ‘Les Colombiers ‘ werd realiteit Een dag als deze, met schrijnende nood voor opvang van personen met een psychische beperking, deed me ontwaken uit mijn droom en werd realiteit. Op de verkeerde plaats, verkeerd behandeld, verkeerd begrepen, verkeerd bekeken… Ik zou, wou en moest deze groep van, als kwaad afgeschilderde personen, onder mijn vleugels nemen. Met een doel: Hulp en steun aan mensen met een psychische of andere beperkingen, aan te bieden. Opdat ze zich opnieuw beter voelen, in begeleid wonen, aanvaard, bemind, gerespecteerd… Begrip voor sociaal 'zwakkere' mensen, aan hen die niet in staat zijn om zelf de kost te verdienen, een gebrekkige gezondheid hebben, zich in financieel zwaar weer bevinden en weinig of geen steun ondervinden van familie. Nu 25 jaar later, tussen en met deze personen, in mijn project te hebben doorgebracht, Droom ik van een groot eiland, om al de vriendschap die ik van hen krijg, samen daar te planten, weg van onbegrip, van benadeling… Het lukte mij ooit, om hen in een juiste omgeving te plaatsen , met de juiste mensen. Waar hun nieuwe geluk en hun terug gevonden zelfvertrouwen, weerspiegelen kan, zoals in een immense zee. Een eiland zonder tralies, uitzicht op vrijheid , begeleid door zonnestralen… Helaas zijn er nog steeds enorm veel onbegrepen mensen met een psychische beperking , die men letterlijk en figuurlijk in hokjes plaatst. Mijn levenswerk, gegoten in boekvorm, zou er iets prachtiger bestaan? NEE! Tijd en geld te kort, om mijn boek te realiseren .. Niks kan me weerhouden, in woorden uit te drukken, wat de “zonder beperking levende’ maatschappij NIET wil zien, lezen, horen….   Bronnen: carpediem.bredene@gmail.com https://sites.google.com/site/carpediembredene www.facebook/pages/carpe-Diemvzw

Carpe Diem
44 0

Heeft u dat ook? '3'

Je hoort iets, je ziet iets, je ruikt iets en, patsboem, daar is - heel even maar - dat beeld uit je jeugd of kindertijd? Je wordt in de teletijdmachine van professor Barabas gegooid maar ook dadelijk weer terug naar het heden gekatapulteerd. Heeft u dat ook? Ik alleszins en ik heb dat vooral met liedjes. In januari 1952 heeft de wereld een reden méér om überhaupt te bestaan, want ik word geboren. Dit gebeurt bij mijn ouders thuis en niet in een of andere kraamkliniek. Nummer 8 ben ik en naderhand zal blijken dat ik het kakenestje zal blijven want er volgen geen nakomelingen meer. Het kakenestje, een mooi woord trouwens dat mij vroeger niet bekend was. Mijn vader gebruikte het woord ook niet, want hij stelde mij altijd voor aan zijn vrienden, kennissen en collega’s als: ‘Dit is onze benjamin’. Waarop ik dan riposteerde ‘nee pa, ik heet Marc en niet Benjamin’. In die eerste maand van dat gezegende jaar is de wereld zoals altijd in beweging. De Koreaanse oorlog woedt al anderhalf jaar en het zal nog even lang duren eer hij afgelopen is. Het is een onderdeel van de Koude Oorlog. Het komt tot een wapenstilstand, maar nooit wordt een vredesverdrag gesloten. De Koude Oorlog is een rode draad doorheen de geschiedenis van de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw. Gelukkig is er de muziek om ons wat vrolijker te stemmen. Eén van die merkwaardige stemmen is deze van Louis Prima. Mogelijk ken je deze zanger/trompettist/acteur en liedjesschrijver als het keelgeluid van ‘King Louie of the Apes’ uit Disney’s Jungle Book. http://youtu.be/CEEPaYD5KZE Deze animatiefilm dateert van ’67 maar ik ken Louis al van negen jaren eerder. Hij had toen een wereldhit met het liedje ‘Buona sera’. Vijf weken lang stond dit nummer aan de top van de Vlaamse hitparade en ik was helemaal weg van dat melodietje. Hier volgt mijn verhaaltje met muzikale inslag: Op de dag van O.H. Hemelvaart, een mooie meidag in 1958, doe ik mijn eerste communie. Na het feestmaal ga ik, zoals alle brave kindjes, buiten spelen. Mijn gekke tante Nènè roept even later: ‘Kom Marcske, uw liedje wordt op de radio gespeeld.’ Ik loop zo vlug ik kan naar binnen. Blijkbaar doet mijn imitatie van Louis hem grote eer aan, want er wordt flink in de handen geklapt door de aanwezige familieleden. Optreden afgelopen, dan maar weer in de tuin dollen. Er gaan geen drie minuten voorbij of mijn tante is er weer: ‘Nu moet ge eens horen, uw liedje wordt weer gespeeld’. Ik vlieg als een bliksemschicht weer het huis in en doe weer mijn best om Louis na te bootsen. Applaus weerom. Dan maar voor de derde keer het erf op. Drie minuten later: je gelooft het niet. Nènè is er weer en Louis ook. ’Buona sera signorina, buona sera. It is time to say goodnight to Napoli. Well it’s hard …’ … en plots stopt de muziek. http://youtu.be/wZZeTACFb5Y Is de radioverbinding uitgevallen? Of heeft een zekering het begeven na zo’n intens optreden? Er is toch geen snoodaard die de stekker uit het stopcontact heeft getrokken? Iedereen begint te lachen. De zotte tante toont mij de papieren hoes van een 45-toerenplaatje, met daarop de glimlachende tronie van Louis. Mijn familie neemt mij flink beet die donderdag. Ook op een donderdag, 24 augustus 1978, sterft Louis op achtenzestigjarige leeftijd. Als er een hemel voor entertainers bestaat, dan heeft hij die wel verdiend. Ik hoor Louis al zingen ‘Oh, when the Saints go marching in…’

Marc M. Aerts
4 0

PLUIMEN

  De oude man zit op de rand van het smalle bed met zijn handpalmen open op zijn knieën. Oplettend bestudeert hij het geschonden parket tussen zijn bed en het raam. In het geometrische patroon van de planken herkent hij het grondplan van zijn leven. Hoe het lot hem aanvankelijk gunstig was met een zwierige krul naar boven en dan ongenadig toesloeg met een diepe kerf, een scheur. Het parket naast de scheur is gekarteld als de groeven in zijn oude buik, de lijnen in zijn knieholte. Hij buigt zich dieper voorover, zijn voorhoofd raakt haast de grond. Uit het uiterste barstje links bij de overgang tussen twee planken, vlakbij een splinter, komt geluid. Hij gaat er langzaam bij liggen en legt zijn oor op het barstje. Hij is verrukt, daar beneden is het leven. Toeterende auto’s, schelle latinomuziek en joelende jongeren, ze springen vol zijn gehoorgang binnen. Daar beneden is Irma en Irma danst de samba, in een paarse Rio de Janeiro bikini, met pluimen, witte en diepblauwe, hyacintblauwe pluimen. Hij sluipt door de barst, zijn hartslag versnelt, zijn armen en benen lenig en soepel als vroeger. Zijn ogen staan donker en diep, zijn verhitte mond is op zoek naar de volle lippen van Irma. Lichtjaren lang is hij op zoek naar die lippen, die mond. En dan stijgt plots klef, zuur slijm naar boven. Hij kokhalst en ligt in bed. Irma schudt de hoofdkussens op. Naast hem in het harde tl-licht staat zijn rollator met vooraan een mandje, daarin zijn opgerolde krant, zijn tanden, een pen, een foto van een vrouw, een leven. Zorgvuldig zichtbaar op de zijstang plakt een bumpersticker, ‘I love samba’ staat er op.  

Hilde Devoghel
4 0

Ander bier (slot)

Hij kreeg ook veel terug. In haar laatste brief meldde Fatima dat er in dierenspeciaalzaak Vogelparadijs te Mariakerke een koppeltje Timorese zwarte duiven te koop aangeboden werd. Met de woorden ‘tot gauw’ was ze geëindigd. Plan B en geen gele wisselsmeerders of spoorwegpolite zouden hem dan bij zijn pietje hebben. Kalkoengroene anorak aantrekken en kruipen zoude hij, achter in een oplegger, geladen met onderdelen bestemd voor de Volvo-fabriek te Mariakere. Een Roemeense trekker bracht hem wel naar zijn bestemming. Eerst naar Vogelparadijs om die duiven te aanschouwen, te controleren of die beesten wel degelijk zwart genoeg waren. Helaas, ‘gesloten wegens vogelgriep’ en Somers trok te voet verder, belde na drie straten stappen krop-in-de-keel aan bij Fatima. Er werd niet gezoend toen ze opendeed. Ze had rode wangen, Marokkaanse krullen, hoestte. “Gewoon de griep”, stelde ze hem gerust, zette gemberthee, sprak met schuchtere stem, ook over de gekke sprongen in zijn brieven, “alsof je de passages met ondraaglijke schoonheid weggelaten hebt”.   Hij zweeg, zoals altijd, moest, nodig, staarde op het toilet naar de lavendeltakjes. Daarna naar zijn nietszeggend exemplaar, ervoer beroering –de ranzige rijmelaar- door de geur van het afgescheiden vocht, net zoals eergisteren gisteren slecht schuimend theewater everyday unipils.   Somers ging het niet meer proberen, haar te strelen met zijn beide ogen; hij verstarde, slibde dicht. Had hij zich zitten volvreten met vette gedachten, spande zijn broek nu te veel en was dat op zijn prostaat gaan drukken waardoor hij wee voelde in de ballen?   Neen, hij wilde weg, weg van alles, vluchten, kop schouders lijf ergens langs de sporen laten liggen. Of alles in een doos met een proper etiket : twee dozijn belogen lezers + één belegen loser.   "Voor het containerpark", grinnikte Arabella.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks  'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
0 0

Ander bier (5)

19 februari, half zes en hij was van plan om deze avond een volgende, bloedhete brief met bestemming Mariakerke te schrijven (zeker geen sprookje over ene Ignace en het vallen van een appel naast een boom), speelde wat met zijn mansdeel en de gedachte aan een rauwe versie van The Love Boat, aan een kapitein met een zweepje, ellenlange, striemende ankerkoorden, zeegepaar, neptunuszaad, illegale lozingen, Ace die Julie McCoy mocht fotograferen terwijl ze het sap en de wondjes likte. Hij zocht nog een passend einde, een tedere nuance na de noodzakelijke pijn doch, hic et nunc, het duivenkot diende eerst gereinigd te worden, best nog voor zijn vliegend grijs terugkeerde.   En vlug want Arabella, de verantwoordelijke van de kringloopwinkel lag al in zijn sofa. Ze was een sociaal wezen, getrouwd, kinderloos en had een aardig balkonnetje. Met enkel een strookje scharlaken over haar rijpe vrucht lag ze daar, als inspiratiebron, als ongenaakbare muze dankzij wie Somers de brief zou kunnen schrijven en zijn Oostvlaamse droom stilaan verwezenlijken. Meer niet. Hij zou haar te drinken aanbieden uit het witte flesje dat er vandaag net iets boller uitzag terwijl zij, net als Danaë, slechts door de gouden regen bevrucht konde worden. “Van squirting word je echt niet zwanger”, opperde Arabella. Ze wierp het zwarte voetbalbroekje in zijn richthing en streelde daarna haar langorige konijntje dat ze medegebracht had. Somers glimlachte doend alsof hij alles begreep. “Gouden regen is een plant met giftige peulen”, antwoordde hij dwaasweg.   Hij schonk zichzelf een Gulden Draak uit maar het viel hem zwaar, keek op. Arabella lag er niet meer, had daar ook nooit gelegen in zijn sofa. Zieke verzinsels. Ze was na het werk gewoon naar huis gestapt, had nog naar Somers gezwaaid en iets verder zes blikjes voetbalbier gekocht, misschien zelfs enkele flesjes Vedett Extra Blond, die nobele godenpis. Voor haar man, die zeker was : Aalborg werd een gemakkelijke prooi voor Club Brugge.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks  'Ignace Somers' 

Bernd Vanderbilt
3 0

Ander bier (4)

De dag was weder braaf voorbijgetrokken zonder zich al te gek te vertakken in rare verbeeldingen en Ons Kookboek, dat aan vier euro geprijsd stond, was verkocht geraakt, aan een man zowaar. Die had lang voor het boekenrek gestaan. Had hij gewoon vol bewondering staan kijken hoe Somers alle boekjes vol recepturen perfect van klein naar groot gerangsschikt had? Of toonde hij daadwerkelijk een zeer grote interesse in de kookkunst, daarbij vrijwillig de slaaf geworden van enkele potten, pannen en een al te scherp patattenmesje?   Een Safirglas had Somers voor zichzelf gekocht, voor de luttele prijs van vijftig cent. Die steenezels, die heden ten dage overal verkondigden dat Cara Pils ‘cultureel erfgoed’ was, hadden het goed mis. Als men echt van vergane glorie, culturele teloorgang, zelfs van een misdaad kon spreken, dan betrof het veeleer het ter ziele gaan van Safir. De unipilsmagnaten, die op hun vergaderingen enkel Château Pénétrus dronken en zich niet zouden verlagen om ook maar één druppel van de door hen tot bier verklaarde unipils door te slikken, hadden erover beslist : Safir is voortaan zaliger. Geen kat die daar verder over gekraaid had. Enkel Bierman, de imaginaire vriend van Somers, had het op zijn blog over “de lafhartige moord op een pils met een zeer volle en aangenaam bittere smaak”. De sinds 1939 gebrouwen ‘hoerenkotpils’ was niet meer en Somers staarde naar het glas, niet wetende wat ermee aan te vangen. Gewoon ter nagedachtenis dan, ook aan de twijfelachtige etablissementen in de streek waar hij opgegroeid was : de Red Light te Maldegem en de Clio te Donk, waar pastoor Dewitte vaste klant was in de jaren van Somers’ laatste geloofstwijfel. In het college hadden ze nog geprobeerd het erin te wrijven, door meditatie die weifelaar het licht te laten zien, maar hij had daarbij alleen maar aan fonkelende ogen boven in gehoorzaam, controleerbaar vlees met blonde lokken kunnen denken.   In de Clio en de Red Light, daar dronken de klanten al decennia lang Safir omdat ze die chichi bubbles kotsbeu waren en ook de 'nieuwe dienster' spoelde die andere zaken het liefst door met dit gerstevocht van brouwerij De Gheest. Gewoon parate kennis prevelde Somers, alsof hij aan de leegte uitleg verschuldigd was. Hij zoude er nooit durven binnengaan Somers, die toen al een mensenschuwe, het uitsluitend met zichzelf doende snaak was. Al had hij ooit wel eens aan een ezelin als liefdessubject gedacht, en die siliconeloze meisjes uit de Snoecks, die woonden veel te ver.   Safir deed hem ook aan zijn verwekker denken. Die man, zijn vader dus, had op een dag besloten om bij Discount Maenhout te Sijsele tien bakken te kopen van dit merk. ‘In reclame’ en hij zoude zo wel zeventig Belgische franken besparen. De aankoop konde maar net achter in het voertuig met nummerplaat C.492.P, een grijze Ford Taunus ‘stationwagon’ (best op zijn Engels uit te spreken). Zijn vader, een vrouwenzot, met straks in de kelder tien bakken cabardouchebier, mama's zwijgen, krampachtig, Croky, mijmeringen en een zakje paprika chips voor de jonge Somers.         'Ander bier', een kortverhaal in de reeks  'Ignace Somers'

Bernd Vanderbilt
2 0

Ochtendritueel

Ik droom over mooie woorden die mijn hart veroveren, die mij nieuwe hoop schenken in een wereld van onrust en verderf, van moord en zelfmoord, een wereld van alleen maar zwarte haat. Mijn houding is steeds die van een soldaat, zichzelf beschermend tegen een onverwachte aanval van de vijand. Hoge muren heb ik opgetrokken rondom mezelf opdat ik veilig zou zijn, veilig maar alleen. Het alleen zijn biedt me rust en geborgenheid, maar het stilzwijgen van mijn verstijfde lippen kwelt mijn ziel. Het is alsof ik niet meer spreken kan. Jaren geleden, toen ik nog een kind was en mezelf stevig vast hield aan mijn moeders rokken vermeed ik al elk contact met ieder ander mens, nergens was het veilig. Zelfs niet aan die stevige rok van mijn moeder, want op een dag was mijn moeder weg, als ware ze opgelost in het niets. Ik was amper vier, een klein angstig meisje, zoals ik me nu nog steeds voel, en heb haar sindsdien nooit meer gezien. Ze liet een leeg, gapend gat achter in mij, dat ik nooit, ondanks al mijn pogingen, opgevuld kreeg. Al jaren zwerf ik alleen rond, op zoek naar iets anders dan eenzaamheid en stilte, op zoek naar iets anders dan alleen mijn eigen gedachten, íemand anders. Maar makkelijk is het niet, om die veilige burcht te verlaten en de wijde wereld in te trekken. De zon schijnt zachtjes tussen de spleten van het gordijn. Ik knipper met mijn nog steeds vermoeide ogen en kijk op het klokje dat op het houten kastje naast mijn bed staat, half zeven. Met een korte draai leg ik mezelf op m’n  rug en luister naar het fluiten van de vogels die hun nest bouwden in de boom die langs het huis staat. Een oude sterke eik met prachtig krachtige takken en blinkend groene bladeren, zijn wortels diep gevestigd in de grond zodat hij vele jaren en vele stormen kan doorstaan. God weet hoe oud die boom al is. De plek naast me is leeg en koud, er ligt enkel een boek. Het boek maakt mijn leven iets verdraagzamer, niet zo eenzaam. Het geeft me de kans voor een tijdje te verdwijnen in iemand anders´ verhaal, iemand anders´ liefde, geluk of verdriet. Het is als een vluchtroute, weg van deze harde en gure realiteit. Het is een poort naar dromen over de mooie dingen in het leven, de liefde waar ik zo vurig naar opzoek ben, maar ook de pijn die beschreven wordt waardoor ik besef dat ik niet alleen ben met mijn verdriet, dat ik niet alleen ben met een ziel die dwaalt en af en toe verloren loopt. Ik schop het deken helemaal tot aan het voeteneinde, ga rechtop zitten en sleur mezelf uit mijn warme bed, de wereld tegemoet.  Mijn lange blonde haren liggen verward en lusteloos op mijn schouders. Met een soepele beweging neem ik mijn haren vast en stop ze vakkundig met een rekkertje in een warrig dotje vanboven op mijn hoofd, zo draag ik mijn haren het liefst. Mijn bleke handen wrijven de overgebleven slaap uit mijn ogen en strijken de overblijfselen van mijn nachtmerries weer mooi glad. Ik zucht en trek de gordijnen die voor het raam boven mijn bureau hangen open. De felle zon brandt in mijn ogen en met een lelijk vervormd gezicht draai ik mijn hoofd weg uit de stralen. Na enkele seconden ben ik gewend aan het prikkende licht en zet mijn ochtendritueel langzaam verder. Ondertussen is de Kolonel statig op mijn bed komen zitten en kijkt me met hongerige ogen aan, af en toe een miauw uitbrengend. Ik loop naar hem toe en geef hem een aai op zijn zwarte kop. Voor ik naar de keuken loop om de Kolonel een maaltijd voor te schotelen trek ik nog even het raam open waarna een zachte bries mijn huid doet tintelen. Niet alles in dit leven is lelijk en slecht, bedenk ik mezelf. Ik blijf even staan en geniet van de zachte streling, het zachte fluisteren van de wind langs mijn oren, sluit mijn ogen en word even helemaal stil en leeg. Ik hou op met denken en piekeren. Ik sta daar maar wat te staan, zonder meer.

Cienn
33 0