Lezen

Noten kraken

Later zou Linda haar naam veranderen in Linde, maar toen ze zes was dacht ze daar nog niet aan. Ze vond de namen van haar zusjes en van sommige meisjes op school mooier, maar ze wist nog niet dat je daar zelf iets kan aan doen.   Ze had wel al een besef van de plaats die ze had tussen de mensen en dat het leek alsof zij de enige was die niet iemand naast zich had. Zo hadden haar oudere zusjes Annie en Rosie elkaar omdat ze een tweeling waren en haar jongere broertjes Jo en Jan ook want die waren amper een jaar na elkaar geboren. Bovendien waren ze jongens en dat hield hen samen. Haar ouders waren samen en haar grootouders ook.   Wat niemand wist, was dat Linda een zusje had dat Isabelle heette. Niemand kon Isabelle immers zien en dus ook niet hoe mooi en hoe lief ze was en dat ze lang bruin haar had en een lichtgele jurk met een wijde rok en witte linten droeg.   Isabelle ging overal mee, naar de lagere school aan de andere kant van de stad, naar de kruidenierswinkel naast hun huis om brood en kaas, en naar de poort een paar huizen verderop waar ze groenten en fruit verkochten. ’s Woensdags ging ze soms mee spelen bij een vriendinnetje wiens ouders een meubelwinkel hadden en waar ze als de ouders het niet zagen in de toonzalen gingen spelen.   Op zondag mocht ze mee eten bij oma en opa, en daarna in de tuin en de veranda spelen. Als het regende keken ze naar de kleine zwart-wit tv in een onhandige hoek van de kamer. Onhandig, omdat de deur naar de keuken uitgaf op die hoek en als opa binnen zou komen, zou hij als er een tekenfilm speelde, de uitknop indrukken. Opa vond tekenfilms onnatuurlijk en ongezond voor kinderen.   Op zo’n zondagmiddag zaten Linda en Isabelle samen op de bank naar de tv te kijken. De jongens zaten op de grond en de tweeling zat op een stoel aan de tafel. De meisjes hielden de deur in het oog waarachter druk gepraat werd. Meer dan druk, de stemmen van opa en van hun vader werden luider en gingen soms gelijk de hoogte in en dat bedierf een beetje het heimelijke plezier van het kijken naar Popeye the Sailorman. Het voordeel was dat ze de hele aflevering konden uitkijken en daarna nog naar een film over mensen in een grijs stoffig land, die een aap en een leeuw hadden.   Net toen de aap teruggevonden werd nadat hij gestolen was door een donkere halfnaakte man en hij zich rond het bovenlichaam van een blonde vrouw in een safaripak klampte, ging de deur naar de keuken open. In het deurgat stond mama met vijf wollen jasjes over haar arm en evenveel bivakmutsen. Achter haar was het stil.   Rosie zette de tv uit en de andere kinderen haalden hun jas op bij hun moeder en trokken hem aan. Alle knopen moesten dicht en oma en opa moesten gezoend worden eer ze naar buiten mochten. De bivakmutsen hoefden niet. Isabelle hoefde geen jas aan. Ze nam geen plaats in, met vijf en ook met zes, konden ze gemakkelijk op de achterbank van de Mercedes.   Linda mocht bij de deur zitten, want ze werd soms ziek in de auto. Als ze overgaf, werd haar vader boos en dat wou niemand, dus mocht ze altijd naast de deur zitten. Ze kon dan het raam naar beneden draaien als ze lucht nodig had of ze kon snel uitstappen als haar vader bij een gracht stopte waar ze kon overgeven.   Ze hoopte dat ze niet moest overgeven want ze hadden die middag kip met appelmoes en gebakken aardappelen gegeten en het was zoals altijd bij oma heel lekker geweest. Maar nog meer wenste ze dat het niet zou gebeuren omdat haar vader er ontstemd uitzag en ze niet wilde dat hij door haar misselijkheid echt boos zou worden. Ze hield haar lippen stijf op elkaar en ze kneep langs de ene kant in Isabelles hand en aan de andere kant in de handgreep van de autodeur en zo hield ze het vol tot ze bij hun huis aankwamen.   Hun huis was geen gewoon huis. Het was geen rijhuis zoals alle huizen verder in de straat en het was geen huis in een tuin zoals bij oma en opa. Het was een grote garage waar mensen kwamen om hun auto’s te laten repareren. Beneden was naast de grote hal waar de auto’s in- en uitreden een bureau en een kleine keuken, waar mama eten maakte en soms de klanten begroette. Boven was een donkere woonkamer, een badkamer en drie slaapkamers.   Papa reed met de auto tot vlak voor de grote poort en iedereen moest blijven zitten tot de poort openging. Alleen Linda mocht eruit omdat ze zo bleek zag. Ze ging bij het roostertje in de goot staan omdat ze niet zeker was of ze zou overgeven of niet. Isabelle bleef bij haar.   Ze stonden hand in hand in de koele vooravondlucht en Linda rilde. Ze keken naar de auto die door Papa naar binnen werd gereden en hoe hij moest zigzaggen tussen de auto’s van klanten die klaar stonden om morgen opgehaald te worden door hun eigenaars. Ze hoorden het schuren van metaal tegen metaal en dan hoe papa heel luid begon te vloeken en te roepen dat het mama’s schuld was dat hij tegen de auto van dokter Kestermans was gereden.   Linda boog zich over de goot en kokhalsde, maar er kwam niets uit.   Later zaten ze allemaal boven in de woonkamer. Er kwam alleen licht van een staande lamp en uit de tv. Buiten werd het al donker. Mama lag op de bank te huilen en papa keek naar de tv waar veel fietsers kromgebogen over hun stuur te zien waren en dan snelle auto’s die veel lawaai maakten en soms praatte er een nette meneer of een mooie mevrouw en af en toe zong iemand een liedje over rozen of liefde.   Omdat er geen plaats was op de bank zaten alle kinderen op een stoel rond de tafel en keken ze mee naar het oplichtende scherm en probeerden ze het snikken van mama niet te horen.   Op de tafel stond een schaal met okkernoten en twee notenkrakers. De ene notenkraker bestond uit twee dikke lepels die je tegen elkaar moest duwen tot de noot barstte. De andere had een huisje waar je de noot in moest stoppen en dan aan een schroef draaien tot de noot geen kant meer op kon en kraakte. Linda had als eerste de notenkraker met het huisje te pakken en begon te kraken. Jan keek eerst boos toe, maar nam dan de andere. Samen kraakten ze zwijgend noten en deelden ze uit aan Rosie, Annie, Isabelle en Jo, die ze stil opknabbelden terwijl ze naar Louis Neefs keken. Iedereen hield van Louis Neefs, maar niemand zei wat.   Ze dachten niet dat mama zin had in okkernoten, maar voor papa legde Linda een hoopje opzij. Toen ze er tien had, trok ze er ook de velletjes af. De twintig bleke helften legde ze eerst in twee rijtjes op tafel en daarna deed ze hen in een rond kaasdoosje waarin ze eerst wat watten had gelegd.   Ze bracht het doosje naar haar vader die nu in de relaxzetel zat. Hij zag er niet meer boos uit, hoewel ook niet echt ontspannen en lief, maar toch kalm genoeg zodat Linda hem het doosje durfde aanbieden. Hij zei dat ze een braaf meisje was, nam een halve noot en keek knabbelend verder naar het nieuws.   Na het nieuws kwam de weerman en daarna Het Manneken, wat iedereen heel grappig vond, behalve Linda en Isabelle die hem eng vonden. Daarna was het bedtijd, de kinderen zoenden hun vader en de vader liet zich zoenen terwijl hij naar het voetbal keek. Alleen Isabelle gaf hem geen zoen.   Daar lag Linda aan te denken, net voor ze in slaap viel. Dat Isabelle papa geen zoen had gegeven. Dat Isabelle niet van papa hield.  

Christine Van den Hove
0 0

Geen ersatz gewenst

Ik kwam binnen, keek rond en zoals altijd zag ik het eerste ogenblik niemand, verblind door de collectief op mij gerichte ogen. Dan heb ik altijd de neiging om het heel stil uit te schreeuwen: ‘Ik heb jullie niets gevraagd!’ Ik voel me dan een indringer die binnenvalt in een groep onbekenden en als een vreemd element het biologische systeem van hun biotoop uit zijn evenwicht brengt. Ik probeerde me duidelijk voor ogen te houden dat ik omringd was door patiënten en dat die met verdubbelde spontaneïteit de wereld inkijken. Zo rustig mogelijk hield ik dus de blikken van mijn lijf tot ikzelf op een stoel zat, zij mij integreerden als deel van het verstoord interieur, de ogen van mij wegdraaiden en ik op mijn beurt kon meekijken naar diegenen die binnen en buiten liepen. Wel ging er op dat ogenblik niemand binnen of buiten. De muren waren hardblauw geschilderd om je in de diepste kelders van de oceaan te wanen. Een plafond zo hoog dat de afgebladderde verfkrullen nauwelijks opvielen. Stevige tafels en stoelen, bestand tegen een dreun.   'Ze is gedempt blond en niet onaardig. Haar leeftijd? Veertig, ze verjaart in juni. Een gemiddelde gestalte. Mollig, maar niet wat men dik kan noemen. Geëpileerde wenkbrauwen, althans toen ze nog thuis was. Naast de mond heeft ze een verbleekt, haast onopvallend litteken. Zelf denkt ze dat het van de waterpokken is die ze als kind had.' Met die signalementen moest ik het zien te rooien. Om te beginnen was er niemand onder de vier aanwezige vrouwen die niet onaardig was. Buiten die ene ginder, die hád wel iets. Waren het hun jaarringen? Ik zag een floers hun gezichten bedekken, die de versheid aantast. Misschien was de stroming in de bloedbaan gaan vertragen. Of zat het in het hoofd? Goed mogelijk dat ze zich tussen de stangen van vicieuze cirkels ingekooid voelden, gegijzeld in eigen lichaam met soms heftige dromen om er uit te stappen. Waanzin puilt langs de ogen naar buiten, wordt beweerd. Aan een van de tafels zat een dame, het haar vlekkeloos zwart als de nacht en keurig gekapt rond de oren. Ze had een lieflijk gezicht, geteisterd door de zenuwen en de medicamenten. Ze had gezelschap van een man die zijn uitstraling haalde uit zijn lederen laarzen waarvan de schachten tot aan de knieën reikten. Zij glimlachte sporadisch. Maar die emoties welden niet uit haar binnenste op. Het waren de spieren van de mondhoeken die zich verplaatsten. Ik hoorde hen gedempt praten. ‘Heb je nog problemen met de stoelgang?’ ‘Vorige week produceerde ik iets dat met het blote oog nauwelijks te onderscheiden viel van de omgeving,’ zuchtte ze. ‘En gisteren?’  ‘Jawel, met mondjesmaat.’ ‘En vandaag?’ ‘Er komt schot in.’  Van de drie overigen zou je kunnen zeggen dat hun haar laveerde tussen blond en afgeleefd. Die ginder tegen de muur was eerder oud te noemen, door de jaren latachtig verdund. Haar kin en de klep van een baseballmuts concurreerden in het verst vooruit steken. Een elleboog op tafel, arm en hand verticaal opgericht, scheen ze een heilgroet te brengen, met tussen de vingers een sigaret, langdradig onder de opstijgende rooksliert uitgerekt. Ze gaf  zichzelf een omslachtige uitleg en luisterde daar aandachtig naar.   De vrouw met de rug tegen de ramen van de binnentuin had mooi kunnen zijn, ware het niet dat ze ingepakt zat in te veel vlees. Ze was bezig haar buitenmuren nog aan te dikken met sukadekoek. Tamelijk blond omkranst hoofd, door de muren heen kijkend, zat ze kennelijk op niemand te wachten. De vierde, levenloos haar in pieken, had een slobberig trainingspak aan en converseerde zwijgend met een mannelijke patiënt. Geen van hen zat op mij te wachten, ze keken me niet aan. Dan ineens kwam ze binnen. Ze was inderdaad niet onaardig, het meisjesachtige snijwerk van haar trekken was nog niet aangetast door het slijten van de jaren. Ofschoon haar blond haar een grijze schijn begon te krijgen, was ze toch nog jong genoeg om mijn kandidate te zijn. Pauserend bij elke aanwezige, ook bij mij, keek ze de zaal rond en nam een stoel. Ze droeg een zwarte spannende kousenbroek en elegante riemschoenen. Met die mantel strak rond haar lichaam vroeg ik me af of ze van ergens uit haar kamer gekomen was en na nog een blik op de algemene situatie op het punt stond de ontmoetingszaal te verlaten en de straat op te gaan. Zou wel niet lukken met die bewakingscabine naast de ingangspoort. Ze begroef haar neus in de haren van de pelsen kraag, een mink, of gewoon een konijn of synthetische rommel, trachtte ik te raden. Allicht strelingen over wangen en neus die ze elders niet meer te goed had. Ze sloeg de benen over elkaar en duwde haar handen in de met pelsomzoomde zakken. Dus ze wachtte. Het duurde geen vijf minuten. Gehaast stond ze op en liep de deur uit. Alles bij elkaar kon die blonde niet onaardige vrouw mij natuurlijk onmogelijk kennen. Ik vroeg me af welke beschrijving mijn collega van de dagelijkse treinreis naar het kantoor in de stad haar van mij gegeven had en hoe ze mij van daaruit kon identificeren. Kijk nu, daar was ze ineens weer. Ze keek de zaal rond, met gecontroleerd ongeduld. Ik was er zeker van dat ze iemand zocht of verwachtte. Ze zette zich neer en drukte de handen in de zakken van haar mantel. Niets hield haar vast aan de tafel, zelfs niet aan de stoel, geen wiebelende benen, maar de voeten tegen de tegels gedrukt, startblokken om recht te veren van zohaast de bekende bezoeker opdaagde. Het duurde weer niet lang of ze kwam inderdaad met een schok recht en ijlde naar buiten. Ik keek nog eens rondom mij. Als zij het niet zou zijn, waar bleef dan mijn blonde niet onaardige vrouw, begon ik zelf ongeduldig te worden. Tot de mink verkleed in vrouw alweer in het deurgat kwam staan. Ze overschouwde nu ronduit berispend de zaal. Is zij nu mijn kandidate of niet, groeide mijn twijfel. Weer eens de stoel op, stijfjes, armen tegen het lijf gedrukt en wachten. Ik waag het er op, besliste ik.   In de vroege ochtend geperst tussen de rechtopstaande pendelaars thuis-werk-thuis in de middengang van de treincoupé ontmoeten we elkaar haast dagelijks. Van ver een groet met een handzwaai. Als we dicht genoeg bij elkaar staan, lanceren we al eens over de koppen van de andere forensen heen een machteloos gemopper over het hardnekkige slechte weer. ‘De politie moest er maar eens naar kijken,’ vind ik dan en hij beaamt. Dus een kennis, mag ik zeggen, die net als ik het beste van zijn leven slijt in een kantoor in de hoofdstad. Wederzijdse sympathisanten van het zelfde beschoren lot. Op de duur zijn we met elkaar zo vertrouwd als waren we familieleden, terwijl je nauwelijks weet waar de andere woont. Die keer was het op zijn gezicht te lezen. Hij wrong zich tussen de schouders en de armen van de reizigers en kwam er helemaal voor bij mij staan. ‘Ik heb met haar definitief gebroken. Het was al een hele tijd aan de gang. Voor de kleinste onbenulligheid maakten we slaande ruzie zonder ook maar een woord te zeggen. Maar zij wil er niet van weten, ze heeft het in haar hoofd gestoken en is opgenomen in de psychiatrische. Ik kan haar niet onder ogen komen, maar blijf bezorgd om haar. Ik ben geen onmens. Ik weet niet hoe ze zou reageren: me krijsend naar de keel grijpen of op de knieën vallen en smekend janken om de hele instelling op te schrikken. Doe me een lol en ga eens kijken hoe ze het stelt. Gewoon eens polsen. Ik zorg er voor dat ze weet van je komst.’   Ik stond op en ging naar haar toe. Aan haar ogen te zien was ik een inter-oceanisch containerschip dat op het punt stond haar roeiboot te rammen. Ik dacht alsnog rechtsomkeer te maken, maar vermande me en ging voor haar staan. ‘Excuseer, kijkt u naar iemand uit?’ ‘Ja.’ ‘Ik heb een ontmoeting met Ofelia. Bent u Ofelia?’ ‘Dat gaat jou niks aan.’ ‘Tja, u hebt beslist iemand anders op het oog. Maar hoe weet u dat u op mij niet wacht?’ ‘Ik wacht al twee maanden, elk uur, op mijn vriend en die heeft bepaald een andere smoel dan jij. Ik hoef geen ersatz.’ Ze drukte haar neus in de mink, sprong op en liep naar buiten.   Guido De Schrijver

Guido De Schrijver
0 0

Svetlana

Ik keek naar hem terwijl hij de trappen afdaalde en verdween achter de muur. Pas nu voelde ik hoeveel pijn de snee in mijn voet deed. Ik keek naar mijn teen. Bebloed. Ik heb in weken niet zoveel bloed gezien. Ik keek rond en ademde diep in. Ik was blij. Blij dat de pijn in mijn teen meer pijn deed dan de pijn diep van binnen. Mijn mond was verdoofd. Waarschijnlijk door de wodka die ik nog snel naar binnen glipte voor hij de deur opendeed vanmiddag. Ik had geen spijt. Niets in me zei dat ik iets doms had gedaan. Nee. Dit was normaal. Doodnormaal. Ik zocht naar mijn kleren en bekeek de grond. Kleine stukjes glas glinsterden in het gekleurde tapijt. Zijn geur hing nog in mijn haar. Ik vond geen beter woord om hem te beschrijven dan Londen. Het echode door mijn hoofd. Londen. Londen. Londen. Stop. Stoppen met dromen. Snel kleren aandoen. Tussen mijn teen stak nu een bebloed stukje zakdoek. Helderrood. Rood. Roder dan het tapijt. Roder dan mijn hart. Roder dan mijn lippen waren op dat moment. Ik voelde ze niet meer. Wodka, pijn en verdoofde lippen. En net als toen zit ik nu weer te drinken en kijk naar het bloed dat net uit mijn neus is gekomen. Rood. Op zo’n dagen wou ik dat ik uit kon slapen. Maar op sommige momenten lijken andere dingen belangrijker. En dit is waarom ik hier nu zit. Recht voor me uit kijkend. Hopend dat hij mijn hand neemt en enkel met me gaat praten. Nee. Nooit is het zo. Ik voel zijn knie tegen de mijne en krijg het warm. Ik sluit mijn ogen. Voor ons staat er een tv. Rond mij voel ik kussens. Maar dit is geen woonplaats. Nee, dat is het zeker niet. Even vergeet ik waar ik ben. Dat heb ik de laatste tijd vaker. Enkele seconden lang ben ik er even niet meer. Mijn geest verlaat mijn lichaam en enkel het vlees blijft over. En ik keer weer terug. Hij kijkt naar me. Ik laat een glimlach zien. Ik probeer zo hard om normaal te doen dat het waarschijnlijk vreemd overkomt. Ik weet dat het gaat gebeuren. In minder dan dertig seconden heeft hij mij ontbloot en op zijn schoot gezet. Het enige waar ik aan kan denken is mijn haar. Zit het wel goed, die uitstekende lokken achter mijn oor. Ik probeer me te ontspannen. Mijn bewegingen lijken bestuurd te worden door onervaren duivels. Stijf. Klunzig. Ik laat alles maar gebeuren en laat alles toe. Ik ben een pop. De pop op wie hij verliefd moet worden. Daar doe ik het voor. Maar ik ben niet dom. Ik weet dat hij me straks nooit meer zal sturen en we elkaar niet meer gaan zien. Ik ben niet dom. Ik ben hier enkel omdat mijn lichaam me dwong. Niemand anders. Daarom dat zij mijn vijand is. Svetlana noem ik haar. En ik ben Anna.

Anna Borodikhina
0 0

Wellness

Een groepje luidruchtige dames van middelbare leeftijd maakt kennis met de saunacultuur in het thermen- en wellness centrum. Ze slaken gilletjes van verwondering en opwinding omdat het in de zweetcabines warm is en het water in het afkoel bad ijskoud aanvoelt. In die ambiance waag ik een poging om zen te worden. Het zwembad, dat er dampend bijligt op deze winterse dag, lijkt rust te kunnen bieden. De kin steunend op de handen hang ik aan de scherpe rand van het bassin naar de wit berijmde dennen te staren. Mensen lopen in en uit de Keno, de Himalaya Grötte en de Finse sauna. De nep grot met de zoutkristallen is het meest in trek. De ruwhouten deur zwaait onophoudend open en dicht alsof er zich het toilet van een druk bezochte discotheek achter bevindt. Of je in deze kunstmatig paradijselijke omgeving tot innerlijke rust kunt komen is weinig plausibel, mijmer ik. Veel tijd krijgt ik niet om daarover door te bomen want ergens schijnt er een appelsien, munt, perzik of limoen opgietsessie afgelopen te zijn. Op zoek naar verkoeling komen rood aangelopen gezichten vanachter de plastieken lamellen, die het binnen- van het buitengedeelte van het zwembad afscheiden, te voorschijn. Een trio dertigers doet zich opmerken. Luidruchtige kerels met bruine basten en kitscherige tattoos op armen en rug. Twee patsers zwemmen vlot naar de verste kant, de derde vordert traag. Zich aan de boord krampachtig vasthoudend, beweegt hij zich naar zijn kameraden. Hij kan niet zwemmen, stel ik vast. Als hij hen eindelijk vervoegt zijn ze al druk bezig, met andere ploeteraars als ongewilde toehoorders, elkaar te overtroeven met namen van skistations waar nu zeker nog geen sneeuw ligt. Hij mengt zich in het gesprek en blijkt ook twee plaatsnamen te kennen waar al evenmin sneeuw ligt. “Het is de opwarming van de aarde”, concludeert er één. Hij heeft thuis een “digibakske van Telenet”, en heeft het gezien en gehoord op National Geographic, “Zelfs de gletsjers zijn aan het smelten.” De deur van de Kelo blijft lang dicht hetgeen me doet vermoeden dat er niet veel volk binnen zit. Ik hijs me uit het water, droog me oppervlakkig af en stap de, met 300 jaar oude Scandinavische vurenhouten bomen opgetrokken, constructie binnen. Twee vrouwen liggen op de bovenste banken. Voor de rest is de grote ruimte rond het knetterende haardvuur uitnodigend leeg. Ik kies een hoekje uit dat ver verwijderd is van beide vriendinnen, draai de zandloper om en ga met één been opgetrokken op de rug liggen. Met gesloten ogen laat ik de behaaglijk droge hitte bezit van mijn lijf nemen. Het piepend geluid van de deur verstoort het zalig soezen. De drie lawaaierige musketiers doen hun intrede. Op de laagste bankenrij gaan ze zitten, zuchtend en blazend. Hij-die-niet-kan-zwemmen kijkt rusteloos rond zijn schichtige blikken afwisselend richtend op mij, de twee jonge schoonheden en zijn maatjes. Door mijn wimpers loerend veins ik te dutten, vrezend dat hij het onzalige idee zou kunnen hebben een gesprek te willen aanknopen. In het oranje licht van de vlammen, die wapperende figuren op het schuine houten plafond tekenen, wrijven zijn beide handen onophoudend over zijn bovenbenen, knieën en buik. Hij lijkt niet in harmonie met zichzelf en schijnt nauwelijks innerlijke rust in deze isotone atmosfeer, te zoeken. De beide gratiën houden het voor bekeken, ze knopen hun handdoek rond de verleidelijke heupen en verdwijnen door de donkere deuropening. Je zou denken dat hij daar heeft op zitten wachten. Over zijn schouder heen monstert hij mij, net alsof hij zich er van wil vergewissen of ik wel echt slaap. Ik blijf doen alsof. Door de spleetjes van mijn oogleden sla ik een merkwaardig tafereel gade. Het drietal wisselt, nu enkele decibels zachter, natuurkundige gegevens uit. “Warm hé, ik zweet nogal.” “Ik ook, komt door dat vuur.” “Ja, mannekes, zie dat eens hier.” Hij wijst met de kin naar zijn onderbuik, de twee spitsbroeders volgen zijn blik, hoofdschuddend grimlachend. Zijn rechterarm maakt ritmische op- en neergaande bewegingen. Verdraaid, die vetzak zit zich hier af te trekken, daagt het mij. Om de zoveel rukbewegingen onderbreekt hij de activiteiten en bouwt hij een rustpauze in. De handen zijdelings achter de rug op de bank geplaatst leunt hij puffend en briesend achterover. De cyclus herhaalt zich enkele malen. Ik heb er genoeg van. Met gewild opvallend misbaar kom ik recht uit mijn horizontale positie, pak de haarklem die aan de bandhanddoek geklemd zit, steek mijn vochtige rode haren op en verlaat haastig, met grote schreden de sauna. Tien minuten later, rustend in een relaxzetel, hoor ik hen langskomen, richting Brasserie. “Een Leffe, dat zal deugd doen“, kan ik opvangen.   “48.000 Euro, dat is wat John Cleese vraagt voor een lezing plus acte de présence van 2 uur op een managers event. En hij wordt druk gesolliciteerd.” Twee high level leidinggevenden kennen de prijzen en openbaren ze, of die dat willen of niet, aan de andere bezoekers van het Turks stoombad. In een bizarre mengeling van Engels en pseudo Nederlands begeven ze zich in de betegelde ruimte op het modieuze pad van brainstorming en experience sharing. “Waar ik nu mee bezig ben is het zoeken naar een goede invalshoek. ” “Hoe ben je op dat idee gekomen?“ “Op een avond, ik was op een beurs, heb ik deelgenomen aan een work-shop over self-coaching en time management. In wat die Tine Walravens daar zegde over ayuverda heb ik direct onontgonnen opportunity’s gezien. Zeker als je dat specifiek uitwerkt voor hr afdelingen, die zijn gevoelig voor alles wat met absenteïsme te maken heeft.” “Ja, dat speelt mee voor hun bonus, vertel me wat. Maar dan kunt ge niet short term gaan denken vermoed ik. Zijt ge nog in de pre study phase of doe je al aan commercial development?“ “Als ik de topic aan een goede case kan linken begint de machine volop te draaien.” “Weet je dat ik jaloers op jou ben? Ik vind het razend interessant met wat je daar bezig bent. Ik Heb al spijt dat ik mijn sabbatical year niet voor zoiets gebruikt heb.” “In het begin heb je natuurlijk een try out nodig, zien of het werkt.” “Snap ik, maar dat zit je al direct in een scenario van “no cure no pay” en dan moet ge wel een risk-factor gaan incalculeren.“ “Je moet een financiële basis hebben, maar overschat dat niet, de investeringen zijn klein. Als ik een bedrijfje op naam van mijn vrouw zet kan ze fiscale voordelen krijgen en mij op de payroll zetten.” “Je kan je als kleine ondernemer flexibel opstellen en werken op a.w. basis, dat is een service die de groten niet kunnen bieden.” “a-w?“ “As wish, ken je dat niet?” “Oppassen daarmee, het wordt al snel bekeken als een “nice to have” hebbedingetje en zoiets geven ze wel eens in handen van een uitgerangeerde die veel tijd heeft maar niets kan beslissen.“ “Ik weet het, dat sneuvelt uiteindelijk bij de senior business controller. Niet bij de bc op een lager niveau, daar kan je al eens met gaan eten, maar op een hoger level pakt dat niet meer.“ “Neen, daar lukt dat niet, die zijn te veel met hun bonus bezig.” “Ben je nu al zelfstandig bezig? “ “Neen, ik sta nog op de payroll, mijn opzeg zogezegd.“ “Bij ons is business development bezig met een studie om te bekijken of er op de markt behoefte is aan een synergie tussen technieken voor transport en networking.” “Dat kan natuurlijk altijd maar ik denk dat het een kleine niche is, als die er al is.“ “Maar daar moet je het nu juist van hebben. Het is dikwijls zo dat die behoefte er wel is maar dat de consumer er nog geen weet van heeft. In feite moet je de markt boetseren naar je product, eens dat uw challenge is wordt het boeiend.” “Dan kom je op het terrein van sales, not my cup of thea, je moet het idee, het concept en uiteindelijk ook het product verkopen.” “Je zegt dat nu wel maar at the end moeten we onszelf toch ook altijd verkopen, Je employability moet van je uitstralen of je valt uit de boot.” “Daar heb je een punt, dikwijls komt het daar op neer, de perceptie die ze van je hebben geeft de doorslag.” “Het is psychologie en daar zitten ze bij ons slecht. Te veel oude universitairen. Daar kan je niet veel mee doen, zeker niet bij de commercials en in feite nergens.” “Ze hebben wel ervaring.” “Dat telt niet, het is eerder een weakness die als een rem op nieuwe ontwikkelingen werkt dan een uitdaging voor vernieuwing.” “Kan je volgen hoor, maar neem nu de Guy Vernoppen bij mijn bedrijf, die is toch al 49 en hij kan nog echt mee.” “Maar die heeft geen pedagogisch inzicht en voor onze doelgroep heb je dat juist nodig. Die mannen zitten vast in hun voorbijgestreefde cursussen. Ik ben sociaalvoelend en zeker geen liberaal van de harde lijn, maar bij downsizing moet er te veel rekening gehouden worden met de unions.” ”Zeg, heb je dat boek “self coaching” van Dimitri Pieters?” “Ja, Dimitri Pieters is voor het moment hot en sexy. Absoluut incontournable als je mee wilt zijn. Ik heb vorige week nog een artikel over hem gelezen in BusinessWeek.” ,,Als je het kunt missen zou ik het willen lezen.” “Dan voor een week of zo, want voor mij is dat een werkdocument.” “Dat is ok. Ik heb al twee boeken gekocht voor de vakantie, ik weet nu al dat ik er één op het vliegtuig zal uitgelezen hebben. Normaal is mijn ritme één boek per week.” “Dat haal ik niet, maar bij mij is het dan ook meer in de diepte lezen dat ik doe.” “Ik kan er wel niet meer zoveel kopen via de job, tenzij het boeken zijn die ik direct the day after kan gebruiken voor een practical use, een seminarie bijvoorbeeld. Anders wordt het te moeilijk om die aankopen te verantwoorden op de expense account.” “Jan Meyers is nog zo een kei, in network coaching dan. Een referentie dezer dagen, je met zo iemand associëren opent veel deuren.” “Networking is uiteindelijk mijn ding niet.” “Het is een openliggende markt, je kan me geloven. Ik zie dat in de bedrijven en op events, veel managers zijn overgekomen vanuit een kleinere field-unit en hebben de backgound en de ability niet om hun contacten tot een win win situatie uit te bouwen.” “Van het Peter principe vind je overal voorbeelden.” “Coaching, dat is de key, ze worden niet goed gecoacht en bij elke re-engineering duikt dat op als een negatieve factor.“ “Er zijn er genoeg die “het” niet hebben, bij screenings komt dat naar boven.” “Onderschat ambitie ook niet, veel mensen hebben te veel schroom. De ingesteldheid waarmee je aan networking doet moet zijn: Hoe kom ik met drie kruiwagens en niet met één kruiwagen contacten naar huis. “ “En dat bereik je niet met een meet and greet. Als je de lat niet hoog legt kom je er niet.” “Mij met enkele rake key-words duidelijk profileren bij de end-user is mijn belangrijkste target.” “Heb je daar een deadline opgeplakt?” “Voor ik op vakantie vertrek moet dat duidelijk zijn, ik wil met een gerust gemoed kunnen herbronnen en de batterijen opladen.” De rest van de verhelderende conversatie gaat verloren in het gekletter van de koude douchestralen tegen de betegelde vloer.   Een half uur later lig ik op de massagetafel, een luxe die ik me regelmatig veroorloof. De knedende en strelende handen wisselen fluwelen zachtheid af met gedoseerde stevigheid. Ik geef me over en geniet.   In de kleedkamer doe ik een poging om mijn haren te fatsoeneren. Het lukt niet echt. “Het viel me al op in het restaurant, hoe kom jij aan zo’n mooie, stevig gespierde benen?” De vraag wordt gesteld door de glimlachende vrouw in de lichtblauwe badjas die uit de cabine met het zonnekanon komt. Onzekerheid, gêne, gevoel van ontmaskering, betrapping. Ik voel hoe ik begin te blozen. “Goh, dat is omdat ik vroeger een man geweest ben, het zijn mannenbenen”. Meer is er niet nodig om de schenkster van het compliment op haar beurt met een ongemakkelijk gevoel op te zadelen. “Oei, sorry, dat wist ik niet, excuseer.” Ik stamel een flauw “Het is niets hoor, toch lief van jou.” en maak me, bijna vluchtend, uit de voeten. Mijn haarspeld vergeet ik op het tafeltje aan de spiegel.

Nancy Del Fuego-Costales
11 0

Vaderverlies

"Geloof jij erin?" vraag ik haar met rooddoorlopen ogen. Ze kijkt me vragend aan. "Dat er iets is na de dood", leg ik haar uit. Femke slaakt een diepe zucht, alsof ze vermoeid is door het horen van de vraag. "Ik heb er nooit echt bij stilgestaan", vertelt ze me enigszins verontschuldigd. Het is even stil tussen ons. Afwezig trek ik het donsdeken wat hoger over mijn knieën. "Bedankt dat ik zo laat nog mocht komen", breek ik de stilte. "Och, meid toch", klinkt het en ze pakt me stevig vast. Sinds jaar en dag zijn Femke en ik de beste vriendinnen. Haar warme aanraking zorgt ervoor dat ik mijn tranen niet langer kan bedwingen. Langzaam voel ik hoe mijn ogen zich vullen met water en hoe mijn zicht beetje bij beetje verdwijnt. De warme druppels vinden langs mijn wangen een weg naar beneden. Ik realiseer me dat ik Femke een uur geleden opbelde om samen te praten, te huilen, in de hoop dat iets me beter zou doen voelen. Maar zelfs in haar aanwezigheid is het laatste sprankeltje hoop volledig verdwenen. Hoe kan ik mij hier verdomme ooit over heen zetten? Hoe kan het nu ooit nog goedkomen met mij? Voor het eerst vandaag voel ik geen druk om te vechten tegen de tranen die zich in mijn ogen vormen. Na die vreselijke chaotische uren, kan ik mijn emoties nu eindelijk de vrije loop laten. Minutenlang rust haar hand op mijn rug en baant het zich een weg van de ene schouder naar de andere en terug. Het simpele gebaar zorgt ervoor dat ik weer tot mezelf kom en mijn tranen weet op te bergen. Ik ga op mijn rug liggen op het bed en kijk haar zuchtend aan. Haar trillende onderlip verraadt dat ze alles het liefst zelf zou uitroepen tot ze zich beter voelt, maar ik weet dat ze zich sterk houdt voor mij. "Ga je wat kunnen slapen vannacht, denk je?" klinkt het, terwijl ze haar hoofd in mijn richting draait. Ik haal mijn schouders twijfelachtig op. Mijn gedachten zijn amper bij te houden, ik krijg de ene flashback na de andere voor mijn ogen. Zal ik hem echt nooit meer zien? Opnieuw voel ik een krop in mijn keel, maar ik doe er alles aan om die tegen te houden. Je hebt al genoeg geweend vandaag, zeg ik tegen mezelf. Herpak je. Hoewel ik de voorbije vijf dagen geen oog heb dichtgedaan op het festival, voel ik dat ik ook vannacht de slaap niet zal vatten. Er is te veel om over na te denken, te veel herinneringen die ik moet vasthouden zodat ik ze niet zal vergeten. En morgen? Hoe zal morgen verlopen? Het nieuws zal hier wel snel de ronde doen. "Waar denk je aan?" vraagt Femke plots. "Ik ben wat bang voor morgen", antwoord ik eerlijk. "Wie moet ik laten weten wat er is gebeurd? Hoe ga ik de dag doorkomen?" Ze hoort de oprechte schrik in mijn stem. "Zorg jij er maar voor dat je vannacht wat kan slapen, lieverd. Er zijn genoeg mensen die je morgen de dag door zullen helpen, laat dat maar aan ons over." Met die woorden tovert ze een lichte glimlach op mijn mond. Ze heeft gelijk, ik sta er inderdaad niet alleen voor. Ik denk aan mijn moeder en mijn 18-jarige broer, die zich ongetwijfeld even verloren voelen als ik op dit moment. Terwijl Femke het licht uitdoet en naast me in haar tweepersoonsbed kruipt, sluit ik mijn ogen. Ik ban alle gedachten uit mijn hoofd zodat ik even rust en leegte kan vinden. "Bedankt voor alles", fluister ik na enige tijd. "Alles komt goed", fluistert Femke terug met een bepaalde trilling in haar stem die erop wijst dat een eerste traan uit haar oog is ontsnapt.

Maaike K.
0 0