Lezen

Lilliputternamaakgrasmatjes

“How do you like your eggs prepared?” vroeg Bill, de uitbater van B & B The White House in Lahinch aan de Atlantische kust van Ierland. Jaja, er wachtte ons een flink ontbijt. Miel nam de full option, op zijn Iers dus: spiegelei met worst en ham. Jan en ik kozen voor een gewone sunny side up. Hadden we gezondigd zoals onze reisgenoot, dan zou het een te grote aanval geweest zijn op ons al te hoge cholesterolgehalte. Miel had daar lak aan. Maar Jan blijkbaar even later ook, toen ik zag hoe hij de smeuïge Ierse boter driedubbeldik op zijn toast smeerde, tussendoor al slurpend aan zijn hot chocolate milk. Miel en ik namen een ganse koffiepot voor onze rekening.  De voorkamer waar we ons ontbijt naar binnen smikkelden was een toonvoorbeeld van kitscherige decoratie. Elke kast, bijzettafel of schouw puilde uit van kleurige, porseleinen beeldjes en golftrofeeën. Gedurende de rest van de week zouden we inderdaad merken dat Ierland heel wat greens telde en dat deze sport het elitaire al lang overstegen was. Onze ouwe getrouwe Bill kon er blijkbaar wel wat van; vandaar de menigvuldige ornamenten met minigolfballen, dito clubs en lilliputternamaakgrasmatjes. Ziezo, onze magen waren méér dan gevuld en onze valiezen opnieuw ingeladen. We waren klaar voor een nieuwe ontdekking. Het was mooi weer geworden. Het voelde een beetje frisjes aan, maar het was nog vroeg en het zeebriesje deed zijn best om eventuele houtenkoprestanten weg te blazen. Kom Ierland, verbaas ons!

Marc M. Aerts
0 0

Veertig tinten groen

“Schuun hè” zei een Oostvlaming die achter mij in het vliegtuig zat. We keken door hetzelfde venstertje naar buiten. Het was inderdaad prachtig. Een enorm lappendeken strekte zich onder ons uit. Als ik vroeger in één of andere toeristische brochure een beschrijving las van dit groene eiland of ik hoorde een reiziger zijn relaas doen over zoveel verschillende tinten groen die Ierland tentoonspreidde, dan dacht ik, als een ongelovige Thomas, dit moet ik eerst zelf zien, met mijn eigen ogen. Men had echter niet overdreven. Het Keltenland, dat zijn natuurschoon diep onder ons prijsgaf, was immens mooi. Of die ongelovige Thomas later heilig werd verklaard weet ik niet meer, maar hij moest maar eens in de leer gaan bij zijn kompaan Saint Patrick, de patroonheilige van dit gezegende land. Hij zou vlug geloven. Ik neuriede "I’m a believer", een vrolijk melodietje, gecomponeerd door een toen nog jonge Neil Diamond, en naar de top van de Amerikaanse charts gezongen door de Monkees, een miezerig Amerikaans afkooksel van de Beatles.   Eerder die dag checkte ik in op Zaventem en spendeerde een uurtje in de vertrekhal waar een Vlaamse schone met lange blonde vlecht flaneerde. Zij stal de show en menig mannenhart. Toch zeker het mijne. Vreemd dat op dit soort vergrijp nog geen langdurige gevangenisstraf staat. Als dit kwaliteitsvolle lichaamsgehalte zich ook zou etaleren in mijn land van bestemming, dan zat het goed. Prinses Rapunzel - je weet wel: het sprookje van het prinsesje met haar lange vlecht, opgesloten in de hoge slottoren - zag ik niet meer terug. Zij vertrok met haar - wat dacht je - belachelijke vriendje en met de noorderzon naar het zuiden. Neen, voor mij geen idiote strandvakantie. Ik ging mijn cultuur verrijken in Ierland. Het land met wel veertig tinten groen.

Marc M. Aerts
0 0

Het rijk voor mij alleen!

Hier heb ik echt naar uitgekeken: heerlijk de hele avond het rijk voor mij alleen! Hoe zal ik dat eens gaan vullen... Zou zoveel willen doen, dat ik wel een weekje voor mezelf kan gebruiken. Met  een hapje en drankje voor de buis of aan de schrijf, bezig met de website of gewoon lekker lezen? Telefoon en tablet aan de kant. Druk even de tv aan, languit op de bank met een kopje thee...   Als ik verkleumd wakker word in het donker, is er inmiddels op tv een dame allerlei telefoonnummers aan het aanprijzen en is mijn thee koud. Langzaam wordt de rest van mij wakker en besef ik waar ik ben en dat mijn avondje voorbij is. Want zo te voelen is de verwarming al even uit. Dat is lekker dan! Voordat ik er van ga balen, knip ik een lampje aan. Twee uur! Dan dringt het tot me door: waarom is hij nog niet thuis? Hij zou het toch niet laat maken? Ach het is vast gezellig en zo heel laat is het ook nog niet.   Ik verhuis naar mijn bed en verwacht eigenlijk ieder moment dat hij thuis komt.  Pfff verwachten duurt lang! Zeker weer de tijd vergeten of misschien wel een lekke band? Moet hij zijn telefoon maar mee nemen. Waarom heb ik nu uitgerekend de laatste man zonder horloge en zonder whatsapp? Wat als er wel wat gebeurt?   Zo kan ik toch niet slapen,  dus maar weer naar beneden. Thee herkansing. Zinloos kijk ik uit het raam of hij er al aan komt, alsof het dan sneller gaat. Wat als er echt iets gebeurd is en hij ergens op straat ligt.  Gevallen of in elkaar geslagen? Wie moet ik nou bellen als hij helemaal niet thuis komt? Volgende keer moet hij echt z'n telefoon mee nemen. Straks belt het ziekenhuis... Wat moeten de kinderen zonder vader? En ik zonder mijn man? Krijg er een knoop van in mijn buik.   Dan hoor ik de sleutel in het slot en  "Hé, ben je nog wakker?". "Ja ik kon niet slapen,  heb je het leuk gehad?"   Langzaam verdwijnt de knoop weer. Het is kwart over twee,  ik ga slapen...

Liselotte Schippers
12 0

Hoe vaak keert hun brand weer terug?

Toen ik nog klein was hebben we een keer schoorsteenbrand gehad. Wat ik me er van kan herinneren is dat we vanuit het slaapkamerraam van mijn vaders tante, die bij ons in de straat woonde, toekeken hoe de verschillende brandweer- en politieauto's in de straat verschenen. We zagen hoe de hele buurt zich verzamelde en dat zíj wél konden zien wat er bij ons thuis gebeurde. Een buurjongen stond er nog bij te lachen ook! Het was echt niet grappig! Zelf heb ik maar één klein steekvlammetje mogen zien, toen werden we direct naar mijn vaders tante, tante Cor, geloosd.   Gevolgen waren enorm: oud en nieuw werd nu niet bij ons thuis gevierd, maar bij Tante An. En op mijn slaapkamer was de brandweer, zo lomp in mijn kinderogen, zonder pardon over rood crêpepapier gelopen. Het was van de kerstversiering voor mijn ramen. Dat ik het zelf had laten slingeren telde niet mee. Het was mijn kamer. Met vanaf toen voor altijd rode vlekken in mijn blauwe vloerbedekking.   Natuurlijk belangrijker, waren we allemaal ongedeerd en is ons huis niet tot op de grond afgebrand. Brand effectief geblust! Mijn moeder probeerde het eerst met een washandje, maar de brandweer bluste uiteindelijk toch beter. Behalve dan dat ze geen rekening hielden met het rode crêpepapier...   Uiteraard heb ik hier niets aan overgehouden. Behalve elke keer als ik bewust een brandweer hoor. Dan ben ik even thuis. Rijdt hij naar mijn huis? Is er iemand thuis? Dan gaat de gedachte weer en hobbel ik gewoon verder in het ritme van de dag.   Als ik dan denk aan al die 'écht' getraumatiseerde mensen, door wat dan ook en waar dan ook. Waar het veel verder gaat dan alleen maar rood crêpepapier. Hoe vaak keert hun brand weer terug? Kunnen zij gewoon weer verder hobbelen in het ritme van de dag?   Niet dat je kan kiezen, maar dan ben ik blij met en dankbaar voor mijn rode vlekken in mijn blauwe vloerbedekking!  

Liselotte Schippers
0 0

'Dankjewel' zeggen kost niets

Toen ik studeerde had ik een bijbaantje. Voordat ik bij het rijkscomputercentrum kon werken moest ik een verklaring van goed gedrag inleveren en kreeg ik een pasje. Bovendien kreeg ik zelfs een heuse cursus met een echt diploma. Ik voelde me heel wat!   Mijn werk als schoonmaakster heb ik dan ook niet als onplezierig ervaren. Samenwerken met veel Turkse meisjes leverde me ook wat op. Ik leerde wat Turkse woorden (nee geen vieze) en werd soms uitgenodigd om lekker te komen eten. Van de Turkse gastvrijheid kunnen we nog wat leren! Het werk zelf was niet zo heel enerverend. Elke dag twee uur lang de zelfde kantoren, dezelfde vloeren, dezelfde bureaus. Afstoffen, wissen, moppen.   Op de vierde verdieping helemaal achteraan in het laatste kantoortje zat altijd nog iemand tot laat over te werken.  Meneer Treur. Iedere keer als ik zijn kantoor had schoon gemaakt, keek hij op van zijn werk en zei "dankjewel" en ik "graag gedaan". Als je elkaar zo iedere dag tegenkomt schept dat toch een band. Vooral meneer Treur maakte graag een praatje met mij. Na verloop van tijd werd het oppervlakkige 'weer' praatje steeds meer een klaagzang over zijn thuissituatie. Zijn onhandelbare dochter en zijn machteloosheid hierin. Dat deze dochter van mijn leeftijd was vergat hij kennelijk in deze gesprekjes. Hij voelde zich ellendig en deed zijn naam eer aan. Zijn wanhoop was voelbaar en ik kon daarin natuurlijk niets voor hem betekenen dan alleen maar even, de vijf minuutjes die ik er was, luisteren. Toch bleef hij me consequent iedere keer bedanken.   Af en toe voegde hij daar aan toe: "Dankjewel zeggen kost niets toch?". Deze zin is altijd bij me blijven hangen. Het kost inderdaad niets, maar is wel waardevol. Als schoonmaakster vond ik het prettig om bedankt te worden voor mijn werk, want het is zwaar werk. Een groet, een glimlach, dankjewel zeggen, een luisterend oor bieden of een praatje maken. Het kost me allemaal niets en kan zo belangrijk zijn. Een draai aan mijn dag geven of aan die van een ander, door het te geven of door het te ontvangen.   Soms zie ik hem nog wel eens fietsen, meneer Treur, dan vraag ik me af hoe het gaat met zijn dochter. Ik zou hem willen bedanken, want het kost niets. Maar hij herkent mij niet en ik zeg niets..

Liselotte Schippers
17 0

Waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Opgestaan met een positief gevoel ben ik vastbesloten dat vast te houden. Met weliswaar nèt te weinig tijd en nèt teveel te doen, stap ik fluitend op de fiets om nog snel even boodschappen te doen. En snert, begint het natuurlijk te regenen. Eenmaal bij de winkels aangekomen ben ik drijfnat. Je weet wel, dat het niet goed te onderscheiden is wat zweet is en wat regenwater. Maar zo makkelijk is mijn positieve gevoel niet te verslaan! Dus geniet ik van de koele regendruppels op mijn gezicht en laat ik in mijn hoofd gezellige liedjes voorbij komen: "I'm singing in the rain..." en "het regent dat het giet en ik word niet nat...". De laatste klopt dan niet helemaal, want ondertussen soppen zelfs ook mijn sokken in mijn schoenen. Helemaal voorbereid (want hoe vaak moet ik eerst gaan wisselen) stop ik een muntje in het winkelwagentje en zoef met mijn lijstje door de supermarkt. Dat gaat soepel en al vlot sta ik met alle boodschappen bij de kassa. O -piep- ik ben broodjes voor de lunch vergeten en mijn boodschappen liggen al op de band. Dat zullen ze me thuis niet in dank afnemen. Er staan nog twee mensen voor me, met redelijk wat boodschappen, dus ik schat mijn kansen goed in om op tijd weer terug te zijn. Snel haal ik de broodjes op. Als ik terug kom bij de kassa, staat de vrouw achter mijn winkelwagentje in de rij, tot mijn stomme verbazing haar boodschappen voor de mijne te zetten. En ik ben nog helemaal niet aan de beurt!   Overmant door 'het onrecht' en opgejaagd door de tijd roep ik: "NEEE!!" Deze boodschap is kennelijk duidelijk genoeg, want geschrokken, maar ook met een boos gezicht, pakt ze haar boodschappen weer op. Wel verrast en trots op mijn eigen assertiviteit, klopt van spanning en de adrenaline mijn hart in mijn keel. Even denk ik weer aan mijn positieve gevoel. Misschien heb ik toch wel wat fel gereageerd dus ik probeer wat onhandig te zeggen dat ik nog niet aan de beurt was... En om een medestander te zoeken kijk ik vragend naar de mevrouw verderop in de rij. Zij reageert wel, maar zegt: "Tja het had ook langer kunnen duren...". Wat krijgen we nou!!! Nu begin ik toch aan mezelf te twijfelen. Zijn de sociale regels van het in de rij staan bij de kassa misschien veranderd en hebben ze mij vergeten in te lichten??? Ik houd mijn mond maar verder dicht, net als de hele rij en de kassière. Maar langzaam sijpelt het positieve gevoel weg en bekruipt me een onbehaaglijk gevoel. Natuurlijk heeft 'dat mens' haar fiets precies naast de mijne geparkeerd en staan we nog even stilzwijgend onze fiets in te laden. Met het laatste sprankeltje positieve gevoel knijp ik er nog uit: "Fijne dag toch nog!" Maar het komt niet over en ik krijg een onverstaanbare brommende sneer terug. Dan fiets ik maar weg, nog steeds in de regen, nu met een onbehaaglijke gevoel en geen: "I'm singing in the rain". Nog een tijdje ben ik zinloos, echt heel vervelend, aan het piekeren over de 'nieuwe' sociale regels. Thuis weer in een droge outfit gestoken, komen de broodjes op tafel. "Aan tafel, eten!" Door de lekkere broodjes verwacht ik een snelle opkomst en ja hoor, van alle kanten wordt er naar de zak met broodjes gegraaid. Hu ho stop! Even op je beurt wachten!" Ik hoor het mezelf zeggen, daarmee komt het positieve gevoel weer terug.  Kan een glimlach niet onderdrukken. Pfff waar ging het nu eigenlijk helemaal over?

Liselotte Schippers
0 0

'Helemaal onschuldig of... toch niet?! - Een biografie - Hoofdstuk 1 - 2

28 december 1962 Een stevige wind schuurt over de straten.  Het vriest dat het kraakt.  Het wit van de vrieskou blijft als een laagje op de weg liggen. Even verder, aan de kust, bevriezen de golven bij aankomen op het strand. Laag op laag worden ijsgolven gevormd. Een kil tafereel. Ondertussen probeer ik, zo tussen 8 en 9 's morgens, me uit de buik van m'n moeder te persen. In het 'moederhuis' worden luide pijnkreten geslaakt. Het lukt me bijna. Nog even. Een extra duwtje. M'n moeder kreunt. Ze voelt een stevige pijn. Het scheurt onderaan open. Helemaal open. Ik piep naar buiten.  Volledig onder het bloed maar kerngezond. Iets meer dan 4 kilogram rozig vlees wordt Karin genoemd. Ik krijs als de dokter op m'n billen slaat. Je zou voor minder. Hoe durft ie eigenlijk? Zonet heb ik het beste van mezelf gegeven om naar buiten te komen. Krijg ik daar nog een paar kletsen bovenop. Mama lacht. Ze kijkt vertederd naar mij en neemt me vast, heel dichtbij. Ik ruik haar geur. Ben blij met haar zachte warmte.  Papa Lucien komt eraan. 'Luc' voor de vrienden. Hij is blij met een 'gezonde' dochter. En toch had ie stiekem gedroomd van een zoon. Een zoon die de familienaam 'Robert' verder zou uitdragen. Hij neemt me vast en kijkt me aan. Ja, Karin, dat zijn nu je ouders.  Daar moet je het een tijdje mee doen. Nog een heel tijdje eigenlijk. Feest van de onnozele kinderen 'Feest' van de onnozele kinderen. Wat is hier 'feestelijk' aan?  Onschuldige jongetjes worden, volgens het bijbelverhaal in het Nieuwe Testament, in opdracht van koning Herodes in Bethlehem vermoord.  Een reden om te feesten vind ik dit niet echt. En net op die dag word ik geboren.  Om dan nog te zwijgen van de vele goed bedoelde felicitaties in de aard van 'Ah, jij verjaart op onnozele kinderdag! Proficiat! Met daarachter een extra verdacht lachje.... Neen, op 28 december verjaren kon me in den beginne niet echt blij maken. Toen ik eindelijk het woord 'onnozel' in de Dikke Van Dale opzocht was ik al een eind in de twintig. 'Onnozel' heeft in de bijbel de betekenis van 'onschuldig'. Plots scheen er een licht in de duisternis. Een lantaarn, een lichtbol, een spot. Ik werd helemaal 'verlicht' van een zware last die ik jaren in gedachte meedroeg.  Neen, ik ben niet 'onnozel' maar wel 'onschuldig'!!    Hallelujah!! Sedert  m'n opzoekingswerk voel ik me heel wat 'feestelijker'.  Ik kan nu weer tegen een stootje.  Het stootje van de 'onnozeligheid'! En ik geniet zelfs van het soms extra verdachte lachje bij de felicitatie. 'Hoera ! Onschuldig ben ik.    Helemaal 'onschuldig.....' ................

Karin Robert
0 0

Vlieden

‘Jouw beurt,’ siste hij. Hij duwde de vogel tegen mijn arm en wees naar het rode licht. ‘Je hebt exact anderhalve minuut, ik heb het getimed.’ Verfomfaaid kwam de vogel in mijn handen terecht. De dunne vleugels plakten aan mijn vingers. Het touwtje zat al meteen verstrikt. Onderweg naar hier had hij het me voorgedaan. In zijn ene hand had hij de vogel opgeplooid. De wijsvinger van zijn andere hand had hij door het lusje gehaakt. ‘Hop!’, deed hij, en liet de vogel vallen. Net boven de grond klapten de vleugels open. De vogel maakte een sierlijke bocht. ‘En dan laat je hem zweven, op ooghoogte van de chauffeurs. Zo,’ hij liet de vogel langs de jasmijnstruiken zeilen. Er speelde een glimlach rond zijn snor. Ik moest denken aan mijn kleine broer die sinds kort met alles wat hij vond de vlucht van vliegtuigen nabootste.‘Tussen de warme wagens gaat dat beter. Thermiek.’ zei hij. ‘En stel jezelf voor dat de auto’s vol kinderen zitten. Dat helpt.’ ‘Echt waar,’ zei hij toen hij mijn blik zag,’als ik aan jullie denk, verkoop ik meer.’ Ik was geen kind meer. Wou ik hem zeggen. Ik kon mijn eigen boontjes doppen. Dat had Yusuf mij gezegd. Ik geloofde Yusuf.   Als een troep dampende paarden stonden de auto’s voor het rode licht. De zon blikkerde op het chroom. ‘En dan mag je nog van geluk spreken dat het niet regent,’ had hij vanmorgen gezegd toen hij me hierheen sleurde. ‘Dan zouden we toch geen vogels verkopen,’ wou ik nog zeggen. Maar ik had gezwegen. Dan zouden we paraplu’s verkopen. Niet mijn vader. Die verkocht wat van de vrachtwagen viel. Maar die spullen buitelden meestal met een goede reden van de vrachtwagen. Dat beweerde Yusuf. En die kon het weten. De kleine superette die hij op een straathoek in de sjieke wijk openhield, had hij ‘Corner’ genoemd. In de rekken lagen producten van Amerikaanse import die tegenaan vervaldatum liepen. Hij verkocht ze duur aan de expats uit de buurt. Blij als een kind was mijn vader toen hij gisterenavond met de zak vol vogels thuiskwam. Honderd vogels, op de kop af. ‘Stel je voor dat we per vogel twee dinar kunnen krijgen. En aan de dikke bakken vragen we natuurlijk wat meer,’ had hij naar me geknipoogd. ‘Ik heb Yusuf beloofd...,’ begon ik. ‘Kratten versleuren,’ snoof hij, 'Yusuf profiteert van je. Hij geeft je een peulschil. Jij bent een verkoper, net als je vader. Jij komt met mij mee.’   Ik hield de vogel zo ver mogelijk van me af. Het plastieken oog stond star en vol verwijt. In mijn handen was de vogel een dode mus. Het zweet brak mij uit. ‘Trek je mooiste hemd aan, een verkoper moet er goed voorkomen.’ Voor de aanschaf van de rode gympen onder zijn afgebleekte jeans had hij een maand geld opzij gezet. Ze stonden hem niet. ‘Komaan!’, brulde hij, ‘Nu! Straks gaan ze weer rijden!’ In de smalle schaduw van het verkeerslicht was hij bezig een nieuwe vogel uit de zak te pellen. Ik keek naar de auto’s. Ze keken niet terug. Je kon niet zien wie er in zat tot je met je neus tegen de raampjes stond. Klant is koning. Dit waren geen klanten. ‘Blijven kijken,’ had mijn vader gezegd, ’in de ogen, ook als ze al met hun hoofd geschud hebben. Met die ogen van jou kan je dingen in beweging brengen, jongen.’   Aan de overkant van de straat sijpelden de mannen uit de moskee. Ze gingen alle richtingen uit. Drie straten verder was Yusuf nu de metalen rolluiken omhoog aan het duwen. Ik kon het kriepen bijna tot hier horen. Het bordje tegen de deur werd op ‘Open’ gedraaid.   De auto’s begonnen te grommen. Het licht ging op groen. Ik sprong van het trottoir en laveerde tussen de optrekkende auto’s. Vleugels. Het was een wonder dat ik ongeschonden aan de overkant kwam. Onder een steen op het trottoir legde ik een briefje van vijf dinar. De vogel nam ik mee. Voor mijn kleine broer.

Marjanne Sevenant
0 0

waterplanten

  Waterplanten      Het hemelgewelf kraakt open. ‘Ha,’ hoor ik Sint Pieter, ‘wees welgekomen!’ Zijn stem galmt in het immense voorportaal. Hij kijkt in het dikke boek op zijn schoot en neemt me fronsend op. ‘Hier staat dat u in uw leven vijftienduizendvijfhonderd en twintig uren besteed hebt aan schrijven. Is dat werkelijk zo?’ Zijn stem krult aan het eind in ongeloof. ‘Hoeveel boeken zijn daarvan het resultaat?’ ‘Geen boeken,’ fluister ik, ‘alleen een paar verhaaltjes…’ Zijn gezicht rimpelt van verwondering en hij wenkt me dichterbij. Ik ga naast hem zitten op zijn witte wolk. ‘Een paar verhaaltjes zeg je, kind?’ Zijn gouden potlood trekt lijnen en cirkels in het boek. Ik gluur naar de aarde die loom en langzaam onder ons draait en waar speldenkopjes heen en weer rennen. ‘Is dat alles?’ Witte rook danst uit zijn pijp. Zijn stem komt van ver. ‘Vertel eens, waarom schrijf je eigenlijk?’ Een plotselinge windvlaag doet ons op en neer deinen. Een zwerm nieuwkomers golft op ons af. Sint Pieter wendt zich tot hen. Ik maak gebruik van dit moment om een wip terug naar de aarde te maken.      Dat was gisteren. Vandaag ben ik begonnen aan mijn vijftienduizendvijfhonderd en tweeëntwintigste uur. De vraag van Sint Pieter maalt door me heen: waarom schrijf ik? Het antwoord lijkt eenvoudig: ik schrijf omdat ik niet anders kàn. Ik zoek, en vind pas rust als ik mezelf terugvind in taal. Ik speel graag met woorden. Ik orden ze, draai ze om, gooi ze door elkaar en vang ze op uit de lucht. Of nee… Woorden spelen met mij. Ze ordenen me, draaien me om, gooien me door elkaar en laten me liggen op de grond. Taal is mee van het kostbaarste dat ik bezit. Hoewel… bezit ik haar? Ze trekt me aan en keert zich af. Een onberekenbare minnaar die me doorklieft meteen slepend verlangen, me opent als een schelp. Klaarkomen is er nooit bij. Verleiden wel. Opnieuw en opnieuw en opnieuw. Taal danst voor me uit, ik volg haar dwaallicht. Je kunt je afvragen: is het de schrijver die een literair werk creëert? Of is het andersom: is het de taal die de schrijver schept? De taal zèlf wil het voor het zeggen hebben. Ze komt pas uit haar spelonk als haar daartoe de lust bekruipt. Het is als wolken meten: je kunt om het even waar beginnen, maar je weet nooit waar je zult uitkomen. Aan de schrijver om te kijken, te   luisteren. Met zijn zintuigen en zijn hart. Kan iedereen dat dan? Is er eigenlijk wel ‘talent’ nodig is om te schrijven?   ‘Vandaag de dag slagen studenten er niet meer in om een fatsoenlijke zin op papier te zetten,’ hoor ik een universiteitsprof beweren. ‘Ze leren in de lagere school immers geen opstellen meer schrijven.’ Ik kijk naar mezelf en merk: l’ appétit vient en mangeant:mijn schrijflust nam al schrijvende toe.Acht was ik toen ik op school mijn eerste opstel schreef. Ik zat opgewonden voor het witte blad. Plukte woorden uit mijn warrige brein. Plots gebeurde het. De woorden werden zichzelf, ze creëerden hun eigen leven op het papier. In mij sidderde het vreugde. Vreugde om taal. Na die eerste vonk bleef de waakvlam branden. Als tiener, de wereld vol van acne en lastige leraren, zocht ik een toevlucht in mijn kamer, waar ik fluisterend poëzie las en schreef. Heel soms zit er een kraan in mijn hoofd: dan schrijf ik als stromend water. Veel vaker zijn er dagen waarop de woorden in mijn hoofd draaien als in een verroeste betonmolen. Na lang malen krukt een enkeling moeizaam naar buiten. Zo gaat het meestal bij literatuur: de bergtop lokt, maar eerst moeten ijzige gletsjerwinden getrotseerd worden. Is het dan niet verwonderlijk dat schrijvers blijven vechten? Waarom geven ze de strijd niet op? Willen ze kost wat kost hun afdruk nalaten op de dingen? We leven met zes miljard mensen op aarde!Denken schrijvers iets toe te voegen aan de massa’s geschreven boeken? Maar als schrijvers niets meer ‘toevoegen’, waarom schrijven ze dan? Louter uit liefde voor taal? Inderdaad: aan een mooie zin kan je nippen als aan een likeurtje. Literatuur is liefde. Ze omhult je. Doet je hart huppelen, als Floere in het boek van Ernest Claes. Taal geurt, streelt. Haar schoonheid kan je treffen als een zonneslag. Lievelingsboeken ruisen na in hoofd en hart. De schrijver slaat een warme sjaal om je hals en neemt je mee… Bernard Dewulf observeert in ‘kleine dagen’ (* 1)hoe zijn dochter leert lezen. Hoe ze ontdekt dat letters samen woorden zijn, en woorden een zin. Hij besluit met: ‘Dan blinkt er een vreugde in haar ogen, net als in de mijne.’ Die vreugde om taal… die ken ik! Als iemand me vannacht wakker maakt met een pistool op mijn borst en de eis dat ik het huis moet verlaten, dan zal ik vlug een pen onder mijn pyjamavest steken. En als u degene bent, beste lezer, die mij ooit wegvoert naar het bejaardenhuis Zonnestraal (Dennenrust of Lentedauw is ook oké), wees dan zo vriendelijk om niet alleen mijn bh ‘s met ijzeren beugels, de hemdjes van Damart en de stapel witte onderbroeken (kookwasbestendig) in te pakken. Neem ook die ‘kleine dagen’ voor me mee. Het is een lichtgewicht, ik zal het zelf nog kunnen dragen.       Is het eigen aan literatuur dat ze het minder prettige kan ‘overstijgen’? Ik lees ‘traangasmaatschappij’, een bundel met aangrijpende gedichten over leven en dood van Peter Theunynck. (*2) De lezer gaat op reis door een pikdonkere nacht, die uitmondt in een vuurwerk van liefde en hernieuwd vitalisme. Wie ‘Traangasmaatschappij’ voor de eerste keervan voren naar achteren leest, beleeft even een sombere tijd. De gedichten gaan over een kapotte, meedogenloze wereld. ‘Water spoelt de laatste naaldhak weg.’ Zo begint het eerste gedicht. Daarna gaat het verder en verder de diepte in: ‘Er moet vertrokken. Nu het kan.’ Is er niets vrolijkers dan ‘een land dat zijn bomen ontschorst en zijn zon toetakelt?’ Maar dan, plots, naar het einde van de bundel toe, gaan de bloesems open, en kom je het ‘Wapperrokjesdag gedicht’ tegen… Alleen de titel al! ‘Alle takken eender grijs en dan ineens die eerste schreeuw van eindelijk. Een knop springt van een boezelaar barst open. Een vliesje breekt, het hiep hiep hiep hoera van leliewit wuift met zijn wappervlagjes. De hele dag scheurt reepjes, filterblaadjes. Hartjes, stampertjes en gloeidraadjes gooien de benen los. Wapperrokjesdag.’   Zo licht, zo vliegerig van gewicht… Als literatuur inderdaad in staat is om het minder prettige te overstijgen, betekent dit dan dat de schrijver ervan geen oog heeft voor de ernstige dingen van deze wereld? Wel nee! Charlotte Mutsaers zegt in een interview met Humo (* 3): ‘Ik ben een voorstander van lichtheid, maar daarmee bedoel ik niet: lege lolligheid; mijn soort lichtheid is geen lichtheid als in lichte muziek. Kijk, ik reken Kafka tot de lichte auteurs, vanwege zijn oergeestige aanpak van dieptragische dingen.’   Nu we het over ‘lichtheid’ hebben… Ik herinner me een wandeling in het park met mijn dochter van drie. ‘Kijk, een jauw!’ riep ze. Haar kleine vinger wees enthousiast omhoog – ik zag nog net een stompje staart verdwijnen tussen het groene bladerdek. ‘Het is een poes,’ zei ik. ‘Nee,’schudde ze haar hoofd, ’niet poes! Jauw!’ ‘Kijk daar, een vlinder!’ wees ik. ‘Ja,’ kraaide ze, ‘een vligvlag!’ Je kunt je afvragen: is ‘verwoorden’ een ‘meerwaarde’? Of is het juist een ‘minderwaarde’? Het ‘muisj’ van mijn dochter deed veel beter vermoeden dat het om een behaard dier ging, dan het kale ‘muis’ van mij. Haar bouters waren aanlokkelijker dan kabouters , haar ‘mooisie’ was veel mooier dan mijn arme mooi. Vaak zijn de dingen te intens, te groots, te veel omvattend voor namen of begrippen. Wat is ‘blauw’ bijvoorbeeld? Is het de zee, de lucht of is het gestold verdriet? Als we hier nog dieper op in gaan, kunnen we ons de vraag stellen of ‘taal’ wel bij machte is om uit te drukken wat iemand werkelijk bedoelt. Of – als ik nog een stap verder mag gaan: is alles uiteindelijk misschien onbeschrijflijk onbeschrijfbaar? Deze vraag doet me denken aan een prachtig gedicht van Rutger Kopland (*4):   ‘Vanavond zou ik dingen willen zeggen Terwijl er eigenlijk geen dingen voor zijn   Zoiets als licht – willen uitleggen Wat licht is voor de dood Ons meeneemt in de nacht   De nacht in terwijl ik ons Probeer terug te denken naar Elkaar vanavond -   Maar zie de glazen in onze handen Tot de randen gevuld gevuld met licht’   Ach, woorden. Waterplanten zijn het. Hun kern blijft onder de zeespiegel. Verstopt. Zoals geen enkel EEG werkelijk uitdrukt wat zich in de hersenen afspeelt. Maar waarom in godsnaam schrijven dan, als alles uiteindelijk onbeschrijfbaar onbeschrijflijk blijkt? Omdat hij of zij niet anders kan? Ik citeer Patricia De Martelaere (*5):   ‘De paradox van de schrijver ligt in het feit dat hij twee handen heeft, waarvan de ene moet schrijven en de andere niet wil, en niet kan schrijven.’   Dit herken ik: niet zelden probeer ik pen en papier te ontlopen… Een strijd die ik ook bij Louis Paul Boon lees (* 6 ):   ‘Op een anderen dag wenscht ge echter niets liever dan uw pen stuk te stampen op het vlak van uw schrijftafel – het is zeer plezierig zooiets maar ge zijt verplicht u den dag daarna een nieuwe pen te koopen – want schrijven doet ge toch, het is een natuurlijke behoefte – de eene mensch vloekt zich dood, de andere loopt zijn kop op de muren stuk.’   Literatuur schuifelt rond, stommelt in mijn hoofd, trekt en rukt als een dreinend kind aan zijn moeders arm. Ze knerpt en knarst onder mijn voeten, schudt me wakker, verleidt me met brokken van zinnen die prachtig beginnen, om daarna grijnzend toe te kijken hoe ik woordeloos achter blijf… Opnieuw dezelfde vraag dus: waarom doe ik het, waarom houd ik het in godsnaam vol? Schrijvend raap ik de snippers van mijn leven op en ze lijm ze tot één geheel. ‘Schrijven is orde scheppen in de chaos’ las ik ooit. De chaos ken ik. Maar wat is ‘orde’? Opnieuw De Martelaere (*7): ‘ Literatuur ontstaat uit onrust en onvrede, ze wordt geboren uit een oneindig heimwee naar ‘werkelijkheid’, de echte, onbenoembare werkelijkheid.’      Moe van woorden maak ik een ommetje in het bos, laat wind waaien in mijn verwarde hoofd. Het boekje van De Martelaere neem ik met me mee… als gids op mijn pad. De vraag van Sint Pieter blijft in me zoemen, als muggen rond mijn hoofd: ‘Waarom schrijf ik?’ Ik kijk om me heen. Taal is een bos met stille schuilplaatsen van wachtende varens, een bos met kromme, kronkelende paden. Ik hoor mijn eigen voetstappen, de tere klanken van de stilte…Hier wordt tussen de regels geschreven. Ik kom voorbij een paard, roerloos van aandacht staat het in de wei. Zijn grote, glanzende ogen van een onpeilbaar diepbruin kijken net een paar millimeter naast de mijne. ‘Weet jij het misschien?’ fluister ik. Hij baadt nog even in zijn eigen licht, klopt daarna met zijn staart, een wolk van vliegen stuift op. Dan draait hij zijn achterste en loopt weg, met gebogen hoofd, het ene been traag en moeizaam voor het andere zettend. Kan literatuur de dingen uit hun banale context lichten, zodat ze in hun eigen licht komen te staan? Ik ga samen met De Martelaere op de grond zitten, sla het boekje lukraak open:   (…) wat de schrijver ‘eigenlijk’ zou willen is zwijgen, maar dan in woorden. Datgene waarover niet kan gesproken worden, het naamloze niets onder de taal, dat is zijn eigenlijke object. De schrijver onderneemt een bloedernstige, maar ietwat ridicule poging om, in woorden, sprakeloos te worden.’ (*8)   Literatuur is een nooit eindigend zoeken en zal dat altijd blijven. Het is een zoektocht naar het wezen van de stilte, naar het lied dat aan alles ten grondslag ligt en dat ik met woorden wil begrijpen, doorvorsen.        ‘Wie we daar hebben!’ zal Sint Pieter op een dag in mijn dove oren roepen. ‘Je zit op, laat eens kijken, drieëndertigduizend en veertig uren schrijfarbeid. Wat is het resultaat?’ ‘Een paar verhaaltjes en een enkel essay…’ ‘Kind, kind toch! En weet je nu waarom je schrijft?’ ‘Jazeker, Sint Pieter,’ zal mijn stem beven. ‘Ik schrijf omdat ik woorden zoek. Woorden voor het zwijgen in de dingen.’ De hemelbewaarder zal zich stevig moeten vasthouden aan zijn wolk.           Bibliografie:     * 1: ‘Kleine dagen’, Bernard Dewulf, blz. 70       *2: ‘traangasmaatschappij’, Peter Theunynck       *3: ‘Fik en Snik’, Jan Kuijper in dialoog met Charlotte Mutsaers, blz. 102       *4: gedicht van Rutger Kopland     *5: ‘Een verlangen naar ontroostbaarheid’, P. De Martelaere , blz. 14     *6: ‘De atoombom en het mannetje met den bolhoed/Mijn kleine oorlog’, Louis    Paul Boon, blz. 29     *7 en *8: ‘Een verlangen naar ontroostbaarheid’, P. De Martelaere, blz. 23        

Martine Wolfaert
0 0

Stout

    Toen mijn kleine zus werd geboren, zorgde mijn oma voor me, met roodbehuilde ogen en een handtas volgestopt met chocola. Dat weet ik nog goed, want voorheen kreeg ik nooit chocola. ‘Ik wil geen zus,’ zei ik, toen ik de nieuwe baby na een maand te zien kreeg. Met haar dikke buik en haar stokkenbeentjes leek ze op een diepvrieskip. ‘Ze huilt bijna nooit,’ zei mijn moeder aan de tantes die rond het bedje stonden. ‘Dat was met Jonas wel anders. Hij kon hele dagen huilen!’ Ik stak mijn tong uit naar de snertkip die niet huilen wilde. ‘Ik haat baby’s,’ riep ik, toen Silke voor het eerst haar lipjes vertrok in een scheve grijns. ‘Ik wil geen meisje,’ pruilde ik, de eerste keer dat de peuter mijn vinger greep. ‘Meisjes zijn stom en flauw.’ Ik kneep haar hand, ze begon zacht te huilen, met korte stootjes. Ik zag wel dat Silke geen watje was. Als ze viel, gaf ze geen kik, terwijl ik bij het minste schrammetje begon te brullen. Ik zag wel dat ze lief was. Ze knuffelde alle mensen, of ze hen nu kende of niet. In haar ogen, amper een spleet, danste altijd een glimp van plezier. Silke mocht zich niet vermoeien. Ze had een aangeboren hartziekte, iets wat wel vaker voorkwam bij haar afwijking. Silke sloeg de hele dag naar ingebeelde vliegen. Ze maakte mijn speelgoed kapot en beet vaak in mijn arm of been. Als ik huilde, kwam ze bovenop me liggen en streelde en kuste me. Toen ze zes was, ging ze naar een aangepaste school. Samen met moeder wachtte ze buiten op haar bus. Mama kamde nog eens over Silke’s stugge haar, dat alle kanten oppiekte, ging nog eens met een zakdoek over de kwijldraad op haar kin. Terwijl ik mijn boekentas op mijn fiets riemde, stapte Silke op de bus. ‘Dag Jonas, dag, dag, dag!’ ‘s Avonds werd ze thuis afgezet. ‘Mama?’ was het eerste wat ze riep. Daarna galmde haar schaterlach in de gang. Trots toonde ze wat ze op school had geleerd. Ze kon haar naam schrijven, ijverig en geconcentreerd, het puntje van haar tong uit haar mond. Ze leerde tellen. De verrukking spatte uit de kleine ogen. Ze hield van het licht. Overal in huis zocht ze de lichtste plekjes op. Als het mooi weer was, liep ze naar buiten. Plukte madeliefjes en margrieten. Het meest hield ze van paardenbloemen. Als die uitgebloeid waren, klemde ze de stengels van de pluisbollen in haar vuist, blies uit alle macht, haar ogen stijf dichtgeknepen. ‘Wensen, wensen.’ Het lukte haar nooit om in één keer alle pluisjes weg te blazen, er bleven altijd wel een paar wensparachuutjes achter. Ze snoepte graag, ik liet haar hele voorraden lekkers voor ons jatten en bewaarde alles in een doos onder mijn bed. ‘Het is ons geheim,’ zei ik haar, ‘ons Voor Altijd Geheim.’ Ze schaterde, huiverend van het verboden genot. Ze zei nooit veel, humde vaak in zichzelf. Ze was acht toen ze voor een operatie naar het ziekenhuis moest. ‘s Avonds hoorde ik het tuinhekje niet opengaan. Er klonk geen schaterlach in de gang. Niemand vloog rond mijn nek. Op school vroeg de meester me wat er scheelde, of ik ziek was. Ik vertelde het hem. ‘Het spastje is ziek!’ riep de jongen die naast me zat. ’s Avonds schopte ik hem van zijn fiets. Na veertien dagen mocht ik mee naar het ziekenhuis. Mijn zus lag wit in het witte bed, haar roze, dun geworden konijn in haar vuist gekneld. ‘Je mag vlugvlug weer naar huis,’ fluisterde ik, ‘zeven keer vlug’. Ik gaf haar tikjes op haar wangen: zeven keer, dat bracht geluk. Ze kwam terug naar huis met een berg medicijnen en een groot litteken op haar borst. Ze lag op de bank, speelde met haar roze konijn. Op de grond lag de nieuwe, hagelwitte knuffel die ze van oma had gekregen. ‘Had je pijn in het ziekenhuis, zus, moest je huilen?’ ‘Erg pijn, nie huilen.’ Ze humde verder tegen het roze konijn: ‘Overgegeefd. Een snee, een spuitje.’   Silke vond het geweldig toen ik verpleegkunde ging studeren. ‘De zieken geneest!’ straalde ze. Ik ging op kamers wonen, maar op vrijdagnamiddag kwam ik thuis. Met haar 1 m 40 en 80 kg bewoog Silke zich altijd traag en bedachtzaam. Maar op vrijdagavond haastten de dikke voetjes zich over onze oprijlaan, en viel ze me schaterend rond de nek. In vijf minuten tijd hoorde ik soms evenveel lachen als in de voorbije week. Het meest opvallende aan mensen met het syndroom van Down, leerde ik in de les genetica, waren hun specifieke ogen en neus, hun kleine, mollige handen met de vreemde handlijnen en de korte, stompe vingers. Hun huid was droog en schilferend. Meisjes menstrueerden vaak al vanaf hun negende. Het hele rijtje klopte, maar het had niets met Silke te maken. Een bus bracht haar nu elke dag naar een beschutte werkplaats. Ik werkte ondertussen op een afdeling voor intensieve zorgen. Silke was vaak ziek. Op een nacht had ze hoge koorts. Ik overlegde met de huisdokter en gaf haar een inspuiting. ‘Stout!’ riep ze. ‘Jonas stout!’ Ze probeerde in mijn been te bijten. ‘Het is voorbij, zusje, ik ben weer lieflief, zeven keer lief!’ Ze kuste me, wreef met een voorzichtige vinger over mijn been. ‘Jij mag ons bruidsmeisje zijn!’ beloofde ik haar op een dag. ‘Je krijgt een bruidsmeisjesjurk! Welke kleur wil je het liefst? Blauw?’ ‘Nie blauw, roze, roze, roze. Mama ook roze.’ Ze kreeg een zalmkleurige jurk met pofmouwen. Het werd de mooiste dag van haar leven. Ze gaf ons de ringen aan, haar tong hing van inspanning uit haar mond. Ze hielp me om ballonnen op te blazen voor de kinderen. Ze gierde het uit als er een op knappen stond. ‘Stop,’ riep ze, ‘stop lucht! Ontploft!’ Twee jaar later hield ze onze pasgeboren baby in de armen. Opeens ontblootte ze haar zware borsten, de baby sabbelde eraan. Silke keek naar me, een diepe rimpel boven haar neus. ‘Een Voor-Altijd-Geheim.’ ‘Ja?’ ‘Geen baby’s voor Silke.’ Ik pakte haar in mijn armen. De denkrimpel verdween.   Op haar twintigste lag ze wekenlang op intensieve zorgen, in leven gehouden door apparaten en slangetjes. Mijn ouders durfden haar niet aan te raken. Toen ze tenslotte terug zelfstandig begon te ademen, verhuisde ze naar een speciale verzorgingsinstelling in de stad. Ze werd op een streng dieet gezet. ‘Silke eten hebben?’ Ze zocht voortdurend naar iets lekkers in moeders handtas en in mijn jaszak. Er bleven steeds minder stukjes Silke over. De uitdrukking verdween uit haar gezicht. Ze verloor haar lach, haar Silke lach. Onze ouders stierven kort na elkaar. ‘Zorg dat ze geen sukkelaar wordt,’ waren de laatste woorden van mijn moeder. Ieder weekend bleef ik mijn zus bezoeken in het verzorgingstehuis. Ze lag er hele dagen te woelen, trok lakens en dekens over haar hoofd, pulkte haar luier open. Het ooit roze konijn hield ze in haar vuist geklemd. Vaak ijlde ze. ‘Mama?’ ‘Nee, ik ben het, Jonas, je broer.’ ‘Jonas.’ En even later: ‘Mama?’ In onze kelder vond ik nog een paar potjes jam die mijn moeder had gemaakt. ‘Lekker,’ zei ik en stak Silke een volle theelepel toe. ‘Doe je mond open, zus, hij is van mama!’ Ze griste het potje uit mijn handen en smeet het kapot op de grond. Op een dag gaf ik een kus op haar arm. ‘Dag, dag, dag, zeven keer dag.’ Ze lachte, vreemd en huiveringwekkend, als het hinniken van een paard. Een geluid dat geleidelijk overging in een klaaglijk geschrei. ‘Silke nie alleen laten.’ Ik drukte mijn gezicht tegen haar roze hoofdhuid. ‘Geen denken aan,’ zei ik.   Een week voor haar dertigste verjaardag werd ze opnieuw in allerijl naar het ziekenhuis gebracht. Ze lag weer aan een beademingstoestel. Haar ogen waren open. Ik zocht het leven erin, ik vond niets. Soms geeuwde ze. ‘Reflexen,’ zei de verpleger, ‘niks om je aan vast te klampen.’ Ik keek naar de vreemde vrouw in het witte ziekenhuishemd. Haar haar hing verward om haar hoofd, haar mond stond open, een straaltje speeksel liep op het kussen. Tijdens mijn studies had ik over palliatieve zorgen gehoord. Ik sprak erover met de dokter. ‘Dat is hier niet aan de orde,’ meende hij. Zijn woorden ploften als een stomp in mijn maag. ‘Het is genoeg geweest. Ik werk ook op intensieve zorgen. Maar er zijn grenzen. Leven heeft alleen zin als het iets met leven te maken heeft. Jullie moeten niet verlengen wat er niet meer is.’ De dokter zei dat ik me vergiste. Dat Silke wel degelijk leefde, en dat het nooit in hem of in zijn collega’s zou opkomen om mijn zus op te geven, te meer omdat ze zoveel moeite hadden gedaan om haar te redden. ‘Dit noem ik geen leven, dokter.’ ‘De vitale organen werken, meneer. Als ze ooit weer beter wordt, kan ze zelfs terug naar een verzorgingstehuis, een ander wellicht, aangepast aan de behoeften van de patiënt.’ Bijna elke dag nam ik de lift naar de tweede verdieping. Als de liftdeuren open gleden, hoorde ik het beademingsapparaat: Silke’s kamerdeur stond op een kier. Op een keer kwam een Afrikaanse werkster in een groene schort en met een emmer wit sop naar me toe. Ze leunde op haar poetsmop: ‘So’ n sukkelaar!’ Met grote, donkere ogen knikte ze naar Silke’s kamer.   Het is lente, een late middag. Ik doe de deur van haar kamer achter me dicht, de hitte valt klam op me neer. Zoals altijd ligt Silke naar het licht gekeerd, naar de lichte lentedag: haar lichaam, haar hoofd, haar armen en handen naar het raam. Lucht wordt gepompt. In en uit. In en uit. Iets is groot als een ballon. Iets wacht tot het knapt. Er mag geen lucht meer bij. Ik maak het beademingsapparaat en het ziekenhuishemd los, pak de roze bruidsmeisjesjurk uit mijn tas en drapeer hem over haar heen. ‘Zou je graag bij mama zijn?’ fluister ik. ‘Kom maar bij mij, we gaan naar haar toe.’ Ze hangt zwaar in mijn armen. Ik streel haar hoofd, het grijzende haar is zijdezacht in haar nek. ‘Nog heel even, dan komt mama,’ fluister ik. ‘Ze zal ook in het roze zijn. Dag, dag, dag lieve zus van mij. Ben ik stout? Nee, dit keer is het geen spuitje. Toe, zeg eens, vind je me nu weer stout?’   Ik sta op en kijk door het raam. Massa’s gele paardenbloemen keren zich naar het licht. Sommigen zijn al veranderd in witte pluisbollen. In wachtende wensparachutes.                              

Martine Wolfaert
0 0

Een perfecte weersvoorspeller

    “Jef,” stelt de gorilla zich voor, terwijl hij de hand van Frans op hartelijke wijze fijnknijpt. Wat heb jij, buurman?” “Ik? Prostaat.” “Prostaat?! Ik ook! Snap jij dat nou? Al die jaren hebben we geen prostaat gehad. En nu blijken we er plots één te hebben!    Tien dagen liggen ze naast elkaar in het ziekenhuiskamertje. Frans is gepensioneerd tuinier. Hij is klein en gezet, zijn gezicht blinkt als een rode appel en zijn ogen hebben altijd praatjes. Tien jaar geleden werd zijn linkeronderbeen geamputeerd. Op die plek zit nu een perfecte weersvoorspeller: jeuk aan zijn linker grote teen betekent regen, pijnscheuten verwittigen storm. Jef rookt stiekem sigaretten in bed terwijl hij verhalen vertelt over zijn leven op zee. Vanaf zijn veertiende reisde hij rond de wereld. Nu is hij 70 en hoort nog steeds de lokroep van de zee. Zijn haar en baard zijn spierwit en de zee en de lucht hebben een spoor van ruwe tederheid in zijn gelaat gekerfd. Of er wel eens een vrouw was in zijn leven? O jawel! Maar hij vergat haar naam op het moment dat het schip vertrok. Hij hield meer van het water. Van de zee die tweemaal per dag haar orgasme beleeft op de donkere zandlijn. Na hun ontslag uit het ziekenhuis wandelen ze vaak samen aan zee. Ze kijken naar de vissersboten die hun wijd gespreide netten als vleugels langzaam aan lieren in zee laten zakken. Ze kijken naar de golven die langs het water een rand van wit schuim achter laten. “Hoor toch die meeuwen” zegt Jef telkens opnieuw. Voor Frans krijgt de zee een nieuw geluid: dat van mekkerend meeuwengekrijs. Op zondag, terwijl het hele dorp nog slaapt, maken zij wandelingen in het groene bos. Frans voelt feilloos aan zijn linkervoet of ze regenkledij moeten voorzien. Ze kijken naar vechtende mussen, naar het spel van de merels in de notenboom. “Moet je zien”, zegt Frans, “een boomklever!” Voor Jef krijgt het bos een nieuwe gezicht: dat van boomklevers, spechten en roodborstjes. Frans moet vaak plassen. “De operatie heeft niet veel verbeterd aan mijn ‘ouwemannenkwaal’”, zegt hij. “Och ja, het hoort bij de leeftijd”. Zonder dit probleem had hij Jef nooit leren kennen. Hij moet er niet aan denken.    De tijd verstrijkt. Ze kennen elkaar al meer dan vijf jaar. Frans is vaak moe. Een knagende rugpijn laat hem nooit met rust. Na een berg onderzoeken gaat hij naar de dokter voor de uitslagen. “Uw prostaatkanker is te ver uitgezaaid”, zegt de witte doktersjas. “De behandeling die ik u voorstel is palliatief, daarmee bedoel ik dat…” “Hoelang nog, dokter?” “Enkele weken. Hooguit zes.” Traag wandelt Frans terug. De straten zijn grauw, de huizen staren hem aan. Thuis roert hij lang in zijn koffie, zwart als een rouwgewaad. Hij neemt de telefoon. Jef komt. Hij ziet Frans op de bank onder de appelboom, naast de groenbemoste engel met kapotte vleugels. Stil gaat Jef naast Frans zitten. Voor het eerst sinds ze elkaar kennen, misschien wel voor het eerst in zijn leven, weet Jef niets te zeggen. Hij vergeet zelfs een nieuwe sigaret op te steken. De appelboom is zwaar van rijpend fruit. Er is nog zoveel wat Frans wil zien en doen. Dingen als een zeldzame vogel zien, een ijsvogel, wie weet. Lopen aan het strand met de zon in zijn rug. Voor de honderdste keer luisteren naar de belevenissen van Jef op zee. Samen een fris biertje drinken. Gewoon in leven zijn: elk uur, elke dag. Hoe kon geluk ooit vanzelfsprekend zijn? Een maand later stappen ze door de tuin van Frans. Bij elke plant en boom vertelt Frans hij ze gesnoeid moeten worden Met geoefende bewegingen knijpt hij verwelkte bloemresten weg. Rondom hen ligt de grond bezaaid met afgevallen appels.   Een dor blad tuimelt van tak naar tak in een kalende boom. Enkele laatste rozen bloeien donkerrood: nog zeven dagen? Nog tien?    Dezelfde avond zitten ze in de zetel bij Frans thuis. Jef heeft een fles champagne meegebracht. “We bewaren hem voor een speciale gelegenheid” zegt Frans. Daarna schuift hij heen en weer in de sofa . “Ik word niet beter, Jef”, fluistert hij, “ik ga dood”. Jef inhaleert de rook van zijn sigaret en ziet het grauwe gelaat van Frans. “Vertel me over de zee”, vraagt Frans. Jef bromt verhalen, zonder kop of staart. Zijn warme stem omhult Frans. Ze drinken en roken. Roken en drinken. Praten hoeft niet meer: alles is gezegd. Ze luisteren naar het sissen van de vlammen in de open haard. Ze heffen klinksgewijs de glazen. De tv staat op, ze kijken niet. Om drie uur ‘s nachts zet Frans hem uit, het zwarte oog kijkt verbaasd de kamer in. De vijfde fles is leeg, de asbak vol. Plots valt Frans suizebollend voorover, hij hapt naar adem, zijn ogen groot en zijn gelaat asgrauw. “Het kan elk moment gedaan zijn”. Mijn God, niet hier, niet nu, bidt Jef. Frans grijpt de hand van Jef. Hij wijst naar de tekst op het lege sigarettenpakje: ‘roken is dodelijk’. “Het is waar”, hikt hij met een alcoholboer.      Twee dagen later krijgt Frans onmiddellijk een eenpersoonskamer in het ziekenhuis. Zijn beenprothese staat werkloos naast zijn bed. Jef vertelt hem onophoudelijk verhalen. Opeens hijst Frans zich moeizaam overeind. “Geef me wat te drinken” vraagt hij. Jef loopt, nee, hij rent de vijf straten naar huis en weer terug. Frans straalt als hij de champagne ziet. Jef helpt hem rechtop en houdt hem het plastic bekertje met de champagne voor. “Het is goed dat u hem water geeft,” knikt de verpleegster, “maar geeft u hem vooral kleine slokjes opdat hij zich niet verslikt.” Samen met ‘Prévoteau-Perrier’ verlaat Frans het leven en zijn vriend.   In het grijze ochtendlicht wandelt Jef naar het huis van Frans. Hij gaat er zitten op de bank onder de appelboom. Bij de buren slaat de deur dicht, een auto start. Jef dut in. Twee uur later wordt hij wakker. Dan ziet hij hem, achteraan op het gazon: de merel met één poot.      

Martine Wolfaert
0 0

Verlichting

  “Je kent iemand aan zijn schoenen”, zei mijn moeder altijd. Ik kijk naar mijn afgetrapte zolen en duw de deur van de schoenwinkel open. “Think’, een prima merk!” zegt de verkoopster als ik mijn keuze aanwijs. Ik gluur op de doos naar het prima prijskaartje van 110 euro. Ik twijfel. De verkoopster ziet het. “Duurzaam materiaal, mevrouw, licht gelooid leder! Vooruit dan maar. Ik heb late dienst. Op licht gelooid leder zweef ik naar mijn werk . Hoger, soepeler. Voorbij het vroegere knellen en zwellen. ‘Think’ wordt mijn nieuwe Life Style. Mijn moeder had gelijk. In het hospice is het druk. Gelukkig zijn er twee vrijwilligsters. Els komt voor de eerste keer; “Ik ben Nederlandse,” stelt ze zichzelf voor. Meneer Smet ligt in de kamer naast de keuken. Hij klaagt over buikpijn, en ziet er tegen op om telkens naar het toilet te stappen. “Zet je alvast een toiletstoel op zijn kamer?” vraag ik aan Els. “Een wàt?” Twee vraagtekens in haar ogen. “O, een po! Wij noemen dat een po!” Een uur later is het gezicht van de man nat van het zweet. “Een kind krijgen is niets in vergelijking met wat ik nu doorsta,” kreunt hij. Tsjaktsjaktsjak… In de keuken worden uien gehakt. De man snuift als een zwaar beladen pakezel. “Diep en traag ademhalen, meneer,” zeg ik. Els is de enige die het doet. “Mijn God!” Roept de man plots uit, “het komt, het komt!” Vlug vlug op de toiletstoel… Ik leg mijn handen op zijn schouders. “Rustig, laat maar komen, het is oké!”   Het mes op de plank: tsjaksjaksjaktsjak – “In Nederland doen we er ook nog een potje in,” zegt Els met een dunne stem. Ik heb nu geen tijd voor haar. “Jaja, het komt!” roept meneer Smet met angstige hoop. Plots voel ik nattigheid. Mijn Thinks zijn bedolven onder een dikke laag groene smurrie. “Wat een verlichting!” zucht meneer Smet.      

Martine Wolfaert
4 0