Lezen

I. Genese van een these

Sterven zal ik nooit; ik stel mijn deadlines immers steeds uit.   Desondanks zou ik praktisch dood zijn als ik mijn thesis niet voltooide. Ik had al lang genoeg getalmd. Ditmaal zou ik mijn bureau niet verlaten, zolang ik mijn taak niet volbracht had.   Ik besloot een mentaal spel met mezelf aan te gaan. In mijn verbeelding zou de uitvoering van het vereiste werk mijn eigen executie beletten, terwijl niet-uitvoering zou resulteren in mijn onmiddellijke terechtstelling. Een mantra nestelde zich in mij, dat in beide richtingen gelezen kon worden: “EXECUTE = NO EXECUTE”.   Desalniettemin bleef ik vastzitten op een essentieel punt.   Mijn onderzoek betrof de regulering van Artificiële Intelligentie, kortweg AI. De vraag stelde zich of het technologisch gebruik van auteurswerken, waarbij de inhoud enkel machinaal verwerkt wordt en niet wordt vrijgegeven aan de buitenwereld, in strijd is met het auteursrecht. Bij het benodigde Text & Data Mining maakt men immers kopieën van ontelbaar veel werken om er vervolgens via software patronen en inzichten aan te onttrekken. Het was onduidelijk of dit de toestemming van de respectievelijke auteur vereist.   Een strekking binnen de doctrine vindt van niet omdat het auteursrecht enkel bedoeld zou zijn om de originele expressie van de auteur te beschermen, dewelke bij het technologisch gebruik in kwestie niet wordt veruitwendigd. Aan de andere kant van het spectrum vindt men dat auteurs vergoeding verdienen voor elke exploitatie van hun werk, inclusief niet-expressief gebruik. De twee strekkingen leken me onverenigbaar.   Opeens schoot mij het citaat te binnen waarmee de Duitse filosoof Gadamer zijn filosofie samenvatte: “Het zou kunnen dat de ander gelijk heeft.” Hiermee ging ik aan de slag.   Wat als elkeen een punt had?   Mijn oog viel op de groeicurve die exponentiële technologieën kenmerkt. Zo verdubbelt de rekenkracht van computers elke twee jaar volgens de zogenaamde Wet van Moore. Op een grafiek wordt een exponentiële functie zoals ex weergegeven als de zogenaamde hockey stick-curve, waarbij de waarde aanvankelijk geleidelijk lijkt te stijgen om vervolgens als een vuurwerkpijl de lucht in te schieten.   Wat als het antwoord op mijn vraagstuk reeds schuilde in de grafiek?   Als een auteurswerk slechts eenmalig niet-expressief wordt gebruikt, is het aanvaardbaar dat de toestemming van de auteur niet gevraagd moet worden en dat aan deze geen vergoeding verschuldigd is. Als het auteurswerk echter op exponentiële wijze gebruikt zal blijven worden, is het daarentegen wel gepast de toestemming van de auteur te behoeven en deze te vergoeden.   Door de richtlijn van de exponentiële groei te volgen, was ik er eindelijk in geslaagd een compromis te bewerkstelligen tussen de twee - aanvankelijk onverzoenbaar ogende - strekkingen.   Ik stond versteld. Het antwoord had me de hele tijd in het gezicht gestaard. Ik moest gewoon de lijn volgen die de verschillende punten met elkaar verbindt. Het onzichtbare schuilt achter het overduidelijke.   Ik moest terugdenken aan het gesprek dat ik destijds met mijn kotgenoot Mo had gevoerd over religie.   ****************************************************************************************************   Als ik met Mo uitging, was hij altijd bezig meisjes te versieren. “Ik ben teveel man voor slechts één vrouw!”, verklaarde hij me. Hij beweerde reeds tientallen eerstejaars ontmaagd te hebben. “Fuck al die bitches, man!”, raadde hij me aan, “Ze vragen er gewoon om.” “Ik heb ooit ergens gehoord dat je niet van vrouwen moet houden, omdat je anders er niet zoveel zou kunnen neuken”, had ik hem één keer ingewreven. Die opmerking had Mo louter schamper weggelachen.   ****************************************************************************************************   Hoewel hij veelvuldig alcohol en vrouwen consumeerde, was Mo er evenwel van overtuigd dat God bestond en dat dit onweerlegbaar bleek uit een analyse van onder meer het Heilige Schrift. Zo zouden er wiskundige wetmatigheden in de Koran terug te vinden zijn, net als in de natuur, die te onwaarschijnlijk zijn om louter op toeval te berusten en kunnen ze dus niet anders dan het werk zijn van een intelligente schepper. God zou tot ons spreken via de wiskunde.   Destijds had ik het als bijgeloof weggezet: “Dat zijn slechts toevalligheden.” “Hoeveel toevalligheden kun je meemaken totdat het geen gelukkig toeval meer is?” was Mo’s respons.   Nu kreeg ik zijn redenering niet meer uit mijn gedachten. Wat als ook Mo een punt had?   Die nacht kon ik de slaap niet vatten.   Bij het ochtendgloren installeerde ik me onmiddellijk terug aan mijn werktafel. Bij wijze van klad, trachtte ik een gek hersenspinsel uit mijn hoofd te schrijven:   “Het universum breidt zich op exponentiële wijze uit. Om het heelal te doorgronden, hebben we exponentiële technologieën nodig. Om exponentiële technologieën mogelijk te maken, hebben we exponentieel recht nodig.   De bekende Harvard-rechtsgeleerde Lawrence Lessig heeft reeds gesteld dat code recht is, doelende op het feit dat menselijk gedrag steeds meer geleid wordt door computercode. Ik stel mij de vraag: ‘Wat als de code ex Gods wet is?’   God heeft zichzelf gecodeerd in de ruimte, en elke dag verwijderen we ons verder van Hem.    Om het mysterie van God op te lossen, moeten we Hem vinden. Daar, waar Hij op ons wacht sinds het begin der tijden, in het hart van het universum, waar het allemaal begon met een grote knal.   Religie en wetenschap zouden elkaar niet moeten bekampen, maar tezamen de ruimte verkennen in hun gezamenlijke zoektocht naar Gods bestaan.”   Deze gedachtegang bracht me zo van mijn stuk dat ik in foetushouding in warme tranen op de koude vloer oploste.   Ik had mezelf steeds bestempeld als agnost uit veiligheidsoverwegingen om niet in de hel te belanden wegens de verwerping van God, indien deze toch zou blijken te bestaan. Nu had ik voor het eerst een indicatie van de mogelijkheid van Zijn bestaan ervaren.   Ik bracht de nacht ijsberend rond mijn bureau, zoals moslims rondom de Kaäba, door. Het monotone schuifelen bracht mijn brein enigszins tot rust.

Odin
5 0
Tip

Borstvoeding

Sommigen menen dat het doel van ons verblijf op aarde bestaat uit werken tot we erbij neervallen. Anderen zoeken de zin van het leven in de voortplanting. En nog anderen geloven dat we alleen hier zijn omdat dat vat Jupiler zichzelf niet kan opdrinken. Nonsens uiteraard, en ik zal je vertellen waarom. De enige reden waarom we over deze zwevende bal slijk mógen strompelen van Het Opperwezen, is natuurlijk, no pun intended, om te borstvoeden. Borstvoeding is het hoogste goed, het summum der moederschap, het ultieme genot voor de jongsten der aardbewoners. Dat wij mannen nog steeds niet geleerd hebben hoe het te doen, bewijst dat onze taak hier nog lang niet volbracht is. Vraag het aan eender welke kersverse moeder en ze zal zeggen: 'Mooi is het zeker, moeder zijn. Maar ook wel pittig.' Je moest dan ook net de zwaarste daad uit je leven tot een goed einde zien te brengen. De hormonen jagen door je lijf, onzekerheid zwaait de plak in je hoofd: 'Doe ik het wel goed?' Want dat wezentje ligt daar weer te krijsen, terwijl je nochtans elke mogelijke reden waarom hebt afgecheckt en uitgesloten. Daarbij komt dat elke vrouw die ooit een kind baarde, hoeveel decennia terug dat ook was, een lidkaart kreeg om kritiek te geven, vermomd als raad, die haaks staat op wat een andere kinderbaarster je gisteren aanraadde. En dat elke dag opnieuw, op de weinige momenten dat je niet gegijzeld tussen die vier muren zit te wachten op de volgende huilmonoloog van dat roze hoopje hulpeloosheid. Je zou voor minder depressief worden. Daarom is het hartverwarmend dat de maatschappij jonge ouders tegenwoordig één keuze minder dwingt te maken, met name gaan we voor borstvoeding of niet? Wat zou je anders doen? Flessenvoeding? Hahaha, stel je voor! Sla er een willekeurig babyboek op na en het is duidelijk: borstvoeding is het übernatuurlijkste dat er is en als jij er als mama niet in slaagt om het te doen, wil dat zeggen dat je niet hard genoeg je best doet. Niet om druk te zetten, maar je wil je kind toch zeker niet ontzien van colostrum, de eerste melk na de bevalling? Colostrum zit tjokvol eiwitten, mineralen en vitaminen, begunstigt je baby z'n eerste ontlasting en geeft 'm net geen overdosis antistoffen. Herinner je je Asterix en Obelix nog, en de ketel waarin die laatste gevallen was? Dat was een ketel colostrum. Kortom, deze wondermelk maakt het verschil tussen een kind dat met moeite op zijn vijftien z'n eigen poeperd kan afvegen of eentje dat haar universitair diploma (grootste onderscheiding en felicitaties van de jury) met de DIY-skills van Roger Wat-Je-Zelf-Doet-Doe-Je-Beter aan de muur van haar eigen succesvolle advocatenbureau ophangt. Dat we de colostrumproductie nog niet geïndustrialiseerd hebben om het goedje de godganse dagen zelf achterover te slaan, snapt geen mens. Nu zullen sommigen opperen: 'Maar meneer, mijn kind heeft borstvoeding gekregen en het is helemaal niet zo uitzonderlijk succesvol of perfect. Het is allergisch aan peulvruchten, luistert enkel naar Qmusic en is te dom om zelfs ongewild zwanger te raken.' Nogal wiedes! Jij hebt duidelijk je kind niet lang genoeg geborstvoed. 'Maar meneer...' Of net veel te lang! Dat je dat als moeder niet hebt aangevoeld, 't is nochtans de natuur. Doch allerminst verrassend, want recent wetenschappelijk onderzoek heeft aangetoond dat 90% van onze maatschappelijke problemen te herleiden valt naar het gebrek aan borstvoeding of het geven van gebrekkige borstvoeding: files op de E40, een mailbox vol dt-fouten, de verkiezingsuitslag van 2019, de klimaatopwarming en serveuses die vergeten mayonaise te brengen terwijl je daar uitdrukkelijk om gevraagd had. Ook bij bekende mensen moet je het niet ver zoeken. Want hoewel Theo Francken eruitziet alsof hij nog dagelijks z'n dosis via de moederlijke tepelaar binnenslurpt, spreken zijn tweets en gedachtegoed van een overduidelijke borstvoedingsleemte. 'En wat met Hitler of Trump, meneer, kregen zij van de borst?' Ik denk dat je het antwoord zelf wel kan raden. Maar ondanks de wetenschap zijn ze er nog altijd. De luie luxezoekers. De monstermoeders. De hedendaagse heksen die het durven wagen om hun kind een niet afgekolfde fles melk in de mond te duwen. Mishandelende duivelinnen zijn het, en je moet je dan ook niet inhouden om als je zo'n kwaadaardige feeks haar kind ziet 'voeden' met een fles, ze de huid vol te schelden tot de tranen over haar waardeloze moederwangen stromen. Tepelkloven? Ik wil het niet horen! Borstontsteking? Bullshit! De kinderinspectie op afsturen, zeg ik. Verbranden op het dorpsplein! Aan de verkeerslichten hangen zodat passanten die de 'HIER DRINKT MEN BORST!'-posters niet zagen hangen, weten dat er hier geen flessenvoedsters geduld worden! Zolang het maar duidelijk is. Want borstvoeding is het goddelijkste op aarde, de essentie van het leven, het rechtstreekse pad naar het paradijs. Als jij het daar niet mee eens bent is dat enkel en alleen omdat je je nooit aan de tepelbron mocht laven en je beseft dat je leven in geen honderd jaar zo vol, rijk en geslaagd zal worden als dat van hen die het wel deden.

Hans Verhaegen
130 3

De tent in de tuin - Als een tekening.

Vooraf: De tent in de tuin is een verhaal in opbouw. Dit is een derde deel.   Als een tekening Wanneer ik in de spiegel kijk, vraag me af of anderen aan mijn gezicht kunnen zien dat er beelden zijn die niet vergeten kunnen worden. Wanneer ik in de spiegel kijk, zie ik ze. Op mijn wang zie ik de sporen van haar aanraking, hoe ze me troostte als ik een nachtmerrie had, hoe ze me liefdevol kneep als ze trots op me was. Vertelt mijn neus aan anderen hoe heerlijk ze rook? Naar wilde bloemen in een veld met hoog gras, naar suikerspin, naar koffie soms, en hoeveel rust dat amalgaam me bracht wanneer ik in haar armen lag. Getuigen mijn ogen er nog van hoe moeilijk het was om haar ongelukkig te zien, dagenlang roerloos in bed of opgekruld in een hoekje van de zetel? Dragen ze de sporen van de tranen die ik liet wanneer zij huilde? Kunnen anderen de herinnering zien aan de ontzetting op mijn gelaat toen ik er mezelf voor het eerst op betrapte te denken dat ze misschien nooit beter zou worden? Lezen ze nu nog de vraagtekens die zich op mijn voorhoofd vormden toen ik me afvroeg of ze zou verdwijnen? Wilde bloemen in het hoge gras, een moeder die door de wind werd weggevoerd. Soms zie ik bloemen die me aan haar doen denken, of een tekening van een bloem. Als een tekening haar al voor me terug kan brengen, is het dan niet waarschijnlijk dat er beelden op mijn gezicht geschreven staan, dat iedereen kan lezen wat ik verloren heb?   Papa, weet je nog?  Hoe het mijn gewoonte was om tekeningen voor haar te maken, wanneer ze voor de zoveelste dag op rij neerslachtig in de zetel lag en opnieuw al zolang niet meer leek te hebben bewogen? Ik tekende wat ik die dag buiten had gezien, op weg naar school. In het weekend tekende ik wat je vanuit het keukenraam kon zien. Wanneer ze in de zetel lag, hield ze alle gordijnen dicht, dus vond ik het mijn taak om buiten voor haar naar binnen te brengen. ‘Meneer Pierre heeft zijn brievenbus alweer geschilderd’, rapporteerde ik in potloodstrepen. ‘Op weg naar school dragen de bomen intussen roze bloesems’. Die bloesems kleurde ik donkerder dan ze in werkelijkheid waren, omdat ik dacht dat ik de natuur nog mooier moest maken dan ze al was, als de lente haar al niet meer overtuigen kon om op te staan. Ik tekende Lukas zijn gezicht, vervormd, zoals wanneer hij het tot jouw ergernis tegen de ruit van onze auto drukte. Ik koos er nadrukkelijk voor haar af te schermen van triestere taferelen, de dode kat van Klaartje, ook al maakte het beeld van dat beestje, aangereden in de goot, me wekenlang onrustig. Ik tekende ook nooit de regen, zelfs niet als die viel wanneer de zon scheen en ik me afvroeg of ik ook in haar ogen regenbogen zou kunnen vinden als ze doorheen haar tranen lachte. Tussen de tekeningen die ik voor haar maakte, zaten er ook enkele van de maan. Die maakte ik wanneer ik niet kon slapen, wakker lag van het idee dat mama steeds scherper leek te vervagen. Dan keek ik uit mijn dakraam naar de sterren en naar de maan in al haar vormen. Een tijd lang vroeg ik me af of de stand van de maan me meer zou kunnen vertellen over de staat waarin mama op dat moment verkeerde, over het wassen en afnemen van haar verdriet. Nu, zoveel zomers later, besef ik dat mijn moeder in een hemellichaam werd geboren, voorbestemd om een beeld te worden tussen de sterren.

Caroline Spaas
0 0

De tent in de tuin - De nacht waarin ze verdween.

Vooraf:  De tent in de tuin is een verhaal in opbouw. Dit is een tweede deel.   De nacht waarin ze verdween.    Papa,  Je vond haar toen je thuiskwam na een bedrijfsetentje. Je besloot om mij en Lukas niet te wekken en belde ook geen ambulance. Tot iets minder dan een maand voordien had je dag en nacht, dag en opnieuw nacht de wacht gehouden. Je waakte in elk deurgat en eiste van haar en van ons allemaal dat alle sloten onvergrendeld bleven. Je zorgde ervoor dat ze nooit uit je zicht verdween, en daardoor niet uit onze levens stappen kon. Die avond was je voor het eerst een avond weg, omdat het beter ging, volgens haar, in onze ogen en in die van haar psychiater. Toch denk ik dat je niet verrast was toen je in jullie badkamer de sporen van een overdosis pillen aantrof. Je vond haar in de schaduw van de maan, de schaduw van jullie bed en zakte naast haar op de grond. Dat vertelde je me nooit, over dat neerzakken, je spreekt namelijk ook niet over deze avond, maar ik beeldde het me later in. Ik beeldde het me in toen ik probeerde te begrijpen waarom je ons in bed liet liggen en besloot geen hulpdienst te betrekken. Het was al ochtend toen je ons belde vanuit het ziekenhuis. Ik wist al wat je ging zeggen voor je het zei. Lukas en ik hadden zo vaak op deze realiteit geanticipeerd, maar wisten ook hoe onwerkelijk het altijd zou voelen, dat ze ooit niet meer naast ons aan de ontbijttafel zou zitten, geflankeerd door Froot Loops, dat de vier stoelen op een dag altijd teveel maar daarna nooit meer voldoende zouden zijn. Je bevestigde wat we al vreesden en tijd stond plots stil. Het moment vernauwde en drong alles overspoelend binnen. Ik dacht en voelde niets, maar zag alles plots schreeuwend scherp. De Froot Loops, drijvend in melk, zoutkristallen in de verse boter, het brood dat ademhaalde. Kruimels aan een mes, kruimels rond het brood, een scheur in de zak, kruimels op de grond, een barst in een glas, een spoor van zon op tafel, lauwe koffie in een kop en hoe mijn handen trilden, maar ik dat niet voelde, enkel zag. Ik denk dat je toen je haar vond meteen wist dat het voorbij was, nog voor je echt dichtbij haar gekomen was, dat je wist hoe er niets meer voor je over was om te beschermen. Je wist dat je verloren had. Precies op het moment dat dat besef tot je doordrong, bedenk ik dat je dichterbij ging, en naast haar bent neergezakt. Ik verbeeld me hoe alle kracht toen uit je gleed, langs haar lome voeten vloeide, over de vloer van jullie slaapkamer, de badkamer en de trap. Je laatste hoop uit huis gespoeld, maar je deed niets. Ik denk soms dat je door niets te doen alles probeerde te doen wat zij van je verlangde. Ik denk dat je haar zo eindelijk alles gaf dat ze van je wilde hebben, maar wat je liefde voor haar je niet eerder toeliet haar te geven. Nu vraag ik me soms af of je schetsen maakt van de momenten die hadden kunnen overleven, als je wel een ambulance had gebeld, of je je afvaagt of het nog iets had uitgehaald. Ik vraag me af of je jezelf verantwoordelijk acht, of het etentje vervloekt dat waarschijnlijk veel te saai was voor het bedrijfsbudget dat er aan werd gespendeerd. Als je die vragen hebt en ze ooit met mij zou durven delen, zou ik je antwoorden dat ik vrees dat het hoe dan ook verloren was. Ze wist heel goed waarom ze ons en haar psychiater vertelde dat het echt wel beter ging, ze wilde dat je plaats zou ruimen. Als je dat niet had gedaan, had ze op dag haar plan toch doorgezet, met of zonder ons. Daarna zou ik je vertellen, papa, dat ik begrijp dat je je schuldig voelt. Ik voel het elke dag.  Vorige week leken mijn dromen voor het eerst in lang terug op de schreeuwerige nachtmerries waar ik last van had vlak nadat ze gestorven was. Ik kreeg de opdracht haar te redden, maar mijn opdrachtgevers vulden in één adem aan dat ze al dood was en ik niks kon ondernemen. Het engste aan die dromen is nooit het schuldgevoel, maar het gevoel dat ik zelfs geen kans meer krijg, en daardoor nooit schuld zal kunnen dragen. En als ik niet schuldig ben, wat ben ik dan wel? Wat heb ik dan voor haar betekend? Ik wilde je die ochtend bellen, maar deed het toch maar niet. Ik weet immers niet of jij kan geloven in schuld als iets dat leven geeft.  

Caroline Spaas
0 0

De tent in de tuin.

Vooraf: De tent in de tuin is een verhaal in opbouw. Dit is een eerste deel.    De tent in de tuin   Papa,  Elke zomer tot ik tien werd, stond er een tent in onze tuin. Daarin sliepen we met drie: ik, Lukas en jij, met je tenen vlakbij onze neuzen. Ik kan me niet herinneren of je echt niet in dezelfde richting als de onze paste, dan wel of je je voeten en lange tenen uitgerekend daar tussen ons in parkeerde... om ons met wat meer afstand in het oog te kunnen houden, of om een ander perspectief te hebben op de griezelverhalen die we elkaar vertelden. Misschien deed je het nog vooral om onze van chocolademelk verzadigde adempjes niet recht in het gezicht te moeten incasseren. Die chocolademelk werd door mama voor ons naar buiten gebracht, geserveerd met slagroom en hagelslag, in plastic kopjes en steeds zorgvuldig neergezet op de wiebelende kampeertafel bij de ingang van onze tent. Bijzonder is het, hoe alles zoveel specialer werd wanneer de context niet de keuken, amper vier meter verderop, maar wel de tuin was. We waren avontuurlijke kampeerders, van kop tot lange tenen. We waren bang van niets en voorzien van alles: kampeertafel, slaapzakken, muggenmelk, een zaklamp, twee knuffelberen en de sleutels van het huis voor als we 's nachts moesten plassen. Wie het tegen die tijd te koud had of te hevig was geschrokken van de kat van de buren in onze tuin, kon dan binnen bij mama blijven. Zij was te ziek te om te kamperen, vertelde je ons altijd. En zo gebeurde het wel eens dat ik niet terug de tuin in ging, maar in plaats daarvan bij haar bleef, omdat alleen slapen me vele malen enger leek dan buiten in een tent. Ik drink koffie aan de keukentafel. Het is zomer. Ik ben intussen achtentwintig. Nu, zoveel zomers later vraag ik me af wat je dacht wanneer ik niet terug de tent inkwam. Vond je me een bangerik, zoals ik er 's winters als kind echt wel een was, op schaatsen, bang om te vallen, er toen, net als nu, van overtuigd dat voeten dienen om er stevig op te staan of om heel snel weg te rennen? Vermoedde je dat ik gewoon heel dicht bij haar wilde blijven? Raadde je dat ik toen al voelde mijn moeder kon verdwijnen? Dat ze zou verdwijnen, in de nacht. Raadde je dat ik restjes tijd verzamelde voor de ochtend komen zou waarop ons gezin niet langer uit vier, maar uit drie delen zou bestaan. Ik wil je zo graag vragen wat je toen al wist, papa, maar ik vraag je al jaren niets. Ik betrap mezelf erop in jouw bijzijn rond herinneringen te laveren, nooit meer alles met je te delen. Ik zal ook nooit meer met je spreken over de tent in onze tuin, omdat zij daar niet bij ons was en jij slechts kan leven in de herinnering aan momenten waarop ze er wel nog was.  Maar wat zal er dan nog van ons overblijven?  

Caroline Spaas
1 0

Kindertijd.

Toen ik deze ochtend wakker werd, herinnerde ik me dat ik over mijn grootmoeder had gedroomd. Het grootste deel van mijn leven woonde mijn grootmoeder bij ons gezin in hetzelfde huis, op haar eigen verdieping weliswaar, met een eigen keuken, badkamer en een eigen living, waar ze urenlang TV keek. Altijd naar Familie en 's namiddags naar documentaires, over een van beide wereldoorlogen of over de klassieke oudheid, al dan niet vooraf opgenomen op een van vele videocassettes die vandaag nog meegaan.  In mijn droom stapte ik mijn eigen, gelijkvloers appartement binnen, om in de achterste kamer de trap naar haar verdieping te ontdekken. Ik kondigde mijn thuiskomst aan en liep de trap op. Mijn grootmoeder had die dag op mijn dochtertje gepast, terwijl ik uit werken was. "Alles is vlot gegaan', zei ze, en ook: "Je ziet eruit alsof je je ergens zorgen over maakt".  Ik ging zitten in het zeteltje van donkergroen velours, waarvan de vering na vele jaren aan kracht had ingeboet. Met mijn meisje nog op haar schoot zat ze tegenover me en luisterde naar de gedachten die ik traag ontvouwde, als de wikkel rond een Napoleon bolletje uit haar zware kristallen schaal, waarvan mijn broers en ik het deksel lange tijd niet zelf op mochten tillen. Ik lichtte het deksel van mijn twijfels en deelde met haar de vragen die ik had over deze nieuwe rol als moeder, over de manier waarop zij het voor mij had gedaan, het haar dochter had zien doen, naar mij kijkt terwijl ik mijn poging waag voor de vierde dochter in de rij. Ze zat tegenover me en luisterde. Ze drukte een kus op het voorhoofd van mijn dochter en zei precies wat ik niet wist dat ik wilde horen.  Moeder worden voelt als opnieuw veel meer kind worden. Ouderschap komt met de nood om de trap op te kunnen lopen, de nood om op te stijgen doorheen de generaties die voorafgingen en daar op zoek te gaan naar stukjes zekerheid, naar stukjes kindertijd om mee te nemen naar beneden. Mijn grootmoeder met de donkergroene zeteltjes zou morgen 82 jaar geworden zijn. Mijn dochter is naar haar vernoemd. 

Caroline Spaas
0 0

Lulkoek en paaseivulling

  Het is nu eenmaal zo, beweert de kreupele, het moet rond dat fameuze kruis gestonken hebben naar ontlasting en urine, want als de geest het begeeft, dan houden ook de sluitspieren het voor bekeken. Ik hoop voor Marie-Madeleine dat ze goed uit haar doppen keek, dat ze niet in zijn stoelgang knielde, dat ze niet op haar knietjes zat te janken in zijn pies. Is dit beeld correcter dan al zijn opgesmukte varianten? Ik moet toegeven dat hij voor één keer terecht twijfel zaait, die vunzige hufter, maar hij blijft een kinkel. Kinderen mijden hem beter, want met één frase kan hij een jonge geest bederven, met één zinsnede kan hij een kinderziel klieven en als hij zure kool gegeten heeft, dan blijft hij maar doordrammen. Oké, er mogen dan excrementen gelegen hebben onder dat meest vereerde kruis. So what. Moet hij daarom blijven kwezelen, blijven emmeren en zeggen dat de vulling van paaseieren veel smeuïger en smeriger mag zijn, dat ze die wijwatervaten gerust met zieker sap mogen volgieten en straks begint hij weer met die opsomming van wat voor goors men kan verrichten in een biechtkotje. Het is niet goed, niet voor de gal, niet voor de lever, zelfs niet voor de fantasie van kinky koppeltjes. Hun lust zou snel bederven door de ongelikte lulkoek die hij uitkraamt. Als ik hem wil vergeten, dan denk ik aan Katja, want die etterbak heeft een absolute hekel aan tederheid. Hij lust geen tinteldrank in ranke glazen en Katja heeft de randen altijd graag versierd. Met korrelsuiker. Met een schijf citroen. Een zoen drijft nooit ver weg als lippen kleine kloofjes slaan en idylles kent hij niet, de kreupele, hij kijkt weg als ik een oogbol streel met blind gevoel, wanneer ik voor mijn Katja speelse prentjes uitzoek in die kisten van weleer, of in een lentecataloog, een titatoverboek en dan kan hij zich de neus danig optrekken dat snot zich mengt met hersenen. Aan de schimmel in zijn kop, aan de fungus die in zijn konterfeitsel groeit, wil ik niet méér woorden vuilmaken dan een belt verdragen kan en ik moet trouwens voort, ik moet naar De Blauwe Toren, naar de Stock Américain Vermeersch. Ik heb een sifon, ook een terugslapklep nodig want ik word bang, ik denk dat de afvoer van mijn spoelbak in verbinding staat met de smeerpijp van de mensheid. Ik vrees die vloed aan bagger. Het is een réseau de misère, een netwerk van buizen die alles leegzuigen en ik durf het amper. Ik moet voorbij het crematorium, wil ik bij die winkel van de familie Vermeersch geraken en ze zijn niet goed wijs, die oelewappers bij de Dienst Ruimtelijke Ordening van Stad Brugge. Het crematorium staat op nog geen driehonderd meter van de verbrandingsoven!  Alle lijkwagens, alle vuilkarren moet over datzelfde asfaltwegeltje! Normaal moeten de lijkwagens iets vroeger rechts afslaan dan de vuilniswagens. Ik ken de weg. Ik zal het nooit vergeten. Het was een zwarte dag met grijze wolken. Ik stond daar, in dat zaaltje met zijn deurtjes, kaarsjes, vlammetjes en ik weet niet hoe zijn functie omschreven wordt. Ik noem hem dan maar de asman. Of de asman die ik er ontmoet heb, daar altijd werkt, weet ik niet. Misschien sprong hij die dag in voor een habitué die zich 's morgens onwel voelde. Feit is dat Katja's asman een blauwe overall droeg met daarop het logo van IVBO, Brugse Verbrandingscentrale.  Hij stond allicht te grinikken. Buiten. De kreupele. Hij moet me gevolgd zijn met z'n oranje Honda Civic Automatique. De nummerplaat ken je en toen hij dacht dat hij zomaar plaats kon nemen in de ontvangstruimte, heb ik hem buitengebonjourd.  Voor Katja was er geen kist. Ze lag op een roestvrijstalen slede. Flauw benul speelde geen requiem en ze was getooid in een zuiver kleed. Het werd stil. Ik hoorde enkel nog het geknars van de wielen van de slede die zich in beweging zette. Haast geruisloos ging het juiste deurtje open en Katja verdween. De asman had een hart. Hij wilde na het gebeuren zijn middagmaal met me delen. Twee tv-worstjes lagen naast een zuurkoolkransje in een tupperwarepotje. Ik weigerde. Ook het dessert liet ik volledig aan hem. Het waren paaseitjes in roze wikkeltjes en de vulling, het hoe en waarom, alles staat in oudekinderboeken, in lexicons over natuur en techniek. Ik kan niet proeven, heb ik ingetogen tegen hem gepreveld, mijn smaak is dood, mijn tong te kreupel. Er liggen te veel levens op mijn lever. Mijn buikgevoel zegt. Dat al die ellende. Niet te verteren valt.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
10 1

Wortelen

Als ze geen zussen waren geweest, was het misschien anders gelopen toen de man met de kettingzaag kwam. Eerst ging Esja eraan, zij stond het dichtst bij het pad. De zaag raakte haar vol, niet ver boven de grond, haar lichaamsvocht spatte in het rond. Tikke, die er vlak naast stond, gilde en greep Esja beet, probeerde haar weg te trekken. En zo kwam ook Tikke tussen de zaagtanden terecht. Zij werd iets verder van de grond afgezaagd, de man hield de zaag een beetje schuin.Ondanks hun gegil volgden de andere 5 zussen al snel. De man had oordoppen op. Iedere volgende zus werd net iets hoger afgezaagd zodat ze er na afloop uitzagen als de pijpen van een kerkorgel.Escobar, de jonge plataan aan de overkant van het pad, zag het allemaal gebeuren. Hij voelde afgrijzen over het lot van de zeven abelenzusters. Het rondvliegen van lichaamssappen en splinters maakte hem een beetje misselijk. Maar ergens was het ook wel een opluchting voor hem. Er kon nu meer zonlicht bij de grond komen om zijn eigen wortels te verwarmen. Trouwens, bij milde briesjes lieten de zussen hun bladeren wel lieflijk ratelen, maar bij harde wind kreeg het geluid iets onaangenaam kakelends. Ja, bijna iets viswijverigs. En dan die proleterige gewoonte van jonge abelen om maar te pas en te onpas op te schieten uit de wortels van oude soortgenoten, zoals de zussen deden op de wortels van de oude Dris. Parasiteren op het voedsel en het water dat de oude boom zelf nodig had, dat was het. Het was goed dat daar korte metten mee werd gemaakt.Dris zelf dacht daar anders over, zijn bladeren ratelden in een murmelende klaagzang. De wind trok aan en de bladeren van Dris, moe van het murmelen en wapperen, vielen uit, suizend, knisperend en zuchtend. De wind trok verder aan en de lucht betrok. De man keek omhoog, pakte zijn zaag in en verliet het bos. Er vielen een paar dikke druppels.De wind ging even liggen en het hele bos was stil. De lucht werd donkerder en donkerder, de wind stak weer op. Een onweer barstte los. Escobar werd geveld door de bliksem. Er waren geen andere platanen in de buurt om om hem te treuren, maar door de takken van de abelen, de meidoorns en de essen fluisterde een zucht van verdriet.Na de winter zond Dris zijn sapstromen niet alleen naar zijn eigen takken, maar ook naar al het wortelopschot dat hem omringde, zelfs naar de orgelpijpresten van de zeven zussen. Het bleek niet voor niets, een voor een liepen zij weer uit, vormden knoppen, kregen bladeren. Esja was de laatste bij wie het lukte en een blij geruis ging door het bos om het begin van de lente. Escobars verkoolde stomp bood inmiddels onderdak aan een specht en een familie zwammen. 

Marijke Roza-Scholten
3 0

Textielgoed, erfgoed

 Honderd jaar geleden floreerde de textielindustrie in Nederland tierig. Die industrie is allang opgedoekt, maar tegenwoordig is het vocabulaire uit die sector eveneens vrijwel van kant gemaakt. Bijvoorbeeld: Wie kent nog de linnenkast? Bijna niemand. We spreken van garderobekast, kledingkast of inloopkast maar linnenkast? Nee.Ik wil niemand van katoen geven, maar wie van onze kreukvrije generatie draagt er linnen? Verder wil ik iets anders uit de doeken doen. We kennen de theedoek, toch? Wat heeft die met thee te maken? Vast iets, maar ik droog sinds mensenheugenis mijn vaat met de theedoek. Is dat de bedoeling eigenlijk, vraag ik me af. Want met mijn vaatdoek doe ik dus niet de vaat, maar poets ik het aanrecht. Er is, klaarblijkelijk, wat mis met onze taal óf met mijn gedrag, maar ik zie anderen hetzelfde doen dus doe’k het ook.Een zakdoek. Nog zoiets. Nagenoeg niemand heeft er eentje op zak en droogt er z’n zak mee af. Althans vrouwen niet. Die duurzame zakdoek is allang ingeruild voor de papieren tissue. Idee van onze wegwerpgeneratie en passend bij veelvuldig snikkende vrouwen, snuitende mannen en snotterende kinderen.  Dan de handdoek! Dat je daarmee weliswaar je handen droogt beschouw ik als een doekje voor het bloeden want je droogt  eveneens de rest van je lichaam ermee, dus ook dát woord is een wassen neus. Het grappige is dat we het doekje waar we wél alleen handen mee drogen vervolgens gastendoekje noemen! Gast, dat is toch bizar? Voor zover we handen überhaupt wassen. Ik kan me voorstellen dat rappers bij het woord ‘doek’ eerder aan witwassen dan aan handen wassen denken. Maar dat terzijde. De commercie heeft geprobeerd om de handdoek qua reputatie op te lappen door deze qua formaat te vergroten en douche- of badlaken te noemen. Alsof ze alleen in douche of bad bruikbaar zijn. Los daarvan, het zijn geen lakens want die twee kunnen zich niet meten aan de witte lappen die we wél als beddengoed  gebruiken. Die delen in bed nog altijd de lakens uit.  Al met al hoeven we er geen doekjes om te winden: het is schering en inslag als het gaat om verkeerd samengestelde woorden op textielgebied. We moeten onze verstofte taal uit de mottenballen en door de mangel halen. Vooral niet meteen de handdoek in de ring willen werpen. Een gastendoekje volstaat voor ‘Prince’ Verhoeven en ‘Bad Boy’ Hari. 

Annemagenta
3 0

Cijferpijn en letterleed

1-KGB-911 is geen diplomatieke nummerplaat want die beginnen met CD. Voor de rest lijkt het me beter om het gewoon toe te geven. Ik heb een nummerplaatobsessie. Ik verzamel ze. In mijn synapsen. Niet dat ik zo sterk ben als Solomon Sherashevsky. Trouwens, een groot verschil is dat Solomon fier was op zijn capaciteiten. Met plezier liet hij zich bestuderen door neuropsychologen. Ik niet. Mij kwelt het enkel en de smarten die bepaalde cijfers en letters veroorzaken, variëren. Het gaat van balorige weemoed, over pijn in de lever van mijn zelfbewustzijn, tot panische angst bij het zien van sommige nummerplaten. Ik kan enkel hopen dat ik bepaalde cijferlettercombinaties niet tegenkom, dat ze niet op me af komen rijden, geen gifkikkergroene Massey Ferguson van het type 35 en geen enkele Volvo 740. Dat zijn ze de meest te vrezen rijtuigen en het is dom van mij om daar zelf over te beginnen. Ik doe mezelf iets aan. Gelukkig is er Xanax, de godin van de kalmte, met haar rustgevende kruidenbollen, met haar bijen. Ik gun mezelf dan angeltjes met dronken tegengif. Ook ken ik trucjes om de kreupele buiten de deur te houden. Ik zal ze niet verklappen, want hij leest alles en als die sleeppoot zou rondrijden in een karretje, dan zou het geen Porsche 911 zijn, maar een Honda Civic, gebouwd in 'het jaar stilletjes'. Betty heeft er ook zo één. Een witte. Die van de kreupele moet echter knaloranje zijn, zodat ik hem goed kan zien aankomen. Het is best een automaat voor die oen met manke linker poot en verder staat 911 niet enkel voor stervelingen die maar uit wolkenkrabbers blijven vallen. Het staat ook voor negen november. Op die dag van het jaar 2002 zag ik de kreupele voor het eerst. De nozem zat eerst half verscholen achter een zerk op de Centrale Begraafplaats te Assebroek. Twee minuten later stond hij tegen een kruisbeeld te plassen. Neen. Een kruis dat danig naar urine ruikt, is erover, het zorgt voor reflux en misnoegen. Pas op dinsdag 8 december van het jaar 2009 zag ik hem weer. Hij stond aan een mariabeeldje te prutsen in de gang met prullarai. Hij kwam weer eens naast me staan, zei dat een mantel van tin loodzwaar moet zijn en hij wees naar buiten, naar de Lexus van Tanguy. 242-ESB las ik, terwijl BSE-242 de nummerplaat van mijn vader is en ik hoorde in de verte weer mijn favortiere hymnes van opstand, daarna al snel het gebonk van ontreddering. Front 242 dreunde weer door de ruïnes van weleer en dat is muziek die hij verfoeit, die verafschuwd wordt door die zieke os. Hij is een onwel rund dat blijft voortzoeken naar gewillige grietjes. Zelfs minder gedweeë freules moeten eraan geloven. Hij is net zoals Tanguy en een Lexus moet zich gewillig laten sturen. Rond half zes verlieten ze gezwind de parking van de kringwinkel, Tanguy aan het stuurwiel en Katja haalde zalf boven. Tanguy moet zijn hand al richting Katja's kruidentuin bewogen hebben, nog voor ze de poort gepasseerd waren. Dat terwijl onder haar zonnebril nog een blauw oog zat te lijden en ik had ze niet geteld, maar ik wist het. Er stonden om kwart voor zes nog 1153 boeken in de rekken. Slechts twaalf waren er verkocht die dag. Ook een singeltje van Will Tura met een telefoonnummer. Vals, verzonnen door een kleuter en onbestaand is dat nummer. De smeerlap! En dat terwijl dozijnen Vlaamse zeugen biggen van hem willen. Je zou de indruk krijgen dat de kreupele mij bijstaat in bange tijden, dat zijn commentaar relativerend werkt, maar niets is minder waar. Hij kraamt enkel vunzigheid uit en vertelde me die avond, toen ik op het bankje bij de azijnfabriek zat, dat hij aan Katja geroken had, dat ze geurde naar starre rozemarijn waarvan de twijgjes maar niet knakken willen en hij had haar slipje naar beneden getrokken, toen ze in een pashokje nog snel een bloemenkleedje uitprobeerde. Hij beweerde zelfs dat zijn neus het vruchtvlees bijna had aangeraakt. De jurk had Katja teruggehangen. Te breed. Te dun geworden was dat laagje hoop op beter leven en voor ze wegging, heeft ze me enkel gevraagd om Vaarwel Krokodil, of de Prijslijst van het Geluk opzij te leggen, mocht dat boekje ooit binnenkomen. Tanguy stond ver genoeg, een Snoecks terug te zetten. Ze sprak stil en zei dat ik haar dan kon bellen, op dat ene, korte nummer. Enkel het codewoord Azijnfabriek mocht ik dan zeggen en nog geen maand later wilde het geluk, lag dat krokodillenboekje in die bruine bak met opschrift 'te sorteren'. Al het leeg karton, de drie karren met tot vod gedeclasseerd textiel, alles heeft toen mateloos voor mij gebeden, dat ik haar mocht vinden en het was op een dag met zeven letters dat ik het boekje in haar handen leggen kon, ginds op het bankje van bevrijding en vergeten eenzaamheid. Nu, jaren verder, staat ze er nog altijd, de bank, en in de planken van de rugleuning zijn ze goed en diep gekrast. Letters. Tekens en symbolen. Cijfers van gedeelde breuken. Die weerbarstig leed geworden zijn.     uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
21 1

Zeven dagen - fragment

Dit is het begin van "Zeven dagen", een historische roman over de Amerikaanse burgeroorlog van Bert Dekimpe. Meer info en bestellingen: zie www.bertdekimpe.be. Die ochtend namen de drie leden van het gezin Palliser plaats voor het ontbijt aan een rijk versierde tafel in de elegant ingerichte woonkamer van één van de fraaiste huizen in Main Street. De familie behoorde dan ook tot de voornaamste van Richmond. James, het gezinshoofd, maakte als gerespecteerd jurist en vurig pleitbezorger van de onafhankelijkheid van Virginia deel uit van het Congres van de Geconfedereerde Staten. Zijn vader zaliger, de eerbiedwaardige rechter Harrison Palliser, zou trots geweest zijn op zijn zoon, en zijn grootvader Joseph, die nog aan de zijde van Washington had gevochten tijdens de revolutie, nog veel meer. Een nieuwe naam zou er aan deze lijn van succesvolle Amerikanen niet toegevoegd worden, want James’ vrouw Martha had hem enkel een dochter geschonken. Harriet was net eenentwintig geworden. Een knappere jonge vrouw met mooiere blonde krullen was er in de stad niet te vinden, maar ook geen enkele die haar vaders geduld zo koppig op de proef kon stellen.Of dat van haar moeder. Harriet keek haar met een diepe frons aan toen Dorothy het ontbijt opdiende. ‘Maïsbrood?’‘Ook voor ons soort mensen worden de gevolgen van de blokkade stilaan voelbaar, lieverd. Wees blij dat we tenminste nog van een uitgebreid ochtendmaal kunnen genieten. Er zijn mensen die het met veel minder moeten stellen.’Harriet verontschuldigde zich voor haar kieskeurigheid. Moeder had overschot van gelijk. En ze mocht dan wel niet dol zijn op maïsbrood, ze kon het nog altijd doorspoelen met koffie. Echte koffie, gemaakt van echte bonen, en niet van eikels. Ze schonk zichzelf en haar ouders een dampende kop in.‘Laat Dorothy dat toch doen,’ zei haar vader. ‘Straks verbrand je je nog.’‘Dus als Dorothy zich verbrandt, is het niet erg?’‘Wat ik bedoel is dat ik niet wil dat mijn dochter zich bezeert. Dorothy is dit soort dingen gewoon.’‘Wat moet er van mij worden als ik niet eens een kop koffie kan uitschenken? Wat moet er van ons land worden, als het bevrijd is van de Yankees maar voor de kleinste diensten afhankelijk blijft van de negerbevolking?’‘Sla niet zo’n toon aan, meid!’Hoe vaak had James zijn dochter al niet op die manier toegesnauwd? Altijd greep hij dan naar de leuningen van zijn stoel, alsof hij op het punt stond overeind te springen en zichzelf wilde tegenhouden. ‘Straks ga ik nog denken dat je een abolitioniste bent. Het is niet aan ons om de orde die de Heer heeft ingesteld te verstoren. Daar had de dominee het nog over in zijn preek vorige zondag. Maar dat heb je natuurlijk niet gehoord, omdat je weer naar die vlegel van een Goodman zat te lonken.’‘En wat is er mis met Matthew Goodman? Hij is een aardige jongeman. Knap bovendien, als ik zo vrij mag zijn. En hij heeft een goede baan bij de regering.’‘Als klerk, godbetert.’ Haar vader greep naar zijn servet. Hij leek niet alleen de kruimels, maar ook het misprijzen van zijn gezicht te willen vegen. ‘Op de koop toe is hij de zoon van een simpele winkelier. Haal je dus maar niets in het hoofd.’Het typeerde James Palliser dat hij de beste boekhandelaar van de stad een simpele winkelier noemde. Harriet bezocht de Goodman Book Store regelmatig. Haar ouders dachten dat ze er huishoudmagazines en onschuldige damesromannetjes kocht. Soms was dat ook zo. Maar af en toe schoof meneer Goodman haar één van die bijzondere boeken toe die je uit evenwicht brachten, boeken waar je haast fysiek ongemakkelijk van werd en die je achteraf niet meer loslieten. Dat ene boek over het leven van de slaven op de plantages bijvoorbeeld, dat ze vol spanning en in het grootste geheim had verslonden. En in de boekhandel had ze niet alleen geweldige schrijvers leren kennen, maar ook Matthew. Een Hercules was de jongen niet. Hij moest het meer van zijn charme en intelligentie hebben. Een paar jaar lang had ze hem amper gezien, omdat hij studeerde in Washington, waar zijn moeder vandaan kwam. Van zodra de secessie dreigde kwam hij terug naar Richmond en tot Harriets grote vreugde was hij haar niet vergeten. De genegenheid die ze voor elkaar voelden groeide met de dag. Zonder die vervloekte oorlog had hij haar misschien al veel uitgebreider het hof gemaakt, wie weet zelfs ten huwelijk gevraagd. Misschien was het beter zo. Haar vader zou het nooit goedkeuren. Hij droomde ervan om haar te koppelen aan John Cooper, de zoon van een bevriende planter. Geen kwaaie jongen, aantrekkelijk zelfs, maar hopeloos ouderwets. Ze kon zichzelf ook niet aan het hoofd van een grote plantage voorstellen. In de stad hoorde ze thuis, niet op het platteland tussen de tabaksplanten en de insecten. John moest nu ergens aan de Chickahominy gelegerd zijn, niet ver van Richmond. Op onbewaakte momenten hoopte ze bijna dat hem iets zou overkomen. Maar dan schaamde ze zich verschrikkelijk, en bad ze in stilte en vol schuldgevoel voor Johns behouden thuiskomst.‘Waarom zit die kerel trouwens niet in het leger, zoals alle gezonde jonge mannen?’Wat gemeen om daar weer over te beginnen, dacht ze. Hij wist heel goed dat Matthew als overheidsambtenaar vrijgesteld was van militaire dienst. Hij had de conscriptiewet nota bene zelf goedgekeurd. Ze wilde hem net van repliek dienen toen hun andere slaaf binnenkwam. Moses was een opgeruimde knaap van een jaar of vijftien. Harriet mocht hem graag. In de nabijheid van haar vader echter maakte zijn opgewekte en fiere karakter steevast plaats voor onderdanigheid en schrik. Toen hij de krant overhandigde leek Moses wel een kop kleiner dan normaal.Harriets vader nam het dagblad zwijgend in ontvangst en gaf met een wuivend gebaar te kennen dat de jongen kon beschikken. Vervolgens zette hij zich aan het lezen. De bezorgdheid op zijn gezicht nam zienderogen toe.‘De Richmond Examiner lijkt elke week dunner te worden,’ merkte haar moeder op.£‘Er moet nochtans genoeg nieuws te rapen zijn. Ze zeggen dat de Yankees vlakbij zijn en Richmond willen innemen,’ zei Harriet.‘Maak je niet ongerust. Er staan duizenden goed verschanste troepen klaar om de stad te verdedigen. Generaal Lee heeft alles onder controle.’‘Onder controle? Ik kwam gisteren mijn vriendin Louisa tegen. Je weet toch dat ze vlakbij het kerkhof woont? Ze vertelde dat de doodgravers handen te kort komen om de doden op tijd te begraven. Vorige zondag nog lagen tientallen lichamen in de volle zon te rotten. De geur…’‘Harriet, alsjeblieft,’ zei haar moeder.‘Genoeg, Harriet! Die mannen hebben hun leven gegeven voor een nobele zaak. Ze verdienen ieders respect en bewondering.’‘Dat bedoel ik net, vader. Het is een schande voor onze stad dat haar gevallen zonen op die manier behandeld worden.’£‘Het probleem is ons bekend. Ik zal de zaak nog eens bij de stadsraad aankaarten. En laat het ons nu over iets aangenamers hebben. Of beter nog: zwijg gewoon, zodat ik mijn krant kan lezen.’Heel even leek hij zijn zin te krijgen, tot een dreigend gerommel in de verte de stilte aan tafel verstoorde. Gedonder zonder onweer kon maar één ding betekenen.‘Dorothy!’ riep moeder. ‘Doe dat raam eens dicht, wil je?’

Bert
100 1

Datsunboy

  Het is een schoon huis met smerige hoeken. Er woont een advocaat en in datzelfde jaar ben ik drie keer tegen zijn façade gereden. De woonst staat vlak na een nare bocht. Eén keer kwam het door ijzel, de tweede maal lag er een oliespoor en de derde keer was na een happy hour. De cocktail was een mengsel van bruidstranen, sap van appeldoorn en wat bloed van Maria, een kwak cognac er nog bij en de bocht had mij weer uitgelachen. Ik was tegen die gevel beland, opnieuw tegen diezelfde hoek en weer was het met de Datsun van mijn grootvader. In mijn kelder liggen er al twee bumpers, één gekneuzde radiator en drie koplampen met een gebroken bril. Het zou allemaal minder erg geweest zijn mocht daar een windmolen staan, zo eentje als in Damme of te Pittem, een cilindrische of een conische. De Datsun zou afgeketst zijn op de ronding, ik had hoogstens de bumper wat moeten uitbuilen, maar nu had het me telkens aardig wat duiten en veel moeite gekost om de automobiel van bompa Edmong te repareren. Bovendien woont er een advocaat. Die gevelhoek is van hem en ik zag al een proces aan mijn broek hangen. Van een gemoedelijke molenaar kom ik er van af met een vloek, een oorvijg, een muilpeer en de eis om 's anderendaags, samen met Kortjakje, dat bumperspoor te komen wegschilderen, zo dacht ik. Het is de advocaat van de Duvel die daar woont. Nog een geluk. De eerste keer was hij nog naar buiten gekomen, had me aangekeken, diep in de ogen en hij had drie woorden gesproken. Een Datsun begot. Hij was weer naar binnengegaan zonder verder iets te zeggen. Ik zag een licht aangaan in een ruimte met een wc-venstertje. Samengevat, het was een bijna bijbels tafereel. Het leek al vergeven voor het gebeurd was, of lag het aan mijn pupillen? Had hij het gezien? Dat kan. Het was, mijn vriend, minder erg dan een platte kat, minder driest dan een gemolesteerde mol en het is jaren geleden. Achttien moet ik geweest zijn. Ik sta aan het venster van mijn slaapvertrek, zowaar tegen een spin te praten. Ze woont in de rechter bovenhoek van het raam. Aan de buitenkant en het is enkel de kreupele die weer alles weet. Hij heeft een tekening meegebracht van een ezel. Het hoofd lijkt op dat van een zeepaardje.  Mooie pony, zeg ik en hij zal weer met zijn commentaar afkomen. Dat ik in datzelfde jaar vast en zeker ook drie keer mijn beste oog ben kwijtgeraakt tijdens het boogschieten. Dat de kans daarop even groot is. Dat het allemaal verzinsels zijn en bompa Edmong niet eens een Datsun had, maar een Alfa Sud. Nooit zou Edmong een japanner gekocht hebben. Dan nog liever een Italiaanse roestbak. De Japanse vestiging van Lattoflex is intussen al lang failliet. Ik slaap nog slechter dan in die tijd en ik heb er gisteren eentje gekocht. Het autootje zit in een doosje. Het is een Datsun Cherry in een kleine garage van karton en hij is voor Dorian. Morgen wordt hij acht en ik vind het een geschikt cadeau. Hij hoeft de ganse story niet te weten, ook niet dat het een aardig vrijkarretje zou kunnen zijn voor zijn moeder en mijzelf. Het is in ieder geval beter dan een donut in een zakje, een te klein zwembandje, want Dorian oogt ietwat gezwollen en het is ook geen ticket voor een pretpark met 99 luchtballonnen plus 1 grote desillusie. We kunnen toch niet met een Datsun naar Dadizele. Edmong had, en het is waar, een Alfa Sud. Het ding ging twee jaar geleden naar een roesthandelaar in Meulebeke, Edmong in datzelfde jaar naar zijn hemel en morgen zal ik mijn geschenk aan Dorian geven, tijdens de wandeling in het Warandepark. Katja zal mij eerst vragen waarom dat leplampje in haar berghokje nog urenlang blijft nagloeien. Lekstroom van een hart dat altijd bij je is, zou ik willen antwoorden. Er mag ginds in dat park een briesje staan, licht en haast onvoelbaar. Zonnetjes mogen schijnen, desnoods zo flauw en luw als leugentjes van psychologen die het hebben over beterschap. Geef knuffels of gewoon, samen knus bij de haard, vreugde bij een open vuur, vergeef en vergeet, zet een pot vreedzame soep, misschien op een stoof uit Leuven en roer zacht.  Zolang er maar geen kopje van een troeteldier in die pot zit en ik wil nog veel meer aan Katja vertellen, warme woorden fluisteren, avonturen schilderen in haar rode oren, want het zijn niet enkel ledlampjes die nagloeien. Onderzeevulkanen kunnen zo lang en zo hevig nasmeulen dat een opblaasbootje drie mijnenvelden verder vlotjes smelt, danig vervormt dat de hoop om ooit nog wal te vinden weldra naar de haaien is. Ik weet dat van een oud-strijder. Hij is de vader van die advocaat en woont op de eerste verdieping, in datzelfde huis met die smerige hoek. Hij moet er fregatten maken in zijn kamer, modelbouw en de derde keer dat ik er de voorkant van de Datsun geplooid had, is die kwartiermeerster naast me komen zitten op de passagierszetel. Ik was teut, de radiateur liep leeg en de motor begon warm te blazen. Hij draaide aan de contactsleutel en de Datsun zweeg. Mijn hoofd steunde op de wreven van mijn handen die het stuur niet wilden loslaten. De ouwe krijger legde zijn voorhoofdsharen goed en sprak: Big boys don't cry. Hij zong bijna en pas na drie oudstrijdersverhalen was mijn vader daar, met een sleepkabel en een handjevol kaakslagen. Achter zijn Volvo heeft hij de Datsun naar huis gesleurd. Ik zag de molen van Damme passeren, moest af en toe remmen om hem niet de achterlichten in te rijden, om zijn kofferdeksel niet te rammen en thuis zei moeder dat ik in het vervolg niet zomaar alles naar binnen mocht kappen. Geen meisjesdrab noch bruidstranen, nooit méér dan twee duvels, zeker geen VSOP uit de USSR, en de koude oorlog was weer herbegonnen. Moeder sneed met het patattenmes een vingertopje af, een wortel viel en de kat kroop door een dakraampje. Ze sprong, niets brak en vader zei dat Loulou kreupel werd, dat die honden toch gelijk wat freten. Zelfs een pony met een hoofd dat lijkt op dat van een zeepaardje, moet ik gedacht hebben.   uit de reeks 'Residu'

Bernd Vanderbilt
8 1