Lezen

sinaasappelentrauma

Je hebt onhandige mensen die niet weten dat ze onhandig zijn. En je hebt mensen die onhandig zijn en wéten dat ze best uit de buurt van breekbare voorwerpen en glazen deuren blijven. Ik behoor tot die laaste soort. Het ding met onhandig zijn is dat het allemaal nog wel meevalt. Tot op het moment dat er één ding misgaat. Alsof de dam gebarsten is. Je loopt nooit 'alleen' tegen de glazen schuifdeuren van de winkel. Neen, je loopt tegen die deur, (En doet natuurlijk alsof er helemaal niets gebeurd is, daar zijn wij onhandigen nu eenmaal goed in) én je veter komt vast te ziten in de roltrap én je stoot tegen een prachtige berg opelkaargestapelde sinaansappelen.  Even tussendoor, met je veter vastzitten in de roltrap is zo'n beetje het engste wat me ooit is overkomen. We hielden vroeger allemaal de hand van moeke vast op de roltrap. En op- en afstappen was nu eenmaal eng. En op je 19de wordt die kindernachtmerrie werkelijkheid. Je ziet in die winkel dan meteen wie er zelf ook onhandig is. (in het beste geval is die persoon ook getraumatiseerd door rolstrappen en grootmoeders goede servies) Want deze mensen reageren op twee manieren:1. Ze doen zelf alsof er helemaal niets is gebeurd, want ze begrijpen de schaamte die gepaard gaat met rollende sinaasappelen.2. Ze komen helpen, of in het geval van de sinaasappelen zeggen ze dat je best gewoon verder kan gaan. (het sinaasappelenprobleem was niet meteen 'oplosbaar') Erger zijn de mensen die niet onhandig zijn. Zij denken dat je een rebelse tiener bent die geen fruit wilt eten en het vertikt om haar veters te knopen.

Isabel V.
0 0

Party Time!

Ken je die feestjes waar drank wordt gemengd als ware het fruitsla, Waar katers prematuur aan je geweten beginnen knagen, Een rood signaal voor dronkemansoren, Waar mannen onhandig en vrouwen losbandig, En shotjes de ronde doen, mond in, mond uit, Eindeloze estafettes van wodka, soms whisky, Waar pillen en poeder als suiker en melk bij koffie, Veelvuldig gebruikt als toppings op een roes waaruit je nooit wil ontwaken, Want ze fluistert je toe wat je anders nooit doet: Gooien met tafels van 't balkon naar beneden, Vechten met security breder dan beren, Wilder dan leeuwen, harder dan beelden, Sneden en kneuzingen verzamelen als waren ze knikkers, eretekens -  De pijn slaat pas toe bij 't uitgesteld waken, Jongleren met glazen en flessen en vazen, Scherven brengen geluk en je dichter bij Dat alcoholverbod dat de stad je al jaren wil geven, Berucht als je bent om de keet die je schopt In elke tent waar iets straffers dan cola of water. Je slaat steeds de flater van ouzo te gieten nog voor je de deur uit, Een shot jenever bespeelt steeds je lever in elke kroeg onderweg naar het feest. Plassen doe je enkel in lege wijnglazen, Die laat je dan achter voor wie niet voor witte wijn wil betalen. Braken doe je steeds in dure handtassen, een waterval van gefilterde gal. Misdragen was nooit zo volmaakt exemplarisch Als toen de vestiaire in vlammen opging of toen je de dj permanent verving En je slechts grindcore draaide, het is eens iets anders dan techno. Een lege fles Martini kreeg je tegen je bek, zag je niet aankomen Toen je te druk bezig was platen tot gruis te vermalen, Guetta en Skrillex onder de hamer, zo bracht je de dj zelfs aan het huilen, Het volk woedender dan een op hol geslagen kudde haatbaarden. De discobol swaffelen, dat was er misschien wat over, Zo ook de drol die je op de dansvloer achterliet, Gecamoufleerd door de rookmachine, geen kat die het zag. Dat zijn van die feestjes die meer dan legendarisch Zich wekelijks voltrekken als door het lot bepaald. Ik word er te oud voor, de katers steeds kwader, De flikken wanhopig, mijn spoedarts schatrijk, En mijn vrouw overbodig.

Gert Vanlerberghe
0 0

Stilte

Het was muisstil in de kamer. En dat liet me nadenken. Nadenken over mijn leven. Over de keuzes die ik had gemaakt en of ik ze wel had moeten maken. Als je met de dood wordt bedreigd denk je over zulke dingen na. Je vraagt je af of je leven wel de moeite waard was. Misschien had het meer betekenis gekregen als je dingen anders had gedaan. Maar als je dan uiteindelijk niet sterft, verandert er niets. Je zet je leven voort op dezelfde manier waarop je het voorheen ook had geleefd. Waarom zou je je leven door één nare ervaring op zijn kop moeten zetten? Als je voorheen gelukkig was met je leefwijze zou je dat na die nare ervaring ook wel zijn. Maar zover was ik nog niet. Ik werd op dit moment nog steeds met de dood bedreigd. De dood school hier in de loop van een pistool dat recht op mij was gericht. Ik sloot mijn ogen zodat ik het zwarte metaal niet meer hoefde te zien. Ik wou niet in angst sterven. Het beklemmende gevoel dat de angst had veroorzaaktvloeide langzaam uit me weg terwijl ik me liet overspoelen door gedachten over vroeger. Een chaos van herinneringen waarmee mijn hersenen me bestookten. Elk vechtend voor de voorgrond. Er zat een patroon in mijn gedachten. Allemaal hadden ze iets met elkaar te maken. Ze vloeiden in mekaar over. Probeerden één geheel te vormen. Hij kwam het meeste voor. En dat liet me weer nadenken. Als een doodsbedreiging ervoor zorgde dat je diepste verlangens kwamen bovendrijven, iets wat vaak werd beweerd, zou ik hem dan nog een kans moeten geven in het geval datik hier levend uitkwam? Ik wou het wel, maar was het wel gezond? Onze relatie was, om het mild uit te drukken, ingewikkeld. Hij zou nog steeds hetzelfde zijn. Maar toch werd ik tot hem aangetrokken, ook al wist ik goed genoegdat dat gevaarlijk was. Ik wou er niet over nadenken. Maar de stilte die in de ruimte hing was te sterk. Ik had enkel mijn gedachten om niet volledig gek te worden. Ik wou kunnen praten met degene naast me, de stilte doorbreken, zodat ik de vragen die in mijn hoofd ontsprongen zou kunnen ontwijken. Maar dat ging niet. De angst bleef. Het zweefde aan de oppervlakte van mijn bewustzijn, sluimerend, wachtend. Ik kon het niet volledig uitschakelen. Als ik dat wel zou kunnen, zou ik wel praten. Maar ik was bang voor het pistool, bang voor de man die het voorwerp vasthield, voor de vinger die rond de trekker zat gevouwen. Praten zou de woede opwekken van de man. Het zou zijn vinger besturen. Het zou er misschien voor zorgen dat er een vlammende kogel recht op mij af zou komen, de dood in zich. Dat risico kon ik niet nemen. Ik probeerde de gedachten aan hem zo goed mogelijk uit te schakelen en dacht weer na over het leven. Mijn leven. Ik was jong, twintig jaar, moest nog zoveel ontdekken. Had ik wel genoeg ontdekt voor mijn leeftijd om vredig te sterven? Had ik tot nu toe alles uit mijn leven gehaald dat ik eruit had kunnen halen? Het antwoord was nee. Diep vanbinnen wist ik dat het antwoord nee was. Maar ik kon het niet, wilde het niet, aanvaarden. De stilte drukte zwaar op me neer. Het maakte dat ik gek werd van mijn eigen gedachten. Ik opende mijn ogen weer. De duisternis die me dieper in mijn eigen gedachten had geduwd verdween. Licht stroomde mijn ogen binnen en ik knipperde even om eraan te wennen. Toen ik weer scherp zag, zag ik dat het pistool nog steeds op mij was gericht. De angst kwam meteen in volle kracht terug. Hoe lang zaten we hier al? Het kon vijf minuten zijn maar evengoed een uur. Ik was het besef van tijd verloren. Ze hadden mijn uurwerk en gsm afgenomen. Mijn gedachten gleden naar mijn ouders. Zouden ze me al als vermist hebben opgegeven? Waarschijnlijk niet. Ze waren nog aan het werken, ervan overtuigd dat hun dochter op school zat. Zij zouden niets vermoeden. Maar mijn vrienden? Zouden ze ongerust zijn of niet? Misschien dachten ze dat ik ziek was. Ik dacht zelf ook nooit het ergste als iemand er niet was. Geen nieuws goed nieuws, toch? Dat was altijd al mijn motto geweest als er iemand niet was en die persoon ook niet antwoordde op mijn berichten. Ik keek voor de zoveelste keer de ruimte rond. Liet mijn ogen over elk voorwerp glijden, zoekend naar een uitweg waarvan ik al wist dat het er niet was. Ik kromp lichtjes ineen toen er plots een hoge piep de gekmakende stilte doorbrak. Ik zag aan de manier waarop de gijzelnemer met het pistool in zijn handen stokstijf bleef staan dat hij het niet gehoord had. Zijn ogen richtten zich nieuwsgierig op mij. Zich afvragend waarom ik net zo had gereageerd. Ik bleef zijn blik vasthouden, bang dat als ik zijn blik zou loslaten zijn vinger een onverwachte beweging zou maken,  tot hij zich van me afwendde en naar de andere gijzelaars keek. Mijn hart pompte snel in mijn borstkas. De ogen van de man op mijn netvlies gebrand. Ik sloot mijn ogen weer, liet de stilte me kalmeren, die stilte die me eerst bijna tot waanzin had gedreven. De duisternis zorgde ervoor dat mijn oren alerter waren, ze namen alle kleine geluidjes in zich op waar je normaal niet op zou letten als het wat rumoeriger was geweest. Een tikkend geluid van een klok die aan de muur tegenover me hing, zo’n zeven meter verderop. De voetstappen van de gijzelnemers die zich bijna geruisloos verplaatsten. Voorbijrijdende auto’s. Een klein kindje waarvan de moeder hem angstvallig probeerde te sussen. Ik probeerde al die geluiden een voor een uit te schakelen en dook weer in de stilte van mijn gedachten. Ik dacht weer aan hem en de brief die hij me een paar dagen geleden had gegeven. Hij zat nog steeds in mijn jaszak. Ik wou hem opnieuw lezen. De woorden een voor een analyseren om te zien of het niet een grote leugen was om me weer voor zich te winnen. Maar als ik mijn hand naar mijn jaszak zou bewegen zou de gijzelnemer dat verdacht vinden. En ik wou niet riskeren dat de vinger die nog steeds rond de trekker zat gevouwen zou doorduwen. Het kleine kindje begon weer nerveus te worden. Ik zag hoe een van de andere gijzelnemers geïrriteerd zijn kant op keek. “Laat haar zwijgen,” snauwde hij. “Alsjeblieft,”antwoordde een mannenstem waarin de angst duidelijk doorschemerde. “Laat hem gaan, hij is nog maar vier jaar.” “Ik laat niemand gaan.” “Ik zal je vergoeden, laat hem alsjeblieft buiten.” “Ik zei dat ik niemand liet gaan!” Ik zag hoe de gijzelaar met trillende vingers naar zijn jaszak greep. Waarschijnlijk op zoek naar geld of iets anders dat hij kon geven in ruil voor de vrijlating van het jongentje. Iets dat de gijzelnemers over het hoofd hadden gezien nadat ze hem hadden gefouilleerd. Maar dat hij beter niet gedaan. De met angst gevulde stilte werd doorbroken door een luide knal. Ik zag hoe mensen zich met een vertrokken gezicht van de scène afwendden. De met pijn gevulde schreeuw van de man drong mijn oren binnen en maakte dat ik nu nog minder de brief durfde te grijpen. Ik kneep mijn vingers tot een vuist en probeerde de angst die hevig door mijn lichaam stroomde te verminderen. Na de schreeuw leek de stilte nog duidelijker aanwezig dan voorheen. Mijn adem ging gejaagder. Ik was me nog bewuster van de vinger die rond de trekker zat gevouwen van het pistool dat nog steeds op mij was gericht. Het leek alsof de man die het pistool vasthad niet eens had waargenomen wat er zonet was gebeurd. Hij stond er nog steeds op dezelfde manier. Bewegingloos. Ik begon weer eens na te denken over mijn leven. Maar nu niet over het nut ervan. Wat zou er gebeuren als die vinger de trekker zou overhalen? Zou de kogel me meteen doden? En zoja, wat zou er dan gebeuren met mijn familie en vrienden? Ik probeerde de vragen weg te duwen maar ze sprongen automatisch in me op. Wat als ik in mijn voet werd geraakt en ze zouden moeten amputeren? Zou ik mijn leven dan nog kunnen leven op de manier die ik in mijn gedachten had? Ik zou blij moeten zijn dat ik nog zou leven maar toch dacht ik erover na. Zou hij om me treuren als ik er niet meer was? Ik wou dat ik mijn mp3-speler nog had zodat ik met muziek mijn hoofd zou kunnen leegmaken. Uiteindelijk klonken er politiesirenes buiten. De gijzelnemers waren meteen weer alert. De man voor me kreeg een vastberaden blik in zijn ogen. Zijn tweede hand vouwde zich rond het pistool zodat hij er een stevigere grip op had. De deuren werden opengegooid, gewapende politieagenten stroomden naar binnen. Er klonk weer een schot. Een schreeuw van een gegijzelde. Alles gebeurde als in een waas om me heen. Ik wist niet meer wat echt was of wat werd gecreëerd door mijn gedachten. Er werd teruggeschoten. Ik kneep mijn ogen stijf dicht en dekte mijn oren af. Ik boog me voorover. Mijn hoofd tussen mijn knieën. Stelde me voor dat ik ergens anders was. Nog meer schoten. Een vlammende pijn in mijn schouder. Meer geschreeuw. Mijn geschreeuw. Ik probeerde de stilte die me net nog had gefrustreerd terug te vinden. Maar hij was weg. De geluiden konden niet worden tegengehouden door mijn handen die over mijn oren lagen. Plotseling voelde ik een hand op mijn schouder die me zachtjes heen en weer schudde. “Het is voorbij, je bent veilig, rustig maar.” De stem maakte me kalm. Ik haalde mijn handen van mijn oren, wat meteen een hevige pijnscheut veroorzaakte in de schouder waar geen hand op lag. Ik opende mijn ogen, richtte ze op de pijnlijke schouder. Bloed stroomde er naar beneden. Ik wendde mijn blik af en keek naar het gezicht voor me. Het was een agent die me met een bemoedigende lach aankeek. Hij hielp me recht en begeleidde me naar buiten. Mijn ogen gleden over de omgeving. Zochten naar iets dat ik kende. Toen haakten mijn ogen zich vast in zijn ogen. Hij manoeuvreerde zich naar voor en ik liet me door hem omhelzen. “Het is voorbij,” zei hij zacht. “Ik ga voor je zorgen.” En ik geloofde hem.

Quies
0 0

onderlicht 3. water 3. ijlend begrip.

'je verhuisde'. 'dat deed ik, na, je weet wel, op zoek naar een overcorrectie'. je brak in, denkt Tsjeu, in haar wil wel, dan wel. om te begrijpen. het was een dreunen in een leeg huis. van koud water bewust. het was een vallen in herhaling dat uit herhaling klimmen, dwong herhaling op de knieeën, preekt, smeekt. het is onophoudelijk, alomtegenwoordig in elk pigment van kleur, in elk gaatje van't geperforeerd plafond, het is een lezen altijd vastgelijmd aan de woorden die meer wil zeggen dan er staat, al staat er hetzelfde net iets anders gezegd het is een dwangmatigheid die geen andere afloop kennen kan. maar dit keer niet door Marley ondergaan. dit keer door Tsjeu beleeft. ik vond mezelf overal in't huis, verloren als een stel sleutels dat niet meer weet wat ze moeten openen. mijn wil wel, dan wel, beperkte zich tot haar in gordijnen zien. ik vraag me af wat zij zag, toen ze op de trap zat, in de zetel, en wat er ontbrak. en ik besef dat we daarin verschillen. wat mij ontbrak, en ontbreekt, is zij. hoe hard ik ook zou beuken op de muren, hoe hard mijn naam ook schreeuwt in de balk boven de open haard, wat haar ontbrak zou ik nooit weten. en denken dat ik het was, of iets aan mij, dat haar ontbrak, dat is de schuld die praat. de spijt. en in dat huis lig ik nu in de koorts van waanzin. verzonnen door dame met fiets, Mevr. gordijn en melk, nee bierman, die nood hadden om zich over mij te ontfermen.  ik zie mezelf liggen in die zetel daar. een iemand die Marley wilde evenaren, op gelijke voet met haar wilde staan, gemene grond met haar wilde delen. en als ik het de psycholoog vertel, in koffie, of jou, de agent, in water, of zelfs de biograaf in woorden, zijn het hyperwoorden, die lopen aan een stuk door. zijn het beelden die als vlakken van verschillende kleuren eenzijdigheid zoeken. het draaien herhalen. feit blijft dat ik haar niet kan zijn of worden, dat besef ik nu. Marley is voor mij een mens te ver.  en dame met fiets, zit niet in deze kamer, speelbal van mijn waanzin, teken van hoop, en Mevr. gordijn, bracht me het verleden, en melk, nee bierman bracht me stilstand in dan wel wil, verzonnen vrienden alle drie in een waanwereld, buiten deze kamer, buiten deze kamer met geperforeerd plafond, waar psycholoog, en jij, agent, en biograaf elkaar afwisselen, om mij te helpen, mij het verschil tussen Marley en mezelf te tonen. en ik die dacht het in Marley te vinden, het in mezelf te vinden. 'het was niet jouw schuld, er wordt geen klacht ingediend, dat begrijp je?' 'nu, nu wel'

IT
0 0