Lezen

L'incontournable

Makkelijk zat om na een overlijden niks dan goeds neer te pennen over de betreurde. Makkelijk zat ook om clichés te vervallen. De daden op te lijsten en de mens te negeren. De echecs in de verf te zetten en de realisaties plots niet zo indrukwekkend meer te vinden. Jean-Luc Dehaene verdient beter, mijn gedacht. Ik mocht Dehaene wel en neen, kom me nu niet zeggen dat ik dan op een goedkope manier dweep met de tsjeven. Want dat doe ik niet. Dehaene was een begrip en een meer dan respectabel politicus. Aan onze eettafel werd medio jaren negentig consequent gepraat over ‘den Oane’. De haan. Dat was niet om lacherig te doen of om de mens te karikaturiseren. Hij was gewoon: Dehaene. Een blok van een vent, een man van brede kennis, scoutsleider met een uitgesproken mening. Dat enigszins cassante, dat onverzettelijke, dat briesende bij momenten. Dehaene was de man met het plan. Met uitzondering van een paar voetnoten was hij niet snel geneigd om dat plan bij te schaven. Hij deed wat er volgens hem gedaan moest worden, ook al hield de goegemeente er een andere mening op na. Dehaene, de premier, de ‘eerste’ die het land leidde. Het begrip incontournable leek bijna voor hem uitgevonden. Gek hoeveel in mijn eigen geheugen intussen vervaagd is, sinds Dehaene van het federale schouwtoneel verdween. Waarschijnlijk omdat ik medio jaren negentig beschamend weinig politieke berichtgeving volgde en nog minder beleidslijnen analyseerde. Ik was ‘jong’ maar herinner me bij Dehaene vooral kernwoorden: saneringen. Begrotingstekort. Drieprocentnorm. Eurozone. Sint-Michielsakkoord. Hij mocht een niet onaardig aantal realisaties op zijn conto schrijven. Hij was de loodgieter die buizen fitte als geen ander. “Den bulldozer” noemde ons vader hem zelfs glimlachend. Dehaene groef, verzette bergen maar streefde zelden naar elegantie. Hij was zijn brute en ontwapenende zelf, in alle omstandigheden. Dat laatste werd hem niet altijd in dank afgenomen. Begrijpelijk en terecht, in zekere zin. Volgens critici bespaarde hij het land deels kapot en blies hij tegenstand ongegeneerd van de baan. Geen stijl, verklaarde de tegenpartij, in welke politieke hoek die ook zat. Geen gezever, counterde Dehaene. En vooral: geen commentaar. Ook wanneer zijn beroemde/beruchte economische ingrepen bij tijd en wijle onder vuur genomen werden. Als Dehaene er geen zin in had, beantwoordde hij er geen vragen over en zou de kritiek hem worst wezen. Als de Wetstraatverslaggevers hem te zeer voor de voeten liepen, trapte hij ze bijna letterlijk plat. Let the beast go. En hij vertrok naar de volgende match van blauw-zwart. Net dat is in zekere zin poëzie, zij het: brute poëzie. Dat Dehaene ondanks zijn politieke gedrevenheid en niet onaanzienlijke positie weinig inzat met zijn imago. Hij deed wat hij graag deed, op zijn manier, en draaide de knop om wanneer hij het nodig achtte. De cameraploegen waren dan ook welkom wanneer het gezin Dehaene voetbal keek en daarenboven ongegeneerd door het lint ging: meer vlees en bloed kan er in een toppoliticus niet zitten. De band liep ook terwijl Dehaene op een zonnige dag, in aanloop naar vermoedelijk alweer een verkiezingsuitslag, eens in zijn moestuin wroette. Hijgend, met een veel te hard spannend hemd, met het zweet druipend overal. Het kon hem geen moer schelen. Hij was op dat moment een doodgewone mens. Hij beheerste de perfecte tweedeling om de politieke gekheid een leven lang vol te houden. Alleen dat soort mensen verschijnt met een short en sandalen in een nieuwsstudio. Wat jammer is: de smet op zijn blazoen. Zoals het veel mannen van de macht overkomt, en cours de route. Dehaene heeft in de herfst van zijn carrière – naar mijn gevoel – breed gegraaid, in allerhande bestuursfuncties. Dat pikt een deel van de bevolking niet, als diezelfde persoon eerder verkondigde ‘dat kindergeld verhoogd zal worden, maar de dertiende en veertiende maand niet meer uitgekeerd’. Daarna vlot poen scheppen tast je eigen (geloof)waardigheid aan. Het laat een wrange nasmaak bij de kiezers. Zelfs als je omwille van je gedegen kennis als oud-premier nog de eer krijgt om een bank te proberen redden. Daar kon de ervaren loodgieter zijn expertise niet meer ten volle valideren. Maar anderzijds: wie had het wel gekund? Dehaene is niet meer, onverwacht gestorven, en ook weer niet. We hadden het einde niet zo direct verwacht. Het beetje ‘extra time’ – om het in voetbaltermen te zeggen – was hem ondanks zijn ziekte best gegund. Als een populaire politieke voorman na Dehaenes heengaan dan toch durft stellen ‘dat hij hoopt dat CD&V uit diens overlijden geen munt zal slaan’, keert mijn maag spontaan en keihard om. As if, BDW. Een overlijden is geen marketingstunt. Het is geen pandapakje aantrekken en jolig doen. Het is het leven en hoe het eindigt. Voor Dehaene gebeurde dat Quimper, in Bretagne, niet zo gek ver van de Atlantische Oceaan. Een klein paradijs voor stille genieters. Daar hoor je het ruisen van de verre zee bijna tussen de vakwerkhuizen. Daar is een plat fruits de mer degusteren het hoogste goed. Daar smaakt de wijn altijd beter. Daar tikt de tijd trager. Daar heeft het leven kleine geheimen. Daar kun je ze ook rustig achterlaten, en het tijdelijke voor het eeuwige ruilen. (Jean-Luc Dehaene, 7 augustus 1940 – 15 mei 2014)

Bene Van Eeghem
0 0

KILLER VIOLIN

De strijkstok gleed over de snaren en produceerde een lange, valse noot. Suzanne kreeg er buikkrampen van. Ze repeteerde vaak ’s morgens voor ze naar school vertrok, maar deze dag ging het erg slecht. Elke keer opnieuw verscheurde de valse noot haar oren, zonder dat ze wist hoe hem mooi en puur te laten klinken. En toen ging de bel. Van angst stond haar hart stil. Ook haar mama, die nog snel wat fruit in haar schooltas wou stoppen, trok haar peignoir strak aan en keek bang op naar haar dochter.  Dat zou de deurwaarder wel weer zijn, zeker? Sinds haar vader, ook een vioolspeler, hen had verlaten voor een vrouw met veel geld, die zijn concerten betaalde, was de deurwaarder wel vaker langs geweest. Suzanne was niet alleen haar gezinnetje kwijt, warm en veilig en geborgen, waar ze zich thuis voelde. Nee, ze waren ook arm geworden, schuldeisers hadden nu alles over hen te zeggen. Eerst verkocht haar moeder haar eigen viool (hij was nog van haar opa geweest) en dan haar laptop, en dan de laptop van Suzanne en tot slot de sofa, maar het haalde niets uit, de deurwaarder was terug. De woede die Suzanne voelde opborrelen, bij het zien van die kleine, magere deurwaarder met zijn scherpe neus, die met een glimlach en zijn notitietablet in de hand, hun schamel appartementje betrad alsof het van hem was, werd door haar slechte vioolspel nog aangewakkerd en werd zo sterk dat Suzanne begon te beven. Ze wilde zo graag dat haar mama hem schreeuwend en stampend de deur wees. Een grote, plompe politieagent vergezelde de deurwaarder, hij stond wat onwennig rond te draaien, tot zijn oog op haar moeders décolleté viel en een vieze glimlach over zijn pafferig gezicht gleed. Haar mama’s nerveuze handen trokken de peignoir strakker aan. Suzanne haatte hen diep, ze voelde zich alsof ze zou scheuren, barsten, lava uitspuwen en iedereen en alles bedelven. Maar ze mocht niets, niets laten zien van al die emotie, want ze wist, ze had het gezien in zijn ogen, dat deze kleine man genoot van verdriet. Haar moeder begon te wenen, nee, net wat hij wilde. Haar arme mama. Suzanne voelde medelijden met haar mama waar ze zoveel van hield, maar ook afkeer voor deze vrouw die minder beheersing had dan zijzelf, een meisje van elf.  Suzannes kwaadheid voedde zich aan deze emotie en nam nog toe. Om zich te beheersen, nam ze haar strijkstok weer op en ging door met spelen. De deurwaarder zei vriendelijk “oh, een artieste, gelijk haar mama,” Hij glimlachte: “Heel mooi. Ik speelde zelf als kind, niet lang, ik was niet zo goed als jij.” Hij sloeg zijn ogen neer. “Ik hoorde je al spelen in de gang. Je hebt veel talent, je zal ver geraken.” In weerwil van haar eigen kwaadheid, sloeg het complimentje aan, Suzanne voelde zich gecharmeerd. De kwaadheid ebde weg.  “Ik wou dat ik iets kon doen om jullie te helpen. Jullie hebben het niet gemakkelijk, hé” Nu viel van verbazing haar mond open. Hij keek vragend van Suzanne naar haar mama, die stopte met wenen en wier gezicht een voorzichtig dankbare uitdrukking kreeg. Zou deze man dan toch niet zo gemeen zijn? Hoop dook op als een zonnestraal door grijze wolken heen. “Dank je,” begon haar mama, met een beverige stem, die ze probeerde vast te doen klinken, maar voor ze verder kon spreken, onderbrak de deurwaarder haar. Hij ging voort op dezelfde vriendelijke toon “maar dat kan ik spijtig genoeg niet doen, “ jullie hebben immers je rekeningen niet betaald, zie hij op spijtige toon, alsof hij tegen heel domme mensen praatte. “Geef me eens je viool, liefje, die zal ook verkocht worden, het is erg, ik weet het. Misschien kan je een goedkoper hobby proberen? …”. Met een gebaar van zijn armpje, wees hij op haar viool. Suzannes had veel fierheid. Deze verrader, deze gemenerik, hij zou haar niet doen wenen. Ze dwong zichzelf om te glimlachen, haar moeizaam plooiende lippen voelden als steen, ze voelde zich misselijk. Alsof ze haar viool moest losscheuren van haar eigen huid, gaf ze hem af, een grote leegte bleef over in haar, het deed pijn. Eerst haar vader die hen verraadde en nu deze vreemde, deze vieze meneer, die hen kwam uitlachen bij hen thuis. Op dat ogenblik vlamde haar haat zo sterk terug op, dat ze het niet meer kon verdragen. Vechtend tegen haar prikkende ogen vol wild ingehouden tranen, vluchtte Suzanne in zichzelf. Terwijl de kleine man de rest van hun schamele bezittingen noteerde, bekeek ze hem  en concentreerde zich.  Ze dwong zijn magere rug om langer te worden, een donkergrijze, dichte vacht er uit te doen groeien en langzaamaan het hele lichaam te overtrekken. Het zag er walgelijk uit, heerlijk! Voor haar tevreden ogen kromden de beentjes zich in klauwende pootjes en het lachende gezicht werd spitser, lange snorharen spoten uit de dunne huid naast de lange neus, de ogen krompen tot blinkende bolletjes. Een mensgrote rat zei haar vriendelijk dag en tot Suzannes tevredenheid vertrok haar moeders betraande gezicht in een uitdrukking van misprijzen, koninklijk misprijzen, haar mama werd een koningin, rechtte haar elegante rug en keek majestueus, van metershoog neer op de vieze rat. De rat vertrok en met hem de politieagent, steeds meer opgezwollen als een belachelijke ballon. De deur viel zachtjes in het slot en op dat moment hoorde Suzanne voor het eerst het rommelend geluid, eerst stil maar steeds luider, intenser, het groeide aan tot een oorverdovend lawaai. Suzanne holde snel naar het raam, net op tijd, om de kleine rattenman te zien, beneden op het trottoir, voor een enorme, kolossale viool uit de hemel viel en hem en de agent verpletterde, net voor Suzannes voordeur.

Gail Verhasselt
0 0

KILLER VIOLIN

De strijkstok gleed over de snaren en produceerde een lange, valse noot. Suzanne kreeg er buikkrampen van. Ze repeteerde vaak ’s morgens voor ze naar school vertrok, maar deze dag ging het erg slecht. Elke keer opnieuw verscheurde de valse noot haar oren, zonder dat ze wist hoe hem mooi en puur te laten klinken. En toen ging de bel. Van angst stond haar hart stil. Ook haar mama, die nog snel wat fruit in haar schooltas wou stoppen, trok haar peignoir strak aan en keek bang op naar haar dochter.  Dat zou de deurwaarder wel weer zijn, zeker? Sinds haar vader, ook een vioolspeler, hen had verlaten voor een vrouw met veel geld, die zijn concerten betaalde, was de deurwaarder wel vaker langs geweest. Suzanne was niet alleen haar gezinnetje kwijt, warm en veilig en geborgen, waar ze zich thuis voelde. Nee, ze waren ook arm geworden, schuldeisers hadden nu alles over hen te zeggen. Eerst verkocht haar moeder haar eigen viool (hij was nog van haar opa geweest) en dan haar laptop, en dan de laptop van Suzanne en tot slot de sofa, maar het haalde niets uit, de deurwaarder was terug. De woede die Suzanne voelde opborrelen, bij het zien van die kleine, magere deurwaarder met zijn scherpe neus, die met een glimlach en zijn notitietablet in de hand, hun schamel appartementje betrad alsof het van hem was, werd door haar slechte vioolspel nog aangewakkerd en werd zo sterk dat Suzanne begon te beven. Ze wilde zo graag dat haar mama hem schreeuwend en stampend de deur wees. Een grote, plompe politieagent vergezelde de deurwaarder, hij stond wat onwennig rond te draaien, tot zijn oog op haar moeders décolleté viel en een vieze glimlach over zijn pafferig gezicht gleed. Haar mama’s nerveuze handen trokken de peignoir strakker aan. Suzanne haatte hen diep, ze voelde zich alsof ze zou scheuren, barsten, lava uitspuwen en iedereen en alles bedelven. Maar ze mocht niets, niets laten zien van al die emotie, want ze wist, ze had het gezien in zijn ogen, dat deze kleine man genoot van verdriet. Haar moeder begon te wenen, nee, net wat hij wilde. Haar arme mama. Suzanne voelde medelijden met haar mama waar ze zoveel van hield, maar ook afkeer voor deze vrouw die minder beheersing had dan zijzelf, een meisje van elf.  Suzannes kwaadheid voedde zich aan deze emotie en nam nog toe. Om zich te beheersen, nam ze haar strijkstok weer op en ging door met spelen. De deurwaarder zei vriendelijk “oh, een artieste, gelijk haar mama,” Hij glimlachte: “Heel mooi. Ik speelde zelf als kind, niet lang, ik was niet zo goed als jij.” Hij sloeg zijn ogen neer. “Ik hoorde je al spelen in de gang. Je hebt veel talent, je zal ver geraken.” In weerwil van haar eigen kwaadheid, sloeg het complimentje aan, Suzanne voelde zich gecharmeerd. De kwaadheid ebde weg.  “Ik wou dat ik iets kon doen om jullie te helpen. Jullie hebben het niet gemakkelijk, hé” Nu viel van verbazing haar mond open. Hij keek vragend van Suzanne naar haar mama, die stopte met wenen en wier gezicht een voorzichtig dankbare uitdrukking kreeg. Zou deze man dan toch niet zo gemeen zijn? Hoop dook op als een zonnestraal door grijze wolken heen. “Dank je,” begon haar mama, met een beverige stem, die ze probeerde vast te doen klinken, maar voor ze verder kon spreken, onderbrak de deurwaarder haar. Hij ging voort op dezelfde vriendelijke toon “maar dat kan ik spijtig genoeg niet doen, “ jullie hebben immers je rekeningen niet betaald, zie hij op spijtige toon, alsof hij tegen heel domme mensen praatte. “Geef me eens je viool, liefje, die zal ook verkocht worden, het is erg, ik weet het. Misschien kan je een goedkoper hobby proberen? …”. Met een gebaar van zijn armpje, wees hij op haar viool. Suzannes had veel fierheid. Deze verrader, deze gemenerik, hij zou haar niet doen wenen. Ze dwong zichzelf om te glimlachen, haar moeizaam plooiende lippen voelden als steen, ze voelde zich misselijk. Alsof ze haar viool moest losscheuren van haar eigen huid, gaf ze hem af, een grote leegte bleef over in haar, het deed pijn. Eerst haar vader die hen verraadde en nu deze vreemde, deze vieze meneer, die hen kwam uitlachen bij hen thuis. Op dat ogenblik vlamde haar haat zo sterk terug op, dat ze het niet meer kon verdragen. Vechtend tegen haar prikkende ogen vol wild ingehouden tranen, vluchtte Suzanne in zichzelf. Terwijl de kleine man de rest van hun schamele bezittingen noteerde, bekeek ze hem  en concentreerde zich.  Ze dwong zijn magere rug om langer te worden, een donkergrijze, dichte vacht er uit te doen groeien en langzaamaan het hele lichaam te overtrekken. Het zag er walgelijk uit, heerlijk! Voor haar tevreden ogen kromden de beentjes zich in klauwende pootjes en het lachende gezicht werd spitser, lange snorharen spoten uit de dunne huid naast de lange neus, de ogen krompen tot blinkende bolletjes. Een mensgrote rat zei haar vriendelijk dag en tot Suzannes tevredenheid vertrok haar moeders betraande gezicht in een uitdrukking van misprijzen, koninklijk misprijzen, haar mama werd een koningin, rechtte haar elegante rug en keek majestueus, van metershoog neer op de vieze rat. De rat vertrok en met hem de politieagent, steeds meer opgezwollen als een belachelijke ballon. De deur viel zachtjes in het slot en op dat moment hoorde Suzanne voor het eerst het rommelend geluid, eerst stil maar steeds luider, intenser, het groeide aan tot een oorverdovend lawaai. Suzanne holde snel naar het raam, net op tijd, om de kleine rattenman te zien, beneden op het trottoir, voor een enorme, kolossale viool uit de hemel viel en hem en de agent verpletterde, net voor Suzannes voordeur.

Gail Verhasselt
0 0

Alles Is Mislukt

Ik zag het. Ik zag het in de lijnen in mijn gezicht die dieper waren dan de dag ervoor. Ik zag het aan het gezicht dat me in de spiegel aanstaarde. Ik had het moeten weten. Ik had me moeten ziek melden. “Sorry mevrouw de receptioniste, ik kan niet komen, de groeven in mijn gezicht wijzen op onheil”. Maar het was donderdag. De derde donderdag van de maand. Het wat woelig slapen was waarschijnlijk te wijten aan de opwinding dat deze avond zou komen. Het was niet de eerste keer dat ik wat nerveus sliep voor de derde donderdag van de maand. Ik boog me voorover en gooide het koude water dat uit de kraan gutste over mijn gezicht. Ik poetste mijn tanden in zeven ronddraaiende bewegingen per tand. Op de tand, zijdelings en dan de binnenkant. En schraapte op het eind mijn tong. Legde mijn haren goed. Vouwde de handdoek in 2 en drapeerde hem op het rekje. Deed mijn hemd en broek aan en liep de woonkamer in. Één, Twee en Drie, mijn katten begroetten me zoals altijd hartelijk. Luid spinnend, ronkend en vleiend. Alsof ik de hele winter had geslapen. Twee sprong de keukenkast op met een tijgersprong terwijl Één en Drie rond mijn benen draalden. Ze miauwden in koor als ik de koelkast open deed en hun eten eruit nam. Ik voelde met wat neerslachtig die ochtend. Had het te maken met de vermoeidheid? Toen de katten luid schransend zaten te eten moest ik denken aan vroeger. Aan de speelplaats. De andere kinderen joelden door elkaar, liepen heen en weer, speelden met elkaar. Ik zat meestal op de bank, het hele schouwspel gade te slaan. Neen, populair had ik me nooit gevoeld, al werd ik nooit zwaar gepest. Ik had ook nooit populair willen zijn. Het leek me een immense druk om daar mee te moeten omgaan. Rond mijn 14e levensjaar begon mijn levensfilosofie vorm aan te nemen als een standbeeld dat tevoorschijn komt uit een rots. Toen ik voor de zoveelste keer uit de boot viel. Omdat ik geen merkkleren droeg, niet de juiste schoenen droeg, niet de juiste hobby’s had, niet de juiste hippe woorden van het moment gebruikte, mijn haren door de wind verkeerd lagen, of wie weet welke reden dan ook de andere kinderen verzonnen om iemand uit te sluiten. Ik was niet onknap of arm. Mijn ouders waren gemiddeld welgesteld. Een keurig burgerlijk gezin. En ik had mooi dikke zwarte haren en doordringende bruine ogen. Een rond gezicht met misschien een te grote neus die wat uit de toon viel. Maar het versterkte wel mijn gezicht. Ik straalde karakter uit. Zo verwoordde een tante het eens. Al voelde ik het niet zo. Want sterke karakters zouden zich niet zo druk maken om futiliteiten zoals ik. Maar ik wilde gewoon rust, genieten van het leven. En zijn wie ik was. En me vooral niet bezighouden met de complexe sociale pikorde van de school. Maar toch was er altijd commentaar. Ondanks ik me neutraal opstelde werd me altijd duidelijk gemaakt om welke reden ik er die dag niet bij hoorde. Het was een vermoeiende aangelegenheid om aanvaard te worden. Of om gewoon gerust gelaten te worden. Het was vermoeiend om mens te zijn. Met de dieren ondervond ik geen problemen. Bij mijn ouderlijk huis had ik Balthazar de kater, Pekkels de hond, Tsjilp de parkiet en een toom kippen. Ongeacht hoe ik er bijliep, welke kleren, schoenen of zelfs als ik 5 dagen mijn ondergoed niet had ververst. Ze waren altijd blij mij te zien. Zij wezen niet naar mij met een priemende vinger. Zij sloten mij nooit uit. Zij namen het me niet kwalijk dat ik een woord uitwisselde met het meest gepeste kind van de school. Ze zeiden niets. Ze gaven alleen maar te kennen dat ze blij waren dat ik er was. En ik was gelukkig. Ik en de dieren. Geen complexe sociale verhoudingen, geen jaloezie, geen achterbaksheid,… Als de mensen zo waren, als de mensen zich zo gedroegen, neen, dan hoefde het niet voor mij. Dan ging ik liever anoniem door het leven. Ik en de dieren. Ik had geen mensen nodig. Een bewuste keuze die ik me 30 jaar later nog steeds niet beklaag. Ik had niet de moeite genomen om verder te studeren. Op school wisten ze in het 6e middelbaar al wie ik was. Of wie ik niet was. Een schim. Iemand die niet waard te vermelden of te pesten is. Het had tijd en moeite gekost. Een paar psychologen met gefronste blikken waren de revue gepasseerd. Ze waren met aandrang gestuurd door mijn bezorgde ouders. Maar een gelukkig asociaal kind kan je natuurlijk niet veel verwijten. Opnieuw het school proces doorlopen in de hogeschool of universiteit met de hippe vogels, de trends, de sociale groepen? Altijd was er wel een vakje aan te vinken. En in dat vakje wilden de mensen je dan stoppen. Neen. Ik had het zorgvuldig uitgestippeld. Met een job bij de overheid zou ik genoeg hebben om rond te komen om ergens alleen te wonen. Zodat ik een leven kon leiden in de schaduw. Een rustig rimpelloos leven. En natuurlijk enkele katten zouden daar deel van uitmaken. Mijn lievelingsdieren. Ik had ze Één ,Twee en Drie genoemd. Ik wou ze niet noemen zoals de katten bij mijn ouderlijk huis. Geen vermenselijking voor mijn katten. Ook daarom had ik er drie. Er waren er 3 over in het nest en ik wou geen keuze maken. Geen keuze maken zoals de andere mensen maken. Hij is toffer, dus jij niet. Hij is schattiger, dus jij niet. Hij is speelser, dus jij niet. Een job had ik vrij spoedig gevonden bij het Ministerie van Financiën. Stavingstukken in het systeem inbrengen of wijzigen. Dat was de jobomschrijving. En dat was ook wat ik hele dagen deed. Om dan keer op keer de stukken te bewaren met de toetsencombinatie Ctrl+Alt+F4. Ik was er heer en meester in geworden. Niemand kon zo snel als ik stavingstukken inbrengen of wijzigen in het systeem. Al maakte mijn snelheid van uitvoering me niet echt populair bij de collega’s. Typische ambtenaren die het credo “traag is goed” naleefden. Maar het gaf me toch enige houvast. Zeker in de continue veranderde tijden. De systemen werden vervangen door nieuwe systemen en dan weer door nieuwere systemen. Maar ik bleef de meester van Ctrl+Alt+F4. Ik en niemand anders. Oude stukken moesten opnieuw ingebracht worden, gewijzigd en bekeken worden. Een taak die mij na een decennia exclusief werd toebedeeld. Er was wel een keerzijde aan waar ik me nooit comfortabel heb gevoeld. Met de systemen veranderen ook de computers waarop de systemen draaiden. Van groot naar klein. Maar ook van wit naar zwart. Het systeem waarmee ik werkte draaide alleen nog op een oud type computer. Het gevolg was dat de werkvloer een zee van zwarte computers was, met in het midden, als enige een uit de kluiten gewassen witte computer. Als een omgekeerde kankervlek. Te opvallend in ieder geval. Mijn collega’s lieten me gelukkig begaan. In de beginjaren waren er toenaderingspogingen geweest, bespiedende blikken, vragende blikken, uitnodigende blikken. Maar langzaam aan, met het tikken van de klok hadden ze, net als op school, door dat ik gelukkig was. Gelukkig alleen. Drie draaide rond mijn been. Ik schrok wakker uit mijn overpeinzingen. Ik moest doorgaan en met haast. Een trein wacht niet. Ik trok snel mijn zwarte lederen schoenen aan. En haalde mijn groene jas van de kapstok. Mijn trouwe groene jas. Die al wat uitgerafeld was aan de mouwen. Maar hij zat me als gegoten. En winkelen, meer bepaald keuzes maken betreffende profilering deed ik niet graag. De woonkamer waar ik in stond had ik ook zo uit de toonzaal van Ikea gehaald. Ik had in Ikea rondgelopen en begon te meten welke opgestelde toonzaal van woonkamers er in mijn appartementje paste. Toen ik een woonkamer met de goede afmetingen had gevonden, begon ik naarstig alle nummertjes van de verschillende artikelen op te schrijven met het veel te kleine potloodje dat de woonketen voorzag. Terwijl de mensenmassa rond mij zich wentelde in hun wonderlijke meubelen biotoop Mijn woonkamer leek nu uit een designer blaadje te komen. Het liet me koud. Enkel het Perzisch tapijt op de vloer viel wat uit te toon. Maar mijn katten waren er zeer tevreden mee. Het miezerde en waaide buiten. Met gebogen hoofd reed ik op mijn fiets naar het station. Beukend tegen de wind langs een typisch Vlaamse steenweg bezaaid met een root huizen terwijl de ene na de andere vrachtwagen voorbijraasde. Toen ik nat geregend aankwam aan het station en mijn fiets in de voorziene stalling plaatste, kwam de trein al luid piepend en knarsend tot stilstand. Een minder fijn ochtendgeluid dan dat van mijn katten. Ik zocht snel naar mijn plekje in de laatste coupé, derde bank rechts met het gezicht richting Brussel. En begon de krant te lezen. Dit deed ik elke morgen. Om elke morgen te bevestigen dat ik 30 jaar geleden de juiste keuze had gemaakt. Toen de trein halt hield in Brussel-Noord en ik uitstapte, liet ik me meevoeren in de mensenmassa. Als een school vissen waarin de middelste exemplaren niet moesten nadenken over de richting maar hun voorganger moesten volgen. Deze school leidde me steeds van de trein tot aan mijn werk. De receptioniste zei zoals altijd vriendelijk goeiedag. Ik knikte. Stapte snel de lift in en drukte op acht. Op de achtste verdieping liep ik snel naar mijn bureau. Eindelijk wat rust en ik begon met een kop koffie aan mijn dagtaak. Een vers stapeltje stavingstukken, netjes geprint op A4 en zo een 35cm hoog. Stond al naast mijn bureau op een karretje. Gelukkig maar, zo zou de dag rap om zijn. Zoals elke derde donderdag van de maand voelde ik me lichtjes gespannen en opgewonden. En zoals elke derde donderdag van de maand zal ik deze avond naar huis gaan met een schuldgevoel. Waarna het schuldgevoel langzaam wegebt en ik de volgende maand terug gespannen en opgewonden aan mijn derde donderdag begin. Maar ermee ophouden wou ik niet. Ondanks het stapeltje werk kabbelde de dag traag vooruit. Er hing iets in de lucht. Ik had het moeten weten. Toen de klok eindelijke vier uur aangaf slaakte ik opgelucht een zucht. Ik sloot mijn krakende computer af en liep naar buiten. Ik glimlachte. Zoals altijd op deze dag in de maand ging ik niet rechtstreeks na het werk richting het Noordstation. Eerst stopte ik bij de broodjeszaak om de hoek voor een kleine hap. Meestal een martino met extra augurken op een wit broodje. Hierna ging ik de tunnel onder het Noordstation door aan het Solvayeplein. Deze kwam uit op de Aarschotstraat. In deze straat bevond zich mijn geheim. Mijn schuldgevoel. Het bewijs dat ik ondanks mijn afkeer ervan ook maar een mens was. Ik had er niet naar gezocht. Het was een bizar toeval. Toen ik op zoek was naar een goedkoop dik tapijt, waarop de katten zich warm konden neervlijen ging ik naar de Brabantstraat. Waar enkele winkeltjes degelijke import Perzische tapijten aanboden. Dit wist ik uit een schreeuwerig foldertje dat achteloos in de hal van het Noordstation rondslingerde. Het had de ronkende titel “Perzische tapijten zijn het mekka van de tapijten”. Het had niets dan lof over de kwaliteit van Perzische tapijten. Aan de rommelige en aftandse winkeltjes te zien was dit blijkbaar nog niet echt algemeen geweten. Toen ik na niet zo lang zoeken er één op de kop had getikt. Keerde ik terug via de Rogierstraat om vervolgens de Aarschotstraat te nemen richting het Brusselse Noordstation. Ik kon ook opnieuw via het Solvayeplein gaan naar het Noordstation. Maar zoals ik al zei het was een bizar toeval. En toen ik nog geen 10 meter ver was in de Aarschotstraat zag ik haar zitten. Met beide benen gekruist over elkaar. Een sigaret in haar rechterhand. Wezenloos voor zich uit te staren. Ik weet niet waarom ik als aan de grond genageld bleef staan. En wat me bewoog in haar richting. Het konden haar brede heupen zijn die me deden denken aan mijn moeders heupen. Het kon haar mond zijn die zich keer op keer hard sloot om de sigaret. Het kon haar kanten paarse lingerie zijn die haar huid een warme gloed gaf. Ik weet het niet. Ik stak blindelings de straat over en stapte binnen met het Perzisch tapijt gekneld onder mijn armen. Ze keek wat vreemd op. Een soort blik die ik al gewend was. Wat een raar mannetje zag je haar denken. Ze vroeg wat ik wilde. Ik haalde mijn schouders op. Ik wist niet wat ik daar deed in de naar zeemzoete parfum geurende inkomhal. Ze kwam van haar stoel en stapte op me af. Ze was verrassend klein, nauwelijks één meter zestig. Ze had een spitse neus. Ik kon moeilijk raden hoe oud ze was door de dikke laag fond de teint. Ze haalde haar blonde haren van haar schouders en stak deze in de lucht om dan weer op haar schouders te laten vallen. Het hoertje glimlachte naar mij, pakte mijn linkerhand vast en leidde mij langs het gordijn naar binnen in een kamer omgeven door een troosteloos bloemetjesbehang. Ik legde mijn tapijt op de vloer en liet me ondergaan. Ik wist niet wat me overkwam. Hoe warm en teder het was. Niet dat hoeren per definitie teder zijn. Maar deze vrouw die als broodwinning voor prostitutie had gekozen wist blijkbaar welk vlees ze in de kuip had. En hoe ze dit vlees wist te behagen. Tedervol te zijn maar toch op een degelijke afstand zonder mij te beklemmen. Sindsdien ging ik elke derde donderdag van de maand bij haar langs. Omdat het toen de derde donderdag van de maand was. Stipt om vijf uur. Ik kende haar naam niet, zij kende mijn naam niet. Er werd niet veel gepraat. Maar praten hoefde ook niet. Het ging om de vleselijke warmte. Aan sociaal contact had ik geen behoefte. Toen ik die dag in de Aarschotstraat kwam was het zoals gewoonlijke een heen en weer geloop van mensen. Mensen met hun handen diep in de zakken, met hun blik schuin naar één van de rood opgelichte ramen. Toen ik bij haar raam aankwam verstijfde ik. Het raam was leeg. Dat was nog nooit gebeurd. Ik keek op mijn horloge, vijf voor vijf. Misschien was ze nog aan het werk met een andere klant. Een andere man. Ik mocht er niet aan denken. Ze was een hoer, maar de gedachte aan andere mannen die haar beroeren kon ik niet aan. Het was één van die gedachten die ik niet begreep van mezelf en ook niet wou verklaren. Ik wachtte vijf minuten. Nog steeds was ze niet te zien. Altijd wachtte ze in haar raam, ze hield ze zich vrij voor mij. Als iemand binnenkwam tegen vijf uur weigerde ze. Het was een soort stilzwijgende overeenkomst. Ik gaf haar ook altijd iets extra, “verwen jezelf eens goed”, zei ik dan. Dat deed ze dan waarschijnlijk met sigaretten en drank. Vertwijfelend stak ik de straat over. Even blindelings als de dag dat ik voor de eerste keer naar haar raam toeliep. De deur stond op een kier. Vreemd. Toen ik mijn oor naar de deur toebracht hoorde ik een gedempt gekreun binnen. Mijn hand legde zich op de klink en duwde de deur zachtjes verder open. Voor ik het zelf goed en wel besefte schuifelde ik de gang in als een koorddanser. Stap voor stap naar het gordijn van haar kamer toe. Het gedempt gekreun bleef aanhouden. Ik legde mijn vinger op de scheiding van het gordijn. En gluurde voorzichtig naar binnen. Wat ik zag deed me verstijven. Een naakte man zat bovenop haar, en ging op en neer terwijl hij een kussen strak om het gezicht van het hoertje had gekneld. Zijn knokels zagen wit door de druk die hij uitoefende op het kussen. Het hoertje spartelde tevergeefs met haar benen. Haar vuisten beukten in op de rug van de man. Maar dat leek geen enkel effect te hebben. Vertwijfelend keek ik naar het schouwspel. Mijn hart ging als een razende tekeer. Ik moest dit stoppen. Op het kleine bijzettafeltje naast het gordijn stond een groteske glazen asbak in de vorm van een zwaan. Voor ik het goed en wel zelf besefte had ik de nek van de zwaan stevig omkneld en zetten een stap naar binnen. Met volle kracht wierp ik de asbak met een oerkreet richting de naakte pompende man. Alsof ik al jaren in Major League Baseball meespeelde. De asbak trof de man met volle kracht op het achterhoofd. De man schreeuwde kort en fel. Hij zeeg neer als een zandzakje dat van zekere hoogte valt. Het kussen trok hij mee in zijn val. Ik zag het paarse gezicht van het hoertje. Ze kreunde niet meer, ze bewoog zelfs niet meer. Ze lag roerloos op het bed. Ik kijk naar beneden, naar de mensenzee onder mij. Het gekronkel van de mensen die op deze hoogte stipjes lijken. Gekronkel als een mierenhoop. Continue werkend en de hiërarchie bevestigend. Ik zet mijn voeten tot op de rand. Mijn tenen krullen spontaan. Een spanning trekt over mijn hele lichaam. Alles is mislukt. Mijn levensfilosofie die ik de voorbije 30 jaar heb opgebouwd is voor niets geweest. Het heeft tot niets geleidt. De man die ik had uitgeschakeld met een kracht en overtuiging die ik nooit in mezelf had gezien bleek een serieverkrachter te zijn. Een man die de laatste jaren hoeren verkrachtte en versmoorde met een kussen. De politie trachtte hem al jaren te vatten. Tot ik, op het juiste moment gezien door de ogen van politie, de man op heterdaad betrapte en hem uitschakelde. Van de ene dag op de andere dag was ik een held. Een volksheld. Een bekend figuur. Mijn foto, een oude foto van in de begindagen op het Ministerie van Financiën, stond in het groot op de voorpagina’s van alle kranten. Ik verscheen in het journaal. Werd opgebeld door journalisten voor interviews of gevraagd voor verscheidene TV-optredens. Overal werd mijn heldendaad op een lyrische manier beschreven. Het hoertje zelf had het overleefd en vertelde honderduit over mij in de media. Ze verscheen zelfs live op televisie vanuit haar ziekenbed. Dit alles waarschijnlijk tegen goede betaling. Iedereen kende me nu. Toch was ik nog overtuigd, waarschijnlijk in een laatste koppige stuiptrekking, dat dit alles misschien maar een rimpel was in mijn leven en het misschien zou overwaaien door dit alles lang genoeg te negeren. Toen ik daarnet terug aan het werk ging en de lift uitkwam op het achtste verdiep en richting mijn bureau stapte ging iedereen op de werkvloer opeens rechtstaan en begonnen ze simultaan in hun handen te klappen. Een staande ovatie. En toen besefte ik dat alles mislukt was. Een gelukkige eenzaat die bewust niet met het menselijke gedoe betrokken wou worden voorbij was. Er was een onomkeerbare ommekeer. Ik was nu bekend en op handen gedragen door zoveel mensen. Anonimiteit bestond niet meer voor mij. Mensen zouden nu fluisteren en stiekem naar mij wijzen. Niet omdat ik een raar mannetje in een groene jas was. Maar omdat daar een onverschrokken man stond. Die een serieverkrachter kon uitschakelen met één precisieworp van een asbak. En een hoerenloper, laten we dat ook niet vergeten. Ik had me omgedraaid toen iedereen spontaan begon te applaudisseren en snelde terug de lift in. Ik drukte op de knop met het cijfer 17. Toen de lift was aangekomen op de bovenste verdieping stapte ik uit en nam de trap die leidde tot het dak. Hier sta ik dan. Ik schuifel mijn voeten nog wat naar voren zodat mijn tenen voorbij de rand zijn. Een wind jaagt door mijn haren. Ik sluit mijn ogen. Als ik dan toch moet opgenomen worden in de mensenmassa dan maar letterlijk. Ik laat me naar voor vallen.

Tim Berghman
0 0

IMPACT

Hey liefje, ik bevind me op ons plekje, zit opnieuw aan ons vertrouwd tafeltje. Je weet wel, onder de grote palmboom die jij zo geweldig vindt. Het voelt best een beetje vreemd, ietwat onwennig aan, om hier nu zo op mijn eentje te zitten. Ergens heb ik het gevoel dat jij nog steeds bij me bent. Ik denk niet dat de mensen rondom mij iets doorhebben. Ze zijn allemaal druk aan de babbel, schenken me nauwelijks aandacht. Ik ben de enige zonder gezelschap hier. Maar herinneringen aan de levendige gesprekken die we hier ooit voerden houden me stiekem gezelschap. Het lijkt alsof het gisteren was.   Ik heb de rijstschotel genomen, met de pikante chilisaus. Weet je nog liefje, nummer 58, je favoriete gerechtje. Natuurlijk weet je dat ik zelf geen fan van rijst ben, maar toch heb ik er nu voor gekozen, zo voel ik me nauwer met jou verbonden. Maar weet je liefje, al bij al voel ik me niet eens zo slecht. Er is natuurlijk nog steeds die pijn, een pijn die zich niet laat beheersen. Die zal wellicht nooit verdwijnen, zoals het hoort. Ik vind echt dat het zo hoort lieve schat. En jij liefste, voel jij nog altijd pijn? Wat was die klap toch oh zo vreselijk, ik kan me nauwelijks de pijn van de impact inbeelden.   Best grappig liefje, schuin tegenover me, maakt een koppeltje met fluisterende stemmen ruzie. Ze zitten net te veraf om te horen waarover het gaat, maar zij ziet er alvast niet gelukkig uit. Het doet me denken aan de laatste keer dat wij hier zaten, hier aan ditzelfde tafeltje. Weet je nog liefje, onze laatste ruzie? Toen jij me vertelde over je collega Mark, en over hoeveel spijt je wel niet had. Zou iemand ons toen in het oog hebben gehouden? Zou iemand je valse tranen hebben opgemerkt? Wat kostte het me toen immens veel moeite om mijn rust te bewaren. Maar je weet dat ik niet van scènes houd liefje, dat weet je toch nog?   Als ik er nu aan terugdenk, voel ik opnieuw hoe het bloed me uit het hoofd wordt gezogen. De gedachte aan jou met die achterbakse onderkruiper vind ik nog steeds ondraaglijk. Met alle mannen, maar moest het nou werkelijk met dat reptiel van een Mark? Zal het koppeltje er ook in slagen om rustig te blijven liefje? Haar gezicht ziet lijkbleek, net als ik toen, wellicht zoals jij nu. Uiteindelijk doet het er niet toe of ze al dan niet rustig blijven. Niet zoals jij ertoe deed. Want dat weet je toch he liefje, dat jij er altijd wel toe deed? Vergeet dat niet lieve schat, vergeet dat alsjeblieft nooit. Kan jij nog vergeten?   Met je zus gaat alles goed. Het was voor haar natuurlijk ook een shock, dat kan je raden. Maar we hebben troost gevonden bij elkaar. Is dat niet ironisch liefje? Jouw onkreukbare zus, diegene die jou altijd waarschuwde voor mij, net zij zocht troost in mijn armen. In mijn sterke armen, waar ze zich veilig waant, zei ze me onlangs nog. Ik denk niet dat ze het weet liefje. Ik denk niet dat zij weet waartoe deze sterke armen in staat zijn. Enkel jij weet dat liefje, wist je dat? Verbaasde het je liefste, de kracht die ervanuit ging?   Dat heb ik me altijd afgevraagd, of je de klap ook echt hebt gevoeld. Die vreselijke klap liefje, hoe voelde die? Kan je me dat vertellen? Heb je hem daadwerkelijk gevoeld, of was je er meteen door verdoofd, alvorens je iets voelen kon? Ik hoop echt dat je niet hebt geleden liefste, althans niet zo hard als mij. Daarvoor heb ik je veel te graag gezien. Dat weet je. Weet je dat liefje?   De rijstschotel is echt niet te vreten. Nooit begrepen wat je daar zo lekker aan vond. Maar dat gevoel had ik wel bij meerdere zaken van jou. Laat ik maar huiswaarts gaan, naar je zus die op me wacht. Ze vermoedt echt niets, die lieve, norse zus van jou. Echt liefje, ze weet niet waartoe mijn armen in staat zijn. Enkel jij weet dat liefje, enkel jij. Wat was het toch een vreselijke klap.

Daniel De Weerdt
49 0