Lezen

onderlicht

1. onderlicht ze zitze zit daarze zit daar inze zit daar in dan ze zit daar in dan welik doe hetdan welin haar plaatszit ze daar in niet gedaanzit ze daar in nietzit ze daar inzit ze daarzit ze ze brakze brak ergensze brak ergens inze brak ergens in wilze brak ergens in wil wel kan ik nietwil welin haar plaatsbrak ze ergens in niet kunnenbrak ze ergens in nietbrak ze ergens inbrak ze ergensbrak ze wil wel zijnikin zittenin brekenin haar in danin dan welin wil welin haar dan wel wil welnietgedaanergenskunnenwil ik haar wel zijn ………………………………………………………………………………………………………....................................... 2. onderlicht pervers nieuwsgierig mag je denken,naar dat gezit van haar, ten dele waar, maar dat breken in,dat breken in, een beloftevol oordniets pervers aan, een gaan-en-staan-belofteeen plaats van tast, verboden in te brekenbetreden op eigen einde van bestaan, wilsverlies,maar op gemene grond, voeten geplant, elkaars gevondenzijn, begrepen wat haar dan wel, wil wel beweegtdaar gaan-en-staan misschien eigen waan toch gekundwant moet niet alles gedaan voor vaarwel gezegdtelkens weer wel gevonden onverdroten telkens nieuw stro dorsentelkens nieuwe oorden, dingen, woorden van hoopplots brutaal bedrieglijk te vindenwil dat haar zijn zeggen? zie het beeld beschimmeld tapijt, mieren, motten, glasscherven, schemerig licht, hoeken bezeikt, waar de kakkerlak verschijnt, braaksel her en der onder wat te vinden viel verstopt, hoop is de drug der wanhopigen, rekt hun bestaan in pijnen uit, een schroefbank kreunend houten pijndof en scherp tegelijk versplinterd scherp in vel gestoken, dof beslagen kop, etterend venijn, vervloek de hoop, en nog, niet haar dan wel wil wel begrepen, haar breken in in een plaats van eigen makelij, verondersteld haar breken uit uit een plaats van eigen makelij, wachten op dan wel wil wel, naast haar plaats staan, wachten, wachten. ................................................................................................................................................................................................... 3. onderlicht 3. is in productie, u kan de richting al raden. preliminiare bevindingen: meticuleus beschenen voeten de gang nagegaan, van zoek naar hoe het kwam, naar vindt van hoe het op te lossen, oplossen is wat het deed in een miasma van hem en haar, wierpen grenzen schaduwen vereend, op't plafond hun nucleair zijn gebrand, niet te scheiden wie is wie, blijft versteend aangerand door't leven aan hunzelf kleven. onderlicht 3. is in productie, hangt van variabelen af, niet in't laboratorium te creëren, bunzenbrander nooit heet genoeg om hoop te verzengen, duikt telkens weer en telkens weer op, reconstitutie, stalen genomen ter preventie, wachten op imminente explosie, dan door deconstructie reconstructie, rapport opgemaakt, voor 't administratief geweten zo geheten zo geschreven dan en toen en verdere feiten voor't nageslacht, conclusie in de vorm van projectie: variabelen te vermijden, resolutie desastreus. onderlicht 3: is in productie, recommendering: wachten.

IT
0 0

Kinderen

Vandaag is zo’n dag. Het is zo’n dag die, niet eens zonovergoten, smeekt om een zonnebril. Die heeft Maarten niet bij zich. Hij zit op een bank bij een speeltuin en wrijft in zijn ogen. Het is nog vroeg. Zijn fiets en rugzak liggen op de grond. Met zijn rechterhand beschut hij zijn ogen tegen het licht. Hij tuurt naar een herkenningspunt in de vloeibare verte, als in een woestijn.   Daar zit een meisje op een schommel. Hij knijpt zijn ogen tot spleetjes om naar haar te kunnen kijken. Het is een tenger meisje. Toch heeft ze zichtbaar sterke ellebogen en knieën. Zou ze al tien zijn? Ze zet een streng gezicht op terwijl ze schommelt, wacht telkens het juiste moment af om uit alle macht aan de touwen te trekken, krijgt de schommel zo hoog dat hij haar gewichtloze ogenblikken gunt. Maarten kan van haar gezicht niet aflezen of ze er plezier aan beleeft.     Zou ze met dezelfde tomeloze ijver haar huiswerk maken? Hoe dan ook zou ze het niet enkel voor de goede punten doen. Later zal ze prachtige samenvattingen maken van haar leerstof. Ze zal mooi zijn en geen onzin dulden van haar vriendje. Ze zal lak hebben aan twijfelaars. Maarten wiegt met het schommelende meisje mee.     Het meisje houdt het spelen voor bekeken. Ze rent door het zand en verdwijnt van het toneel. Maarten staart de schommel, zijn deelgenoot in hangerigheid, na. Hij raapt zijn rugzak op, neemt zijn fiets, en rijdt naar huis. Onderweg probeert hij in de rechte stukken zo lang mogelijk met de ogen dicht te rijden.   Later op de dag zit Maarten in het midden van de driepersoonsbank van een recent aangekocht Ikeasalon. Hij heeft een zonnebril op en rookt sigaretten. De stompjes dooft hij uit in de asbak op de salontafel. Met nadruk, alsof hij ze één na één een lesje leert. Hij neemt zijn tijd. Hij heeft zijn hemd met palmboomprint aangetrokken. Zijn zwembroek en badlaken hangen te drogen op zolder. De microgolfmaaltijd voor twee, gesigneerd door een beroemde kok, ligt in de koelkast. De kattenbak is schoon.     In de verte klinkt een sirene. Het geluid verplaatst zich erg langzaam. Wat moet het daarbuiten weer druk zijn, denkt hij. Hij droomt weg, starend naar twee kussens die op de sofa tegenover hem staan uitgestald, opgedoft en door een vrouwenhand geschikt als was het een stel, misschien zoals zij vroeger deed met pop en teddybeer.     Maarten schrikt op. Gerinkel van haar sleutelbos bij de voordeur. Hij blaast en wappert wat naar de rook – die gedwee opzij gaat, beleefd bijna, zich verontschuldigend, en vervolgens gewoon blijft hangen –, pakt de asbak en gaat op kousenvoeten naar de keuken. Anja komt thuis van het werk.   Zij is weer als de wind. Haar schoenen klakken en schuren in de hal. Ze is gehaast. De deur naar de woonkamer zwaait open. Haar lange wollen jas, nog net te zwaar voor het seizoen, blijft nog even aan. Eerst moet het raam open. Maartens zonnebril belandt met een boogje op de sofa, naast het stelletje kussens. Zij vraagt niet hoe zijn dag was. Hij kijkt haar glimlachend aan. Zijn dunne lippen spannen als elastiekjes.     ‘Niet grappig, Maarten’, zegt ze. ‘Denk om je zaad.’ Maarten verstart. Hij was het weer vergeten. Wat ze dadelijk gaat zeggen, klinkt hem als een voortijdige echo in de oren.     Ze zegt: ‘Je bent het weer vergeten. Ik zie je boven? En haast je, over een half uur heb ik yogalates.’ Ze loopt hem rakelings voorbij. Hij is als rook.   De trap op. Hij zal proberen er het beste van te maken. In de slaapkamer kijkt hij toe terwijl Anja zich uitkleedt. Werktuiglijk, alsof ze tegelijk probleemloos nog zou kunnen telefoneren, vergaderen, netwerken. Het maakt haar mooier dan wanneer ze haar ondergoed al te zelfbewust slechts met de vingertoppen zou beroeren. Niet meer, maar ook niet minder dan wat het is, staat het Maarten vrij haar te aanschouwen. Wie is deze vrouw? Hij vraagt het zich af terwijl zij alvast post vat op het bed. Een beetje plagerig houdt hij zijn kleren aan.     ‘Moefi’, zegt ze – Moefi, zo noemt zij hem soms, wanneer ze hem achter de veren moet zitten. Hij antwoordt dan steevast met een monotoon ‘Ja An’, of iets dergelijks, omdat zij daar niet tegen kan –, ‘Het moet nu, ik voel het aan mijn borsten. En de oefeningen straks kunnen alleen maar helpen.’     ‘Wat denk je, An? Dat ik een wandelende erectie ben?’ zegt hij. ‘Het moet altijd nu. Eerst hier even oefenen, ja?’     Anja zucht. Maarten laat zich uitkleden alsof hij, smerig van het stoeien in de speeltuin, een klein joch is dat in bad moet. Dat doet het hem. Anja zit op handen en knieën op het bed, zegt: ‘Dag jongeman’, en draait zich om, nu met het aangezicht naar de muur. Geen tijd te verliezen. Een beetje teleurgesteld, niet helemaal, weet Maarten wat hem te doen staat.   Hij kijkt naar een figuur op het behang dat Anja onlangs in een vlaag van koopwoede had meegebracht. Een vlinder in kinderlijke kleuren. De gebroken witte muren van eerder vond hij prima. Hij moet zijn gedachten erbij houden, of net niet. Om zichzelf aan te moedigen, pakt hij haar beet bij de billen. Zijn ogen volgen de welving die haar rug mooi in twee verdeelt, tot bij de aftekening van de knoken die de hals aankondigen. Het is de ritssluiting van Anja, zo stelt hij het zich voor. Bovenaan, net onder de haarlijn, trekt hij in gedachten de rits zachtjes open. Wat zich beetje bij beetje, roze en vochtig, onthult, durft hij niet aan te raken. Er naar kijken doet hem groeien in haar.   Aan haar kant van het bed nu, ligt Anja met de benen omhoog, de rug door de armen gestut. Haar ellebogen graven kuiltjes in de matras. Ze staart naar het plafond. Het is een eigenaardig stilleven dat Maarten stilaan vertrouwd aandoet. Alle beetjes helpen. Hij kijkt ernaar en denkt: zij schijnt te weten wat zij van de zwaartekracht vermag. Zijn penis ziet er ondertussen weer uit alsof je hem daarover niets hoeft te vertellen. Hoe vaak hebben ze hier zo gelegen, verfomfaaid en dompig, zoals het beddengoed?     Hij weet niet wat hij moet zeggen, maar hij verdraagt de stilte niet.     ‘Schat?’ vraagt hij.     Anja graait naar een hoofdkussen en verbergt zich. De spanning in haar lichaam bereikt Maarten via de matras. Ze is niet mis te verstaan. Hij weet dat hij nu beter zijn mond houdt.     ‘Misschien moest je de les deze keer maar eens overslaan?’ zegt hij. Na een paar tellen, alsof zijn woorden eerst even schenen te verdwalen in de vulling van het kussen, begint Anja’s bovenlichaam zachtjes te schokken.     ‘Huil je?’ Wat een domme vraag. ‘Is het zo’n dag?’ Waarom bewegen zijn lippen nog? ‘Ik weet het’, zegt hij tenslotte.     Anja werpt het hoofdkussen van zich af en kijkt hem, voor het eerst vandaag, rechtstreeks aan: ‘Wat? Zeg dat nog eens?’     ‘Wat?’     ‘Wat je nu juist zei.’     ‘Of het zo’n dag is?’     ‘Nee, ik bedoel: daarna.’     ‘ik weet het?’     Maarten ziet hoe Anja’s ogen tiktakken, alsof ze zijn blik peilt, in de hoop eraan te kunnen aflezen of ze nu moet schateren of janken. 

Jan
23 0

Trutjes met kutjes

Ik kwam vandaag de schrijver tegen met zijn hond. De schrijver heeft geen lief meer. Daarover heeft hij een boek geschreven. De schrijver behoort tot de schaamteloze mensen. Het is tegenwoordig in de mode om schaamteloos te zijn. De schaamteloze mens windt nergens doekjes om. Hij voelt zich niet aangetrokken tot een vrouw maar wordt geil. Hij heeft niet lief maar neukt. Hij spreekt over foef, tetten, ballen. Hij voelt zich niet triest maar pissed of fucked up. De schaamteloze mens is niet noodzakelijk een klootzak. Hij weet gewoon dat mensen klootzakken zijn en dat het ongelooflijk klootzakkig is om je anders voor te doen dan je bent, daarom lult hij uit goed fatsoen over de kont van madonna, het poesje van de buurvrouw, de droge pruimen van Theresa, het aftrekken van het koertje en het verstopte putje waardoor het gebroken water hem tot de lippen staat terwijl hij de ballen snapt van loodgieterij en daarom uit wandelen gaat met de pietluttigheid van zijn hondje dat aan het achterwerk van elk loops teefje ruikt wat zoveel beter is dan het beschaafde gewauwel van trutjes die als puntje tot bij paaltje komt toch simpele kutjes zijn.   “Ik” daarentegen ben een ander verhaal. Ik ben het meest beschaamde meisje van de klas. Je blik, keurt en kleurt mijn vlees. Ik spiegel me in jouw kijken en sla de spiegel stuk, verwond me met een scherf, terwijl ik steels het beeld van je ogen zoek om er mijn begeerte in te lezen waarvan ik wegvlucht in de hoop dat mijn rug je vertelt hoe graag ik wil dat je me achterna komt.   Ik geloof dat ik het trutje met het kutje ben dat zedig haar blik afwendt en over de schone kunsten praat!

Anca
96 1

Ik wil schrijver worden

Als kind was ik veel verdrietig, gelukkig zijn was iets speciaals en zeldzaam. Soms vroeg ik me af, verdien ik het wel om gelukkig te zijn? In het ouderlijk huis was het altijd ruzie. Mijn moeder was meer dronken dan nuchter. Niet moeilijk dat mijn vader er vandoor ging, maar kon hij me niet mee nemen? Wie zegt dat een kind beter af is bij zijn moeder? Ik vluchtte weg in mijn wereld, mijn eigen wereld. Is dit het leven? Zijn we daarvoor op de wereld? Welk doel hebben we in het leven? Ik ben alleen, ik voel me zo eenzaam. Ik wou iets zoeken waar ik me veilig en vredig door voel en dat heb ik gevonden. Ik heb de liefde voor boeken gevonden. Eindelijk, ik een veilige thuishaven, mijn wereld, mijn fantasie wereld. Wat is het prachtig om opgeslokt te worden in een fantatisch  verhaal. Zoiets wil ik ook kunnen. Een mens gelukkig of blij maken met woorden. Mijn boeken maken me ook blij en gelukkig, dat gevoel wil ik ook geven aan mensen die verdrietig zijn. Niet iedereen heeft het geluk gelukkig te zijn. Ik ben niet alleen en er zijn nog zoveel kinderen die soms alleen zijn, zelf volwassen die er alleen voor staan en even willen weg vluchten uit de realiteit. Ik wil er ook voor iemand kunnen zijn. Later als ik groot ben wil ik ook schrijver worden zodat ik mensen blij kan maken met een mooi of spannend verhaal, ze laten instappen in een ander wereld. Maar jammer genoegd heeft het leven me nog niet de kans gegeven om te kunnen gaan schrijven. Maar nu ben ik een volwassen vrouw. Ik heb mijn eigen toekomst opgebouwd en heb mijn rust gevonden. Het is nu eindelijk mijn moment om mijn wereld op te  schrijven. Maar ik ben bang, bang voor een teleurstelling, bang om te falen. Soms ben ik jaloers op mensen met intullectuele woorden. Dan vraag ik me af, ben ik dom of minder waard? Heb ik wel het recht om te schrijven zonder hoge opleiding? Maar dan spreekt mijn sterke kant me toe en zegt … Moet men naar de universiteit geweest zijn om een mooi boek te kunnen schrijven? Moet men geleerd zijn en moeilijke woorden gebruiken zodat we intulectueel overkomen. Nee, ik denk van niet. Schrijven moet je doen met gevoel en dat kan men je niet volledig aanleren zelfs niet op de universiteit. Wat ben je met een boek dat je maar de helft begrijpt? Ik lees liever een boek zonder een Van Daele erbij. In een boek moet je je kunnen inleven en dan het liefst in normale mensen taal. En niet zo dat je af en toe terug moet gaan lezen omdat men het niet begrijpt. Op die manier heb ik zelfs geen zin om verder te lezen en vliegt mijn boek opzij. Geef mij maar een boek met gewone taal een goed verhaal. Zo, wat ga ik nu doen? Ga ik ervoor of laat ik mijn droom vallen? Nee, ik ga ervoor. Ik wil schrijver worden en ik ga ervoor. Mijn meter zei altijd, "waar een wil is, is een weg". En ik wil mijn weg, ik ga ervoor. Als ik niet probeer zal ik het ook nooit niet weten. Dus meter dank u voor u kracht en geloof in mij. Ik word schrijver ik blijf erbij.

Cynthia
0 0

De dag dat ik bijna een man vermoord had.

Ik moet een jaar of tien geweest zijn. Het was zomer en prachtig weer. Zoals op elke mooie zomerdag waren ik en de andere kinderen uit de buurt buiten aan het spelen bij de hoge boom waar we inklommen zodat je, als je hoog genoeg durfde te gaan, over de daken heen kon kijken en zelfs de rivier kon zien. Die dag hadden we een groot stuk boomstam gevonden dat door de gemeente moest zijn afgezaagd en achtergelaten. Zo een waarvan je moeder zou zeggen dat het een stoel voor kabouters of dwergen is. De stam was veel te zwaar om op te tillen, dus we rolde er wat mee rond terwijl we bedachten wat we ermee zouden doen. We besloten het ding naar beneden te laten vallen. Naast de hoge boom waar we de stam gevonden hadden was een twee, misschien drie meter diepe muur die aansloot op de aflopende trap die naar de straat leidde. Als we de stam een flinke duw gaven zou die zeker de muur afrollen en met een spectaculaire smak de grond raken. Ik was de oudste van alle aanwezigen, dus ik mocht de stam in beweging brengen, de zwaartekracht zou de rest doen. Ik vroeg aan de anderen of er iemand aankwam, niemand, goed. Rollen dan maar. Ik bracht de stam in positie en gaf hem een duw met mijn voet. De boomstam rolde met een redelijke snelheid over de rand heen en we hoorden een doffe klap van hard hout dat de stenen raakt. De klap werd meteen gevolgd door een vloedgolf aan gevloek. Geschrokken keken we over de rand heen naar beneden. Daar stond een man van middelbare leeftijd met een mix van woede en doodsangst op zijn gezicht. Dertig centimeter voor zijn voeten lag de boomstam, waar de man in godsnaam vandaan was gekomen weet ik nog steeds niet. Als die boomstam hem geraakt had zou hij zeker zijn nek gebroken hebben. Nadat hij ons de huid vol had gescholden liep hij verder, nog trillerig van de schrik. Het enige wat ik had kunnen uitbrengen was een schamele sorry meneer. Ik kon die dag aan niets anders meer denken. Wat als het fout was gegaan? Dan was ik een moordenaar, een crimineel! Ze zouden zeggen dat we het plan secuur uitgedacht hadden, de luttele centimeters die de stam zijn doelwit gemist had getuigde van onze precisie in deze hinderlaag. Het doel werd maar nét gemist. Als er een engel over me waakt, dan zal ik absoluut een roos meenemen op de dag dat ik hem, of haar, tegenkom. 

Atlas
15 0

Eeuwig jong

'Tegen niemand zeggen, maar jij bent uitverkoren. Ik breng je grootste wens in vervulling.' Het bericht dat Milo op zijn SmartPhone zag verschijnen zei hem niets. Hij vermoedde een flauwe grap en wou het dadelijk wissen, maar er was iets dat hem tegenhield. In een opwelling besloot hij erop in te gaan en koos ervoor 'om eeuwig jong te blijven'. Het was tenslotte bijna zijn veertigste verjaardag en daar zag hij wel wat tegenop.Hij dacht er verder niet meer aan, tot hij twee weken later een pakketje thuisgeleverd kreeg. Er zaten een grote pot crème en een doosje met geelgroene pilletjes in. Milo dacht aan een practical joke, maar toen zag hij de bijgevoegde boodschap: 'Om eeuwig jong te blijven: smeer tweemaal daags je gezicht en hals in met de crème en neem één pilletje voor het slapengaan. Er wordt je tijdig een nieuwe voorraad geleverd en dit gedurende drie maanden. Vanaf dan zal je leeftijd eeuwig blijven stilstaan. Vertel dit vooral aan niemand, anders wordt het proces omgekeerd.'Toen herinnerde hij zich het vreemde bericht en zijn antwoord erop. Wie zat hierachter? Eén van zijn kameraden die hem een poets wou bakken? Hij opende de pot en rook eraan. De bijna doorschijnende crème was reukloos. Hij nam er met zijn vingertop een heel klein beetje af en smeerde het op zijn hand. Het voelde zacht en fris aan. De pilletjes waren langwerpig en hadden een groene en een gele kant. Op het doosje stond helemaal niets.Hij had een vreemd gevoel, alsof iemand hem bespiedde en stiekem op zijn reactie wachtte. Even dacht hij eraan alles in de vuilnisbak te kieperen, maar hij kon het niet. Nog niet, dacht hij, ik moet er rustig over nadenken. Wie de anders zo nuchtere Milo kende, zou het nauwelijks geloofd hebben dat hij het überhaupt nog moest overwegen, maar iets belette hem overhaast te handelen. Zorgvuldig wreef hij de crème op zijn gezicht en hals. Hij smeerde een dikke laag in de hoop dat het dan sneller zou werken. Ook slikte hij twee pilletjes in plaats van eentje. Ze zagen er zo onschuldig uit. Na een tevreden blik in de spiegel ging hij slapen.Die nacht gebeurde het. Zijn gezicht trok aan alle kanten. Het leek of er iets zat te wringen om eruit te barsten. Zijn slapen klopten waanzinnig hard en hij had het gevoel dat zijn ogen uit hun kassen zouden springen. Milo slaakte een gil. Tenminste, dat dacht hij, want er kwam geen geluid over zijn lippen. Tastend naar zijn hoofd sprong hij het bed uit en rende naar de badkamer. Zijn hart bonkte als een razende. Geschrokken keek hij in de spiegel... De volgende ochtend gooide hij het hele boeltje de vuilbak in. Het was geleden van toen hij zes was, dat hij nog zo'n vreselijke nachtmerrie had gehad.

bieke bertram
15 0