Lezen

Wat zazen de wanzen zo zalig vooruit (14/08/2013)

Man staat op het podium op een groot bed van klavertjes 4. Hij zoekt hiertussen het enige klavertje 3 die daar verborgen zit. Eerst door subtiel rond te kijken naar beneden. Later kruipt hij al hurkend door het veldje. Nog later op handen en voeten. Hierna legt hij zich tussen de klavers. Een vrouw komt binnen en net als de man ongeduldig begint te krabben in de aarde, begint zij te slaan op een tafel die niemand kan zien, maar die wel degelijk daar op het podium staat. Na enkele minuten serieus doorslaan op tafel, begint de man te slaan op zijn klaverveld. Ze slaan nu tegelijkertijd. De man en de vrouw beginnen samen te schreeuwen, heel furieus, heel luid. Het geschreeuw begint te wisselen van toon en begint na een tijd een rustige melodie te vormen. De vrouw begint te neurieën. De man zingt: -Katharina Met je lange haren van rood Breng morgen je kind naar de schoot van het land die zonodig je aanroept die stil met je praat Op het plein met de bomen die zich vluchten die staan naar het straatlicht die roepen je naam Katharina laat me gaan laat me gaan laat me gaan De vrouw neemt een pot rode verf en loopt hiermee naar de man. De man staat recht. Ze begint hem geheel onder te verven; met uitzondering van zijn handen. De man streelt met zijn handen de wangen van de vrouw. De man spreekt: -Van dorpen en huizen zie ik vaak enkel de gevelAls ze me nu eens aanspraken en me konden vertellen wat ze hebben rommelen in hun grote buiken Hoe vaak de hond uitgelaten werd? Of de poes wel te eten kreeg? Hoe vaak de apen met elkaar vreeën? hoe vaak die vrijpartijen gemeend waren? Of ze gelukkig zijn Of ze leven Of ze zich doden De vrouw antwoordt: -Geen vrees in mij zit geen een man die geen vrees heeft wees niet bang Enkel de muizen zijn bang maar in de kamer van het hol van de witte muis die in mij leeft zijn er kleine kinderen ze roepen naar hun moeder ze krabben en bijten elkanders oren afze zijn zich aan het hoeden voor de waarheid voo de rede dat hun moeder hen verlaten heeft voor de pijn dat ze weg is voor... De man schreeuwt: -GENOEG! en knijpt de keel dicht van de vrouw die dood valt. De man kijkt naar zijn handen en ziet het bloed stromen dat onzichtbaar is voor de kijker. De man neemt groene verf, ontkleedt de dame en tekent een grote klaver 3 op de haar buik, waarvan twee blaadjes haar borsten zijn. De man verlaat het podium licht valt uit Doek valt in 1 seconde naar beneden luid geschreeuw -fin-

Alexander Vrijdewei
0 0
Tip

Verloren - proloog

Proloog   1827   De regen kletterde tegen de daken en de ruiten van de oude villa. Mijn hoofd rustte op mijn rechterhand terwijl ik met mijn andere hand een brief schreef. Het was stil, te stil. Het enige geluid wat ik hoorde was het geluid van de klok die 8 uur sloeg. Ik keek op en hoorde hoe de klok haar laatste slag sloeg. Met een tevreden gezicht keek ik weer naar de brief tot een ijzige gil de stilte doorbrak. Geschrokken liet ik mijn veer vallen en stond op, niet oplettend dat de veer op mijn brief viel waardoor druppels inkt zich verspreidden over het perkament. Ruw schoof ik de fauteuil naar achter, zodat die omviel en liep met een zenuwachtig gevoel richting de zware houten deuren van mijn studeerkamer. De deuren vlogen open nog voordat ik ze had aangeraakt. Terwijl ik de ijskoude gang inliep, hoorde ik de schaduwen tegen me fluisteren. “Het is tijd... Het is tijd...” steeds weer diezelfde drie woorden. Sneller dan mijn voeten me konden dragen, stormde ik de trap op. Het zenuwachtige gevoel had plaats gemaakt voor een bang gevoel. “Te laat... Je komt te laat...” de schaduwen maakten me alleen maar banger door dat te zeggen. Ik draaide me om en opende een onopvallende zwarte deur. Voor een seconde sloot ik mijn ogen en ademde diep in en uit. Daarna keek ik de kamer in. Een kleine mollige vrouw, Molly genaamd, keek me met grote ogen aan. Haar lichtgrijze haren hingen slap voor haar ogen en haar altijd zo vrolijke ogen zagen er dof uit. Haar witte schort was besmeurd met rode bloedspetters en in haar armen hield ze twee prachtige, kleine baby’s vast. Toen ik naar de twee schepseltjes keek, groeide het vadergevoel in mijn hart. “Twee gezonde dochters, Heer Leisterstean,” Ik knikte en strekte mijn hand naar het linkse meisje uit. Een zacht en warm gevoel overkwam me toen ik haar wangetje aanraakte. Ik keek weer op en zei: “Hoe gaat het met Elizabeth?” Ze legde de meisjes in hun eigen wiegje maar keek me niet aan. “Molly. Waar is Elizabeth?” Nog steeds keek Molly me niet aan. Ik begon boos te worden en met een zenuwachtig gevoel woelde ik door mijn haar. “Molly. Molly! MOLLY!” Toen keek ze op. De tranen rolden over haar wangen. “Ze is.. Ze is do-dood. H-h-het spijt me zo,” stotterde ze. Haar woorden kwamen aan als een mokerslag. Maar ik moest me sterk houden. “Waar is ze?” Mijn stem brak net niet. Molly nam mijn hand en trok me mee naar de zijkamer. Ik durfde niet te kijken maar toch deed ik het. Het lichaam van een mooie jonge vrouw lag in het midden van de kamer op een bed. Mijn hand beefde toen ik mijn hand naar haar uitstrekte. Mijn vingertoppen raakten dit keer niet een zachte, warme huid maar een ijskoude. Een traan rolde langs mijn wang en viel op de witte huid van Elizabeth. Voorzichtig streek ik hem weg en trok het witte laken over haar perfecte gezichtje heen. Daarna trok ik mijn gezicht weer in de plooi en knikte beslist naar Molly. Ik liep naar de wiegjes van de meisjes en bekeek ze erg aandachtig. Een zachte glimlach verscheen op mijn mond en ik wreef liefdevol over de wang van het kleinste meisje. “Jij gaat de wereld op een dag beter maken, lieverd. De tijd komt snel.” “Gaat u haar…” Molly snikte even, “… wegnemen, Heer?” Ik draaide me om en knikte. “Neem me niet kwalijk, Molly. Verwacht me binnen een halfuur terug.” Ze knikte triest. “Veel succes klein meisje, veel succes daar in de toekomst.” En met dat verdween Heer Leisterstean en liet een verslagen Molly achter.

Yenna
0 0

Roos en de Makelaar in Ontroerende Goederen. Aflevering 2: De profielschets. Over promotie, branding en The Big Five.

Toegegeven. Het woord profielschets klinkt akelig zakelijk. De analytische geest in me denkt aan resultaatgebieden, gedragsfactoren, competenties. En dat uiteraard, hoe kan het anders:  in een ontegensprekelijke Excel-tabel gegoten. Categoriek in kaart gebracht. Niet door mezelf weliswaar, maar door de Makelaar. Het intakegesprek peilde vrij transparant en direct naar The Big Five: 1. Extraversie (tegenover introversie). 2. Vriendelijkheid/mildheid (tegenover bazigheid) 3. Ordelijkheid (tegenover wanordelijkheid). 4. Emotionele stabiliteit (tegenover emotionele instabiliteit). 5. Autonoom (intellectuele autonomie) (tegenover niet - autonoom). Ben ik georganiseerd, gedisciplineerd, betrouwbaar en consciëntieus of een hopeloze chaoot? Ben ik emotioneel onstabiel, lees: een type Amy-Whinehouse-total-loss of zo ongenaakbaar en onvermurwbaar als Angela Merkel? En kan ik voor mezelf denken, of aap ik toch liever maar wat groteske alpha-males en females na? Tot mijn grote opluchting is de koppelaarster een vrouw van woorden. Geen cijfers of statistieken, maar een mooi stuk geschreven proza krijg ik de week na het intakegesprek in m’n mailbox. Eéntje waar ik zowaar even week van word. Noem het mijn bescheiden zelve (of, tja, mijn emotioneel onstabiele zelve, het is maar hoe je het bekijkt) maar zoveel moois is er over mij in één pagina nog weinig of nooit gezegd. Om bevestigd te krijgen dat er naast makelaar-en-promotalk ook effectieve waarheid in het A4-tje staat raadpleeg ik enkele trouwe vrienden, én m'n twee kinderen. M'n stuntelige, klungelige, onbeholpen zelve tikt zowaar een fout e-mail adres in en stuurt het prozaïsche profiel ook per abuis naar een ex. Iemand die me genegen was loslaten, is duidelijk niet m'n sterkste punt. In m'n onderbewuste schrijf ik nog elke dag lange e-mails vol verhalen die nooit meer aankomen. De reacties zijn unaniem (ja, ook die van de ex): Helemaal jij. De schatten. Mijn zoon voegt nuchter en opmerkzaam toe dat er nergens vermeld wordt dat ik allergisch ben aan de plantenfamilie van de nachtschade. Maar goed. Da's een detail. En ook: “Roos is uiterst gevoelig voor nachtschade”, klinkt niet bijster uitnodigend, toch? Dus gaan we ermee door. Deze “sympathieke, veelzijdige vrouw met een rijke en boeiende persoonlijkheid die met passie in het leven staat” geeft groen licht aan het makelaarsbureau:  ja, verkoop haar maar. Maar voorzichtig en met mate. Ze is niet enkel “kleurrijk en eigenzinnig”, maar ook oh zo breekbaar. Helemaal onderaan de schets zijn er enkele lijnen vrij voor mijn “desiderata”. Ah. Roos’ diepste verlangens krijgen zowaar een plaats. Rechttoe rechtaan had ik er zelf geschreven: goeie chemie, een subtiele mix van (fantastische) seks, goede wil, comfort, verlangen, vriendschap en vrijheid, en dat mysterieuze extraatje dat ervoor zorgt dat ik als een blok voor 'm val. Van de hand van de koppelaarster staat er nu enigszins getemperder: “Een aangename, intelligente man die bewust en met vertrouwen in het leven staat, zou goed bij Roos passen. Met haar deelt hij een open geest, relativeringsvermogen en zin voor humor”. Ah. Da’s een waarheid als een stier: wie Roos aan het lachten brengt krijgt steevast een welgemeende Big Five. De profielschets eindigt mysterieus met “hoe de relatie precies wordt vormgegeven, zal de toekomst bepalen”. Ik zucht diep. Lady Gaga zong het al in Future Love: “when I get to him I'll run him over with my rocket ship.” Een  George Clooney-kloon in mijn eindeloze Gravity heelal. Yup. Roos is very much ready for take-off. Roos Wordt vervolgd: Aflevering 3. Roos ontmoet Witse.

Roos
0 1

Emma's wraak

‘Hallo, is dit Eerste Hulp bij Relatieproblemen? Dag mevrouw. Ik bel u omdat… Weet u… Het is heel simpel. Er is me iets ongelooflijks overkomen, ja iets zo ongelooflijk vreselijks dat ik erover moet praten, dat ik er met iemand over moet praten, ik kan het absoluut niet aan mijn moeder vertellen, en ik dacht, waarom niet aan u, want ik zag uw advertentie op internet. Zal ik u het probleem voorleggen? Ik ga het uitleggen… hoe moet ik beginnen, hoe moet ik woorden vinden, ik weet het niet… Ja, ik zal proberen te bedaren. Diep ademhalen zei u? Ik zal het proberen. Goed. Ik ben getrouwd. Ik ben dertig jaar. Ik heet Emma…’ ‘Uw stem komt me zo bekend voor. Een zeldzaam warm timbre, vooral als u zich opwindt. Zingt u als hobby? Of misschien wel professioneel?’ De stem van de dame van de Eerste Hulp bij Relatieproblemen zakte een octaaf. Ze wilde rust uitstralen. ‘Nee, nee, ik heb nog nooit met zo’n nummer gebeld, ik heb als kind al geleerd mijn problemen zelf op te lossen. Hoe komt u erbij dat ik…’ riposteerde Emma. ‘Ik heet Caroline,’ onderbrak de vrouw aan de andere kant van de lijn. ‘Zullen we elkaar tutoyeren, dat praat wat makkelijker.’ Ze ging zonder op een antwoord te wachten op ‘je’ over. ‘Emma, vertel me nu eens in één woord wat er is gebeurd, dan gaan we daarna wel in detail.’ ‘Verliefd,’ mompelde Emma. ‘Oké, dat is toch prachtig. Ik zou een gat in de lucht springen. Maar je zei net dat je getrouwd bent en ik neem niet aan dat hij de gelukkige is.’ ‘Waarom moet het een ‘hij’ zijn? Tegenwoordig kan je ook best een ‘zij’ hebben,’ antwoordde Emma. ‘En in dit geval ís het een ‘zij’ en daar schaam ik me niets voor.’ ‘Heb je er met haar al over gesproken? Dat je verliefd bent op een ander.’ ‘Ben je belazerd. Mijn vrouw, ze heet Olga, is strafrechtadvocaat. Die ziet overal een misdrijf in en ze mept er meteen op los als ze denkt dat iemand haar ontrouw is. Dat heb ik al twee keer ondervonden.’ ‘Ben je al twee keer vreemd gegaan?’ ‘Nee, eigenlijk niet, maar zij dácht dat ik een ander had. Ze vond een verdachte voornaam in mijn smartphone: Amber, en dat vindt ze een typische slettennaam. Razend was ze. En de tweede keer ben ik inderdaad gaan tongen met Amber. Daar had ik al langer zin in en nu vroeg mijn vrouw er gewoon om. Maar ze lachte me midden in mijn gezicht uit toen ik het haar opbiechtte. Ze schaterde: “Jij met die slettenbak? Daar geloof ik niets van. Zo’n meid gaat niet met jou bekken.” Ze had het met een jaloerse ondertoon gezegd en was naar de keuken gegaan om een espresso te halen. “Jij er ook een?” had ze gevraagd. Ze had me diep in mijn ogen gekeken en haar mond op mijn mond gedrukt. Haar tong was naar binnen geglipt en was een vurige dans begonnen met de mijne. “Je hebt er niets bij geleerd,” had ze de spot met mij gedreven en haar mond weer vrijgemaakt voor haar espresso.’ ‘Oké, het gaat dus over een zekere Amber. Daar ben je nu verliefd op. Ze kan blijkbaar lekker kussen.’ ‘Nee, ik ben niet verliefd op Amber. Ja, lekker zoenen kan ze maar ze heeft zelf ook een relatie. Hij heet James, die kende ik al eerder van squashen, en ik heb een keer met hem gevreeën maar dat was vóór mijn huwelijk. Hij was de laatste man in mijn seksleven’ ‘Dus die is het ook niet?’ ‘Ik heb James al een paar jaar niet gezien. Eigenlijk het laatst bij de crematie van Georgina. Die is door een auto-ongeluk om het leven gekomen. Ze was nog geen dertig maar ze was het zelf schuld dat ze moest sterven.’ ‘Zo, dat is harde taal. Waarom haatte je haar zo?’ ‘Ze moeten van mijn spullen afblijven. En van mijn geliefdes. Niemand speelt spelletjes met mij. Wie dat wel doet, wordt gestraft. Zij is te ver gegaan.’ Caroline slaakte een lange zucht. Ze werd steeds nieuwsgieriger. ‘Vertel me wat er gebeurd is, we hebben alle tijd.’ ‘Ik heb Daphne op een receptie leren kennen. Ze beviel me meteen. Ze stond als een trotse leeuwin in een hoekje van de zaal met een glas champagne in haar hand. Mijn ogen kleefden aan haar lichaam en haar fonkelende blik nodigde me uit om dichterbij te komen. Ik liep volkomen weerloos naar haar toe en gaf haar een hand. Ik was niet verrast dat ze me nog dichter naar zich toe trok en me vol op mijn mond kuste. Zelden in mijn leven ben ik acuut zo opgewonden geweest. We hebben urenlang gepraat en zijn daarna naar haar appartement gegaan. We schopten onze schoenen uit, rukten elkaar de kleren van het lijf en ploften op haar driezitsbank om in een opeenvolging van explosies te belanden.’ ‘En toen zijn jullie een stelletje geworden?’ ‘Ik wilde graag. Maar Daphne vertelde me de volgende morgen dat ze me een heel geil wijf vond maar er niet over peinsde een relatie te beginnen. Vrijheid blijheid had ze gezegd, dat kreng. Maar zo ga je met mij niet om. Aflikken, krikken en wegflikkeren? Dat schreeuwde om wraak.’ ‘En toch heb ik je stem wel eens gehoord. Weet je echt zeker dat je hier nog nooit gebeld hebt?’ ‘Nee, echt niet, dat weet ik zeker. Maar wil je de rest ook horen?’ Caroline fluisterde ‘ja’. Ze voelde een mengeling van groeiende interesse en verholen angst. ‘Ik heb haar dagenlang gemaild, gebeld, beschoten met sms’jes, gevolgd in de stad, achtervolgd met bussen, trams en taxi’s. Waar zij verbleef, was ik ook of kwam minuten later. Ik was haar schaduw geworden en slaagde erin haar identiteit te misbruiken. Talloze pakketten van Zalando heb ik laten bezorgen op haar adres, dozijnen dildo’s, hetzelfde merk waar we elkaar die nacht mee volgestopt hebben, honderden flessen champagne, haar lievelingsmerk, en tenslotte vond ze zichzelf terug in diverse overlijdensadvertenties. Aan kanker gestorven, omgekomen bij een busongeluk, de hand aan zichzelf geslagen. En toen dat allemaal niet hielp…’ Caroline zat ademloos te luisteren. Ze twijfelde of ze Emma verder zou laten praten of haar zou doorsturen naar psychiatrische hulp. ‘Jij denkt nu vast dat ik rijp ben voor een psychiater,’ zei Emma. ‘Nee dus. Ik weet heel goed wat ik doe en wat de consequenties zijn. Ik heb een half jaar voorwaardelijk gekregen wegens stalking en oplichting en dat heb ik er graag voor over gehad.’ ‘Maar wat is de rol van Georgina in dit hele verhaal?’ ‘Die hoer heeft ná mij met Daphne aangepapt. Ik heb ze samen gezien toen ik met mijn verrekijker vanuit de galerij van de flat tegenover in haar appartement keek. Met míjn Daphne, op onze bank, met onze speeltjes en onze drankjes. Ik was razend. Uren later, diep in de nacht, kwam Georgina naar buiten en liep naar haar auto. Ik zat al klaar aan de overkant van de straat in mijn BMW, startte en gaf meteen vol gas. Georgina kwakte tegen de voorruit en plofte via het dak achter mij op het asfalt. Volgens de krantenberichten was ze op slag dood. Jammer, ze had rustig wat langer kunnen lijden of in een rolstoel kunnen belanden. Gelukkig had mijn auto weinig schade.’ ‘Heeft niemand gezien dat je haar aangereden hebt?’ ‘Volgens mij niet. Ik heb er nooit meer iets van gehoord. Vier dagen later was haar crematie en heb ik nog bloemen voor haar meegebracht. Haar broer vroeg me of ik haar goed gekend had en nodigde me uit voor een hapje en een drankje met de familie. Ik heb op haar geproost. Mooi dat je weg bent hoer, dacht ik nog toen ik mijn glas hief in de richting van haar ouders. Hadden ze haar maar beter moeten opvoeden, het verschil tussen mijn en dijn moeten verklaren.’ ‘Maar die Georgina heeft toch eigenlijk niets fout gedaan. Daphne was toch vrij om te doen en laten wat ze wilde. Je wist toch dat ze geen vaste relatie wilde?’ ‘Hoe vaak ik dat al tijdens mijn leven heb moeten horen, niets fout gedaan. Toen ik zes jaar was, had ik een grote bruine beer. Gekregen van mijn tante op mijn verjaardag. Ik was gek op dat beest. Hij at mee aan tafel, keek televisie op de bank en deelde mijn bed met mij. Mijn broertje van drie heeft allebei zijn oren afgebeten toen ik even op straat speelde waarna ik hem een dreun voor zijn kop heb verkocht. Mijn moeder heeft me bont en blauw geslagen. Ik had er maar rekening mee te houden dat mijn broertje nog niet wist wat hij deed. Nou, dat wist hij heel goed, die vuile grijns van hem zit nú nog op mijn netvlies.’ ‘En daar ben je nog steeds zo kwaad over?’ ‘Twee jaar later kreeg ik mijn eerste fiets. Blauw met zilvergrijze strepen. Plus een mandje achterop. Ik was apentrots. Ik liet hem meteen aan mijn vriendinnen zien en fietste ermee naar school. Na een week was hij al gestolen. Terwijl het slot er op zat, dat wist ik zeker. Kreeg ik opnieuw een pak rammel van mijn moeder. Ik kon dat mens wel schieten. ’s Nachts voelde ik de pijn van de slagen maar nog meer het verdriet om het aangedane onrecht. Ik ben huilend in slaap gevallen en droomde dat mijn moeder onder een trein kwam. Ik stond naast haar op het perron en lachte haar uit toen ze door een zwerver op de rails geduwd werd en vervolgens overreden. Zelf schuld dacht ik voordat ik badend in het zweet wakker werd.’ ‘Heb je nog contact met je ouders?’ ‘Met mijn vader wel, mijn moeder leeft niet meer. Soms denk ik dat ik haar écht dood gedacht heb. Een soort Voodoo voor beginners. Je zou er bijna in gaan geloven. Maar ze had longkanker. Dat domme gerook ook. Het hele huis stonk ernaar. Mijn vader heeft nu een nieuwe. Die rookt gelukkig niet. Ik houd zielsveel van mijn vader. Wie aan hem komt, komt aan mij. Dan ben ik tot alles in staat.’ Caroline zocht naar woorden en zinnen. Ze wilde Emma niet onderbreken maar het gesprek over een andere boeg gooien. ‘Vertel eens iets over je eerste liefde.’ ‘Je weet de zwakke plekken wel te vinden. Op mijn veertiende gingen we op vakantie naar Italië. Mijn moeder met haar losse handjes, de duivel hebbe haar ziel, mijn lieve doch onmachtige vader en mijn eikel van een broer. We zaten op een camping aan het Lago Maggiore en het wemelde daar van die huisbakken Latino-jongens. De een nog charmanter dan de ander. Verstaan kon ik ze niet maar hun gezichten spraken boekdelen. Blonde meid uit Holland met voor haar leeftijd behoorlijke borstjes. De jacht was meteen geopend. Ik ging echter voor een blonde jongen, tot afgrijzen van de donkerharige exemplaren die mokkend afdropen. Carlo was al zestien en wist van wanten. Na een middag zwemmen nam hij me mee naar het washok en sloot de deur achter ons met een sleutel. Hij nam mijn hoofd in zijn handen, aaide over mijn bol en voor het eerst in mijn leven kreeg ik een vreemde tong in mijn mond. Ik was op slag verliefd maar nog genoeg bij kennis om zijn naar mijn billen graaiende handen weg te duwen. Hij keek me vuil aan, liet me los en verdween. Een dag later zag ik hem weer. Hij had een zwartharig meisje in de houdgreep dat hij eveneens, de route was mij bekend, naar het washok voerde. Blijkbaar was dat zijn afwerkplek maar dat woord kende ik toen nog niet. Ik liep achter hen aan en begon, nadat ze binnen waren, keihard op de deur te slaan en ‘bastard’ te roepen. Dat woord kende ik wél, van televisie. Het meisje kwam meteen naar buiten. Ik ben naar haar toegegaan en heb haar twee keer keihard in haar gezicht geslagen. Rothoer schreeuwde ik maar dat begreep ze niet. Ze rende huilend weg.’ Caroline speelde nerveus met het slotje van haar zilveren halsketting. ‘Ik weet nu zeker dat ik je stem gehoord heb. Maar waar was dat in godsnaam?’ ‘Nee hoor, ik zou niet weten waar. Er zijn zoveel stemmen die op elkaar lijken.’ ‘Maar nu weet ik nog steeds niet op wie je verliefd bent. Of moet dat een geheim blijven?’ ‘Op jou!’ Caroline zocht met beide handen steun op haar bureau terwijl de hoorn van de telefoon op de vloer kletterde. Ze raapte hem meteen op. ‘Ben je er nog?’ vroeg Emma. Ze klonk licht geïrriteerd. ‘Dit is zeker een grapje. Je hebt mij nog nooit gezien of gesproken. Hoe kan dat nu?’ ‘Ik volg je al een half jaar. De eerste keer dat ik je zag, was in de ‘Zwarte Maagd’, die pub in de binnenstad. Ik was meteen helemaal ondersteboven van je. Die onpeilbare arrogante blik, dat uitdagende strakke lijf. Je bleef tot sluitingstijd en daarna ben ik achter je aan gelopen naar je appartement. Als een loopse hond ben ik je gevolgd, trillend over mijn hele lichaam. Ik kwam bijna klaar op straat. Rozenstraat, nummer 69, drie hoog aan de gracht. Ik heb je vervolgens gevonden op Facebook, op Twitter en op Instagram. Ik heb je wel tien keer gebeld op je mobieltje en je gevraagd of je mij wilde ontmoeten. Een blind date. Maar mevrouw wilde niet. Gelukkig getrouwd, man en twee jonge kinderen. Nou en? Wel eens van “second love” gehoord? En misschien is seks met een vrouw wel een stuk lekkerder.’ Caroline verwerkte razendsnel wat Emma vertelde. Ze ís stamgast in de ‘Zwarte Maagd’, ze wóónt op het genoemde adres en ineens wist ze ook waar ze die stem van kende. Die vreemde voorstellen om elkaar op een parkeerplaats te treffen. Seks niet uitgesloten. Ze had ervan gewalgd omdat ze een pure hetero is maar met name van de brutaliteit om zó in medias res te gaan. ‘Ik zie je vanavond in de ‘Zwarte Maagd’. Om tien uur! En geen woord tegen je man. Zeg maar dat je uit gaat met je beste vriendin, Annette heet ze toch? En bij haar blijft slapen. Als je niet komt, vertel ik die vent van je dat we al een half jaar met elkaar vrijen. Ik krijg alles wat ik wil. Goedschiks of kwaadschiks. Die twee prachtige kinderen van je, hoe oud zijn die? Drie en vier, hè? Dat is een heel kwetsbare leeftijd.’  

hanco naninck
0 0

Het Woud

Nu is er niemand om mij de weg te wijzen. Ik ben overgeleverd aan deze wilde natuur, die zich als duizenden handen aan mij vergrijpt. Een heel gretige, maar onverbiddelijke natuur. Een natuur die geen stuk van me overhoudt en me volledig wil absorberen. Een natuur die neemt en niet geeft. Duizenden bomen, miljoenen bladeren. Het dichtbegroeide woud. Donker. Slechts enkele hoopgevende straaltjes licht. Daar in de hoogte. Daar is de buitenwereld. Daar is mijn leven. Alles wat ik ken. Alles wat ik heb. Verslagen kijk ik naar mijn tijdmachine, nu niets meer dan een aftands anachronisme in deze primitieve wereld. Een hulpeloze Ikaros in deze woeste, groene zee. Enkele ogenblikken geleden nog in al zijn glorie. Weldra een immobiele, overwoekerde Prometheus, volledig ingenomen door de oppermachtige natuur. Zijn doel was te ijdel. De hoop op vooruitgang. Het toonbeeld van macht en trots. Als een koning hoog boven deze vergankelijke, bespottelijke wildernis. Als een schaterende albatros, onoverwinnelijk en oppermachtig, die vol minachting de naïeve onderwereld gadeslaat, en af en toe zijn uitdagende blik nog hoger wendt. Er zijn geen grenzen aan vooruitgang. Met van tijd tot tijd eens een offer stelt de wetenschap zich tevreden. Mevrouw Clamence. De heer Ferrès. Hun dochter Lucy. Hun neef Pierre Lachutte. Die vriendelijke Engelse wetenschapper. Onze steward. De norse co-piloot. Ook de piloot. Allemaal zijn ze. Een slapende Lucy was het laatste wat ik zag voor de hele wereld instortte. Ze leek zo onschuldig. Als een zorgeloos engeltje, met haar zilveren kettinkje om haar hals. Ik duizel. Ik walg. Een tweede keer val ik. Dieper en dieper dan die eerste, noodlottige keer. De verstikkende adem van de jungle brengt me weer bij. Ik voel een sterke aanwezigheid vlakbij mij. Versuft probeer ik recht te staan. Mijn ogen zijn mijn bode. Ik weet het weer. Het wordt tijd om het altaar te verlaten en mijn krachten te meten met de enige ware god. Ik neem Pierre nog zijn offermes af en werp nog een laatste blik op het afschuwelijke massagraf. Ik verdwijn. Op weg naar nergens. Wat voor zin heeft dit? Waar wil ik dan heen? Ik weet niet eens waar ik me bevind. Dit moet één van de miljoenen eilanden in de oceaan zijn. De kans is dus groot dat het onbewoond is. Is dit wel een eiland? Veel dieren heb ik hier ook niet gezien. Zelfs geen vogels. Hoe zou ook maar iets kunnen overleven in dit verstikkende woud? Alles is donker en de verzengende lucht grijpt me bij de keel. Ook de bomen zijn niet zoals ik ze gewoon ben. Hier zijn ze dreigend en angstaanjagend. Het is donker. De hitte is bijna niet uit te houden. Het ademen wordt moeilijker en moeilijker. Het lijkt wel of het woud beetje bij beetje alle lucht uit mijn strot probeert te knijpen. Het lijkt wel… Nu weet ik het. Het woud berooft mij van mijn adem. Het plundert mijn longen. Als een parasiet leeft het op mijn luchtwegen. Ik kan het zelfs horen. Het ademt in en uit. Meer dan ooit voel ik nu die beklemmende aanwezigheid. Iets jaagt op mij. Een onbekend woud. Maar ik moet erdoorheen. Er zit gewoon niets anders op. Ik kan niet eten. Ik kan niet drinken. Ik kan niet uitrusten. Niet in dit woud. Ik kan amper ademhalen. Dat doet het woud in mijn plaats. Moeizaam zet ik mijn tocht verder. Een eindeloze excursie door het donker. Een marteling. Takken. Hitte. Duisternis. Lucht. Adem. Het houdt niet op. Mijn zintuigen zijn murw geslagen. Alsof ze onder een pletwals zijn terecht gekomen en nu in elkaar overvloeien. Alsof het allemaal één afgrijselijke waarneming wordt. Een grandioze osmose. Een permanente synesthesie. Ik zweef in een ondraaglijke trance van radeloosheid, wanhoop en waanzin. Alles doet pijn. Mijn danig gescheurde kleren zijn nu overbodig. Mijn lichaam sleep ik mee. Als een last. En dan, in een vlaag van onbezonnen woede, ga ik het woud te lijf. Nee, niet dat beest dat alsmaar nader sluipt. Maar alle bomen rondom mij. Ik hak, ik snij, ik sla. Als een losgeslagen gek probeer ik het woud dodelijk te verwonden, in de hoop het naderende beest te verzwakken, en het nakende gevecht te vergemakkelijken. Ik draai, ik duizel, ik spring in het rond. Overal waar ik maar kan, plant ik mijn speer in. Het woud moet sterven. Ik niet. Ik wil niet sterven. Ik wil terug naar die zo vertrouwde wereld. Daar hoog boven mij. Dit is slechts een nachtmerrie. Ik wil wakker worden. Nu! Nu! NU! Een vreemde kreet doet me verstijven. Het ademen wordt luider dan ooit. Het doet pijn aan mijn oren. Ik draai me om in de richting van het beest. Ik zie het niet, maar weet dat het zich nu op zo’n drie meter van mij moet bevinden. Het schreeuwt om mij. Het wil mij. Maar voor het eerst voel ik me niet meer machteloos. Ik kan nu heel de wereld aan. Ook deze wereld. Deze verschrikkelijke, primitieve wereld. Een wereld waar geen mensen zijn, geen houvast, geen contact, een wereld die je isoleert, die je van zowel je adem als je verstand ontdoet, die je verstikt. Een wereld als deze, is geen wereld. En met een oorverdovende kreet werp ik me, met uitgestoken speer, in het woeste gebladerte. Het beest grijpt me vast en schudt me door elkaar, maar voor hem is het nu te laat. Ik plant mijn speer diep in zijn borst. En opnieuw. En opnieuw. De groene takken en bladeren rondom mij kleuren rood. Maar dat zijn maar kleuren. Want nu is er wél hoop. Eindelijk voel ik dat het beest in elkaar zakt. Het is dood. Het woud is verslaan. Totaal uitgeput zak ik in elkaar. Bloed en zweet verblinden me. Alles is donkerder dan ooit. Maar het beest is dood. Even verbaas ik me nog over die vreemde kreet. Het leek wel alsof het beest mijn naam riep. Nee. Dat kan niet. Ik had toch goed gekeken? Ik was de enige. Alleen ik was weer rechtgestaan. Het woud had iedereen tot zich genomen. Maar ik ben nu als winnaar uit de strijd gekomen. Ik heb hen allemaal gewroken. Alle gevallen engelen die nu branden in deze groene hel. Ik kom weer tot bedaren. Mijn ademhaling wordt weer normaal. De verstikkende lucht lijkt met het beest te zijn verdwenen en het woud ruikt nu fris en lekker. Met mijn handen veeg ik het bloed uit mijn ogen. Ik kijk op naar de zonnestralen, die feller schijnen dan ooit. Een mooier teken zou de wereld, ver boven mij, maar nu niet ver meer, mij niet kunnen geven. De bladeren lijken zelfs groener dan ooit en boven mijn hoofd kwetteren enkele papegaaien. Ontroerend. Het lijkt wel alsof ik deze wereld van een boze geest heb verlost. In het gras glinstert iets zilvers in de zon. Euforie maakt plaats voor gruwel wanneer ik een ongelovige blik werp op mijn onschuldige slachtoffer. Ze lijkt nog zorgelozer dan die laatste keer.

Gert Vanlerberghe
15 0

Undar de Onbevreesde

Voorzichtig ging het beest nog een stap verder op het ijs. Het was bang. Het had de voorbije jaren al heel wat van zijn soortgenoten zien sterven. Allen dachten ze de oversteek te kunnen wagen. Het ijs zou dik en sterk genoeg zijn, het zou hem houden, het moest gewoon. Het beest keek voor zich uit, naar de overkant. Hoewel het een veel beter zicht had dan eender welke mens, kon het de overkant niet zien. Zover het oog reikte was er slechts een witte, besneeuwde vlakte, eindigend in een alles verhullende mistbank. Het beest wist maar al te goed wat er onder deze schijnbaar vredige vlakte schuilde. Een enorme zee van water, donker en wild, met metershoge golven en witte schuimkoppen. Maar nu was het bevroren, getemd door de extreme winterkoude van de voorbije maanden. De voorbije jaren merkte hij al dat het waterpeil steeds maar zakte, en toen kwam het pakijs. Ijsschotsen die langzaam maar zeker over elkaar schoven en aan elkaar klitten. De moedigsten onder hun volk waagden de oversteek, maar de weg was dun en verraderlijk. Allen faalden, totdat niemand meer durfde. Net als zijn soortgenoten kon hij niet zwemmen. Hij begon te hijgen, witte wolkjes makend in de ochtendlucht. Weifelend keek hij achterom, naar de veilige oever die maar enkele stappen achter hem lag. Duizenden van zijn volk staarden naar hem. Sommigen glimlachten gemeen, ervan overtuigd hem te zien sterven, een rivaal minder voor de troon. De meesten keken echter vol verwachting, met een mengeling van hoop en vrees. De spanning was voelbaar. Hij draaide zich terug om en rechtte zijn rug. Hij had zijn besluit genomen. Het was nu of nooit. Langzaam, stap voor stap, ging hij verder en verder, weg van de overkant. Eerst wandelend op twee poten, al gauw rennend op zijn vier machtige poten. Hij was snel. Maar hoe snel het beest ook rende, de mistbank bleef onbereikbaar, oplossend in de ijle lucht om zich tientallen meters verder terug te formeren. Nog nooit was iemand zo ver op het water gekomen. Het beest brulde de angst uit zijn enorme lichaam. Hoe lang hij gerend had, wist hij niet. De ochtend was haast onmerkbaar overgegaan in de avondschemering. Hij hijgde fel en zag kleurige vlekken voor zijn gele ogen opdoemen. Lange slierten kwijl dwarrelden uit zijn bek. En plots verschenen de kliffen aan de overkant. Hij herkende deze kliffen van de rotstekeningen in hun ijsholen. Grijnzend vertraagde hij en kwam langzaam terug op adem. De maan bood zijn ogen meer dan voldoende licht. Hij bestudeerde de steile rotsen, op zoek naar een ronde donkere vlek, net zoals op de rotstekeningen. Een tunnel door het gesteente. Eerst zag hij het niet, de paniek begon meester van hem te worden. Zonder tunnel zouden ze deze kliffen nooit kunnen betreden. En toen zag hij het, links van hem. Zijn hart maakte een sprongetje van ingehouden extase. Hij begon terug te kwijlen. Behoedzaam verhief hij zich op zijn twee achterste poten en richtte zich in zijn volle gestalte op. Hij snoof: de wind bracht enkel maar koude mee. Er was niemand in de buurt. De langzaam neerdwalende sneeuwvlokken bleven in zijn vuilbruine vacht zitten. Ze kwamen ook in zijn ogen. Hij had er geen last van. Hij overbrugde het laatste stuk naar de overkant. Op zijn hoede naderde hij de tunnel.

Kristof
0 0

AFORISMEN - MAXIMEN - QUOTES - BON MOTS

AFORISMEN - MAXIMEN - QUOTES - BON MOTS     SCHRIJVEN "Schrijven is twijfelende grootheidswaanzin." "Niets komt dichter bij de dichter dan het gedicht." "Je bent pas een echte schrijver als ze je vragen of je teksten autobiografisch zijn." "Tussen de regels leest het beter." "Schrijven is tegen de regels." "Sommige mensen schrijven van zich af, anderen naar zich toe. De eerste noemen we amateurs, de tweede noemen we schrijvers."     VERTALEN "Een goede vertaler kent zijn grenzen en alle mogelijkheden." "Vertalers zijn auteurs met een vangnet van papier." "De zichtbare vertaler is een oxymoron. Lang leve het oxymoron." "De schrijver schiet altijd eerst, maar soms mikt de vertaler net iets beter." "De heimat van de vertaler is het land van de beperkte onmogelijkheden." "Vertalen is in spiegelbeeld schrijven." "Vertalers zijn auteurs zonder vrees voor het witte blad." "Voor vertalers is xenophilie een noodzaak."     RELATIE "Kinderen beroven je van elke minuut en schenken je de eeuwigheid." "Soms is de honger groter dan het kind."   "Xanthippe was misschien Xanthippe niet geworden, was ze niet met Socrates getrouwd." "Als je zelf nog een kind bent, maak er dan geen." "Je mag je kinderen niet hun genen verwijten." "Workaholisme is maar een ander woord voor bindingsangst." "Achter elke succesvolle man ligt een uitgetelde vrouw."   PERCEPTIE "Het maakt de berg niet uit of je hem op klimt of af." "Achter iemand staan betekent niet noodzakelijk in zijn schaduw staan." "Het leven is een slager die vraagt: Mag het iets meer zijn." "Daar waar het glas halfvol is, ga zitten en drink." "Een aforisme per dag behoedt je voor elk isme." "De zon laat zich steeds van haar beste kant zien." "Je bent wat blijft als je gaat."              

Der Blaustrumpf
21 1