Lezen

Leonard Cohen's grootste fan

  Leonard Cohen’s sexy basstem vult ons grauwe klaslokaal. Elke noot , zwaar en donker ,doet me beven. Verzwaart en bevrijd mijn ziel …tilt me van mijn harde bank. ONMOGELIJK! ONGEHOORD! We kregen zonet de onuitvoerbare en haast oneerbiedige opdracht dit meesterwerk te vertalen ! Verbaasd staart die muziekschenner naar het blad op mijn bank. Geërgerd trekt hij één wenkbrauw op en leest hardop : ‘Vrije Vlaamse vertaling van Suzanne’. Tweeëntwintig hoofden draaien zich om en staren naar mijn blozende appeltjeswangen. Suzanne’s zwierige rokken ruisen. Het kant van haar zoom haakt zich zo nu en dan vast aan droge rivierplantjes die dorstig hun wortels uitstrekken naar de rivier. Jonge drukdoenerige mussen voeren een luchtdans uit boven het donkere water. Twee ogen glinsterend als kristallen volgen de levende pijl van snaveltjes die eensgezind een luchtpaadje naar de andere oever beschrijven . Zonder enige aarzeling tilt Suzanne haar ruisende rokken tot ver boven haar knieën. Haar sierlijke , warme voetjes worden verrast door het koele zompige rivierzand. Vastgezogen maar vol vertrouwen laat ze zich leiden door de mussen die inmiddels neergestreken zijn op de andere oever. Haar roze vingers grijpen zich vast aan de wieren die als een groene bruidssluier boven haar hoofd hangen. Ze glijdt nu door het diepzwarte water. Haar zijden lippen proeven van het zilte sop. Twee groen bruin gestippelde armen steken boven de donkere poel en vormen een driehoek. Hemelwaarts. Blindelings rijst ze op en wordt door twee sterke armen omhooggetild. Een kruidige geur van mannelijke extase vermengd zich met haar naar exotisch geurende bloesems lichaam. Samen klieven ze door de lucht die zich als een bloemblad opent. Kleverig en versmolten mogen ze nu in de eeuwigheid van de hen met honing bedruipende zon baden. Het geluid van scheurend papier en de één na de ander afgevuurde lachsalvo drukt me en dwingt me genadeloos weer op mijn schoolbank. ‘Een nul op je rapport!’ blaft hij .Verontwaardigd verdedig ik mij tegen tweeëntwintig paar ogen die spottend op me neerkijken. ‘Kan ik het helpen dat jullie liever naar newbeat luisteren’ !?

inez
0 0

Verloren geluiden

‘Als ik stap heb ik het gevoel dat ik niet vooruit ga,’ zei hij zacht. Het klonk een beetje vreemd hem dat te horen zeggen terwijl hij in de zetel zat. Ze sloeg haar ogen op van haar boek en zei: ‘Zo.’ Het ging verloren in de stem van de cassette, maar hij zag de beweging van haar mond en wist wat ze zei. Ze wist niet altijd wanneer hij iets meende en wanneer niet - al wist ze het beter dan de anderen, dat wel. – Welke anderen en hoe wist zij dat nu? – Hij bleef haar aankijken. Ze wist nu dat hij het meende en vroeg zich af of hij haar wel zag of iets achter haar. Ze hoorde stappen op de trap. Hij keek opnieuw in het ijle en zij keek naar haar boek. Het was hun vader maar hij ging voorbij, naar de verdieping hoger.   ‘Het is alsof de wereld onder mij draait en ik blijf waar ik ben.’ ‘Nogal egocentrisch,’ zei ze. En ze keken naar elkaar. Ze stond op en kwam naast hem zitten. ‘Ik heb van een wankelende trap gedroomd,’ zei hij. ‘Ik stond erbovenop en hij was dubbel en ik moest eroverheen, er aan de andere kant er weer af. Ik denk dat ik in de golven viel toen. De ladder stond in de zee…’   ‘Misschien moet je daar weg,’ zei ze aarzelend. ‘Als het je niet bevalt, blijf er dan niet.’ ‘Het zal overal zo zijn,’ antwoordde hij snel. ‘Het heeft geen belang. Morgen is het over. Dan loop ik gewoon weer de struiken voorbij en de vogels vliegen weer over mijn hoofd, gewoon… Het is gek: naar de top van een hoog gebouw blijven kijken en dan ronddraaien. Het is alsof alles om je heen dan op je hoofd zal vallen.’ ‘Je moet er weggaan als het je niet bevalt, Bram. Als je het gevoel hebt dat je er niet kan bewegen, als er niemand is die je interesseert.’ ‘Waar wel,’ zei hij.   Weer stappen op de trap. Vader die weer naar beneden gaat, met boeken in zijn hand. Onwillekeurig grijpt ze naar het boek dat naast haar ligt, maar hij kijkt niet eens op, hij gaat voorbij. Zijn stappen gaan verloren in het geluid dat uit de boxen komt. ‘De muziek mag harder,’ zegt hij. Maar geen van beiden staat op om aan de knop te draaien. Ze kijken niet eens naar elkaar. Dat is ook moeilijker nu ze naast elkaar zitten. ‘Ja,’ zegt hij dan, ‘misschien.’ Ze zwijgen. Hij voelt eerder de schok van schrik in haar schouder dan dat hij het geluid hoort. De knop van de cassettespeler springt af. De muziek valt uit. Zelf voelt hij niets. Het geluid zou hem voorbijgegaan zijn als hij niet die snelle beweging had gevoeld. ‘Jij bent nog mijn enige band met de wereld,’ zegt hij. Ze ziet van opzij zijn onderlip trillen maar de toon van zijn stem verandert niet en zijn ogen worden niet vochtig. ‘Ik denk dat ik niet meer kan voelen,’ gaat hij verder. Ze kijkt naar haar handen. ‘Er zit geen regelmaat in het leven… mijn leven,’ zegt hij. ‘Er is geen vooruit of achteruit gaan, geen oorzaak-gevolg, geen op en neer gaan, geen beweging. Er is niets.’ ‘Ik draai de cassette wel om,’ zegt ze. En hij volgt haar bewegingen. Als iemand die onverschillig is. Ze komt weer naast hem zitten en opnieuw weerklinken de stemmen. ‘Als de aarde onder onze voeten zou draaien, dan zouden wij stil moeten staan als iemand naar ons toe liep voor een omhelzing. Anders zouden we elkaar nooit bereiken.’ ‘Maar wie moet dan stilstaan?’ vraagt zij. Ze wil dat hij blijft praten. Zo bang is ze voor zijn tranen. Zo bang dat ze haar arm om hem heen zal willen slaan als het verdriet over zijn wangen stroomt terwijl dat…   Maar toen ze zag dat zijn lip niet langer trilde, werd ze boos, dat hij net zo was als de rest door stoer zijn tranen te verdringen. Terwijl hij zo broos was. Ze zag hem nadenken. ‘Misschien ben jij een vis die in ondiep water is terechtgekomen en daardoor niet meer kan zwemmen,’ zei ze opeens. Ze wist niet waarom. Hij keek haar aan, zijn wenkbrauwen gefronst. ‘Dus moet je weg, weg uit dat ondiepe water.’ ‘Ik doe niet wat ik wil,’ zei hij. ‘Daar ben ik hier niet voor. Als een vis verdrinkt of geen lucht meer krijgt, is dat zijn lot.’ Hij meende niets van wat hij zei en zij wist dat. Maar hij wachtte af hoe ze zou reageren. Ze zei niets, stond op en ging in de andere zetel weer naar de letters in haar boek zitten kijken. Hij keek naar de lucht achter het raam in de muur tegenover hem en verbaasde zich erover dat hij erdoorheen kon kijken maar niet gaan. ‘Blijf dan maar,’ zei ze toen en keek niet op. ‘Er is iets in je dat al zo verrot is dat het…’ Ze had gelijk, maar dat ze hem zo kwetste kon hij niet verdragen, en hij stond op om de muziek harder te zetten. ‘Bram,’ zei ze, ‘zal jij ooit iets goedmaken? Of altijd de ladder doen vallen en zeggen dat het jouw schuld niet was, maar de schuld van de golven?’ Hij hoorde niet goed wat ze zei. De muziek stond te hard en was te veraf. ‘De golven,’ herhaalde hij zacht en vermoedde dat ze het probeerde goed te maken. ‘Ga je mee,’ zei hij toen. ‘Ik ga zwemmen.’   (en zij ziet het beeld van zijn snelle voeten die rennen over het strand met de wolken erboven, die regen brengen, maar nu nog niet, terwijl de wereld onder hem door schuift waardoor hij nooit het water bereikt)  

jépé
0 0

Oorlogsherinneringen besabbelt als zoethout.

Als ik zoethout ruik of zie dan denk ik aan jou. Opa, jij met je stokjes in de lade, 1 stokje en we waren een week zoet. Jouw gezicht herinner ik me bijna niet meer. Maar jouw verhalen spoken nog steeds door mijn hoofd: deze van den oorlog met zijn rantsoenering, angsten en het wantrouwen in iedereen rondom jou. Veel verhalen waren zo mooi om beluisterd te worden, vooral omdat jij zo’n boeiende lichaamstaal had. Je ogen spraken boekdelen zeiden de mensen, ik kon helaas nog niet lezen. Maar ik bewonderde de vlotheid en durf die jouw verhalen uitstraalden. Visualiseren was bijna een onmogelijkheid. De zwarten die wit waren, hoe moest ik me dat voorstellen? Ik weet nog dat ik je vroeg als dat dan zwarte pieten waren die onder de bloem zaten van in de bakkerij te werken. Nee, het waren geen slaafjes! De glimlach op je mond en die schuddende hoofdbeweging verraden dat het nog niet zo slecht bedacht was van mij. Jouw uitleg leek me te moeilijk, te theoretisch. En na enkele zinnen haakte ik af maar in mijn hoofd zag ik allerlei gekke situaties. Ik wou het praktisch kunnen voorstellen. Als de zwarten wit waren kunnen de witten dan zwart zijn? Één zin bleef haperen in mijn hoofd : zwarten zijn carburateurs. Ja ik wist bijna wat dat was want papa volgde avondles automechaniek. En ik had dat woord al horen zeggen. Ik vroeg hem wat is da nu juist een caboradinges. en zijn uitleg van : een deel van een verbrandingsmotor met zuigers met iets van een nokkenas. Ja ik wist genoeg. Opa je had vertelt dat de auto’s nog werden aangezwengeld en ja de zwarten die eigenlijk wit waren dat waren volgens mij de ventjes die in de auto’s van het Duitse leger zaten. Op de nokkenas, ge weet wel die aan elkaar verbonden zeteltjes. Die mannetjes waren de zuigers die benzine dronken en om beurt in de verbrandingsmotor spuwden, een beetje zoals een stoker op een kolentrein. Natuurlijk dat die witten zwart werden door de hitte van de verbrandingsoven en de rook ontwikkeling. En de witten van het verzet ja die bleven wit want zij moesten ervoor zorgen dat iedereen zich op tijd verzette. Maar nooit verstond ik waarom je niet kon weten als iemand dus een zuiger was of een verzetter en waarom ge elkaar daarvoor moest wantrouwen. Ja de fantasie van een kleinkind neemt soms rare wendingen.   Later in het lager ontdekte ik dat er veel moeilijke woorden waren en dat die soms wel dezelfde klanken hadden maar in de verste verten niets met elkaar te maken hadden. De oorlog omschreven, door de juf, met haar verzetstrijders en collaborateurs leek wreder, laffer en was niet de moeite om te visualiseren het leek een nachtmerrie. Ik dacht toen juf heeft beslist niet de boekdelen van opa’s ogen geraadpleegd, en nochtans hij heeft de oorlog meegemaakt. Nu met een grotere woordenschat en dat beetje kennis van de oorlogsgeschiedenis begrijp ik steeds minder van je verhalen. Ik heb ze destijds in fonetisch klanken opgeslagen en nu ik het lezen beheers kan ik er niets zinnigs meer uit ontcijferen. De nationaliteiten die je verhalen en ook de kerkhoven bevatten kan ik enkel thuis wijzen in een land, als ze tenminste niet op de vlucht zijn en of geëmigreerd of een dubbele nationaliteit hebben door een gemengd huwelijk. De oorlog lijkt nooit meer zo fantastisch en spannend zoals ze klonk uit jou belevingen.

don Caëlia
0 0

want Klaas is een reiziger

hij reist al meer dan dertig jaar zonder naam. nog nooit zei hij zijn naam hij kent zijn naam niet, maar ik denk dat hij Klaas heet of toch iets met twee a’s een naam die klinkt een naam die spreekt zoals zijn oog. hij heeft maar een oog een lief oog maar dat is genoeg om te reizen. ja, hij reist maar wel alleen en als hij reist kijkt hij enkel naar het puntje van zijn neus. hij volgt gewoon het puntje het is al wat hij ziet want zijn neus is lang en zijn puntje bestaat uit drie. hij heeft een huppeltje dat gaat vlot het gaat van links naar rechts links, rechts en zo een tijdje door. hij fluit erbij maar zelf heeft hij geen oren dat hoeft ook niet reizen kan je zonder oren. een mond heeft hij wel die rondt hij tot ‘o’ en soms tot ‘a’ zo reist hij zo reist hij ook met een blok aan zijn been want hij heeft een blok aan zijn been een blok aan zijn voet nu ja, aan zijn hiel. dat doet hem af en toe eens naar achter leunen maar dat mag reizen kan je vooruit maar ook achteruit. het puntje zal wel volgen. volgen en gevolgd worden het is zijn levensloop. hij reist met een blok en een stok. zo is hij in evenwicht. hij is evenwicht en eenvoud en onbeschreven wit, maar niet meer voor lang hij is vastbesloten vastbesloten en daarom reist hij en blijft hij reizen hij blijft reizen tot ze over hem schrijven tot ze hem Klaas gaan noemen, een man met een oog geen oren een lange neus een o- of a-vormige mond en een huppeltje een huppeltje eenvoud en evenwicht maar alles behalve onbeschreven want Klaas is een reiziger.

Shari Van Goethem
0 0

Felidi: hoofdstuk 5

'Hallo? Is hier iemand? Hallo?' vroeg Lieze. Maar er kwam geen antwoord. Alleen haar eigen echo beantwoorde haar vraag. Alles was spierwit. De muren leken oneindig door te lopen. Ze liep door de mist en probeerde ze aan te raken. Maar haar vingers verdwenen in een soort van blubber. 'Hallo Lieze.' hoorde ze een vrouw zeggen. Lieze schrok. Ze draaide haar om maar er was niemand te zien. Ze zag hoe de mist een hoopje vormde en hoe een vrouw verscheen. Een vrouw met een tijgergezicht. Snorharen liepen uit haar wangen. Ze droeg een kroon met zwarte en oranje diamanten. Haar bruine haren wapperden in de wind net zoals haar mantel (alhoewel er vreemd genoeg geen wind was). De vrouw deed haar denken aan het schilderij op de deur in Felidi. 'Ik ben tigre', zei ze. Lieze haar ogen gingen wijd open. Zij was degene die in het boek beschreven was. De uitverkorene. Maar dat kon toch helemaal niet? 'Dag Tigre, waarom bent u hier?' vroeg ze verward.'Omdat je de uitverkorene bent.''Dat ben ik helemaal niet''Vertrouw me Lieze, vertrouw Felidi. Maar niemand anders. Zelfs Tina niet. Je moet op passen. Wanneer iemand te weten komt dat je de uitverkorene bent kan het fout aflopen. Roep me op wanneer je me nodig hebt.''Maar de sleutel...' Lieze was teleurgesteld dat ze niets kon vragen. De vrouw was net zoals de mist verdwenen. Haar lichaam plakte tegen haar laken. Ze draaide zich om, om te kijken hoe laat het was. Vijf uur. Nu herinnerde ze zich weer wat er gebeurd was. Ze was de uitverkorene. Maar toch geloofde ze het niet. Er was maar één manier om dat te bewijzen. Het rode boek. Ze liep zo stil mogelijk naar de la. Het rode boek verlichtte heel de kamer. In paniek stak ze het boek onder haar pyjama. Thomas sliep in de kamer naast haar. Het laatste wat ze wilde was dat hij zich kwam moeien. Lieze haalde de ketting van haar nachttafeltje en probeerde het in één van de gaatjes te stoppen. Maar het paste niet. Toch was het gaatje groot genoeg. Maar iets hield het tegen. Ze dacht terug aan wanneer ze de ketting kreeg. Ze zag Thijs weer voor haar ogen met de diamant in zijn hand. De beelden flitsten voorbij. Alleen die van de auto bleef in haar gedachten hangen. Net alsof hij de uitweg via haar oor niet vond. Ze zag hoe ze de straat wilde oversteken en hoe ze viel. Recht op de diamant. Nu wist ze het. De echte diamant was gebroken. Midden op de weg! Ze rende naar haar kleerkast en kleedde zich om. Het maakte niet uit of Thomas haar hoorde. Ze rende de trappen in volle snelheid en sloeg de voordeur dicht. Ze was haar krukken vergeten maar dat maakte haar niet uit. Ze waggelde de straat op en rende naar de bibliotheek. De wind sneed in haar gezicht. De regen spatte tegen de grond. Plassen begonnen zich te vormen. Lieze moest op passen dat haar voet niet nat werd. Ze bereikte de plek waar de auto haar omver had gereden. Stiekem hoopte ze eigenlijk dat ze niets vond. Dat dit allemaal maar een droom was. Dat ze nu ieder moment wakker kon worden. Met het licht van haar gsm probeerde ze de grond te verlichten maar het hielp geen steek. Haar hand voelde de koude en harde grond. Wat wilde ze nu graag handschoenen hebben. Ze bleef zoeken maar vond niets. Vol teleurstelling kroop ze terug recht. Ze wilde net terug naar huis wandelen maar merkte een klein lichtje dat begon te branden. Snel draaide ze zich om. Zonder te kijken rende ze terug naar het lichtje. Tot haar verbazing zag ze weer de kleuren van een tijger. Zelfs in het kleine stukje. Vlug stak ze het het in haar zak en vertrok weer. Ze plofte zich op haar bed. Buiten begon de zon terug om te komen. Ze nam het kleine stukje uit haar zak. Het bleef sterk glinsteren. Alsof het wist wat er zou gebeuren. Ze plaatste het in één van de gaatjes. Ze zag hoe het boek het stukje opslokte en er een tekening verscheen. Het leek op een oor van een dier. Maar ze kon niet zeggen dewelke. Ze draaide het boek om en twee letters waren verschenen. De f en de e. Tina moest dit weten. Ze nam haar gsm in haar handen. Ze zocht tussen haar contacten. 'Hallo?' hoorde ze haar mompelen. 'Tina, ik ben de uitverkorene!' schreeuwde ze iets te luid door de telefoon. Ze hoorde de deur achter haar opengaan. Zo snel als ze kon legde ze haar boek onder haar laken en drukte Tina weg. 'Thomas, wat doe jij hier?' vroeg ze.'Ik hoorde je uitverkorene roepen. Is het waar wat je zegt?''Ik heb helemaal niets gezegd. Wat is een uitverkorene?''Deed je wel, je bent de uitverkorene.''Thomas...'Lieze wilde in tranen uitbarsten. Ze voelde hoe de dammen in haar ogen wilden breken. Maar ze kon het niet. Niet nu. Ze moest sterk zijn. 'Thomas, ik meen het. Ik heb hier niets mee te maken. Ik weet zelfs niet waarover je het hebt.''Ik heb al teveel gezegd.'Lieze keek naar haar voeten. Ze voelde zich beschaamd dat ze zo loog. Maar wat moest ze doen? Hem alles vertellen?'Het spijt me Thomas, ik had net een film gekeken omdat ik niet kon slapen.''Daarom al dat lawaai om vijf uur 's nachts.'Lieze knikte en slaakte een zucht. Ze had Thomas kunnen overtuigen maar voor hoe lang? Ze zag hoe hij teleurgesteld de deur uit wandelde. Misschien moest ze morgen eens naar Felidi gaan. Gisteren had ze geprobeerd Thijs te bereiken maar die nam niet op. Als ze hem morgen zag moest ze maar eens zeggen wat ze dacht. Ze werd eerst ontvoerd zonder reden en ze kreeg niet eens de volledige uitleg waarom ze daar was. Het knelde. De wantrouw van Thomas deed haar pijn. Ze had altijd gevoelens voor hem gehad maar die werden nooit beantwoord. Maar liever geen antwoord dan een fout. Ze plofte zichzelf terug op bed. Ze kon nog een uur slapen als ze wilde. Maar ze vond de slaap niet. De beelden van Thomas liepen heen en weer en dansten op haar oogleden. Morgen ging ze na school naar Felidi. Ze moest het weten. Alles.

Lentinaxxx
0 0

Felidi: hoofdstuk 4

Haar ogen straalden als sterren in de nacht. Haar bruine krullen vielen perfect in haar gezicht. Thijs zat aan de rand van haar bed. Wachtend tot ze wakker werd. Wat moest hij zeggen tegen haar? Hallo? Ik heb je terug ontvoerd? Hij had problemen gekregen met zijn meester. Ze mocht eigenlijk niets weten van Felidi. Want de kans dat ze weg liep was groot. Wat ze ook eerst geprobeerd had. Maar hij had haar gelukkig terug kunnen vinden. Alleen hield ze er een gebroken been aan over. Gelukkig dat ze de kracht bezat om zichzelf te weren tegen de auto. Anders had het niet zo goed afgelopen. Het zat in haar bloed. Het zat in elke tijger zijn of haar bloed. Zolang één van de twee ouders maar halftijger was. Sommige kinderen werden niet geboren met de kracht. Het was een kwestie van genen. Hij legde zijn hand op haar hand. Het voelde ijzig koud. Alsof je een ijspegel vasthield. Misschien kon hij beter een tijdje van haar wegblijven. Zodat Thomas met haar kon praten. Ze vertrouwde hem waarschijnlijk meer dan mij. Hij trok zijn hand terug en liep naar de lavabo om een glas water te vullen. Ze had misschien dorst als ze op stond. Hij voelde het koude water gedeeltelijk over zijn hand stromen. Hij liep terug en zette het glas op haar nachtkastje. Binnenkort zien we elkaar weer. Binnenkort zullen we samen de wereld redden. Lieze hinkelde met haar krukken de straat over. Iedereen had gehoord over 'het meisje dat overreden was en daarna spoorloos verdween'. Ze had hen wijsgemaakt dat ze in het ziekenhuis lag. Maar niet iedereen geloofde haar honderd procent. Omdat Tina ook een hele dag verdwenen was. Ze moest haar dringend spreken. Maar ze moest onderduiken. Omdat Felidi haar geheugen wilde wissen. Waarschijnlijk hadden ze geen andere optie. Lieze liep naar binnen en zocht Tina. Maar op de hal was ze nergens te bespeuren. Met haar krukken probeerde ze de trap op te klimmen maar haar ketting bleef aan de leuning haken. Dat domme ding hield haar de hele tijd op. Maar ze kon hem niet anders dan aandoen. Anders ging ze misschien midden op school transformeren. Ze had al problemen genoeg. Ze opende de deur van haar lokaal en wandelde binnen. Iedereen stond haar aan te kijken. Alsof ze een muis was met twintig uilen die op haar af gingen springen. Ze zocht vluchtig naar Thijs maar die was nergens te bespeuren. Toen ze gisteren voor de tweede keer wakker werd in Felidi had ze hem ook niet gezien. Het was ondertussen al woensdag. De week was sneller voorbij gegaan dan ze zelf had beseft. 'Lieze!' zei Tina gelukkig. Ze sprong als een Jaguar op haar prooi. 'Ik heb je wat goed nieuws te vertellen. Maar dat zal ik je wel vertellen tegen de pauze.' Lieze knikte en probeerde op haar stoel te klimmen. Tina nam haar krukken over en zette ze tegen de muur. Gelukkig dat het een halve dag was, want ze moest Thijs vinden. Ook al kostte het haar de hele namiddag. Ze ging hem vinden. De schoolbel rinkelde door de gang. Lieze rende vlug de deur uit samen met Tina. 'Waar gaan we heen?' vroeg Lieze. 'Wat dacht je van die nieuwe broodjesbar om de hoek?' stelde Tina voor.'Daar ben ik nog niet geweest. Maar na deze zware dagen wil ik wel eens iets nieuw proberen.''Maar zoals ik al zei had ik goed nieuws. Ik ben gisteren ondergedoken in het huis van een oude vriend van mij. Daar heb ik op de computer wat informatie over Felidi opgezocht.''Vertel Tina!' 'Het blijkt dus dat ze de wereld bestrijden tegen een onbekende vijand. Ik kon niets vinden over deze tegenstanders maar daar zal je waarschijnlijk zelf wel achterkomen. Ze zoeken alleen nog maar de uitverkorene. Deze heeft het eeuwige leven en kan die van dochter op dochter overgeven. Maar dat is niet het enige nieuws. Ik ben naar de slotenmaker geweest. Hij heeft wel het boek nodig.''Waarom gaan we dan niet direct naar daar?''Oké, goed plan.'Ze wandelden de straat uit. Ze hadden geluk dat de slotenmaker om de hoek was. Naast de overheerlijke bakkerij van de stad. Ze wandelden naar binnen. Uit haar schoudertas haalde ze het rode boek. 'Meneer, kunnen wij een sleutel krijgen van dit slot?' vroeg Lieze. De oude man nam het boek in zijn handen en liet het van zijn ene hand in de andere vallen. Hij liep ermee naar de achterkant van het gebouw waar niemand mocht komen. Tina en Lieze keken vreemd naar elkaar. Vanachter de deur hoorde ze vreemde geluiden. Alsof een pijp door elkaar werd gezaagd. De deurklink ging naar beneden en de man kwam terug tevoorschijn. 'Ik heb een kopie gemaakt.' glimlachte hij. Tina rekende af en ze liepen naar buiten. De zon scheen fel in hun ogen. 'Laten we naar mij thuis gaan.' zei Tina. Lieze knikte. Thomas kon ieder moment thuis zijn. Ze wilde niet dat hij wist dat ze hiermee bezig was. Geheime informatie ontrafelen was sowieso verboden. Misschien deden ze erge dingen met mensen die de wet overtreden. Hun handen breken ofzo. Ze arriveerden aan Tina haar huis. Haar voorgevel was zoals altijd bekleed met klimop. Het liep tot boven het balkon. Ze opende de bruine deur en ze liepen naar binnen. Lieze herkende de kaders die omhoog hingen. Op eentje zag ze Tina aan het strand samen met haar moeder. Met hun haren die met de wind mee in hun gezicht vlogen. Een glimlach verscheen op haar gezicht. 'Laten we het boek openen.' zei Lieze. Ze rende naar de zetel en sprong erin. Bij Tina voelde ze zich haar altijd thuis. Tina legde het boek op de salontafel en nam de sleutel. Bibberend stak Lieze de sleutel in het slot. Ze hoopte dat de sleutel erin zou passen. Dan was ze al een stukje verder. De sleutel klikte in het gaatje en ging vanzelf naar beneden. Haar mond viel open. De eerste pagina's van het boek vlogen open. Een fel licht verlichtte heel de kamer. Lieze moest haar ogen met haar armen beschermen. 'Wat was dat?' vroeg Tina verbaasd. Maar Lieze vond geen woorden en bleef naar het boek staren. Hoe kon zoiets? Haar hand reikte naar het boek. Eerst probeerde ze het aan te raken met haar vingers maar er gebeurde niets. Ze nam het op haar schoot en bladerde erin. Alleen waren de laatste bladzijden niet leesbaar. Ze leken aan elkaar geplakt. Tina keek geconcentreerd mee. Ze voelde haar warme adem in haar nek. De eeuwige oorlog tussen Felidi en Micio bestaat nog steeds. De oorlog zou verbreken als de uitverkorene het boek van de 8 elementen vind en die alle 8 plaatst in het slot. Maar als het boek in de handen van de Micio valt, zal de wereld in eeuwige duisternis vallen. Over de uitverkorene is niets geweten. Zal deze niet over het eeuwige leven beschikken zal de wereld niet te helpen zijn… Lieze las aandacht de acht elementen. De sleutel van de godin Tigre, een stukje van de uitverkorene zijn of haar diamant en de zes kettingen van de raad van zes. Ze had geen idee wat de woorden wilden zeggen. Alleen kon ze eruit afleiden dat Micio de vijand was. Maar daar had ze ook nog nooit van gehoord. 'Wat ga je met deze informatie doen?' vroeg Tina.'Ik heb geen idee.' zei Lieze terwijl ze met open mond naar het boek staarde.'Misschien moeten we het toch aan Thijs of Thomas vertellen?''Ben je gek? Ze gaan dit sowieso afnemen. Laten we beginnen met het eerste element?''Lieze, wees eerlijk je gaat dit nooit in je eentje vinden.' 'Jawel Tina, ik voel het. We mogen het nu niet opgeven. Als ik deze informatie kan vinden, kan ik hen aangeven en ben ik misschien bevrijd!' Lieze zag de bezorgdheid in haar ogen. Ze wist dat Tina dit een slecht idee vond. Maar ze kon toch nu niet stoppen? Na dat ze al zo ver waren? Tenslotte kon Tina niet meer naar buiten komen. Want de kans dat haar geheugen gewist werd was groot. Misschien was er een andere oplossing. Die moest er zijn. Ze bladerde vluchtig door het boek. Alleen de uitverkorene krijgt visioenen van de godin Tigre. Wanneer een gewone sterveling Felidi ontdekt, krijgt hij de keuze om agent te worden of zijn geheugen wordt gewist. Wanneer deze vraag niet wordt gesteld en het geheugen wordt toch gewist. Dan bestaat de kans dat de sterveling zich later terug kan herinneren wat er gebeurd is. 'Tina, ik denk dat ik de oplossing gevonden heb.'

Lentinaxxx
0 0