Lezen

Felidi: hoofdstuk 3

Rustig blijven, rustig blijven. Dacht Thijs in zichzelf. Het is toch niet zo moeilijk? Even snel een meisje ontvoeren. Wat klets ik nou! Oké, nu is het moment. Thijs sprong op en hield zijn hand voor het meisje. “Wees stil en volg mij!” probeerde Thijs nog te zeggen. Alleen had het meisje wat sterke tanden. Ze probeerde te vluchten. Zijn hart sloeg een slag over. Mijn zweep! Hij nam zijn zweep en probeerde zo goed mogelijk te richten. Hij hield meer van dolken. Daar kon hij beter mee richten. Met zijn zweep was hij altijd slecht geweest. Het lange touw wikkelde zich rond het meisje haar voeten. Een blauw licht verlichte heel de gang. Dit kon nooit goed zijn. De transformatie was al bijna begonnen! Er was iets vreemd aan het meisje. Ze was op de één of andere manier speciaal. Meestal kreeg je de transformatie na de aanraking van de diamant. Maar nu was die al bezig. Hij zag dat ze bewusteloos was gevallen. Nog even en ze kreeg haar tijgervorm. Hij moest snel zijn en de dokter raadplegen. Tijd om terug naar de basis te gaan. Lieze probeerde haar ogen te beschermen tegen het licht. Ze wreef in haar ogen en probeerde recht te kruipen. Haar gevoel in haar handen en benen kwam terug. Behalve in haar linkervoet. Ze probeerde hem te bewegen maar ze voelde alleen pijn. Rond haar stonden overal lege ziekenbedden. De lakens lagen perfect geplooid en leken nooit aangeraakt. Naast haar stond een nachtkastje. Roze bloemen fleurde de boel wat op maar veel hielp het niet. Een glas water stond klaar voor als ze dorst zou hebben. Maar het enige waar ze aan dacht was ontsnappen. Ze zocht naar open ramen maar voor elk raam stonden tralies. Met een zucht liet ze zich terug op haar kussen vallen. Ze voelde zich machteloos. Een tweede ontsnappingspoging ging nooit lukken. En bovendien was haar voet waarschijnlijk gebroken. Ze voelde een traan over haar wang lopen. Ze miste Tina, Thomas en zelfs Hannes. Als er maar iemand was die ze kende. Die haar kon komen redden. Tot haar verbazing werd haar oproep beantwoord. Op de gang hoorde ze voetstappen. Ze begon te panikeren. Wat als ze haar echt wilden gaan vermoorden of experimenten op haar gingen uitvoeren? Ze mocht er niet aan denken. Ze sloot haar ogen en deed alsof ze sliep. Het enige wat ze nog hoorde was een piepende deur die open ging. 'Wees stil, ze slaapt nog.' hoorde ze een oude mannenstem zeggen. 'Wacht eens even? Je had nooit gezegd dat het Lieze was?' hoorde ze een bekende stem zeggen. 'Ja, Lieze Ceulemans. Leerling van de Sint-Jonathan school en dochter van Erik Ceulemans en Sarah Van Den Dries.' Ze herkende de namen van haar ouders. Wat wilde zo graag dat haar moeder of haar vader bij haar was. Haar moeder was zes jaar geleden overleden bij een auto-ongeluk. Ze wachtte aan de spoorweg maar de trein kwam maar niet. Ze moest dringend naar een vergadering en haar geduld raakte op. Ze stak over net wanneer de trein kwam. Lieze herinnerde nog hoe ze bij het lege, uitgegraven gat in de aarde stond. De witte doodskist glanzend in de zon. Ze zag hoe de kist in de kuil werd gedragen en zijn glans verloor. Elke maand ging ze wel eens een kijkje nemen. Samen met haar vader. Nu ging dat niet meer. Haar vader moest vaak op zakenreis. Daarom dat ze met wat vrienden ging alleen wonen. Zo kon haar vader gerust zijn en was ze niet altijd alleen. 'Ik denk dat ze wakker word.' zei de jonge stem. 'Ze zal wel honger hebben na wat er allemaal gebeurd was.' antwoordde de oude stem. 'Ik maak later wel een broodje.' 'Thijs had haar nooit mogen ontvoeren. Zeker niet tijdens haar onverwachte transformatie. Gelukkig dat we haar ketting hadden meegegeven. Spijtig dat hij brak midden op de weg. Heb je iedereen zijn geheugen al gewist?' 'Ja, behalve van Tina. Het roodharige meisje. Die is spoorloos verdwenen. Als we haar niet op tijd te pakken krijgen komen we in de problemen.' Lieze hoorde hoe de oude man de zaal uit liep. In welke situatie was ze toch beland? Niets had daar toch aanleiding toegegeven? Ze probeerde haar ogen lichtjes open te doen. Voor haar stond een jongen met bruine haren. Zijn groene ogen herkende ze meteen. 'Thomas? Wat doe jij hier?' mompelde ze. Thomas zijn mondhoeken gingen omhoog. 'Waarom ben ik hier?' 'Een auto had je aangereden. Maar je bent veilig nu. Welkom in Felidi.' Felidi. Het weergalmde door haar hoofd. Het woord bleef zich duizend keer herhalen. Felidi. Ze herinnerde het zich nog goed. Thijs die het vreemde woord fluisterde in de dokter zijn oor. De diamant die glinsterde in het licht. Maar het kon haar niets schelen. Thomas had haar verraden. Hij had haar opgesloten hier. Hij deed niet eens de moeite om haar te helpen. Hij hield al zijn hele leven een geheim vast. Hij wist dat het ooit aan Lieze was maar dat vertelde hij haar niet. Hij wist alles van Felidi maar niemand wist het. Ze voelde zich verontwaardigd. Ze voelde de pijn in haar hart. Ze voelde hoe ze vervreemd was van hem in enkele seconden. Ze voelde hoe een gebroken hart voelde. Het was kapotgeslagen met een hamer in duizenden kleine stukjes. 'Waarom ben je gevlucht?' vroeg hij koeltjes precies of het dagelijks gebeurde. 'Omdat jullie me steeds ontvoeren.' antwoordde Lieze bot. 'Lieze, luister goed naar mij. Je hebt een gave. Een cadeau. Je bent een halftijger. Net zoals ik. Je bent uniek. Je medeagent heeft je nodig. Wie het moge zijn, maar de wereld heeft je nodig.' Zijn woorden botsten hard tegen de hare. 'Geef Felidi een kans. Bovendien moet je voorlopig verplicht hier blijven. Want de ketting rond je nek is gebroken. Dus kan je ieder moment transformeren.' Haar mond viel open. De manier waarop hij deed alsof het niets was deed haar pijn. De manier waarop hij alles goed leek te praten verbaasde haar. 'Ik heb krukken meegebracht.' zei hij en haalde een paar krukken achter zijn rug tevoorschijn. Lieze kroop uit haar bed en nam de krukken vast. 'Zal ik je rondleiden?' stelde hij voor. Maar Lieze weigerde iets te zeggen. Ze wist dat ze niets anders kon dan volgen. Op haar krukken huppelde ze Thomas achterna. De kamer mondde uit op een lange gang met veel deuren. Thomas sloeg naar links af. Lieze volgde alsof ze vastgeketend zat met handboeien. Misschien als ze vriendelijk deed kon ze ontsnappen. Als ze haar vertrouwden tenminste. Thomas opende een grote deur die was beschilderd met tijgers en draken. Ze leken te vechten met elkaar. In het midden stond een meisje. Met wapperende haren. Boven haar stond een glimmende sleutel geschilderd. Daarboven stond een vrouw met een beschilderd gezicht. Op haar gezicht was een tijger geschminkt. Ze droeg een witte dunne mantel. Lieze wandelde door de deur en tot haar verbazing liepen overal tijgers. Op hun ruggen zaten hier en daar mensen met zwarte kledij. Ze leken net op spionnen. Het deed haar denken aan Thijs. Grote schermen hingen in de lucht en riepen namen af. Overal stonden tafels en stoelen. Het leek net op een café. 'Welkom in het hart van Felidi.' zet Thomas trots. 'Vertel me nu wat het is?' vroeg Lieze nieuwsgierig. 'Het is een agentschap van agenten en halftijgers. Elke persoon heeft een partner. Samen vechten we tegen de vijand. Daar kan ik je voorlopig niets over vertellen. Iedereen heeft hier zijn eigen kamer. Jij ook. Je zal nu een opleiding volgen. Later krijg je waarschijnlijk missies. Maar nu is het daar te vroeg voor.' 'Waarom mag ik niet alles weten?' 'Omdat we je nog niet vertrouwen.' Lieze voelde zich teleurgesteld. Wacht eens even? Haar rode en blauwe boek. Ze wreef met haar hand over haar buik. Ze voelde de harde kaft van de boeken. 'Is er iets?' Vroeg Thomas. 'Nee, ik voelde een steek in mijn zij.' antwoordde ze. Iets zei haar dat dit nog niet zo snel voorbij ging zijn.

Lentinaxxx
0 0

Proloog

Zaterdag 07 juli   ‘Je kunt gaan,’ zegt Gary terwijl hij Jonas’ spullen overhandigt. ‘Je hebt behoorlijk wat indruk gemaakt met je goede gedrag’. Jonas knikt en geeft zijn begeleider een hand. ‘Hopelijk tot nooit meer,’ grijnst hij. ‘Ik hoop het ook,’ antwoordt Gary met een scheve lach. ‘Het ga je goed’. Jonas glimlacht als hij zijn spullen bijeenpakt en zijn kamer uitloopt. Als een vorst loopt hij de gang door. De donkere en grauwe gang staat scherp in contrast met zijn humeur. Wanneer hij buiten zijn vrijheid tegemoet loopt, wordt hij door de zon verblind. Hij houdt zijn hand als een scherm boven zijn ogen. Zijn ouders wachten hem aan de auto al op.   Door de autoruit staart hij naar buiten. Allerlei zonnekloppers vullen de straat. Ze gaan als een waas aan hem voorbij. Welke dag is het vandaag? 6 juli? Nee, 7 juli. Het is al zomervakantie. Wat is de tijd toch gevlogen, denkt Jonas. Gisteren was het één jaar geleden dat… Hij zucht. Nog elke dag denkt hij aan haar. Ze rijden een AD Delhaize voorbij, waardoor er een glimlach om zijn lippen krult. Enkele mooie herinneringen komen bovendrijven… Pap parkeert de auto en neemt Jonas’ bagage uit de koffer. ‘Ga jij maar alvast naar binnen, je wordt verwacht,’ zegt pap terwijl hij geheimzinnig glimlacht. Jonas’ hart springt op. Zou ze…? Hij spurt het flatgebouw in en rent de trappen op door twee, drie treden tegelijk te nemen. De voordeur staat open. Hij stormt de woonkamer in en… ‘Verrassing!’ roepen Simon en zijn klein zusje Lydia in koor. Hoewel Jonas een beetje ontgoocheld is, is hij toch heel blij om hen weer te zien. ‘Jullie hier?’ vraagt hij verbaasd. Simon omhelst hem en klopt vriendschappelijk op de rug. ‘Hoe gaat het met je, maat?’ Jonas’ mond verstrakt even. ‘Au, niet te hard. Mijn ribben doen nog pijn.’ Pijnlijk maakt Jonas zich los en tast hij over zijn ribbenkast. Verontschuldigend glimlacht hij naar zijn beste vriend. Simons gezicht staat echter bezorgd. ‘Hoe gaat het met je?’ herhaalt Simon voorzichtig zijn vraag, al kan hij niet verbergen dat zijn ogen naar Jonas’ blauwe wang afdwalen. ‘Goed, natuurlijk! Ik ben vrij!’ probeert Jonas zich te herpakken. Pas nu beseft hij dat hij weer kan gaan en staan waar hij wil. ‘Geweldig, niet? Het eerste wat ik deed, was mijn zusje van school ophalen. Ik heb haar naar het strand meegenomen. De hele dag heb ik in de zon liggen bakken terwijl Lydia zandtaartjes maakte.’ ‘Ik dacht dat je niet van zonnen hield?’ merkt Jonas met fronsende wenkbrauwen op. ‘Nee, maar na acht maanden daar te zitten was ik echt een spook. Jij kunt trouwens ook wel een gezonder kleurtje gebruiken.’ ‘Ik weet het, ik weet het.’ ‘Jonas…’ mompelt Lydia terwijl ze aan Jonas’ mouw trekt. Jonas kijkt naar beneden en pakt haar op. Lydia slaat meteen haar mollige armpjes rond Jonas’ nek en geeft hem een kus op zijn wang. ‘En hoe gaat het met Lydie?’ vraagt Jonas. ‘Ik heet Lydia!’ ‘Ik noem je liever Lydie. Mag ik dat? Omdat ik het ben?’ Het kleine meisje denkt even na met haar rechterwijsvingertje in haar mond. ‘Oké dan,’ geeft ze toe. ‘Hoe is nu met je?’ ‘Goed.’ Jonas drukt een kusje op haar voorhoofd en zet haar weer neer. ‘Ik heb je echt gemist, hoor,’ richt Jonas zich weer tot Simon. ‘Die twee laatste maanden waren echt de hel.’ Simon lacht niet. ‘Was het dan zo erg?’ Zwijgend stroopt Jonas zijn mouwen op, waardoor zijn bont en blauwe geslagen armen ontbloot worden. ‘En de rest van mijn lichaam ziet er ook zo uit,’ mompelt Jonas. Simons gezicht staat vol afgrijzen. Met afschuw bekijkt Simon de blauwe plekken beter. ‘De lafaards. Als je alleen bent, durven ze wel.’ ‘Ja, met jou in de buurt durfden ze niet veel doen… Maar ja, Svens vrienden staan nu niet echt bekend voor hun dapperheid… En ik kreeg ook geen nieuwe kamergenoot.’ ‘Nee…’ Zuchtend doet Jonas zijn mouwen weer naar beneden. ‘Ik denk dat ik dat nog het ergste vond. Ik miste onze gesprekken.’ Simon glimlacht gevleid. ‘Ach, je hebt het overleefd.’ Het valt even stil. Aarzelend kijkt Simon Jonas aan. ‘Kun je al wat beter slapen?’ Jonas grimast. ‘Wat denk je zelf?’ Voordat er meer gezegd kan worden, komen ook mam en pap binnen. ‘Ha, zijn onze beste vrienden weer herenigd?’ vraagt mam. Jonas grijnst krampachtig. Pap dropt Jonas’ spullen op de tafel. ‘Omdat je eindelijk vrij bent, gaan we vanavond uit eten.’ ‘Oh, cool. Waar?’ ‘De Moustache, dat restaurant in de buurt van de dijk.’ ‘Ah, daar.’ Jonas kijkt even radeloos rond. Ondanks zijn zopas herwonnen vrijheid, voelt hij zich een beetje verloren. Hij bijt op zijn lip, een tic die hij al jaren heeft en die meestal opduikt als hij zich niet op zijn gemak voelt. ‘Wil je even alleen zijn met Simon?’ vraagt mam bezorgd. Jonas krabt in zijn haar terwijl hij knikt. ‘We kunnen anders naar het strand gaan. Even uitwaaien?’ Hij kijkt Simon aan. Die haalt zijn schouders op. ‘Mij best.’ ‘Oh! Mag ik mee?’ vraagt Lydia enthousiast. ‘Natuurlijk.’ Jonas neemt haar hand vast. ‘Om hoe laat zijn jullie terug? We hebben om half zeven gereserveerd,’ zegt mam nog snel. ‘Dan zijn we wel terug,’ belooft Jonas.   De buitenlucht doet goed. Jonas voelt zich weer heropleven. Hij heeft de kust net zo erg als haar gemist. ‘Dat ik dit ooit allemaal wilde opgeven…’ mompelt hij, verbaasd over zijn eigen domheid. In zijn stem is spijt duidelijk hoorbaar. Jamies gezicht komt op zijn netvlies tevoorschijn. Wat mist hij haar. Ze wandelen de dijk af en slenteren zwijgend over het strand, waar het heel druk is. Het mooie weer heeft honderden zonnekloppers naar het strand gelokt. Simon en Jonas geven Lydia elk een hand om haar niet kwijt te raken. Bij een hutje waar blauwe, groene, rode en gele vissen en in krullerige letters “De Groot” staan geschilderd, houdt Jonas halt. ‘Hier heb ik haar voor het eerst ontmoet,’ vertelt hij. Simon knikt. ‘Misschien zie ik haar nooit meer terug…’ zucht Jonas. ‘Wie ziet Jonas niet meer terug?’ vraagt Lydia nieuwsgierig. ‘Jonas’ vriendin,’ antwoordt Simon. Lydia kijkt verbaasd naar haar grote broer. ‘Ik ben toch Jonas’ vriendin? Wij zouden toch trouwen?’ Simon schiet in de lach. ‘Nee, gekkerd. Jij bent veel te jong voor Jonas.’ Hij drukt Lydia tegen zich aan. ‘Ik wil met Jonas trouwen,’ zeurt ze. ‘Maar jij hebt toch een kameraadje? Bart, niet?’ ‘Maar Bart…’ Lydia wil nog iets zeggen, maar ze weet niet hoe ze haar zin moet afmaken, dus ploft ze maar in het zand neer. Jonas glimlacht. Hij gaat naast haar zitten en slaat zijn arm rond Lydia’s schouders. Met haar hoofdje leunt ze tegen zijn schouder. Simon gaat ook zitten. ‘Het is hier gezellig,’ mompelt hij terwijl hij om zich heen kijkt. Jonas knikt. ‘Ik zat hier soms met Jamie. Het was zo’n geweldige tijd…’ ‘Een te korte tijd, zeker.’ ‘Dat ook.’ Het blijft even stil. Lydia prutst aan Jonas’ mouw. Tot zijn verbazing voelt hij een traan over zijn wang rollen. ‘Ik heb niet eens afscheid kunnen nemen.’

Eline__V
0 0

Nylondraad en worst

Onlangs kocht Koen een paneel van de oude aluminiumbekleding van het Atomium, de wonderlijke constructie gebouwd voor de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel, die enkele jaren geleden volledig gerenoveerd werd. Hij ziet er op termijn een uitstekende geldbelegging in. Alleszins stukken beter dan de in 2008 gekelderde Fortis-aandelen.  Koen wil het paneel in zijn woonkamer ophangen. Omdat hij deze klus moeilijk in zijn eentje kan klaren, doet hij een beroep op de hulp van Marcel, zijn vader, eerder knoeier dan knutselaar, maar steeds bereid om te helpen. Die knoeier zal om te beginnen voor het nodige materiaal zorgen: een schroeven-draaier, pluggen, krammen en ijzerdraad. Als milieubewust consument trekt hij te voet naar "De Nieuwe Ijzerwinkel", een zaak van standing die al verschillende decennia nieuw staat te wezen in de Stationsstraat te Kapellen. De aankoop verloopt allesbehalve vlot. De schroevendraaier is uit voorraad. De pluggen zijn te lang, de krammen te kort en ijzerdraad wordt uitsluitend per rol van vijftig meter verkocht, terwijl Koen slechts vier meter nodig heeft. Maar de zaakvoerder van "De Nieuwe Ijzerwinkel" geeft goede raad: gebruik liever  nylondraad, spotgoedkoop, makkelijk om mee te werken, even sterk en leverbaar per meter. Besloten wordt om de aankoop een week uit te stellen. Tegen dan zullen alle voorraden weer aangevuld zijn. Marcel speelt op veilig en stapt pas na veertien dagen naar de zaak van standing, waar een lange rij klanten hem voorafgaat. Wanneer hij vijfentwintig minuten later eindelijk aan de beurt komt, loopt het toch weer mis. Gefrustreerd door het lange wachten en lichtjes verstrooid roept hij, veel te luid: "Geef mij vlug vier meter nylondraad, dan kan ik eindelijk mijn zoon gaan ophangen."  De omstanders reageren verschrikt. De zaakvoerder vraagt zich af of hij meteen de politie zal bellen. Iemand wil weten wat die zoon mispeuterd heeft. "Hoe komt u daarbij?" reageert Marcel. "Die jongen heeft helemaal niets misdaan! Wat staart iedereen mij toch aan? Vinden jullie het dan zo gek dat ik nylondraad wil kopen om er een paneel van het Atomium mee op te hangen?" Een pientere oude dame, met een voor haar leeftijd nog uitstekend gehoor en dito geheugen, is zo vriendelijk om eventjes letterlijk de bestelling te herhalen. Nu begrijpt Marcel waar al die commotie vandaan komt. Lachend zegt hij: "Mijn zoon ga ik beslist niet ophangen. Maar nylondraad wordt inderdaad wel eens gebruikt in thrillers, bij voorkeur om er domme blondjes mee te wurgen." "Daar weet ik niks van" reageert de zaakvoerder van "De Nieuwe Ijzerwinkel" met een uitgestreken gezicht. "Ik kijk nooit naar dat soort films, ze zijn veel te griezelig. Ik probeer alleen maar nylondraad te verkopen. Wat de klant er achteraf mee aanvangt, dat zal mij worst wezen. 

M. van Muze
0 0

Morgen zou hij drie worden

Nieuwsgierige opgewondenheid doet zijn ogen glinsteren. “Hoeveel mensen komen er?” Zijn blik zoekt die van de eindverantwoordelijke voor de grote dag. Haar bedeesde stem doorbreekt de stilte. “Er zijn bijna vierhonderd aanmeldingen. Driehonderdzevenennegentig, om precies te zijn.” Zijn ogen schieten verrukt de kamer rond. Bijna vierhonderd. “En de minister? Komt de minister?” Hij lijkt de reactie uit haar te willen trekken. Haar ogen razen over de lijst van bijna vierhonderd namen. –“Ja, de minister komt ook.” Vergenoegd zakt hij achterover. Opnieuw het antwoord waar hij op hoopte. Het kabaal lijkt haar het nadenken onmogelijk te willen maken. Het is niet het gehuil van haar zoontje, ook niet dat van het luchtalarm. Het is evenmin het geluid van elkaar snel opvolgende ontploffingen, noch dat van het geschreeuw van de rebellenleiders op straat. Het is de allesomvattende stilte tussen deze geluiden door die blokkerend werkt. De lege stilte van de dood die langzaam dichterbij sluipt. Ze proeft, voelt en ruikt zijn naderen. Plots deinst hij heel even terug, geschrokken van de harde klap die klinkt. Jarenlang had hij de leiding gehad. Voor tegenspraak, zelfreflectie of de durf om één van beiden mogelijk te maken was geen ruimte geweest. Zo was een werkelijkheid ontstaan waarin hij grootse en belangrijke prestaties had geleverd. Een werkelijkheid die past bij de omvang van de festiviteiten rond zijn afscheid.   Al meer dan twee jaar leefde ze in een dorre wereld. Een wereld van verdriet, pijn en gruwelijkheden. Voor geluk was heel beperkt plaats. Als het er was, waren kleine dingen er de aanleiding voor. Het vinden van een stuk fruit voor haar zoontje, of de eerste stapjes die hij kort geleden had gezet. Even had de bengel, die morgen drie wordt, haar donkere werkelijkheid fel verlicht. “Het moet groots zijn! Chic! Mensen zijn te gast. Ze moeten het fijn hebben. Er moet gelachen worden. De stemming moet uitgelaten zijn. Ze moeten vooraf zin hebben om te komen en achteraf blij zijn te ze zijn geweest. Ze moeten het zich herinneren. Alleen dat telt. Dat past en is gepast. Bij ons en bij mijn afscheid. Het is de laatste keer. De laatste keer moet dubbel tellen,” schreeuwt hij bijna over de tafel. Zijn staf knikt. Bombastisch moet het worden. Met champagne en lekkere hapjes. Een groots afscheidsfeest. Precies op dat moment opent ze versuft haar ogen. Ze ziet niets dan stof. Haar oren doen pijn. De stilte doet pijn. Ze probeert overeind te komen. Er ligt iets op haar benen. Metalig, zwaar en rond. Het lijkt op een badkuip. Ze trekt zich er onderuit en krabbelt op. Ze roept zijn naam. Waar is hij? Vanuit haar buik stijgt de paniek richting haar keel. Waar is hij? Ze wappert met haar handen naar de stofwolken om zich heen. Ze ademt moeizaam. De stilte knijpt haar keel dicht. Waar is hij? Plots stopt haar hart met slaan. Ze ziet hem. Tenminste, ze ziet zijn beentjes, opgesloten in zijn blauwe dekentje. Zijn bovenlijf is onzichtbaar. Een blok beton verbergt het zorgvuldig. Op grootse wijze neemt hij afscheid. Een uitgeleide dat hij kennelijk verdiend heeft. De drank vloeit rijkelijk, er wordt gegeten en er wordt gelachen. Er zijn anekdotes uit verschillende jaren. Hij refereert aan gisteren, aan zijn laatste werkdag. Het was een mooie laatste dag geweest, net als zijn hele periode dit was geweest. Als je je ogen maar niet te ver opent, is de wereld best goed. Niet eens zo gek veel verderop is er alleen ruimte voor het donker. Verscheurd denkt ze aan gisteren. Toen zou het nog twee dagen duren tot zijn verjaardag. Het zou geen groot feest worden. Dat kan immers niet in een oorlog. Ze zouden het bescheiden vieren. Samen. Omdat een kind zijn verjaardag verdient. Zo ver komt het niet. Vorig jaar is de laatste keer geweest. 

Quirijn Teunissen
49 1

De brief van Kabouter Bert, het maagdelijk kaboutertje

Beste vrienden,   U allen weet uit de verhalen uit uw kinderjaren dat kabouters bestaan. U weet echter ook dat deze wezentjes érg zeldzaam zijn geworden: Vínd er nog maar eens één!...   Onlangs werd de kabouter (Gnomo Minusculis) uitgeroepen tot Rode Lijst-soort. Hierdoor krijgt de kabouter dus een beschermde status.   Meerdere wetenschappers vermoedden al langer dat de kabouter deze status voor een stuk aan zichzelf, en voor een stuk aan zijn opvoeding  te danken had.   Zelf ben ik allesbehalve een wetenschapper, maar na het bezoek dat ik enkele weken geleden van een kabouter kreeg, ben ik geneigd deze wetenschappers gelijk te geven: We weten ’t al langer: Ze leven in ’t bos. Ze slapen in holen, op bedjes van mos.   Of soms op een vliegenzwam of een boleet. Er is echter iets dat u zeker niet weet:   De wetenschap kent nog niet één enkel feit over hoe en waar een kaboutertje vrijt.   Ik ook niet -heel eerlijk- maar ’k wist het terstond toen er plots één op mijn vensterbank stond.   Hij droeg een mooi’ puntmuts en kleertjes knalrood. Hij gaf me een omslag; een duimnagel groot.   De brief in de omslag was vreselijk klein. Maar met een vergrootglas las ik toch haarfijn   ’t relaas van de seks – en het falen ervan - van een kaboutervrouw en van haar man.   “ Beste kaboutervriend”, startte de brief, “ ik ben den Bert en Francien is mijn lief.   Wij wilden kind'ren, maar wisten niet hoe, want voorlichting is bij kabouters taboe!:   Onz’ ouders die leren ons streng en kordaat hoe het met bijtjes en bloemetjes gaat,   een eend maakt haar nest bij de rand van een plas, een larf van een bij leeft in raten van was.   Maar rond één vraag – en vraag mij niet waarom - draait men rond de pot en houdt men ons graag dom:   Je wordt hier verbannen of krijgt zware straf. Je gaat naar de cel of je hoofd gaat eraf:   Het is ongehoord, het is tegen ’t fatsoen te vragen hoe wij -de kabouters- het doen. Let wel: Ik heb lef en ik héb het gevraagd, maar werd met Francine prompt het dorp uitgejaagd op grond van een vonnis, op niets gebaseerd, dat mij en mijn vrouwtje ambtshalve dicteert voorgoed te verdwijnen tot ik heb verstaan hoe ons’ twee ouders ’t ooit hebben gedaan.   U snapt wel: Wij waren compleet overstuur, maar dachten: Okee, in de vrije natuur,   kunnen wij vormen van voortplanting zien, en wij doen dan ’tzelfde, en ’t lukt dan misschien!   Wij trokken dus ’t bos in en vatten daar post, en keken naar wat er daar af werd gesmost:   Een houtduif-meneer streek er neer op een tak en legde zijn pluimen mooi – op zijn gemak.   Hij riep toen “roe-koe” en dan – alsjemenou!- streek op die tak neer een houtduivenvrouw.   Zij stak dra haar staartje heel wulps in de lucht, waarop zij op slag door haar man werd bevrucht.   Ik keek naar mijn vrouwtje en zij ook naar mij. Ik vroeg haar “Wij ook?” en ze knikte – heel blij!   Ik klom dus die boom in en kroop op die tak, en zette mijn puntmuts recht – op mijn gemak.   Ik ademde diep in en riep toen “roe-koe”. Mijn vrouwtje riep: “Wacht maar, ik ben er al sjoe!”   Bij mij op de tak stak z’ haar poep in de lucht. Ik klom er toen op, maar het werd me een klucht:   Mijn vrouw is onhandig, en ik heb wat jicht; het werd een gestuntel – het was geen gezicht!   Die tak was niet dik dus – u raadt het vast al – het eindigde voor mijn Francine met een val.   Haar been was gebroken – dat wist ik op ’t zicht - en toen viel ook ik met mijn hele gewicht   recht op mijn vrouw en – u raadt het meteen - ik brak door mijn val ook haar andere been.   Na ’t nodige spalken besloten we toen het niet meer zoals die twee vogels te doen:   Ik voelde me schuldig, ik schaamde me wat. Mijn vrouwtje zei: “Nu nog niet opgeven, schat!   Vergeet maar die duiven: Dat voorbeeld was slecht, maar ’k weet het wel zeker: Ooit lukt het ons echt!   Die zwam daar bijvoorbeeld, in ’t rood met wat wit: Weet jíj soms hoe ’t met die zijn voortplanting zit?”   Ik ging zitten denken aan wat werd beweerd, aan wat de kabouterschool ons had geleerd:   Een zwam die maakt sporen en plant zich zo voort. Toen dacht ik: “Verdorie! ’t Is zó dat het hoort!”   Ik zei haar: “Francien, leg je kleren maar weg, en doe dan nauwkeurig wat ik je nu zeg:   Leg je maar naakt onder die paddenstoel. kI klim óp die zwam en dan – naar mijn gevoel -   wip ik het beste al heen en al weer: De sporen die vallen dan over je neer!”   Mijn vrouw zag het zitten en deed het meteen: Ze legde zich naakt - met haar benen uiteen -   onder die paddenstoel, klaar voor de daad. Ik was wat nerveus maar wel helemaal paraat:   Ik klom langs de steel naar omhoog, naar de hoed, en deed daar wat ieder van ons zo graag doet:   Ik wipte en wipte en stond zelfs in ’t zweet, maar had niet verwacht wat die paddenstoel deed:   De steel brak doormidden, de hoed die viel neer. Mijn vrouw werd bedolven en ging wild te keer.   Ik dacht door ’t verschot, maar daar lag het hem nie: Ze krabde zich rot want ze had allergie:   Allergisch voor sporen, precies van dié zwam. Het moest weer eens lukken dat dàt erbij kwam!   Ze kreeg rode puntjes en overal jeuk, en gromde - al krabbend: “Da’s verre van leuk!”   Ik werd weer wanhopig, mijn hoofdje hing neer. Francine zei: "Mijn Bertje, zeg, luister ne keer:   Ga hondsdraf gaan zoeken, dat is heilzaam kruid: Da’s goed tegen jeuk als je ’t wrijft op je huid."   ’ k Ging hondsdraf gaan zoeken en vond er genoeg. Ik keerde terug en ik deed wat ze vroeg:   Ik maakte van planten en van plukjes wol een heleboel windels: een kruiwagen vol.   Van hondsdraf en water maakte ik een zalf; één tegen de jeuk, en ik schaamde me half:   Ik kreeg erg veel zin, met haar kleren zo uit, en smeerde de zalf overal op haar huid.   Hoe langer ik smeerde, hoe warmer ik werd. Ik dacht al: Nú zal ’t gaan gebeuren hè Bert.   Ik boog naar haar boezem, maar zij vroeg me: Kom, doe mij alsjeblieft al die windeltjes om.   Een streep door mijn rekening jong, wees gerust: Zo dicht bij mijn doel en dan tóch niks gekust!   Een half uurtje later keek ik naar Francien, door windels en spalken nog amper te zien.   Enkel haar ogen die waren nog vrij. En die keken zwijgend en vragend naar mij.   “Zo, is het nu al wat beter te doen?” Francine knikte eens en ze lachte wat groen.   Ze bleef verder zwijgen; ik snapte algauw dat zij dacht aan hoe ze zich voortplanten zou.   Ik ging dus maar zitten, gewoon op mijn gat, en pijnigde wat ik aan hersentjes had.   Mijn hoofd in mijn handen, mijn hoofd in een frons, hoorde ik achter mij plotseling geplons!   Ik keek om, geërgerd; gedachten verstoord. Ik hoorde mijn vrouwtje: “’t Is zó dat het hoort!”   Ze stond in het water, ’k wist niet wat ik zag. Ze keek zwoel naar mij met ondeugende lach.   Ze boog zich voorover, en ik snapte toen: Ze wil het als kikkers en padden gaan doen!   Ik vloog naar het water en kroop op haar rug. Met spalken -en mij- ging ze redelijk stug   steeds dieper de plas in en zei me toen: “Sjoe, in ’t diepst leg ik straks al mijn eieren, goe?   ’k Wou da ’k er al was. Al mijn windels zijn nat - en dan nog eens gij – dat weegt redelijk wat!”   Toen ging ze kop onder en ik was verheugd: Het zou gaan gebeuren: O hemelse deugd!   Toen ging ze nóg dieper en ’k raakte haar kwijt, ik riep nog: “Francien, laat eens zien waar ge zijt!”   Eerst was er paniek, maar al snel was ik blij: Met reeksen van luchtbellen antwoordde zij!   Het bleef verder stil, maar ik wist toen al vlug: Die legt nu haar eieren; die komt zó terug!   E n dàn – droomde ik, met een heerlijke zucht - wil zij dat den Bert al die eieren bevrucht!   Mijn droom duurde voort langs de kant van die plas, en tegen de avond bedacht ik maar pas   dat ik als kabouter – nog helemaal maagd - niet wist hoeveel tijd zo een eierleg vraagt.  Een nacht ging er over en het werd weer licht: Nog steeds geen Francien en geen eieren in zicht…  Ik riep haar luid, maar – 't verbaasde me zeer - ze stuurde geen reeksen van luchtbellen meer…   Ik kreeg van het nadenken bijna eczeem: Mijn voortplanting zat met een ernstig probleem:   Die eieren?: in 't water... En ik?: op het land... Eureka! Dat is het! Waar zàt mijn verstand?:   Ik plaste in ’t water vanuit het gedacht, dat ik beslist zó die bevruchting volbracht.   Ik bleef nog een dag en een nacht langs de plas, en tegen de ochtend beseft' ik maar pas:   “Ik plantte me voort! Waarom zit ik hier nog? Ik ga eens zwaar uit: Dàt verdien ik nu toch!   Mijn vrouw is wel weg, maar dat valt best wel mee: Ik kan nu echt zonder control’ op café!   Francien, als ze opduikt, die kent hare man: Die weet doorgaans waar ze me aantreffen kan!”   Maar weet u, mijn vrouw wordt soms vreselijk kwaad, als ik haar niks van berichtje nalaat.   Vandaar dus mijn brief, die ik hier bij u leg. Vertelt u haar alles? Ik moet nu echt weg!   Als een échte man weet ik nu hoe het moet, getekend: den Bert, met een vriendelijke groet!”   Zijn brief was ten einde. Ik sloot terug d’ envelop. Ver weg in gedachten keek ik terug op:   Den Bert liep al weg, en ik hoorde in ’t bos zijn vrolijk gelach en hij zong erop los.   Zijn brief houd ik bij, bovenin in mijn la, en bij wat tegenslag lees ik hem na.   Want valt er wat tegen, loopt alles verkeerd, dan denk ik: den Bert heeft me heel wat geleerd:   Loopt alles in ’t honderd, valt iets niet echt mee, dan ga je nog best van al goed op café! Rodrik Steverlynck, in samenwerking met Kabouter Bert

rodrik
0 0

Een onfortuinlijke treinwachter

Onderweg van Antwerpen-Centraal naar Brussel-Noord, met een klokvaste trein van onze onvolprezen NMBS, op één van die zeldzame dagen zonder stakingen, overviel mij het lumineuze idee om enkele limericks te componeren, aan de hand van de stationsnamen die ik onderweg zou tegenkomen. Toen ik een net voltooid exemplaar met Hove als vertrekpunt herlas, om eventuele spellingfouten te corrigeren, schoot ik luidop in de lach. Het hield niet meer op. Ik bleef maar lachen.  We reden met een slakkengang, zelfs de NMBS onwaardig, tussen Kontich en Duffel, bekend voor zijn gespecialiseerd Psychiatrisch Centrum. Op dat eigenste ogenblik deed de treinwachter van dienst zijn zoveelste ronde. In hoge mate verontrust door mijn onbedaarlijk gebulder vroeg hij me zeer hoffelijk of hij misschien een ambulance moest oproepen, zodat ik linea recta kon afgevoerd worden naar ...  Juist, u weet wel waar. Ik gebaarde dat het niet nodig was en slaagde er met veel moeite in mijn vervoerbewijs te tonen, waarin hij mateloos geïnteresseerd leek. Wellicht een onschuldig voorbeeld van beroepsmisvorming.   Enigszins tot rust gekomen liet ik hem mijn limerick lezen: Van God los Een afvallige pater uit Hove die wou in geen God meer geloven een duif doemde op en scheet op zijn kop hij zei: niet alle heil komt van boven! Op zijn beurt werd de treinwachter het slachtoffer van een serieuze lachstuip, zonder enige twijfel veroorzaakt door de onfrisse praktijken van voormelde duif. Die zijn nog het best te vergelijken met wat de CEO's van onze grootbanken bij de kleine beleggers aanrichten. Bij een duif schijnt dergelijk gedrag - dat voor een bankier toch wel uit den boze is - dagelijkse kost te zijn. De onfortuinlijke treinwachter hield niet op met lachen en gieren. Dat begon zowaar op sterk afwijkend gedrag te lijken. Dus vroeg ik hem of ik, per GSM, niet meteen een ziekenwagen zou bellen om hem stante pede aan de goede zorgen van de psychiatrie toe te vertrouwen. Hij bleef me het antwoord schuldig.  De trein was intussen gestopt in het station Duffel en de trenwachter strompelde naar buiten om de veiligheid van de in- en uitgaande reizigers te waarborgen. Daarop ondernam hij een krampachtige poging om een fluitsignaal te produceren, waarna hij vergat in te stappen, de deuren dichtsloegen en de trein zonder hem vertrok. Wat er van de arme man geworden is? Ik heb hem nooit meer teruggezien.

M. van Muze
0 0

Overweging van het koor

De tijd is gekomen. De chronologie van de cyclische voorvallen. Persephone moet terug naar haar geliefde. Want zo hoort heer Hades beschreven te worden. Als bron van de liefde die haar alleen daarom wegsleurt uit het leven. En zo is het altijd de liefde geweest. De liefde voor het lichaam, de liefde voor het genot, de liefde voor de macht, de liefde voor het geld. Met het woord ‘liefde’ valt de mensheid dan ook alles wijs te maken. Alleen raken ze zo snel verblind door die flinter van het goddelijke dat ze duisterder gaan zien dan ooit. Met de herfst die rondwaart tussen de bomen, wordt het verval steeds duidelijker ingezet. Demeter kan de pijn niet langer dragen en laat haar takken hangen. De twijgen die ooit fris en monter waren, verschrompelen alsof ze nooit bewogen hebben in de wind en nooit geleefd hebben. Demeter wist dat het moment zou komen dat haar mooie dochter haar ontrukt zou worden. Ze wist het, maar deed er niets aan, kon er ook niets aan doen. De vastgelegde cirkel kan niet zelfs niet door de goden doorbroken worden. De oerharmonia mag nooit verstoord worden. Zelfs niet door wezens van wie de krachten uitstijgen boven wat uitdrukbaar is. De mensen hebben die harmonie nooit erkend. Hun eeuwige balanceren brengt hen ten gronde. Noch de oude aristocraten, noch de prille democratie hebben ook maar een kleine lichtflits gezien. De ene na de andere krijgt zijn onvermijdelijke tijd, maar of de mens na ooit in staat zal zijn te regeren is nog maar ten allerzeerste de vraag. En zo tollen de dagen voort.

Expialidocious
0 0

Maanzin

Hoewel hij in huis zat, was het koud buiten. Misschien zat hij echter niet meer in huis. Als de muren opgeblazen zijn en je op de brokstukken zit van wat je ooit je huis noemde, kun je dan nog zeggen dat je thuis bent, laat staan dat je in huis zit? Hij had een donker vermoeden dat dat niet het geval was. Al zijn vermoedens waren donker. Hij lag hier. Niet dood, niet eens halfdood, maar tegelijkertijd beroofd van alles wat hij had. Ook voordien was hij alles al kwijt geweest en nog waren ze erin geslaagd nog meer van hem weg te nemen. Hij sloot zijn ogen en probeerde zijn ledematen te bewegen. Eerst zijn benen, dan zijn voeten. De linker- en rechterkant afzonderlijk, opdat hij meteen zou weten waar de problemen zich bevonden. Links leken er geen grote problemen te zijn, maar zijn rechterknie weigerde dienst te doen. Durfde hij kijken? Was er iets engs te zien dan? Hij keek. Er was niets engs te zien. Geen bloed, geen open wonde, alleen een gescheurd en bevlekt gewaad. Hij nam zijn materiaal. Het was immers maar een knie. Xenion stond op. Het weinige dat nog rechtstond van het huis, ontnam hem het zicht op de withete maan. De rillingen liepen over zijn armen als kleine wormpjes die met zachte prikjes werden ingebracht in zijn huid. Ze spuwden vuur en drukten hun ijzige staartjes dieper in zijn huid. In de brokstukken ging hij op zoek naar wat hij zocht, maar hij kon het niet vinden. Alles was een puinhoop. Hij lachte groen en was meteen ook verbijsterd dat hij nog kon lachen. Nu zouden de mensen terecht kunnen zeggen dat zijn huis een puinhoop was, dat hij het verknald had, letterlijk en figuurlijk. Maar hij had het niet verknald. Hij had het helemaal niet verknald! Op een haar na was zijn plan geslaagd en dat lange fijne haar leek zijn hart te doorboren. Hij wist dat de gloed van de maan dat besef alleen maar pijnlijker maakte. De maangloed vergroot immers alle emoties uit en het was nog niet eens volle maan.Hij wist dat de blik in zijn ogen nu meer dan ooit terecht als verwilderd zou worden beschreven, maar hij kon er niets aan doen. Met gebalde vuisten bleef hij te midden van zijn brokstukken staan. Hij leek iets te zoeken, maar hij wist zelf ook dat hij het niet zou vinden. Het was een schande. Hij had blij moeten zijn dat hij het niet had kunnen vinden in de puinhoop. Anders was ze dood geweest. Hij duwde zijn lange nagels dieper in zijn handpalmen en wendde zijn gezicht naar de halve maan. Zou zijn Loena nu ook naar de maan kijken? Zou ze ook voelen wat hij nu voelde. Hij wist het niet. Hij wist niet waar ze was en hij durfde al helemaal niet te denken hoe ze het maakte. Schrikbeelden overtreffen de werkelijkheid immers altijd. Hij wist dat hij er niet aan mocht toegeven. De wormen die hij nu voelde zouden dan immers in slangen veranderen en dan was alles verloren. Als hij zich niet meer kon beheersen, zouden ze hem definitief laten opnemen en deze keer zou hij geen keuze hebben.Xenion sloot zijn ogen. Het licht van de maan kon niet onder zijn oogleden doordringen. Zijn gedachten hadden dus nog kans op plaatselijke opklaringen. Hij deed zijn ogen niet meer open en dacht na. Hij moest het doen. Met een wilde vaart begon hij in cirkels rond te draaien, maar zijn ogen hield hij gesloten. Ze zou hem wel weten te vinden. Of hij haar. Hier blijven was geen optie. De brokstukken waren van hem en hij zou zijn toren ook weer doen verrijzen. Maar niet nu. Zijn gesloten ogen vertelden hem dat hij nu moest conserveren en vertrekken. Hij twijfelde een seconde. Hij wist welke invloed de maan op hem zou hebben. De dolgeslagen waanzin was nabij. Hij deed het toch en zag het licht. Nu pas wist hij wat zijn missie was. Hij moest de halve maan weer volledig maken. Hij wist niet waar ze was, maar hij zou Loena vinden. Met vastberaden blik verliet hij zijn vertrouwde verbrokkelde omgeving.

Expialidocious
0 0

Sterrefietje

'Wat vind jij het mooiste aan de sterren, Florian?' 'Wat ik het mooiste vind?' 'Ja.' 'Ik weet niet, Edith... De sterren zelf, eigenlijk, denk ik.' 'Ik vind de sterren zelf helemaal niet zo speciaal...' 'Oh.' 'Het is de afstand en de onbereikbaarheid die alles speciaal maakt.' 'Ja, dat bedoelde ik.' 'Mmm...' 'En ik vind het ook mooi dat ze zoveel licht geven.' 'Sterren geven helemaal niet zoveel licht.' 'Ik vind hun zacht oplichtende verschijning leuk. Zo beter?' 'Ja.' 'Mooi.' 'Ga je de hele reis zo kribbig zijn, Edith? Ik heb er even geen behoefte aan. Je zou blij moeten zijn dat we er eens helemaal tussenuit zijn. Het zal je goed doen.' 'Hmm.' 'Ben je niet blij dat we hier samen kunnen zijn?' 'Jawel.' 'Zo komt het anders niet over.' 'Dan is dat maar zo.' 'Nee, dat mag helemaal niet.' 'Florian, doorheen het jaar ben jij anders wel de kribbigste van ons beiden. Nu is het even mijn beurt. Ok? Laat me gewoon even wennen aan de vakantie. Ik heb het hele jaar hard gewerkt en jij wou zou nodig meteen op vakantie vertrekken.' 'Ja, dat is toch super. Dan ben je er meteen uit.' 'Dat is helemaal niet 'super'. Ik zit nog helemaal in het werkritme en ik voel me onrustig omdat ik niets om handen heb. Ik heb zelfs hoofdpijn omdat ik niets heb om me op te focussen.' 'Hoofdpijn? Krijg jij hoofdpijn van vakantie? Dat is wel sterk.' 'Ja, hoofdpijn, ja. En een beetje begrip van jouw kant zou dan ook mooi meegenomen zijn.' 'Een beetje begrip? Edith, ik ben ongeveer de meest begripvolle man op deze aardbol. Ik regel een romantische sterrenhemelnacht aan het begin van onze vakantie, jij zit de hele tijd te mekkeren en ik ga er amper op in. En dan vind jij dat ik weinig begrip toon?' 'Je weet dat ik liever niet holderdebolder was vertrokken. Het is echt nog een zeer stresserende dag voor me geweest vandaag. Ik moest alles afhandelen waarvoor ik volgens mijn planning nog tot morgennamiddag de tijd had. Aangenaam is anders.' 'Ja, maar het is toch gelukt?' 'Dat wel, maar da's ook ongeveer alles wat je kunt zeggen. Ik ben er zeker van dat ik beter...' 'Edith alsjeblieft, laat het werk nu toch rusten. Je hebt vakantie. Ken je dat eigenlijk wel: vakantie?' 'Doe niet zo idioot.' 'Ik doe helemaal niet idioot. Jij kent dat concept nu eenmaal niet. Ik zal het je moeten leren. Kijk toch eens naar boven, lieve schat. Dat is toch gewoon mooi. Geniet daar dan toch eens van.' 'Maar ik geniet ervan.' 'Hoe komt het dan dat er daar zo weinig van te merken is?' 'Ik weet het niet.' 'Laat je werk nu gewoon een tijdje helemaal los. Je hebt dit verdiend... En als je naar boven kijkt, dan moet je toch de relativiteit van je werk ook gaan inzien. Want het is allemaal zeer relatief wat we doen.' 'Dat weet ik.' 'Dan is het goed.' 'Ik vind de sterren ook wel mooi. Fascinerend ook.' 'Dat zijn ze zeker. Niet in het minst omdat ze zo onbereikbaar zijn. Even onbereikbaar als jij soms voor me bent, Edith.' 'Wat zeg je nu weer?' 'Soms kan ik je gewoon niet volgen.' 'Dat is dan jammer.' 'Dat is het zeker… En nu doe je weer zo kribbig. Waarom toch? Ik doe mijn best.' 'Dat heb je dan wel zelf gezocht. Ik ga naar binnen. Ik ben moe en ik wil slapen.' 'Komaan, dat meen je niet. Het is veel te warm om nu al te gaan slapen. Hier heb je nog een fris windje.' 'Ik ben moe.' 'Je kunt hier toch ook even dutten. We kunnen zelfs slapen onder de sterrenhemel. Zou dat niet leuk zijn?' 'Nee, dat zou niet leuk zijn.' 'Komaan Edith, een beetje avontuur zoals in de goede oude tijden.' 'Oh ja, want jij bent een ontzettend avontuurlijke ziel. Ik ga slapen, Florian. Ik ben echt moe.' 'Edith. Wacht nog even. Laten we toch genieten van ons eerste avondje vakantie. We kunnen morgen toch uitslapen. Laten we eerst de sterren nog proberen te tellen, wat denk je?' 'We zullen ze morgen tellen, meneer de romanticus. Ze lopen niet weg. Slaapwel.'

Expialidocious
0 0

Licht

1 de boom De zon schijnt door het raam op mijn bed. Ik kijk van in de deur naar dat licht. Ik ben al een paar uur op, maar ik krijg het niet uit mijn hoofd. Het doet raar met de boom weg. Het licht zit niet meer vast in zijn kruin. Het is vrij nu. Ik zie plots veel meer: een lens op de grond, een pluk stof in de hoek, veel haar, een bord met droog brood, een tas thee die leeg is. Het lijkt wel of ik hier al lang niet meer woon, of een geest ben van licht met het huis als een week na mijn dood. Ik zet de tas in het bord en het bord op een stoel. Dan veeg ik al het vuil in een hoek. Ik maak een doek nat en wrijf elk ding glad tot het blinkt. Ik zet elk scheef boek weer recht. Dan kijk ik rond. Het lijkt nog steeds of ik hier al lang niet meer woon, en een geest ben van licht met het huis als een week na mijn dood, maar dan net voor men het huis weer te koop stelt. 2 de fiets Ik spoel mij schoon, droog me af, en kleed me aan. Dan eet ik brood met jam. Ik bel ook Troel op. Troel woont om de hoek. We gaan vaak met de fiets naar de brug. Hij mag me wel, Troel. Hij praat niet veel, maar ik weet dat ik zijn vriend ben. “Gaan we weer naar de brug?” vraag ik. Ik hoor veel wind in de lijn. Hij is vast al op weg. “Is goed. Ik ben er zo.” “Goed,” zeg ik, “ik zie je daar wel.” “Tot straks dan.” “Tot straks.” Ik ga naar het hok en neem mijn fiets die aan het raam staat. Het is geen weer meer voor een jas, maar ook nog geen weer voor een hemd of voor een trui. Ik heb niet graag te warm als ik fiets; ik rij me toch steeds in het zweet. En het zou hard gaan nu er geen boom meer recht stond in de stad. De wind heeft vrij spel nu. Net als het licht. Mijn wiel van voor draait rond en rond, spaak na spaak, in een rol van goud. 3 de brug Troel gooit een steen in de beek en ik leg mijn fiets naast die van hem op het gras. De brug in de lucht was hoog als een huis. Er kon vast wel een boot door. “Hoi Troel,” zeg ik. Hij werpt nog een steen. “Dag Paul,” zegt hij, maar hij kijkt niet om, “hoe gaat het?” “Goed hoor. Jij?” Troel werpt nog een steen, die drie vier keer op en neer springt en dan zinkt met een plop. “Ik moest al op school zijn,” zegt hij. “Hoe komt het dat je niet op school bent?” vraag ik. Hij zet zich naast me op het gras. “Het is vast de tuin. Ik slaap slecht nu die leeg is. Er is zo veel licht op mijn bed.” Dus ook bij Troel. Wat was er toch aan de hand in de stad? Plots staat Troel op en kijkt naar iets ver weg. Hij wijst. “Kijk, Paul!” Ik kijk en dan zie ik dat het een boot is, een boot met een vracht van hout. De boot komt op ons af. 4 de boot Troel is heel snel op de brug. Als ik naast hem sta, is de boot al niet zo ver weg meer. Met mijn hand als een klep scherm ik de zon af. Aan het roer meen ik een man met een baard van grijs glas te zien. Hij heeft een heel klein hoofd en een bril. “Waar gaat al dat hout heen?” vraag ik. Troel kijkt streng. “Ik weet het niet. Maar er klopt iets niet.” De boot is nu al aan de brug. Aan het eind van het dek hangt een groot blauw zeil dat spant als een pauk. “Zie je dat zeil ook?” vraag ik. Troel knikt. “Wat denk je?” Mijn hart klopt traag met de slag van een golf mee. De boeg boort door. “Ik weet het niet,” zeg ik, maar Troel weet dat we het gaan doen. Hij klimt de rand van de brug op en hapt naar lucht als voor een duik. “Wacht, Troel!” roep ik, maar mijn stem smoort weg in de ruis van het schuim. Hij is al weg. Tot slot spring ik ook. Ik spoel neer in lucht. 5 de man Ik val hard neer met een bons. Het zeil is niet zo zacht als ik eerst dacht. Als ik me recht zie ik hoe Troel op zijn knie wrijft. Hij bijt ook op zijn lip. “Doet het pijn?” vraag ik. “Valt wel mee,” kreunt hij, “maar we zijn toch op de boot nu. Kom.” Rond ons ruist de wind en golft het schuim. Hoog in de lucht drijft een meeuw met ons mee. Troel is snel. Hij kruipt op het hout dat strak spant door een lint van staal. Ik sluip zo stil als maar kan in zijn spoor mee. Al gauw zien we de hut van glas waar de man met de baard met de rug naar ons toe staat. Hij kan ons niet zien. Dan schuif ik plots uit op het hout, nat van het schuim dat uit de beek spat. Ik schiet uit naar de rand van de boot en roep iets. Troel grijpt mijn hand. Dan draait de man zich om. Zijn mond is een barst in glas. Zijn bril is zwart als mijn angst. 6 de val Langs de hut heen snijdt de zon Troel en mij dwars in twee. Wij staan schaak in goud en zwart. De man komt uit zijn hut met een tred die de boot heen en weer schudt. “Ik denk niet dat dit schip drie man droeg toen het van de kaai weg voer,” zegt hij kil. Troel slikt. “Al dat hout hier,” zegt hij, “waar ga je met al dat hout heen?” “Dat hout is mijn zaak. Of toch op zijn minst de zaak van mijn baas.” “Met welk doel?” vraag ik. De man lacht. “Dom kind. Wat gaat jou dat aan? Ga van mijn schip af. Ik heb haast. Ik ben al laat.” Troel trekt zijn borst op. “Doe maar,” pocht hij, “kom maar op. Jaag ons maar van je dek.” Nu wordt de man boos. Hij komt op ons af en trekt aan mijn trui. “Kom, jong, van mijn boot, en snel. Raus!” Troel schopt met de top van zijn voet op zijn been en de man stuikt neer in een schreew. Dan duwt Troel hem naar de rand van de boot. Hij valt in het schuim en plonst en klauwt en trilt als een lamp in een bad. En de boot, die vaart door, met wij twee op het dek, en de man in het zog van zijn kiel. 7 het roer Troel juicht en joelt. Hij loopt naar de hut en gaat aan het roer staan. Ik hoor de beek heel luid nu, iets dat klotst in het dek als een wijn in een ton. Mijn hart bonkt. “Was dat wel goed wat je deed met die man?” vraag ik. Troel houdt het roer vast met één hand. Ik sta nu naast hem in de hut. “Die man deugt niet,” zegt hij, “hij was door en door slecht. Dat zag je zo.” Dat weet ik ook wel. Maar toch. Ik kijk door de ruit voor ons, en stel daar mijn geest op af. Licht speelt links en rechts met het riet langs de beek. Traag kom ik tot rust. Ik zie een eend die haar staart nat maakt. Haar bek blinkt. Rond haar oog plakt een bruin blad, daar waar ze krabt met haar poot. Ik tel ook een mus of twee drie, hoog in een dans. Dat dit maar lang zo blijft, denk ik. Ik voel me goed, met mijn buik van pluis en Troel aan het roer. Ik vraag me niet eens af waar we heen gaan.

Pimpelpaarse Peperpot
0 0

Proloog Poison love

Ze had me gewoon gebroken net als al de andere. Ik haatte het. Ik wou geen gevoelens meer kennen. Ik wil er vanaf zijn. Ineens was er een fel licht en kwam er een man met een zwarte cape tevoorschijn. 'Wie ben je?' Vroeg ik toch wel redelijk bang. 'Ik kan je helpen.' Zei hij met een diepe stem. Ik keek hem raar aan  wie kon mij nu helpen.'Met wat?' Vroeg ik. 'Ik kan je hart van steen maken.' Zei hij. Ik keek hem ongelovig aan. 'En dan ga ik dood.' Zei ik spottend en begon te lachen. 'Nee, je blijft leven alleen zonder gevoelens.' Zei hij. Ik keek raar aan wie kon dat nu doen? 'Echt?' Vroeg ik als bevestiging. 'Ja.' Zei hij. Hij stak zijn hand uit. 'Pak mijn hand aan.' Zei hij. Ik pakte zijn hand en voelde een helse pijn in mijn borstkas. Ik zakte door mekaar maar de man bleef mijn hand vasthouden. Ik wou hem los laten maar hij bleef me vast houden. Hij voelde die helse pijn niet. Ik sloot mijn ogen en toen ik ze opende was de pijn weg. Ik keek de man emotieloos aan. 'Voila het is gelukt.' Zei hij. Ik knikte onverschillig. Toen verdween hij terug in het licht. Ik stond daar even te staren naar het niks Toen besefte ik wat ik net had gedaan. Ik wou geen pijn meer voelen maar nu kon ik misschien ook niet meer blij zijn? Wat had ik gedaan. Maar het was te laat. Ik zou nu als iemand door het leven gaan met een stenen hart. Ik had het koud. Raar de zon schijnt en het is bijna september. Ik haalde mijn schouders op en liep naar huis direct naar mijn kamer. Ik sloot mijn ogen. Misschien viel het nog wel mee. Maar wat de duivel en Owen niet wisten. De vloek kon verbroken worden..

Malikx
0 0

Felidi: hoofdstuk 2

Thijs zat op de trap in een verlaten gang van de school. Zijn hand lag denkend tegen zijn gezicht. Overal waren posters afgescheurd. Op één kon je nog zien dat het over het schoolkoor ging. Hoger op de donkergroene muur waren schilderijen van leerlingen gehangen. Er was er één met een zwaan. Of het leek er alleszins op. Thijs vond dat het wel iets had. Eigenlijk was hij nog nooit eerder naar school geweest. Behalve op de trainingsacademie. Maar dat was meer met wapens vechten dat zittend op een stoel naar volwassenen luisteren. Hij vond het laatste meer een kwelling. Thijs keek even rond in de hal of er niemand te zien was. Als hij merkte dat niemand kwam haalde hij een dolk tevoorschijn. In het handvat kon je een welp van een tijger herkennen. Samen met zijn moeder. Hij draaide het mes zo dat hij de spiegeling van zijn gezicht in de dolk zag. De jeugdpuistjes stonden overal. Hij wilde soms krabben maar besefte dat het erger zou worden. Hoe moest hij dit nu aanpakken? Hij wist bijna zeker dat het ene meisje bij hem in de klas zat. Diezelfde ochtend had een roodharig meisje over haar verteld. In geuren en kleuren. Ze heette Tine of zoiets. De schoolbel klonk luid door de gangen. Thijs zijn hart bonsde in zijn keel. Paniekerig keek hij rond. Is het al zo laat? Hij wilde zijn dolk wegsteken maar in de spiegeling herkende hij het meisje. Zijn hart ging nog sneller. Zou ze zijn dolk gezien hebben? Er zat maar één ding op. Ontvoering. De zon scheen fel in Lieze haar gezicht. Was het dan allemaal een droom? Ze probeerde zich weer te herinneren wat er gebeurd was. Nee, het was echt. De halsketting rond haar nek was het bewijs. Ze slaakte een zucht. Ze voelde met haar handen aan het gras dat onder haar lag. Het gaf een prettig gevoel. Het deed haar denken aan vroeger. Toen ze samen met haar vader door de tuinen holden in het park. Samen vogels spotten, genieten van het zonnetje. Ze moest zeker in slaap gevallen zijn in de tuin van het kot. Na haar gelukte ontsnappingspoging. Ze waren nu waarschijnlijk volop op zoek naar haar. Hier konden ze haar nooit vinden. De tuin was omringd door drie bakstenen muren. Op één hing een vogelhuisje. Die had ze samen nog eens beschilderd met Tina. Tina! Ze moest haar vertellen wat er gebeurd was. Maar ze twijfelde. Wat als ze haar niet wilde geloven? Oké ze deelden alles met elkaar maar dit? Lieze stond recht en liep naar binnen. Ze nam haar gsm bibberend in haar handen. Ze zal waarschijnlijk nu middag hebben. Ze tikte haar telefoonnummer in en in haar oor hoorde ze de gsm afgaan. Ze hoorde de vertrouwde stem van Tina aan de andere kant van de lijn. 'Tina, ik moet je wat vertellen' zei ze met een bibberende stem. 'Laten we naar de bibliotheek gaan?' stelde Tina voor. 'Ik weet niet.' antwoordde Lieze. 'Je kan moeilijk negeren wat er gebeurd is hé.' Tina had gelijk. Het zou sowieso niet bij die ene keer blijven. Ze waren naar haar op zoek en ze kon haar niet eeuwig verstoppen. 'Lieze? Ben je er nog?.' hoorde ze Tina zeggen. Maar haar keel leek dichtgeknoopt. Het maakte haar bang. Deze morgen was ze nog ontvoerd en nu waren ze terug naar haar opzoek. Misschien wilden ze haar vermoorden. 'Oké Tina, ik ga mee!' Lieze liep naar de hal en nam haar zwarte jas, sloot de deur en nam haar fiets. Ze spurtte naar de bibliotheek aan het einde van de straat. De zon stond laag en Lieze zag bijna geen steek van het verkeer. Tina stond al in de verte op haar te wachten. Haar oranje bos krullen waaide lichtjes mee in de wind. 'Tina!' riep Lieze. Ze sprong van haar fiets en omarmde haar stevig. 'Je moest eens weten hoe bang ik daar ben geweest. Ik heb je gemist.' zei Lieze opgelucht. Haar tranen branden achter haar ogen. De hele ochtend wilde ze huilen, schreeuwen... Maar ze wist dat het snel voorbij zou zijn. Nu durfde ze zeker nooit meer onder Thijs zijn ogen te komen. Dat Tina bij hem geslijmd had was nog het minst ergste. 'Als we informatie en bewijzen kunnen vinden en hen aangeven aan de politie is alles voorbij.' probeerde Tina haar te troosten. Ze wreef met haar hand tegen Lieze haar rug. 'Misschien kunnen we beter naar binnen gaan.' stelde Tina voor. Samen wandelden ze het grote gebouw binnen. De muren waren binnenin betegeld met lichte tegeltjes. Op sommigen stond een kleine tekening. Boven hun hing een grote kroonluchter met duizenden kleine diamanten die door het licht van buiten erg glinsterden. Een vreemde inrichting voor een bibliotheek dacht Lieze. Ze wandelden samen door de gangen van boekenkasten. Het rook naar inkt, papier en stof. 'Hier is iets!' zei Tina. Er hing een bordje op de boekenkast waarop in witte letters katachtigen geschreven stond. Lieze liet haar vingers langs de boeken glijden. Maar geen enkele titel beantwoordde aan haar eisen. Ze begon zelfs te niezen van al het stof dat vrij kwam van de boekenplanken. Waarschijnlijk werd hier nooit gekuist. 'Wacht, ik zal eens naar de bibliothecaresse gaan. Misschien heeft zij wel belangrijke informatie.' zei Tina vrolijk. Terwijl ze weg huppelde zocht Lieze verder. Haar ogen vielen op een blauw boek met witte letters. In het groot stond op de voorkant Tijgers en toverkracht geschreven. Ze opende het boek en een stofwolk kwam tevoorschijn. Lieze begon nog erger te hoesten als hiervoor. Er werden hier en daar wel eens tijgers gespot die later in mensen veranderden. Maar nooit kon iemand een bewijs geven van deze vreemde wezens. Lieze wist genoeg. Ze bladerde nog even verder tot ze voetstappen hoorde. In paniek stak ze het boek onder haar truitje. Tina mocht absoluut niet weten dat ze meer wilde weten over Felidi. Want dan zou ze ongerust zijn en haar tegenhouden. Maar iets zei haar dat ze gewoon moest verder doen wat er ook gebeurde. 'Lieze, ik heb goed nieuws!' riep Tina. In haar handen lag een groot rood boek. Gouden, sierlijke letters versierden de voorkant. Alleen was niet duidelijk wat er stond. De letters leken uitgeveegd en precies onzichtbaar. Op de achterkant zaten acht gaten. 'We mogen het boek houden!' voegde Tina eraan toe. 'Maar wat staat erin?' vroeg Lieze. Tina prulde aan het slot maar het gaf niet prijs. Teleurgesteld keken ze allebei naar het boek. Lieze wist bijna honderd procent zeker dat het met Felidi te maken had. Maar dat het boek niet openging was toch irritant. 'Ik heb een idee!' zei lieze. 'Een slotenmaker!' 'Ja, maar waar weet je één zijn?' 'Buiten de stad. Maar twintig minuutjes met de fiets.' 'Dat is wel ver.' 'Komaan Tina, we gaan toch niet terugkrabbelen?' 'Je hebt gelijk!' Ze wandelden samen buiten. Het deed goed om even weer frisse lucht in te ademen dan die vuile stof. Lieze liep richting haar fiets en wilde de sleutel in het slot steken. Maar in haar ooghoeken zag ze iemand. Wel iemand zeer bekend. 'Tina! Bukken!' gilde Lieze. Tina klom achter een geparkeerde auto naast Lieze. Ze keken samen door de ruiten van de auto. Thijs liep zoekend over het pad van het park. 'Wat is er Lieze?' Vroeg Tina verward. 'Degene die mij ontvoerd heeft loopt daar.' 'Wat wil je nu doen? Je kunt je niet eeuwig verstoppen.' 'Nee, ik wil bewijzen hebben om naar de politie te gaan en dan kan ik stoppen met verstoppen.' 'Maar hoe weet je zeker dat hij hier alleen is?' Daar had Lieze inderdaad nog niet over nagedacht. Vluchtig keek ze rond maar ze herkende niemand. Iedereen kon een spion zijn. Zelfs een oude vrouw met een boodschappentas. Ze kreeg het benauwd. Wat als hij haar weer te pakken kreeg. Misschien deed hij dan wel vreemde experimenten met haar. Voor haar ogen zag ze hoe ze vastgeketend zat terwijl ze de dokter zag rommelen met wat buisjes. Met haar hand probeerde ze haar gedachten weg te vegen. Ze mocht zeker niet negatief denken. 'Tina, je moet hem afleiden!' 'Hoe wil je dat ik dat doe?' 'Praat met hem over het weer ofzo.' Ze zag Tina twijfelen. Haar hand hing denkend naast haar gezicht. Zonder een woord te zeggen stond ze op en liep op Thijs af. Lieze slaakte een zucht. In de verte zag ze hoe Thijs haar probeerde te ontwijken. Maar Tina gaf niet prijs. Nu was haar kans. Lieze sprong recht en rende de straat over. Maar één ding was ze vergeten. Auto's reden op straten. Twee grote koplampen kwamen op haar af. Een gil deed iedereen op straat verstijven. Ze voelde hoe het koude ijzer van de auto haar raakte. Ze voelde hoe ze lichtjes zweefden en hoe heel de straat rond haar draaide. Haar ketting raakte de grond en barste. Dit kon zeker niet goed zijn. Overal voelde ze steken en pijn. Ze voelde hoe er overal weer haar verscheen op haar lichaam. Ze transformeerde zomaar op straat! In haar ooghoeken zag ze Thijs op haar afrennen. Ze wilde rechtklimmen maar ze had bijna geen gevoel in haar been. Waarschijnlijk lag hij er ergens afgescheurd op straat. Zwarte bolletjes vertroebelde haar gezicht. Ze wilde er tegen vechten. Maar het lukte niet. De bolletjes wonnen...

Lentinaxxx
0 0