Lezen

Pssssht

  Het gesis klinkt lekker. De kunst is om niet te diep te gaan, dan loopt de band te vlug leeg en dat levert geen geluid op. Dit wel. Dit is écht lekker. Maar om een voldaan gevoel te hebben, moet er minstens een band of twintig naar de kloten. Nummer vijf is al aan de beurt: een keihard opgepompte en vrij brede achterband op een fonkelnieuwe retrobatavus. Een witte band. Die witte zijn om nat van te worden, omdat dit de kleur is die God voor rubber heeft bedoeld. Voor tortelduifjes ook. En hoop. En hoop? Op de dag na haar veertiende verjaardag kon haar vader haar lamlendigheid niet meer aanzien. Hij snokte het onnozele boekske uit haar handen. Zijn snor trilde van de ingehouden emotie en zijn rug was zo recht als de zwaartekracht die wij het leven noemen hem toeliet. Hij kondigde met volle stem aan: “Uwen band staat al twee weken plat. Als ge dedju nog genen band kunt plakken, wat gaat ge dan aanvangen in het leven? Kom, dat ik wat poten aan uw lijf kweek. Ge zult ze harder nodig hebben dan verhaalkes over dinges die toch niet bestaan”. Ze had zichzelf, haar boekskes en de manier waarop zij haar dagen placht te slijten nog verdedigd: “Maar vader, dat boek gaat over de liefde”. Zijn blik werd triomfantelijk spottend: “Hewel, wat zeg ik u juist?” Ze had geplooid als een Brompton. Hij begreep het toch niet. Bovendien was haar boek dichtgevallen en wist ze de pagina niet meer.   Tsjak! Dan slaat haar hoofd met een plotse slag naar voor, tegen de bagagedrager van de fiets en met nog een slag weer naar achter. Een eeuwigdurende nanoseconde later voelt zij haar benen slap worden. Daarna pas komt de vernietigende pijn in haar achterhoofd en nek. Vervolgens gaan haar lichten uit.   Het bandenplakproject was niet gewoon weer een bevlieging van haar vader. Ze werd gedrild in het plakken. Elke dag moest het gat beter en sneller dicht. En gaten waren er genoeg. De kasseien lagen in die dagen nog slecht en er was een rage onder de jeugd die te maken had met spijkers en de openbare weg. Zonder al te veel moeite vond haar vader dus materiaal voor haar om op te oefenen. Op sommige dagen was dat slechts één band, op zomerdagen vol fietsende jongemensen wel vijf of zes. Ze werd beter, handiger en vooral sneller. Vijf kapotte banden betekenden na enkele maanden oefening slechts een onderbreking van tien minuten tussen twee liefdesromans door.   Ze is met haar gezicht naar boven op de grond gevallen. Er zit een kartelige snee naast haar oog. Het bloed zoekt langs haar oor een bochtige weg naar beneden en druppelt gestaag in de capuchon van haar Dickies hoodie. Je kan in een streep flauw licht haar gezicht zien. De rest van haar lijf is buiten het zwakke schijnsel gevallen dat het lampje van de berging voortbrengt.   De vader ging steeds verder fietsen zoeken. Hij gaf zijn job op en kocht van de erfenis van zijn ouders een kleine open vrachtwagen waarmee hij door de hele stad en langs de dorpen aan de rand reed op zoek naar fietsen met een lekke band. Omdat marketing niet ’s mans sterkste kant was, en omdat businessplannen toen nog niet bestonden, merkte hij al snel dat hij meestal slechts schamele centiemen kon vragen voor een plakbeurt. De mensen aan de rand van de stand stonden wantrouwig tegenover een bandenplakker die zomaar zijn diensten kwam aanbieden. Wat ze vertrouwden en waarnaar ze verlangden, was een volledige en overprijsde fietsherstellingsdienst. Maar fietsen herstellen kon hij niet. Plakken was het enige dat hij zijn dochter desbetreffende had kunnen doorgeven, en zelfs dat kon ze nu sneller en beter dan zijn onkundige handen hem ooit zouden toelaten. Uiteindelijk verdiende hij aan de banden zelf net genoeg om de benzine van zijn camion en de aanschaf van zijn rustinnekes te dekken.   Haar aanvaller loopt in paniek met zijn nog zatte botten bijna onder de wielen van een voorbijscheurende HumVee. Eén van zijn sloefen met carreaumotief blijft liggen, zijn peignoir waait open en hij rent verder, van de straat terug het plein op. Zijn huis met uitzicht op het plein is nog dertig meter van hem verwijderd.   Op de dag na haar vijftiende verjaardag kon haar vader de beschuldigende ogen van zijn vrouw, die zich schaamde brood op de poef te moeten kopen, niet meer aanzien. Hij rechtte nogmaals de schouders en besloot een briljant idee dat hij die nacht had gekregen uit te voeren. Onder platanen die geduldig ouwe ventjes met alle tijd van de wereld beschutten, sleurde hij met de staande klok van zijn ouders. Die zette hij in het midden van het plein waar na school ook zijn dochter ging zitten. Hij had eindelijk beseft dat de kunst van zijn dochter meer spektakel- dan eigenlijke waarde had. Hij zou van haar kunde een show maken.   Nog twintig meter. Nog tien. Nog vijf meter, tot hij struikelt over het koord van zijn peignoir dat langs rechts uit zijn houders is gegleden. Zijn hoofd slaat tegen een van die oude platanen die de stad binnen enkele dagen zal gaan verwijderen. Wat oud is en gaten heeft in de kruin, moet weg.   “Minder dan een minuut, dames en heren. In die tijd heeft dit wonderkind een fietsband hersteld. U kan dat hier zelf volgen op deze klok. Komt dat zien! Aanschouw met uw eigen ogen. Jawel mijnheerrr, zoiets hebt gij nog nooit niet gezien.” En de mensen bewonderden en kirden voor de combinatie van kunde en aaibaarheid van het wonderbaarlijke bandenplakkertje. Gul smeten ze centiemen naar de emmer die de dochter in haar leerperiode had gebruikt om lekken te vinden. Zij gebruikte nu haar aangescherpte gehoor waarmee ze zelfs het kleinste lek feilloos kon detecteren en lokaliseren. Elke toon van ontsnappende lucht was een klein pleziertje dat de vernedering van haar vaders mini-freakshow draaglijk maakte. Soms deed ze zelfs alsof ze een gaatje niet onmiddellijk vond, zodat ze de band opnieuw kon oppompen; haar vader besefte niet dat ze in die minuut die ze niet mocht overschrijden zonder dralen gemakkelijk twee banden had kunnen plakken.   Twee jongens met capuchon die langskomen zien een zotcool knipmes dat in een witte achterband steekt. Lachend om het lot dat hen zo welgezind is, wil de kleinste het mes uit de band trekken.   Er waren jongens die weddenschappen met elkaar aangingen. Van hún band zou ze het lek nóóit vinden. Ze maakten de minuscuulste gaatjes ooit waargenomen. Ze slaagden er soms in het gaatje minder dan een speldeprik groot te maken. Er waren er zelfs die nog een week met hun fiets naar school konden rijden voor hun gesaboteerde band de gewenste platheid had bereikt om hem met een uitdagende blik aan dat meisje op het plein te gaan geven. Ze hoopten dat het meisje hun lek, als eerste ooit, niet zou vinden. Ze droomden dat zij ook in haar eens een gaatje mochten prikken. Nooit werd hun hoop waarheid. Nooit leek het meisje zelfs onder de indruk van hun nauwgezet aangebrachte lekje. En iedere keer weer wist ze het lek zonder zichtbare inspanning te lokaliseren. In ieder geval liepen de zaken eindelijk, tot opluchting van haar vader.   Zijn blik is gefixeerd op het mes, de donkere vorm voor zijn voeten ziet hij niet tot hij erover struikelt. “Wajoo. Hier ligt iemand.” Zelfs de komst van een moderne fietsverkoop/herstellingswinkel op het plein maakte de mensen niet minder gretig hun lekke banden naar het wonderkind te brengen. Het verbaasde de nieuwe fietsenmaker dat de freakshow op het pleintje concurrentie vormde voor zijn moderne winkel. Toen hij het pand kocht en de winkel opende, had hij zorgvuldig nagedacht over de locatie van zijn zaak en over het mogelijke cliënteel. Banden plakken zou zijn melkkoe worden. Banden herstellen is een klusje van niets. Iemand die een greintje verstand in zijn kop heeft, geeft geen geld uit aan iets wat hem tien minuten kost om zelf te fiksen. Toch, zo was de fietsenmaker in zijn leertijd bijgebracht, brachten brave oude meekes en onhandige schoolmeesters hun platte band binnen, dankbaar omdat de fietsenmaker hen beloofde een rijklaar voertuig te bezorgen tegen de volgende dag en tegen een schappelijke prijs. In banden plakken investeer je als fietsenmaker een minuut of vijf tijd en een frank of nul onkosten en je maakt twintig frank nagenoeg pure winst. Maar toen bleek daar dat meisje te zijn dat zijn gemakkelijke werk afpakte. Een meisje dat bij nadere inspectie sneller bleek te zijn dan hij. Een jong ding was het, zeventien ofzo, met een afwezige blik in een schoon gezicht. Een simpele duif voorzekers, maar braaf, dat kondt ge zien, en snel, dat bewees ze elke dag. Hij zag het duidelijk; zij zou zijn zaak het succes geven dat nu nog ontbrak. “Gast, belt ne ziekenwagen. Maar pakt eerst da mes.”Nu houdt niets de lucht nog op zijn plaats.   De fietsenmaker stapte zelfverzekerd af op het groepje mensen dat zich al rond het bandenmeisje had verzameld. Met een luide stem en een spottende grijns vertelde hij het aanwezige volk dat hij een fiets had meegebracht met een platte band waarvan hij het lek maar niet kon vinden, en als hij het niet vond, dan kon niemand het vinden. Onder de indruk van zijn vanzelfsprekende autoriteit lieten de wachtenden deze nieuwe speler in het bandenspel voorgaan. Routineus onderzocht het bandenmeisje de gloednieuwe platte voorband. Twintig seconden. Dertig. Veertig. Vijftig! Een minuut! Ooh. Amaai. De fietsenmaker bulderde met zijn hoofd in zijn nek terwijl het bandenmeisje hem onzeker aankeek en voor het eerst opmerkte wat een schone man haar daar voor haar neus stond uit te lachen. “Ge moet niet ongerust zijn schatteke. Ik heb die band gewoon laten leeglopen. Die fiets, dat is hier een echte Batavus: een Hollandse kwaliteitsvelo. Dat geraakt zo rap niet lek zulle. Ja dames en heren, fietsenhandel Vermeulen Sport, daar is mijne winkel, daar kunt ge er ook zo een kopen. En gij daar, chouke, ge moet u dat niet aantrekken, het was maar om te lachen, dat gij een lek niet zoudt kunnen vinden, allez kom. De smeerolie kan niet verstoppen wat voor een vaardige pollekes gij hebt.”Zo heeft de nieuwe fietsenmaker haar binnengedaan, toen hij nog fit was en die sprankel in zijn ogen haar deed kirren als een tortel. De puisterige jongens van het plein sloegen zich voor het hoofd omdat zij nooit met dit idee op de proppen waren gekomen, briljant in zijn eenvoud. En het bandenmeisje dacht in hem de Heathcliff van de fietswereld te hebben ontdekt. Maar al snel na hun trouw bleek haar beeld van de man die haar met zijn lach van haar krukje deed daveren een luchtbel die, eens doorprikt, pijn deed en stonk naar café De Prijsduif.   Sinds de fietsenmaker reuma heeft, slaat hij niet meer, ook niet als hij zat is, het doet te veel zeer. En hij heeft al jaren geen poging meer gedaan om op haar te kruipen, dat interesseert hem niet meer. Maar het vooruitzicht van zijn onregelmatige dronkenmansasem in haar gezicht doet haar elke avond woelen in bed tot ze steeds weer besluit om eropuit te trekken. Wanneer de vogel is gaan vliegen, moet zij steken. Hoe meer lekke banden, hoe beter. Zeker wanneer het de band van een mooie Batavus betreft. Hét merk. Zíjn merk. 'Ik rij liever daarop, dan op mijn wijf!' riep hij elke marktdag. Het sissen brengt rust. Alles komt goed. Elke lek stopt het gat. Daarom trekt ze de kap over de kop, de nacht in, het plein op.de fietsenmaker is geërgerd naar huis gegaan, uren vroeger dan gewoonlijk. Hij mocht van Walter zijn sigaarkes niet meer binnen in het café roken, omdat die onlangs controle had gekregen op het naleven van een dwaze wet van een dwaze minister. Hij heeft zijn zetel tegen de vitrine geschoven zodat hij vanuit de donkere winkel het goedverlichte plein kan aanschouwen. “Zit die vuile Marokkaan daar nu aan fietsen te klooien?” denkt hij wanneer hij in de schemerige fietsenberging aan het station een donkere figuur ziet, met capuchon, geknield op een schuimrubberen mat. De fietsenmaker krijgt het schijt van deugnieterige hangjongeren met een capuchon. En dan nog prutsen aan een Batavus Retromaster, het nieuwe model dat hem zo doet denken aan de tijd dat hij juist met zijn winkel was begonnen. Van kwaliteitsgerief moeten ze met hun vorte puberpoten afblijven. Peignoir aan, sloefen aan, het plein over, de pijn van zijn botten verbijten en PAK VAST, LEEGLOPER!   Ze bloedt!Pshhhht. Ademt ze nog?   Is ze dood? Is haar man dood? Er is in ieder geval een witte duif op zijn kop, naast zijn rechteroog aan het schijten. Roekoe, klootzak.

Frederik
0 0

Een lift

  Een lift. In de lift drie jonge meisjes. Twee van de meisjes zijn erg slank. Ze dragen iets wat op een schooluniform lijkt. Hun rokje is hoog opgetrokken en een logo is duidelijk zichtbaar op hun rokje en op hun kniesokken. Het derde meisje is corpulent. Ze heeft kortgeschoren grijs haar. Ze draagt witte sportschoenen, een trainingsbroek en een smoezelige witte tanktop. Ze heeft een tattoo van een pin-upmodel op haar rechterschouder. Haar zelfgerolde sigaret zit uitgedoofd te wachten achter haar oor. Zij houdt een krant vast.     Sylvie:             Dag meisjes.   Sylvie:             (rolt haar ogen, fluistert duidelijk hoorbaar) Omygod, die denkt écht dat ze Sylvie is ofwa?   Sylvie:             ‘Mai, ik weet dat ik zo keigeflatteerd moet zijn omdat iedereen míj wilt zijn. En ik was da in ’t begin wel ofzo. Allé ja, ik vond da wel bangelijk ofzo, maar ook wel grelleg, alléja, weette?   Sylvie:             Ik vind da echt grellig aan het worden ze. Gisteren in de toiletten was iedereen mij aan het nadoen, keiráár. Die waren zelfs aan het kijken welke lippenstift dakik gebruik. Ja, ik had da natuurlijk nie op voorhand gepost. En ik vind da wel bangelijk enal dak ik zevenhonderd followers heb. Maar weette, da is toch nie mijn schuld dat die allé ja Korte stilte.                         Sylvie wille zijn ofzo?   Sylvie:             Écht è? En de die (knikt richting Sylvie) is zó fake. Die ziet er nie eens uit gelijk ik. Zot dakik een Pumabroek gaan aandoen zeker? Dat had ik zelfs in het derde niet meer aan, FAIL!   Sylvie doet alsof ze dit gesprek niet hoort. Ze bestudeert aandachtig de sportpagina’s.   Sylvie:             Omygod, gisteren stuurde Robin (stemvolume naar beneden, kijkt vanuit   ooghoeken naar Sylvie) ‘So hot…NOT’, me ne foto van geweetwel.   Sylvie giechelt achter haar hand De lift komt aan op de verdieping waar Sylvie moet uitstappen   Sylvie en Sylvie: (vriendelijk en opgewekt) Ciao Sylvie!   Sylvie:             (kalm, met nadruk) Het is Michel meisjes, Michel. Ik heb u dat toch al gezegd? En jullie heten Lauren en Anouk. Er is geen Sylvie. Sylvie bestaat nie. Stop hier toch eens mee. Moet ik het weer aan de mama gaan vertellen misschien?   Sylvie draait zich om en wandelt naar haar appartement. Sylvie en Sylvie blijven minachtend naar Sylvie kijken. De deuren van de lift sluiten terug.   Sylvie:             Wa een bitch, man. Zo’n air! Sylvie:             Écht è? Nepsylvie. Sylvie:             Écht è? Écht è? Écht è? (houdt vuisten gefrustreerd gebald en slaat op haar dij). Die slet kan er gewoon weer nie tegen dakik meer followers heb.

Frederik
4 0

Er zat een stegosaurus in

  Er zat een stegosaurus in   Toen ik daarna wakker werd, was de dinosaurus er nog steeds, en dat begon best onaangenaam te worden. Ik had ook al eerder overwogen om naar de spoedafdeling te gaan. Het enige wat me nu nog enigszins weerhield naar daar te gaan, was het vooruitzicht van een bijzonder oncomfortabele fietstocht. Ik had namelijk gevoeld dat de staart van de stegosaurus met zijn vier stekels achter het randje van mijn aarsopening was blijven haken. Toch was het me niet gelukt het ding er terug uit te trekken; vermoedelijk werkten de puntige beenkammen die zich nu aan de binnenkant bevonden als weerhaken. Toen ik me begon voor te stellen welke schade die schanjemansschoft met zijn beenplaten kon aanrichten in mijn endeldarm, werd het me zwart voor de ogen. Daarom besloot ik toch naar het ziekenhuis te rijden. En dát is mijn geluk geweest.   De rit naar het ziekenhuis was waarlijk de Apocalyps op trappers. Maar de echte hel kwam pas toen de vriendelijke dame aan het onthaal mij vroeg rustig op een bankje te gaan wachten. Een half uur van onmenselijke kwellingen later werd ik op slag stapelverliefd op dokter Bakker. Lydia. Zij voerde me mee van het helleportaal genoemd wachtkamer, door het vagevuur in een rolstoel, naar de hemel van de chirurgische grijptang. Zij, mijn anale engel, verwijderde de nemesis mijner geliefde uitgang met haar vaardige vingers integraal en onbeschadigd uit mijn kont. De stegosaurus heb ik nog steeds. De meesten hier hebben hem misschien al opgemerkt. Hij staat op de schoorsteenmantel om me te herinneren aan de fouten uit mijn jeugd.   Sinds de dag van de stegosaurus gebruikt mijn Lydia haar medische kennis en haar vaardige vingers om op een verantwoorde manier objecten aan mijn poepgat voor te stellen. Zij heeft me bovendien de geneugten van een darmspoeling ten volle leren kennen, mijn lieveling van het lavement. Zij zorgt er met haar zalvende zalven en haar helende handen voor dat mijn uiterste genot niet gepaard hoeft te gaan met helse pijnen achteraf. Zij heeft mijn endeldarm, en bij uitbreiding, mijn leven gered. Zij is mijn intracolonaire schat.   Lieve vrienden en familie hier aanwezig, beste ouders. Vandaag heeft Lydia van mij de gelukkigste man van de wereld gemaakt door mijn vrouw te worden. Dus drink, dans, zing, feest, maak er een heugelijke dag van. Santé!

Frederik
0 0

Blind date met de toekomst

Een paar dagen voor kerst keken we elkaar voor het eerst in de ogen. Ik herkende haar niet meteen, en zij mij nog veel minder. Hoewel ik haar doen en laten al een tijdje met meer dan gemiddelde interesse volgde, was het vreemd om haar plots in levenden lijve te zien. Het voelde niet vertrouwd, zoals ik had gehoopt. Eerder onwennig. Toch zeker die eerste 30 seconden. Daarna sloot ik haar in mijn armen en in mijn hart. Voor altijd. Zonder woorden. Zonder twijfel.   Blind dates zijn dubbeltjes op hun kant. De verwachtingen liggen meestal hoger dan de hakken of het coiffuur van de date in kwestie, zodat er vaak al in de eerste minuten gezocht moet worden naar compensatiemateriaal. Een helse klus: het gemiddelde eetcafé laat naast het gekletter van besausde borden en het ‘look at me, I’m an asshole’-gekraai van businesshaantjes geen betekenisvolle interacties toe. Met een beetje geluk spreken de blik en lichaamstaal van de persoon aan de andere kant van de tafel boekdelen zodat snel duidelijk wordt welk vlees men in de kuip heeft: een lammetje, een kip of een flink stel hersenen. En ja, soms gaat het goed. Soms gaat het zelfs beter. Vriendin Kat nam onlangs het onzekere voor het zekere en liet zich verleiden tot een blinde ontmoeting met een mysterieuze jongeling. Niet zomaar naast de deur, in welk geval ze de dans met een foute partner zonder veel gedoe zou kunnen ontspringen, maar meteen over de land- en taalgrenzen heen. ‘Het gras is daar misschien niet groener maar de tongval toch een stuk sexier’, argumenteerde ze, en we konden haar geen ongelijk geven, zelfs niet in het schoon Gents. Ze vloog naar haar afspraak met een kokerrok en een klein hartje en zweefde terug met een nieuw lief en een valies vol toekomstplannen. Gevallen voor die vlotte tong en vertrokken voor een schoon avontuur.   Of de liefde tussen mij en mijn decemberdate wederzijds is, weet ik niet. Ik heb het haar nog niet gevraagd, daar is het net iets te vroeg voor. Ik wil geloven van wel, maar eigenlijk doet het er niet toe. Al vindt ze mij de stomste griet van Europa en omstreken: zij is het voor mij. De zon en de maan en het beste van allebei. Ook al draagt ze wel eens tweedehandsbroeken die haar niet flatteren. En kleedjes die te ruim tailleren. Ook al trekt ze wel eens op de verkeerde momenten haar mond open en ruikt ze niet altijd even fris. Ik vergeef het haar. Ik vergeef haar alles. Want die blik in haar ogen, dat is kunst. Hedendaagse kunst, met een streep realisme en een klodder romantiek. Een werk van generaties dat niemand onberoerd laat. Vooral mij niet. Hoe het ons verder zal vergaan? Dat verhaal moet nog geschreven worden. Er zit in elk geval toekomst in. Ze zegt het niet met zoveel woorden maar ze voelt zich op haar gemak bij mij. Dat weet ik, want ze laat winden in mijn aanwezigheid. Mijn kersverse dochter.   (Column verschenen in Psychologies magazine - maart 2012)

a little bit of soap
0 1

797204

‘Ik zit naast de telefoon en wacht tot 's avonds laat, met een kloppend hart want mijn geluk hangt aan een draad, als je ook verdriet hebt wees dan niet te fier en draai 797204.’ Ik floot ’m wel eens tussen mijn tanden, die hit van Tura, in de tijd dat je nog moest draaien om te bellen. Een telefoon had toen nog iets magisch. Thuis hadden we er geen, dus als ik mijn lief wilde horen of over mijn lief wilde zagen, moest ik zelf uit mijn kot komen. Bellen vanuit een telefooncel, mijn god, de kwelling. Eerst het huis en alle broeken – ook de stinkende verschrompelde onderin de wasmand – afzoeken naar vijffrankstukken. En dan naar ’t kot stappen, dwars door het dorp, tot vlak naast de kerk. En bidden dat meneer pastoor niet zou passeren. Want die zou het zeker weer gezien hebben, de heiligaard, dat ik niet met ons ma aan het bellen was. Mijn rode oortjes zouden mij verraden. Mijn rug zou weer boekdelen spreken. Want hoe je ook draait of keert in zo’n kot, je staat er in je blootje. Emoties liggen er voor het grijpen. Liefde, woede en wanhoop echoën er luider dan verwacht. En die rijen wachtenden achter je, die staan erbij en kijken ernaar. Schaamteloos.   Neen, dan zijn we vandaag beter af. Met die mobiele toestanden van tegenwoordig hoef je je rode wangen, bezwete rug of bleitmuil tenminste niet meer met Jan en alleman te delen. Je kan rustig een ei pellen met je schoonmoeder terwijl je op de wc zit. Het wachtdeuntje van de aannemer uitkafferen in het tuinhuis. Een telefonisch interview afnemen vanuit een berghut im Schwarzwald, in een rendiertrui. Nog zo makkelijk. Maar willen we die privacy? Neen. We willen gezien en gehoord worden. Gisteren nog, voor mij in de rij aan de kassa: ‘ZEG SCHAT, NEEM JIJ DIE NIEUWE LEREN TAS MEE VAN MICHAEL KORS, ZE LIGT OP ONZE PIANO IN DE HAL, IN DIE WITTE ZAK VAN PRADA.’ ‘Proficiat madam’ wou ik nog zeggen, maar ze zwierde zo wild met heur haar en armen vol blinkende mobiliteit dat ik het maar zo liet. Leren tas. Michael Kors. Piano. Prada. Dat wil wat zeggen. Dat ‘schat’ de voeten vanonder zijn gat mag lopen voor haar. En dat wij stille getuigen mogen, excuseer, moeten zijn van haar succes. Eenzelfde scenario in de trein, de roepplek bij uitstek: ‘JA ’T IS IK. ZEG, IK ZIT OP DIE VAN 21 UUR KWART. JA, DRUK-DRUK-DRUK. ZEG, BEVESTIG JIJ VOOR DAT WEEKEND IN DE DORDOGNE, DAN KIJK IK MORGEN OP DE EUROSTAR WEL NAAR DE PLANNEN VAN DE BADKAMER. EN ZOETJE, WACHT MET DIE PASTA TOT IK THUIS BEN, GE WEET DAT IK MIJN LINGUINE HET LIEFST ZELF DRAAI MET MIJN MACHINE UIT PIEMONTE.’ Word je dan als medereiziger verondersteld spontaan recht te staan en te applaudisseren? Reik je zo’n man de hand en feliciteer je hem met zijn uitermate geslaagde leven? Of word je verondersteld nederig het hoofd te buigen en zwijgend je degradatie naar tweede klasse te aanvaarden, ook al zit je in dezelfde wagon?   Nu ons leven niet meer aan een draad hangt, lopen we ermee te koop. Nu we bevrijd zijn uit onze cellen willen we gezien en gehoord worden. Onze rug moet geen boekdelen spreken, dat doen we zelf wel. Zo luid en duidelijk mogelijk. En wie niet horen wil, krijgt een klets extra intonatie rond zijn oren. Want we hebben iets te bewijzen. En we zijn zo fier. Dus we leven bij de gratie van de ander, op de tonen van 797204.   (Column verschenen in Psychologies magazine - januari 2013)

a little bit of soap
0 1
Tip

1 centimeter breed, 3 millimeter diep

Hij is 1 centimeter breed en 3 millimeter diep. Ik weet het want ik heb ’m bekeken in de spiegel. Langs alle kanten en verschillende keren, om zeker te zijn. Ik wist niet eens dat hij er zat, tot iemand zei: “Je bent ontspannen, je frons is weg.” Toen schoot hij natuurlijk direct weer in een plooi, want ik begreep niet waar ze het over had.   Net als ieder mens met ogen, oren en neuronen heb ik zo nu en dan mijn bedenkingen. Bij de epauletten van sport- en stijlanker Catherine Van Eylen. Bij de foto’s van gepimpt melkschuim op mijn scherm. De meeste van die meninkjes hou ik voor mezelf wegens weinig relevant voor de wereldvrede, maar ze ontsnappen wel eens via mijn voorhoofd, waar ze de leegte tussen mijn wenkbrauwen vullen met geribbelde dikdoenerij. Een teken van inhoud, aldus denkers. ‘Gecrispeerd’, menen anderen. Ik durf dat tegen te spreken. Ze mogen zeggen en dragen wat ze willen, ik loop niet de hele tijd te oordelen met de uitzondering in mijn hoofd en de regel in mijn hand. Eigenlijk ben ik best tolerant. Ik probeer altijd wel te zoeken naar een goede verklaring voor de schoudervullingen van Catherine. Vind ik er geen, dan trek ik mijn schouders op, even hoog als die van haar, en dan bedenk ik dat haar vestimentaire moed toch bewonderenswaardig is. Neen, ik erger me niet vaker of langer dan de gemiddelde kleine zelfstandige met perforatorproblemen aan het einde van een kwartaal. Om dan te zeggen dat ik er godganse dagen als een Klingon bijloop…   Ja dus. Sinds die vrouw haar vinger op mijn frons legde, gaat er geen uur voorbij of ik voel ’m. Achter de computer, voor de televisie, boven de lavabo of bij het likken aan een cornet d’amour. Het moet aangeboren zijn. De bewijzen liggen voor mij op tafel: een vergeelde polaroid uit ’74. Mijn moeder geeft me de fles en ik frons. Waarom? Weet ik veel. Veel viel er toen nog niet te fronsen, of het moest een onderliggende drol zijn die me dwarszat. Maar kaksituaties ga ik tegenwoordig zo veel mogelijk uit de weg, dus het moet iets anders zijn. Iets genetisch. Een verkeerde wrong bij de bevalling. Die Klingon-frons zat er in ’74 al in en die is er nooit meer uitgegaan.   Pas bon pour le moral. De bochten in je gezicht beïnvloeden het zuurstofgehalte in je hersenen en sleuren in een zelfde beweging je humeur mee. Wetenschappers hebben het getest en bevestigd. Open je energiefactuur met een smile – desnoods geforceerd met ‘cheese’ of ‘gin-tonic’ – en je zult het leven en je factuur beter zien zitten. Frons je wenkbrauwen en het is al bij voorbaat om zeep. Dan betaal je een hogere prijs voor zowat alles in dit leven, of zo lijkt het toch.   Van de shiny happy people-club hoef ik geen lidkaart, dank u schoon. Iemand die altijd lacht is verdacht want het leven kan stinken. Maar van die frons, daar moet ik vanaf. ’t Is een kleintje, maar ’t schiet ver door in mijn humeur, onbewust maar zeker. Ziet u mij een dezer met een voorhoofd dat twijfelt tussen glad en geribbeld, neem het dan vooral niet persoonlijk. Er is niets mis met uw epauletten, noch met uw okselgeur of melkschuimsnor. Mijn wenkbrauwen hebben gewoon een eigen wil, maar er wordt aan gewerkt. Ik ga voor glad geluk, al dan niet geforceerd met gin-tonic. (Column verschenen in Psychologies magazine - oktober 2013)

a little bit of soap
44 1
Tip

Metaforensisch

En dat ik op mijn eten moet letten. De dokter zette de vensters van zijn kabinet wijd open en verwees me door naar een diëtiste die wat mij betreft de pot op kan. Maar dat was nog niet ’t ergste. Ik moest ook tien keer op neer en neer springen. In mijn onderbroek. Na twee sprongen hing mijn tong op de grond, wat wilt ge. Die dokter bekeek mij, ’t was precies of hij zag een freakshow. Een jongen van uw leeftijd moet veel sporten, zei hij. Hij zei leeftijd, maar ik weet goed genoeg wat hij bedoelde. Dokters. Ge moet ze mij niet leren kennen. Dat begon al met mijn geboorte, enfin, nog iets vroeger zelfs. Ons ma wou per sé thuis bevallen. Maar ik geraakte er niet uit. 't Gat was te klein. Of ik te dik, dat is de versie van ons ma. De vroedvrouw panikeerde. Ons ma bleef aanvankelijk nog kalm. Onze pa zat waar hij altijd zit in crisismomenten: op zijne fiets. Luchtje scheppen. Efkes afkoelen. Maar ons ma zat onder 't zweet, het parelde in haar snor, het liep door de afvoergoot van haar borsten en het plenste in het vruchtwater op de vloer. De vroedvrouw liep door de kamer met doeken te zwaaien en scharen te schermen. Ze maakte zoveel kabaal dat de buren op de muren bonkten. Ons ma lag tamelijk ongemakkelijk op de tafel in de schoon kamer. Echt schoon was die niet meer, met al dat groen water op de grond. Toen de vroedvrouw dat vuil vocht zag, begon ze te krijsen: Persen! Persen, zeg ik u! Ons ma puffen en persen, maar ik verschoof geen millimeter. Er werd serieus gevloekt, zowel door ons ma als door de vroedvrouw. Onze pa die juist kwam aanwaaien, besloot ter plekke nog maar eens een blokske om te doen. Dat waren woorden, jong, vertelt hij nu nog op elk familiefeest, daar kreeg zelfs de meest vuilgebekte dokwerker rode kaken van. Ons ma gilde moord en brand. Wij woonden toen niet ver van ’t Scheld, daar is geen enkel schip de haven in gedurfd die avond. Dat zegt onze pa toch. Ze hebben de dokter moeten bellen. De ambulance kwam er aan te pas. De broeders hadden er werk mee, ons ma liet zich niet zo gemakkelijk op die draagbaar kantelen. En toen is ’t gebeurd. Ze waren nog niet bij de deur of: KADENG! De luster die boven de tafel hing, kletterde met kristal en al naar beneden. Knal op de plek waar juist daarvoor ons ma nog had gelegen, met mij in haar buik. En zo heb ik dus ons ma haar leven gered. Waart gij zo’n mager scharminkel geweest, zegt ons ma altijd, dan was ik blijven liggen en dan waren we er geweest. Ze heeft nog ferm van haar oren gemaakt tegen de dokter. Die vond mij toen al te dik, die wou mij toen al op dieet zetten. Pas geboren! ’t Zijn altijd de anderen die problemen hebben met mijn gewicht. Dat is gewoon een kwestie van perceptie, dat zit tussen de oren. Maar dat krijg ik ze niet aan ’t verstand gebracht. ’t Ambêtante is, mijn metabolisme heeft een neveneffect. Ik verwerk veel voedsel, dat volgt een natuurlijk pad en dat vindt zijn nest. Mijn darmflora tiert welig, als ge begrijpt wat ik bedoel. En af en toe ontsnapt er mij iets. Ongewild. Onbewust zelfs. Eerst wordt ge niks gewaar, maar ineens is het daar: een walm van rotte eieren. Er zijn er die denken dat de evenaar door hun gat loopt. Bij mij is dat het riool. Dat zeggen die van mijn klas. Geestig. Als ik het lokaal binnenwandel, beginnen ze te snuiven en te schuiven. Nee, de plaats naast hen is bezet. En die hoofden die in mijn richting wijzen en dan naar mekaar toe buigen. En dat onnozel gniffelen achter mijn rug. Lacht u toch dood, jongens. ’t Is dat ze u niet kennen zoals wij, zegt ons ma. Ge moet u bloot durven geven. Maar mijn bloot, daar hebben ze in de turnles al genoeg van gezien. Ik kan niet zeggen dat het geholpen heeft. Uw ma bedoelt dat metaforensisch, zegt onze pa. ’t Gaat om het innerlijke, legt uw ziel bloot. Dan zien ze uw goed hart. Uiteindelijk heeft ons ma mij naar die dokter gestuurd. Volgens hem heb ik flaturgentie of zoiets. Pffff. ’t Zal wel. Traag eten. Goed kauwen. Pffff. Alsof dat helpt. Maar ik heb aan dat bezoek wel een vriend overgehouden. Nee, niet die sadist van een dokter. Ik kom dus uit de praktijk. Mijn hoofd dwaas van dat springen. Ik leun tegen een etalage. Kampeerwinkel. Wat zie ik daar liggen? Aksen, bijlen, hakkers met vlijmscherpe bladen. En daartussen: een eenzaam zakmes. En ’t was precies of het riep mij. Hé gij daar, ja gij. Neem mij mee. Ik heb mij over hem ontfermd, ja. Wat moest ik anders, hé Jack. Wij verstaan mekaar. (zingt/neuriet: ‘I’m a poor lonesome cowboy’ terwijl hij met het mes speelt) Helden. Daarover moest de spreekbeurt gaan, gisteren. Ik heb er lang over nagedacht. Ineens wist ik het. Het was alsof er zo'n lamp boven mij ging branden, kent ge dat? Zo'n verlicht moment? Ik begreep dat ik een kans kreeg. Een kans om mijn ware ik te tonen. En ik heb ze gegrepen. Toen het mijn beurt was, heb ik gesproken. Over de schoon kamer en ons ma op de tafel. Over het groen water en de ambulance. Maar 't einde heb ik niet kunnen vertellen. Iemand riep 'Scheetsoep!' en toen begonnen ze te lachen en door elkaar te roepen en die van Nederlands kreeg ze niet meer stil. Ik stond daar met mijn handen tegen mijn oren. Scheetsoep. Terwijl ik ons ma heb gered! Weet ge waarin ik nu goesting heb? Om Jack mee naar school te nemen. Om die bleekscheten van mijn klas op en neer te doen springen tot hun tong tegen hun tenen plakt. En dan, zegt Jack, dan zal hij ze tonen hoe dat ge een hart blootlegt.    

Ruth A
16 4

Aalmoes

Ze staat er elke keer weer: een donkere vrouw bij de ingang van het grootwarenhuis. Ze ‘verkoopt’ daklozenkrantjes. Maar geen mens die er interesse voor heeft. Soms, niet vaak, laat iemand een muntje vallen in de plastic beker die ze ophoudt. Mij kent ze intussen al en knikt – voor haar doen – heel enthousiast als ik voorbij loop. Ze weet dat ze straks een euro en een glimlach van me krijgt wanneer ik mijn winkelkarretje weer heb geparkeerd. Maar vandaag komt ze me achterna gelopen. “Madame, madame” of ik niet eens een pakje koffie voor haar kan meebrengen…  Een beetje verward knik ik terug en ga binnen. Er bekruipt me een raar gevoel. Iets wat lijkt op irritatie omdat er ’misbruik’ wordt gemaakt van mijn ‘goedheid’.  Zo’n ‘je geeft-ze-een-pink-en-ze-nemen-je-arm’ gevoel. Niet dat ik een pakje koffie nu zo’n inbreuk op mijn wekelijkse budget vind. Maar het stoort me dat ik zelf niet meer mag beslissen óf ik wat geef en wàt ik precies geef. Dat mijn liefdadigheid gelijk al verwacht wordt, meer nog, gestuurd en meteen opgetrokken wordt. Terwijl ik mijn kleine ergernis loop te ontleden, ben ik het koffierek al lang voorbij en werk verstrooid mijn boodschappenlijstje af. Wanneer ik, na eindeloos aanschuiven aan de kassa, eindelijk met mijn volle winkelwagen de deur uitkom dringt het tot me door: geen koffie. En dat moet ik haar nu recht in de ogen vertellen. Kan ik haar zeggen waarom ik het vergat? Moet ik me verontschuldigen voor zoveel egoïstische verstrooidheid? Hoe maak ik dat goed? Met een blos op de wangen van pure géne zeg ik haar dat ik de koffie ben vergeten, maar dat ze zelf een pakje kan gaan kopen. En ik geef haar een briefje van 5. Er zit iets meewarigs in haar blik wanneer ze het biljet in haar groezelig heuptasje wegfrommelt en iets mompelt dat waarschijnlijk ‘dank u’ wil zeggen. Een pakje koffie zou haar meer plezier hebben gedaan, denk ik terwijl ik de parking afrijd. Het is niet omdat ik niet weet wie ze is en of ze’t wel echt nodig heeft dat ik het haar niet mag gunnen. Wie staat nu voor haar plezier elke dag aan de deur van zo’n tempel vol verleidingen, met een stapeltje kranten en een plastic bedelbekertje? Een pakje koffie als kleine luxe, in plaats van een briefje geld dat misschien weer nuttig gebruikt moet worden. Een arm, inderdaad, in plaats van dat gemakkelijke, vrijblijvende pinkje af en toe.

Quickfox
0 0

De Klank van Stilte

Tegen de vroege ochtend houdt de regen op. Het continue geruis dat me in slaap had gewiegd valt plots weg en dat maakt me wakker. Heerlijk stil is het nu, met alleen een zacht getinkel buiten. Geen belletjes, maar het geluid van metalen plaatjes die speels en onregelmatig tegen elkaar aantikken. Door de rieten rolgordijnen glijden de eerste zonnestralen mijn kamer binnen: tijd om op verkenning te gaan. Mijn kamer geeft rechtstreeks uit op de kleine binnentuin van het hotelletje aan de rand van Ubud. Onder de stenen toegangsboog door loop ik de Balinese rijstvelden in. Ik snuif de zwoele geur op van wierookstokjes die pas zijn aangestoken in de kleine bloemenofferande op de drempel van het huis. Langs de dijkjes tussen de kampong-percelen stap ik tot aan het apenbosje en vind daar een verweerde stronk om op te zitten. De stilte op die plek is oorverdovend. Onderweg hiernaartoe drong het langzaam tot me door: hier geen krijsende ‘bechak’voerders die je in hun fietstaxi willen meekrijgen, geen roepende marktkramers, geen vrouwen met hoge schrille stemmen, geen toeterende auto’s en snelle brommertjes die je zo van je sokken rijden. Hier alleen de lucht, de natte aarde en de zon. Mijn zintuigen komen op scherp. De zon klimt snel hoger nu en zijn plotse warmte doet het hout en de trompetbloemen aan de struiken fel geuren. Voor me, zo ver als ik kijken kan, liggen de groene rijstvelden. Grote en kleine vakken boordevol smaragd, afgeboord door smalle, hogere linten van gras. Af en toe een glinsterend donker vlak, een veldje vol water maar zonder aanplant. Heel ver weg beweegt een punthoedje op en neer: een vrouw stopt jonge plantjes in een ondergelopen veld. Wat dichterbij zie ik twee kinderen water hozen van een perceel naar het hoger gelegen veld. Ik hoor heel zwakjes het klotsend geluid van de leren zak die in het water slaat, net voor ze hem met een mooie grote zwaai omdraaien en aan de andere kant van de dijk uitkieperen. En verder niets. Of toch. Dat zachte getinkel, dat nu van alle kanten uit de velden komt. Ik trek mijn ogen in spleetjes om tegen het licht in te kijken. Hier en daar op een kruising van dijken staan paaltjes met kunstige windvanen. Daaraan hangen mobieltjes van blikken plaatjes, tinkelend in de ochtendbries. Heerlijke muziek in perfecte harmonie met de meest volmaakte rust...

Quickfox
0 0

Bor

   ‘Papa!’ roept Bor. Maar hoe hard hij ook roept, papa hoort het niet meer. De grote vinstaart verdwijnt in de donkere Oceaan. Bor kruipt dicht tegen mama aan. Nog even staart hij naar de kolkende diepte. Mama wuift papa niet eens uit! Dat deed ze vroeger wel als hij voor zijn werk naar de grote zee moest. ‘Wanneer komt hij terug?’ ‘MAMA…WANNEER komt hij TERUG?’ roept Bor want  mama hoort het niet. ‘Ach kleine lieverd,’ zucht ze.  ‘Papa’s en mama’s hart is gebroken.’ Bor fronst zijn wenkbrauwen en schudt zijn zwarte warrige kop. Meteen doorzoekt hij het hele huis. Als hij de stukjes van mama’s en papa’s hart vindt, kan hij ze weer lijmen. Net zoals tante Mies deed met een gebroken vaas. Achter de deur, neen!  Misschien liggen de stukjes van mama’s en papa’s hart in de vuilnisemmer…onder het bed…onder de kast… Misschien wel in mama haar handtas? NIETS!   Bor zwemt naar Punk. Misschien kan hij Bor mee helpen zoeken. Want Punk is de beste in verstoppertje spelen. Hij kent alle spleten tussen het koraalrif en de beste schuilplekjes in de ondiepe rotsen. ‘Joehoe, gaan we spelen?’ vraagt Punk opgewonden. Bor haalt zijn vinnen op. ‘Ik zoek de gebroken harten van mama en papa.’ Punk begint te giechelen. ‘Wat ben jij een domoor.’ ‘Die zal je nergens vinden, maatje!’ Met half toegeknepen ogen kijkt Bor naar zijn speelkameraad. ‘Waarom niet?’ ‘Omdat je ma en pa uit elkaar zijn gegaan. Nou ja, …Gescheiden.’   Bor vecht tegen de opkomende tranen. Dit heeft hij nooit zien aankomen. Hoe moet hij dan papa weer terug bij mama krijgen, nu er geen stukken harten zijn? Moet hij papa gaan halen? Hij durft niet verder dan het ondiepe koraalrif. ‘In de Zwarte Grot woont Octo Pus, de wijze inktvis,’ fluistert Punk. ‘Misschien vindt hij een oplossing.’ Punk wijst hem de weg.   ‘Wie durft mij te storen?’ vraag een gromstem. Bor schrikt van het zwaar brommend geluid. ‘Vertel Bor, wat brengt je naar hier?’ Bor’s vinnen beginnen te trillen, met een bibberend stemmetje vertelt hij over het vertrek van zijn papa. ‘Ik mis hem zo erg,’ snikt hij. ‘En ik wil dat mijn papa weer bij ons komt wonen.’ ‘Luister, kleine vriend. Het is soms moeilijk om de beslissingen van grote vissen te begrijpen, je mama ziet je graag. En het is niet omdat je papa is vertrokken, dat hij niet meer van je houdt.’ De wijze inktvis houdt twee tentakels onder zijn kin en denkt na. ‘Kom mee, maar ik kan je niets beloven.’ Een lange arm trekt Bor mee naar het diepere deel van de Oceaan. Wijze Octo Pus sluit even zijn ogen. Dan spuit hij krachtig grote, sierlijke letters van zwarte inkt:        P A                                   Z O      PA  IK                J E                 E R G.                      M I S                                              B O R   ‘Het lijkt wel een brief!’ roept Bor verwonderd. ‘Dat is ook zo, vriend,’ antwoordt de inktvis. ‘En nu maar hopen dat dit bericht tot bij je papa komt.’ Samen zwemmen ze terug naar het koraalrif. Opgelucht bedankt Bor de wijze Inktvis.   De volgende dagen speelt Bor met Punk en zijn andere vrienden. Ze zwemmen en ze spetteren, ze spelen tikkertje en ze vertellen elkaar spannende verhalen. Wat voelt Bor zich goed met al zijn vriendjes om zich heen. Zo goed, dat hij soms even niet aan papa denkt.   Vandaag spelen ze verstoppertje. Het is Bor’s beurt om af te tellen: ‘Een  twee  drie  vier…’ De andere visjes stuiven uiteen om zich te verstoppen. ‘…acht  negen  tien. Wie niet weg is, is gezien!’ Met een ruk draait Bor zich om. Hij wrijft in zijn ogen. Pal voor hem staat Mevrouw Zepra met haar staart zo hard te krullen, dat hij meteen weet dat er iets aan de hand is. Ze stottert van opwinding in haar hoge stem: ‘Bbbor, iikk heb ggezzien dat je brief van Octu Pus door een heel groot ssschip middendoor werd ge-v-varen.’ ‘Alle sssstukken zijn weggedreven door de golven.’ Dat is een grote slag voor Bor. Geen harten om te lijmen, geen brief. Hoe moet het nu met papa? ‘Het is helemaal naar de ha_haaien,’ stottert Zepra. Van dat woord krimpt Bor ineen. Want dat is net waaraan hij denkt. Zelf papa gaan zoeken, maar wat met die gevaarlijke haaien?   Bor zit de volgende dagen rustig bij mama. Zij zwemt traag, verslaapt zich, doet maar half de vaat.  Tantes en nonkels komen bubbelen over dingen die hij niet eens begrijpt. ‘Het is genoeg geweest,’ denkt hij. Met een pakje eten onder een vin zwemt Bor langs de rotsen. Dag visjes, dag mama, dag slak in de schelp, dag tante Mies….   Moedig zwemt hij tegen de stromen in, soms laat hij zich meevoeren. Heel veel zwart, zo donker dat het Bor niet opvalt dat een schaduw hem volgt. Hij lijkt met zijn gele en zwarte streepjes bijna een lichtgevend visje. Of toch niet. Daar tussen de dicht begroeide anemonen ziet Bor iets blinken. ‘Dat komt net op tijd,’ denkt hij. ‘Want mijn vinnetjes zijn zo stijf.’ Hoe dichter hij komt, hoe feller de prachtige kleuren gaan schitteren. Hoe harder Bor nog kan vinnen om uit te rusten.    Het is een goudgele vlek met glinsterend oranje, rood en blauw. Wat prachtig! Zoiets heeft Bor nog nooit gezien! Bor komt heel, héél dichtbij, wil de vlek met een vinnetje aanraken. Plots beweegt deze vlek, ze groeit zelfs! Zand stuift op. Bor pruttelt achteruit. Nog voor hij zich kan omdraaien, grijpt een dik en akelig slijmerige vinhand hem vast. ‘Dé Zeeheks!’ gilt hij. Bor heeft ooit zijn papa over haar horen vertellen. Het is de grootste vrees van alle vissen, nog erger dan ze bang zijn voor de haaien. Je weet nooit in wat voor een gedaante de Zeeheks tevoorschijn komt. Ze kan in - om de even welke vorm veranderen. Bor’s adem stokt, zijn hartje bonkt in de keel. ‘Hela, jij kleine snotvis, denk je dat je zomaar mijn mooie kleuren kan stelen?’ krijst de Zeeheks. ‘Het zal je leren!’   Ze duwt Bor in een kooi van gevlochten kelpstengels. Daarna blubbert ze naar haar laboratorium voor een brouwseltje. ‘Ikke Pinne een borstvin, een schubje van kleine visjes, een prikding van een zeester, een tand van een haai, een spuug van de sidderaal… en dan….zijn die mooie kleuren van mij.’ lacht ze krijsend. Dat moet allemaal in een potje brouwen om nadien over de schubjes van Bor en andere vissen uit te smeren. Zo steelt de Zeeheks alle mooie kleuren van de prachtigste Oceaanvissen. Zo groeit ze almaar.   Punk zwemt zo snel hij kan weer naar huis. Hij wist wel dat hij zijn maatje niet alleen kon laten. Onderweg roept hij alle vissen bij elkaar. ‘Bor is in de klauwen van de Zeeheks. We moeten hem redden. Zeg het voort!’ Ook Haai Hans, de oude zachtste haai van de Oceaan spoort zijn kolonie aan om mee te helpen. En dat ze zich moeten gedragen. Want de hele operatie mag niet naar de haaien, anders zal Haai Hans wel eens van hun vinnen soep maken. Alle mannenhaaien villen met tand en macht de glinsterende glibberbrij, de vrouwen slagen hardnekkig met hun staartvin het laboratorium aan duigen. De anderen vissen vinbuigen zich over de kooi van Bor. Eén vis bijt stug aan de tralies. Niets kan hem nog tegen houden.   ‘Papa!’ roept Bor. Papa vangt hem in zijn beide vinnen en drukt hem dicht tegen zich aan. Bor’s bange ogen beginnen te stralen als een zonnetje. Alle vissen omringen hen. Van blijheid en opluchting klappen de vinnen. ‘Morgen komen we met zijn allen samen, aan de Grot van Octo Pus!’ roept Haai Hans. ‘Dan vieren we feest!’ Juichend zwermen scholen vissen uit elkaar. Vin aan vin aan vin en Bor in het midden.

kadeeke
0 0

Iets van betekenis. Over Hauser.expo

In 2009 raakten twee dichters-beeldend kunstenaars, Annemarie Estor en Lies van Gasse, in de ban van het mysterieuze verhaal van Kaspar Hauser, een Duitse vondeling van onduidelijke afkomst die in 1828 in Neurenberg opdook. Behalve de mantra’s “Ik wil zijn zoals mijn vader” en “ik wil een ruiter zijn, zoals mijn vader was” zegt de uitzonderlijk kleine jongen bitter weinig. Zijn vreemde gedrag intrigeerde velen. Ook literatoren, zoals Paul Verlaine en Peter Handke, lieten zich door Kaspar Hauser inspireren. Week na week stuurden Estor en Van Gasse elkaar een prentbriefkaart met een strofe uit het vervolg dat zij op de Hauserlegende schreven. De tekst werd ook vaak geïllustreerd met een tekening, een schets, een beeldend kunstwerkje. Het hele project lijkt mij een uit de hand gelopen meisjesdroom die nu – gelukkig – met velen gedeeld mag worden want het leidde tot een boek dat gelinkt is aan een blog waarop zowel het verhaal als prachtige tekeningen en filmpjes te volgen zijn. Tot en met 15 december 2013 loopt bovendien de Hauser.expo in het Letterenhuis Antwerpen. “Hoe zacht en hoe teer zijn de wanden die willen van doen onderscheiden?”, klinkt een verzuchting bij het begin van het verhaal. In de loop van het project kregen de twee initiatiefneemsters de medewerking van Peter Mangel Schots, Joris Gerits, Michaël Vandebril en Michaël Brijs die elk een nevenrol in het leven en het verhaal van Kaspar Hauser innemen. Mangel Schots bv. schreef mee aan brieven van Kaspars vader aan zijn “lieve jongen”. Hij noemt de brieven “verzegelde herauten die mij op mijn reis zulen voorafgaan. Want ik kom naar je toe.” Terwijl Kaspar Hauser elk contact met zijn vader uit de weg wil gaan. Het verhaal – hoe kan het ook anders als het van twee gerenommeerde dichteressen komt die niet aan hun poëtisch proefstuk toe zijn – vraagt om aandachtige lectuur. Het lange gedicht dat uit vier delen bestaat, is vaak even raadselachtig als zijn hoofdpersonage. De korte samenvatting per deel, dat op de blog terug te vinden is, is daarom geen overbodige luxe tijdens de lectuur, zeker voor een jonger publiek voor wie dit project ook bedoeld is. De illustraties verhelderen, verbazen, verrijken. De auteurs deden er daarom goed aan het verhaal af te sluiten met een speelse knipoog naar ‘Het boek Hauser’, “iets van betekenis”. Alice   Annemarie Estor en Lies van Gasse Het boek Hauser.Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2013, 143 blz., €24,50

Alice
0 0

Een raadsel van linkshandigheid

In het eerste leerjaar zag mijn juf, juffrouw Pacquée, dat ik linkshandig ben. Toen ik an, jan, aap en roos leerde schrijven, vroeg ze me of ik het ook eens met mijn rechtse handje wilde proberen. Braaf als ik was (ben), deed ik dat. Al snel werd duidelijk dat dit geen goed idee was. En zo werd ik de enige linkshandige in het eerste leerjaar, een hele tijd geleden, in de dorpsschool van Wuustwezel. Eerlijk gezegd was ik daar ook wel een beetje trots op. Grote mensen, klasgenootjes, mijn grote broer en zus, mijn ouders, eigenlijk zowat iedereen die me zag schrijven, maakte een opmerking, gaande van het neutrale ‘Schrijf jij links?’ tot het wat meer confronterende ‘Schrijf jij altijd zo scheef?’ Maar diep vanbinnen glunderde ik. Want het viel een beetje op. En dat beetje aandacht wil iedereen al wel eens… De opmerkingen bleven komen, de juffen en meesters ook. Zij werden opgevolgd door leraren en leraressen en, tot slot, door profs. En ik bleef linkshandig. Eigenlijk liep een en ander grondig mis toen ik naar de universiteit ging. De uitklapbare bankjes daar zijn zo klein dat ik niet wist hoe mijn blad te leggen om, tegen de klok, notities te nemen. Ik legde mijn blad schuin, schuiner, schuinst tot ik van onder naar boven schreef. Het gevolg is… dat ik nog steeds opmerkingen krijg, en dus ook dat beetje (o zo gegeerde) aandacht. Wie me nu ziet schrijven, vraagt meestal hoe het zover is kunnen komen. Gelukkig moet ik dat nu niet meer vertellen aan ‘mijn’ vierdejaars. Zij lezen het wel, zij het niet vanuit mijn linkse hand, maar tweehandig neergepend op mijn laptop. Kort nadat ik in De Standaard een recensie las van Rik Smits’ Het raadsel van linkshandigheid kocht ik dit boek om eindelijk de geheimen achter linkshandigheid te ontdekken. Ik weet nu veel meer over de manieren waarop verschillende culturen omgaan met alles wat links is, ik ben te weten gekomen dat een kleine minderheid van de wereldbevolking linkshandig is, en ik ben opgelucht te lezen dat er zelfs mensen zijn die twee linkerhanden hebben. En wat ben ik blij te lezen dat linkshandigen niet dom, dwars en onhandig zijnJ Maar wél geniaal en creatief (en een beetje gek). Ook dit laatste blijkt een misvatting. Of je nu links- of rechtshandig bent, maakt niet uit: dit boek moet je zeker eens lezen! Alice, 2 september 2010

Alice
29 0