Lezen

Aalmoes

Ze staat er elke keer weer: een donkere vrouw bij de ingang van het grootwarenhuis. Ze ‘verkoopt’ daklozenkrantjes. Maar geen mens die er interesse voor heeft. Soms, niet vaak, laat iemand een muntje vallen in de plastic beker die ze ophoudt. Mij kent ze intussen al en knikt – voor haar doen – heel enthousiast als ik voorbij loop. Ze weet dat ze straks een euro en een glimlach van me krijgt wanneer ik mijn winkelkarretje weer heb geparkeerd. Maar vandaag komt ze me achterna gelopen. “Madame, madame” of ik niet eens een pakje koffie voor haar kan meebrengen…  Een beetje verward knik ik terug en ga binnen. Er bekruipt me een raar gevoel. Iets wat lijkt op irritatie omdat er ’misbruik’ wordt gemaakt van mijn ‘goedheid’.  Zo’n ‘je geeft-ze-een-pink-en-ze-nemen-je-arm’ gevoel. Niet dat ik een pakje koffie nu zo’n inbreuk op mijn wekelijkse budget vind. Maar het stoort me dat ik zelf niet meer mag beslissen óf ik wat geef en wàt ik precies geef. Dat mijn liefdadigheid gelijk al verwacht wordt, meer nog, gestuurd en meteen opgetrokken wordt. Terwijl ik mijn kleine ergernis loop te ontleden, ben ik het koffierek al lang voorbij en werk verstrooid mijn boodschappenlijstje af. Wanneer ik, na eindeloos aanschuiven aan de kassa, eindelijk met mijn volle winkelwagen de deur uitkom dringt het tot me door: geen koffie. En dat moet ik haar nu recht in de ogen vertellen. Kan ik haar zeggen waarom ik het vergat? Moet ik me verontschuldigen voor zoveel egoïstische verstrooidheid? Hoe maak ik dat goed? Met een blos op de wangen van pure géne zeg ik haar dat ik de koffie ben vergeten, maar dat ze zelf een pakje kan gaan kopen. En ik geef haar een briefje van 5. Er zit iets meewarigs in haar blik wanneer ze het biljet in haar groezelig heuptasje wegfrommelt en iets mompelt dat waarschijnlijk ‘dank u’ wil zeggen. Een pakje koffie zou haar meer plezier hebben gedaan, denk ik terwijl ik de parking afrijd. Het is niet omdat ik niet weet wie ze is en of ze’t wel echt nodig heeft dat ik het haar niet mag gunnen. Wie staat nu voor haar plezier elke dag aan de deur van zo’n tempel vol verleidingen, met een stapeltje kranten en een plastic bedelbekertje? Een pakje koffie als kleine luxe, in plaats van een briefje geld dat misschien weer nuttig gebruikt moet worden. Een arm, inderdaad, in plaats van dat gemakkelijke, vrijblijvende pinkje af en toe.

Quickfox
0 0

De Klank van Stilte

Tegen de vroege ochtend houdt de regen op. Het continue geruis dat me in slaap had gewiegd valt plots weg en dat maakt me wakker. Heerlijk stil is het nu, met alleen een zacht getinkel buiten. Geen belletjes, maar het geluid van metalen plaatjes die speels en onregelmatig tegen elkaar aantikken. Door de rieten rolgordijnen glijden de eerste zonnestralen mijn kamer binnen: tijd om op verkenning te gaan. Mijn kamer geeft rechtstreeks uit op de kleine binnentuin van het hotelletje aan de rand van Ubud. Onder de stenen toegangsboog door loop ik de Balinese rijstvelden in. Ik snuif de zwoele geur op van wierookstokjes die pas zijn aangestoken in de kleine bloemenofferande op de drempel van het huis. Langs de dijkjes tussen de kampong-percelen stap ik tot aan het apenbosje en vind daar een verweerde stronk om op te zitten. De stilte op die plek is oorverdovend. Onderweg hiernaartoe drong het langzaam tot me door: hier geen krijsende ‘bechak’voerders die je in hun fietstaxi willen meekrijgen, geen roepende marktkramers, geen vrouwen met hoge schrille stemmen, geen toeterende auto’s en snelle brommertjes die je zo van je sokken rijden. Hier alleen de lucht, de natte aarde en de zon. Mijn zintuigen komen op scherp. De zon klimt snel hoger nu en zijn plotse warmte doet het hout en de trompetbloemen aan de struiken fel geuren. Voor me, zo ver als ik kijken kan, liggen de groene rijstvelden. Grote en kleine vakken boordevol smaragd, afgeboord door smalle, hogere linten van gras. Af en toe een glinsterend donker vlak, een veldje vol water maar zonder aanplant. Heel ver weg beweegt een punthoedje op en neer: een vrouw stopt jonge plantjes in een ondergelopen veld. Wat dichterbij zie ik twee kinderen water hozen van een perceel naar het hoger gelegen veld. Ik hoor heel zwakjes het klotsend geluid van de leren zak die in het water slaat, net voor ze hem met een mooie grote zwaai omdraaien en aan de andere kant van de dijk uitkieperen. En verder niets. Of toch. Dat zachte getinkel, dat nu van alle kanten uit de velden komt. Ik trek mijn ogen in spleetjes om tegen het licht in te kijken. Hier en daar op een kruising van dijken staan paaltjes met kunstige windvanen. Daaraan hangen mobieltjes van blikken plaatjes, tinkelend in de ochtendbries. Heerlijke muziek in perfecte harmonie met de meest volmaakte rust...

Quickfox
0 0

Bor

   ‘Papa!’ roept Bor. Maar hoe hard hij ook roept, papa hoort het niet meer. De grote vinstaart verdwijnt in de donkere Oceaan. Bor kruipt dicht tegen mama aan. Nog even staart hij naar de kolkende diepte. Mama wuift papa niet eens uit! Dat deed ze vroeger wel als hij voor zijn werk naar de grote zee moest. ‘Wanneer komt hij terug?’ ‘MAMA…WANNEER komt hij TERUG?’ roept Bor want  mama hoort het niet. ‘Ach kleine lieverd,’ zucht ze.  ‘Papa’s en mama’s hart is gebroken.’ Bor fronst zijn wenkbrauwen en schudt zijn zwarte warrige kop. Meteen doorzoekt hij het hele huis. Als hij de stukjes van mama’s en papa’s hart vindt, kan hij ze weer lijmen. Net zoals tante Mies deed met een gebroken vaas. Achter de deur, neen!  Misschien liggen de stukjes van mama’s en papa’s hart in de vuilnisemmer…onder het bed…onder de kast… Misschien wel in mama haar handtas? NIETS!   Bor zwemt naar Punk. Misschien kan hij Bor mee helpen zoeken. Want Punk is de beste in verstoppertje spelen. Hij kent alle spleten tussen het koraalrif en de beste schuilplekjes in de ondiepe rotsen. ‘Joehoe, gaan we spelen?’ vraagt Punk opgewonden. Bor haalt zijn vinnen op. ‘Ik zoek de gebroken harten van mama en papa.’ Punk begint te giechelen. ‘Wat ben jij een domoor.’ ‘Die zal je nergens vinden, maatje!’ Met half toegeknepen ogen kijkt Bor naar zijn speelkameraad. ‘Waarom niet?’ ‘Omdat je ma en pa uit elkaar zijn gegaan. Nou ja, …Gescheiden.’   Bor vecht tegen de opkomende tranen. Dit heeft hij nooit zien aankomen. Hoe moet hij dan papa weer terug bij mama krijgen, nu er geen stukken harten zijn? Moet hij papa gaan halen? Hij durft niet verder dan het ondiepe koraalrif. ‘In de Zwarte Grot woont Octo Pus, de wijze inktvis,’ fluistert Punk. ‘Misschien vindt hij een oplossing.’ Punk wijst hem de weg.   ‘Wie durft mij te storen?’ vraag een gromstem. Bor schrikt van het zwaar brommend geluid. ‘Vertel Bor, wat brengt je naar hier?’ Bor’s vinnen beginnen te trillen, met een bibberend stemmetje vertelt hij over het vertrek van zijn papa. ‘Ik mis hem zo erg,’ snikt hij. ‘En ik wil dat mijn papa weer bij ons komt wonen.’ ‘Luister, kleine vriend. Het is soms moeilijk om de beslissingen van grote vissen te begrijpen, je mama ziet je graag. En het is niet omdat je papa is vertrokken, dat hij niet meer van je houdt.’ De wijze inktvis houdt twee tentakels onder zijn kin en denkt na. ‘Kom mee, maar ik kan je niets beloven.’ Een lange arm trekt Bor mee naar het diepere deel van de Oceaan. Wijze Octo Pus sluit even zijn ogen. Dan spuit hij krachtig grote, sierlijke letters van zwarte inkt:        P A                                   Z O      PA  IK                J E                 E R G.                      M I S                                              B O R   ‘Het lijkt wel een brief!’ roept Bor verwonderd. ‘Dat is ook zo, vriend,’ antwoordt de inktvis. ‘En nu maar hopen dat dit bericht tot bij je papa komt.’ Samen zwemmen ze terug naar het koraalrif. Opgelucht bedankt Bor de wijze Inktvis.   De volgende dagen speelt Bor met Punk en zijn andere vrienden. Ze zwemmen en ze spetteren, ze spelen tikkertje en ze vertellen elkaar spannende verhalen. Wat voelt Bor zich goed met al zijn vriendjes om zich heen. Zo goed, dat hij soms even niet aan papa denkt.   Vandaag spelen ze verstoppertje. Het is Bor’s beurt om af te tellen: ‘Een  twee  drie  vier…’ De andere visjes stuiven uiteen om zich te verstoppen. ‘…acht  negen  tien. Wie niet weg is, is gezien!’ Met een ruk draait Bor zich om. Hij wrijft in zijn ogen. Pal voor hem staat Mevrouw Zepra met haar staart zo hard te krullen, dat hij meteen weet dat er iets aan de hand is. Ze stottert van opwinding in haar hoge stem: ‘Bbbor, iikk heb ggezzien dat je brief van Octu Pus door een heel groot ssschip middendoor werd ge-v-varen.’ ‘Alle sssstukken zijn weggedreven door de golven.’ Dat is een grote slag voor Bor. Geen harten om te lijmen, geen brief. Hoe moet het nu met papa? ‘Het is helemaal naar de ha_haaien,’ stottert Zepra. Van dat woord krimpt Bor ineen. Want dat is net waaraan hij denkt. Zelf papa gaan zoeken, maar wat met die gevaarlijke haaien?   Bor zit de volgende dagen rustig bij mama. Zij zwemt traag, verslaapt zich, doet maar half de vaat.  Tantes en nonkels komen bubbelen over dingen die hij niet eens begrijpt. ‘Het is genoeg geweest,’ denkt hij. Met een pakje eten onder een vin zwemt Bor langs de rotsen. Dag visjes, dag mama, dag slak in de schelp, dag tante Mies….   Moedig zwemt hij tegen de stromen in, soms laat hij zich meevoeren. Heel veel zwart, zo donker dat het Bor niet opvalt dat een schaduw hem volgt. Hij lijkt met zijn gele en zwarte streepjes bijna een lichtgevend visje. Of toch niet. Daar tussen de dicht begroeide anemonen ziet Bor iets blinken. ‘Dat komt net op tijd,’ denkt hij. ‘Want mijn vinnetjes zijn zo stijf.’ Hoe dichter hij komt, hoe feller de prachtige kleuren gaan schitteren. Hoe harder Bor nog kan vinnen om uit te rusten.    Het is een goudgele vlek met glinsterend oranje, rood en blauw. Wat prachtig! Zoiets heeft Bor nog nooit gezien! Bor komt heel, héél dichtbij, wil de vlek met een vinnetje aanraken. Plots beweegt deze vlek, ze groeit zelfs! Zand stuift op. Bor pruttelt achteruit. Nog voor hij zich kan omdraaien, grijpt een dik en akelig slijmerige vinhand hem vast. ‘Dé Zeeheks!’ gilt hij. Bor heeft ooit zijn papa over haar horen vertellen. Het is de grootste vrees van alle vissen, nog erger dan ze bang zijn voor de haaien. Je weet nooit in wat voor een gedaante de Zeeheks tevoorschijn komt. Ze kan in - om de even welke vorm veranderen. Bor’s adem stokt, zijn hartje bonkt in de keel. ‘Hela, jij kleine snotvis, denk je dat je zomaar mijn mooie kleuren kan stelen?’ krijst de Zeeheks. ‘Het zal je leren!’   Ze duwt Bor in een kooi van gevlochten kelpstengels. Daarna blubbert ze naar haar laboratorium voor een brouwseltje. ‘Ikke Pinne een borstvin, een schubje van kleine visjes, een prikding van een zeester, een tand van een haai, een spuug van de sidderaal… en dan….zijn die mooie kleuren van mij.’ lacht ze krijsend. Dat moet allemaal in een potje brouwen om nadien over de schubjes van Bor en andere vissen uit te smeren. Zo steelt de Zeeheks alle mooie kleuren van de prachtigste Oceaanvissen. Zo groeit ze almaar.   Punk zwemt zo snel hij kan weer naar huis. Hij wist wel dat hij zijn maatje niet alleen kon laten. Onderweg roept hij alle vissen bij elkaar. ‘Bor is in de klauwen van de Zeeheks. We moeten hem redden. Zeg het voort!’ Ook Haai Hans, de oude zachtste haai van de Oceaan spoort zijn kolonie aan om mee te helpen. En dat ze zich moeten gedragen. Want de hele operatie mag niet naar de haaien, anders zal Haai Hans wel eens van hun vinnen soep maken. Alle mannenhaaien villen met tand en macht de glinsterende glibberbrij, de vrouwen slagen hardnekkig met hun staartvin het laboratorium aan duigen. De anderen vissen vinbuigen zich over de kooi van Bor. Eén vis bijt stug aan de tralies. Niets kan hem nog tegen houden.   ‘Papa!’ roept Bor. Papa vangt hem in zijn beide vinnen en drukt hem dicht tegen zich aan. Bor’s bange ogen beginnen te stralen als een zonnetje. Alle vissen omringen hen. Van blijheid en opluchting klappen de vinnen. ‘Morgen komen we met zijn allen samen, aan de Grot van Octo Pus!’ roept Haai Hans. ‘Dan vieren we feest!’ Juichend zwermen scholen vissen uit elkaar. Vin aan vin aan vin en Bor in het midden.

kadeeke
0 0

Iets van betekenis. Over Hauser.expo

In 2009 raakten twee dichters-beeldend kunstenaars, Annemarie Estor en Lies van Gasse, in de ban van het mysterieuze verhaal van Kaspar Hauser, een Duitse vondeling van onduidelijke afkomst die in 1828 in Neurenberg opdook. Behalve de mantra’s “Ik wil zijn zoals mijn vader” en “ik wil een ruiter zijn, zoals mijn vader was” zegt de uitzonderlijk kleine jongen bitter weinig. Zijn vreemde gedrag intrigeerde velen. Ook literatoren, zoals Paul Verlaine en Peter Handke, lieten zich door Kaspar Hauser inspireren. Week na week stuurden Estor en Van Gasse elkaar een prentbriefkaart met een strofe uit het vervolg dat zij op de Hauserlegende schreven. De tekst werd ook vaak geïllustreerd met een tekening, een schets, een beeldend kunstwerkje. Het hele project lijkt mij een uit de hand gelopen meisjesdroom die nu – gelukkig – met velen gedeeld mag worden want het leidde tot een boek dat gelinkt is aan een blog waarop zowel het verhaal als prachtige tekeningen en filmpjes te volgen zijn. Tot en met 15 december 2013 loopt bovendien de Hauser.expo in het Letterenhuis Antwerpen. “Hoe zacht en hoe teer zijn de wanden die willen van doen onderscheiden?”, klinkt een verzuchting bij het begin van het verhaal. In de loop van het project kregen de twee initiatiefneemsters de medewerking van Peter Mangel Schots, Joris Gerits, Michaël Vandebril en Michaël Brijs die elk een nevenrol in het leven en het verhaal van Kaspar Hauser innemen. Mangel Schots bv. schreef mee aan brieven van Kaspars vader aan zijn “lieve jongen”. Hij noemt de brieven “verzegelde herauten die mij op mijn reis zulen voorafgaan. Want ik kom naar je toe.” Terwijl Kaspar Hauser elk contact met zijn vader uit de weg wil gaan. Het verhaal – hoe kan het ook anders als het van twee gerenommeerde dichteressen komt die niet aan hun poëtisch proefstuk toe zijn – vraagt om aandachtige lectuur. Het lange gedicht dat uit vier delen bestaat, is vaak even raadselachtig als zijn hoofdpersonage. De korte samenvatting per deel, dat op de blog terug te vinden is, is daarom geen overbodige luxe tijdens de lectuur, zeker voor een jonger publiek voor wie dit project ook bedoeld is. De illustraties verhelderen, verbazen, verrijken. De auteurs deden er daarom goed aan het verhaal af te sluiten met een speelse knipoog naar ‘Het boek Hauser’, “iets van betekenis”. Alice   Annemarie Estor en Lies van Gasse Het boek Hauser.Wereldbibliotheek, Amsterdam, 2013, 143 blz., €24,50

Alice
0 0

Een raadsel van linkshandigheid

In het eerste leerjaar zag mijn juf, juffrouw Pacquée, dat ik linkshandig ben. Toen ik an, jan, aap en roos leerde schrijven, vroeg ze me of ik het ook eens met mijn rechtse handje wilde proberen. Braaf als ik was (ben), deed ik dat. Al snel werd duidelijk dat dit geen goed idee was. En zo werd ik de enige linkshandige in het eerste leerjaar, een hele tijd geleden, in de dorpsschool van Wuustwezel. Eerlijk gezegd was ik daar ook wel een beetje trots op. Grote mensen, klasgenootjes, mijn grote broer en zus, mijn ouders, eigenlijk zowat iedereen die me zag schrijven, maakte een opmerking, gaande van het neutrale ‘Schrijf jij links?’ tot het wat meer confronterende ‘Schrijf jij altijd zo scheef?’ Maar diep vanbinnen glunderde ik. Want het viel een beetje op. En dat beetje aandacht wil iedereen al wel eens… De opmerkingen bleven komen, de juffen en meesters ook. Zij werden opgevolgd door leraren en leraressen en, tot slot, door profs. En ik bleef linkshandig. Eigenlijk liep een en ander grondig mis toen ik naar de universiteit ging. De uitklapbare bankjes daar zijn zo klein dat ik niet wist hoe mijn blad te leggen om, tegen de klok, notities te nemen. Ik legde mijn blad schuin, schuiner, schuinst tot ik van onder naar boven schreef. Het gevolg is… dat ik nog steeds opmerkingen krijg, en dus ook dat beetje (o zo gegeerde) aandacht. Wie me nu ziet schrijven, vraagt meestal hoe het zover is kunnen komen. Gelukkig moet ik dat nu niet meer vertellen aan ‘mijn’ vierdejaars. Zij lezen het wel, zij het niet vanuit mijn linkse hand, maar tweehandig neergepend op mijn laptop. Kort nadat ik in De Standaard een recensie las van Rik Smits’ Het raadsel van linkshandigheid kocht ik dit boek om eindelijk de geheimen achter linkshandigheid te ontdekken. Ik weet nu veel meer over de manieren waarop verschillende culturen omgaan met alles wat links is, ik ben te weten gekomen dat een kleine minderheid van de wereldbevolking linkshandig is, en ik ben opgelucht te lezen dat er zelfs mensen zijn die twee linkerhanden hebben. En wat ben ik blij te lezen dat linkshandigen niet dom, dwars en onhandig zijnJ Maar wél geniaal en creatief (en een beetje gek). Ook dit laatste blijkt een misvatting. Of je nu links- of rechtshandig bent, maakt niet uit: dit boek moet je zeker eens lezen! Alice, 2 september 2010

Alice
29 0

ik bof dat ik een kikker ben

‘Ik bof dat ik een kikker ben’   Schrijvers vinden in mij een gretige lezer. Gulzig als ik ben, lees ik zowat alles wat me onder ogen komt: gedichten, romans, tijdschriften, recepten, gebruiksaanwijzingen, kranten, ja ook wc-papier, reclame en zelfs onderschriften. Bovendien lees ik wanneer het maar kan; geen minuut gaat verloren. En eens de voorraad lectuur geslonken is, ga ik op boekenjacht in boekhandels, op onze leeszolder, op rommelmarkten of in de bib. De dag begint voor mij, zoals voor zovelen, in de badkamer. Lekker gedoucht en met iets moois aan zet ik de race in naar de brievenbus. Bij het ontbijt lees ik steevast de krant, De Standaard. Tijdens het weekend komen daar De Morgen, De Volkskrant en NRC Handelsblad bij. Samen met mijn huisgenoten behoren wij tot het selecte gezelschap van eetlezers. Vroeger thuis mochten we van onze ouders niet lezen aan tafel. Intussen is het bij ons thuis een ongeschreven regel om wel te lezen bij het eten; Remco Campert gaf dat de toepasselijke naam ‘eetlezen’ mee. Op schooldagen krijg ik werk van leerlingen op mijn brood en ook verslagen van vergaderingen, de SPT-nieuwsbrief en ander minder tot de verbeelding sprekend leesvoer. Als tegenwicht kies ik dan, meestal ’s avonds laat, voor een gedicht of een boek. Staat mijn neus naar literatuur, dan wordt het Hugo Claus of Oscar van den Boogaard, Leo Pleysier of Walter van den Broeck, Esther Verhoef of Charlotte Mutsaers. Ben ik ‘voor niets anders goed’ dan ‘verstand-op-nul’, dan wacht Feeling, Facebook of een dom verhaaltje. Op zo’n momenten ben ik ook wel te verleiden tot wat tv-kijken. Of geef me in dit geval nog liever tekeningen van grote illustratoren zoals kikker-tekenaar Max Velthuys, Klaas Verplancke of Ted van Lieshout. Uren kan ik ernaar kijken. Zeg maar dat ik tijd te kort kom: het liefst van al zou ik (bijna) altijd lezen. Gelukkig leven wij ook tussen de boeken en kan ik er altijd bij. Als me toch nog het gevoel bekruipt dat er niks in huis is, brengt de bibliotheek redding: de Warande is op fietsafstand. Bovendien zijn er ook nog twee boekhandels in de buurt of vind ik wat fraais op een of andere rommelmarkt. Minstens een keer per week koop of krijg ik een boek en af en toe vind ik er een in onze eerder geciteerde brievenbus. Geregeld brengt de postbode me immers lees-werk, een boek dat ik mag lezen om te bespreken voor iedereenleest.be of Kunsttijdschrift Vlaanderen. Als je van een microbe bezeten bent, wil de volksmond wel eens beweren dat ze je tweede natuur is. Lezen is mijn tweede natuur, zoiets. Welnu, voor de leesmicrobe wil ik graag tekenen, levenslang.   Alice 26 okt 2010/ 16 okt 2011, in een schrijfproject met vierdejaarsleerlingen ASO  

Alice
0 0

De passie van de Parfumeur

Pas op zijn sterfbed vertrouwde de Parfumeur zijn zoon het geheim toe. Hij liet de jongen bij zich komen en vroeg hem een plastic zak mee te brengen. Verbaasd voldeed hij aan zijn vaders verzoek. Met zijn zoon naast hem gezeten, begon de oude man te vertellen. ‘Luister, jongen. De basis van mijn parfums bestaat voornamelijk uit water en toevallige kruiden. Wat ze echter zo speciaal maken en wat de mensen terecht bestempelen als een herkenbaar maar vreemd luchtje, is het erin verwerkte tinctuur van menselijke extracten.’ Hierop fronste de zoon de wenkbrauwen, zijn lippen weken reeds uiteen om een vraag te stellen, doch de Parfumeur snoerde hem de mond met een afwijzend gebaar. ‘Nee, ik ben geen Grenouille. Op zolder liggen weliswaar honderden exemplaren van ‘Het Parfum’ van Patrick Süskind: attenties van klanten die me op een originele manier wilden bedanken voor de exquise odeurs waarmee ze zich elke morgen konden besprenkelen. Parfums waardoor ze zich zodra de eerste druppel hun oorlel raakte, succesvol voelden, uniek, aantrekkelijk, betrokken, geïnspireerd, gewaardeerd. Nee, nee, moord zou me niets opgeleverd hebben. Integendeel, de meest fascinerende feromonen distilleerde ik uit de lucht van de levenden. Ach, de ademstoot van de atleet, het balsem der beweging!’ Bij deze woorden verwijdden de neusvleugels van de Parfumeur zich en het was alsof hij zich de geuren niet alleen herinnerde, maar ook effectief opnieuw kon ruiken. ‘Met de minuscule stoffen die hun longen vrijgaven, stelde ik de meest explosieve boeketten samen,’ vervolgde hij. De zoon merkte hoe de stem van zijn vader op dat moment zwakker begon te klinken, het vertellen leek hem uit te putten. ‘Vader,’ zei hij, ‘Wellicht wilt u even rusten. Zal ik later terugkomen?’ De oude man voelde zijn krachten echter snel afnemen. Bevangen door de urgentie van het moment, hij had de formules nog niet volledig geopenbaard, verzocht hij zijn zoon te zwijgen en te luisteren. De Parfumeur beschreef daarop hoe hij in zijn jonge jaren vaak ging wandelen in het park. Daar werd hij meer dan eens uit zijn gedachtegang opgeschrikt door voorbijflitsende fietsers en joggers. Het viel hem op dat nog lang nadat de renners uit het zicht verdwenen waren, hun geur zich als een trage, onzichtbare sluier leek te ontrollen. En terwijl hij door die optrekkende nevels van uitgewasemde prestaties slenterde, was het alsof hij toegang kreeg tot het persoonlijk domein van de passanten. Hij werd overmand door emoties van doortastendheid, verbeten volharding, euforie. Een plastic zak die toevallig rond een bank dwarrelde, had hij in een opwelling opgeschept en dichtgeknoopt vooraleer de wind eruit kon ontsnappen. In zijn labo thuis hevelde hij de gevangen geuren over in een systeem van buisjes, flacons, dampvaten en distillatietubes - een complex gebeuren dat hij niet helemaal in de hand had maar dat gestuwd werd door een niet aflatende scheppingsdynamiek. Het resultaat was adembenemend, aldus de Parfumeur, en hij had het proces in de loop der jaren steeds verder op punt gesteld. Zijn ogen schitterden en de gelige schijn die reeds in zijn gelaat was getrokken, lichtte oranje op. De hernieuwde energie was slechts van korte duur. Net had hij de juiste opstelling en verdeling van de elementen aan de jongen toevertrouwd, of hij blies zijn laatste adem uit. De zoon prees zich later gelukkig dat hij de zak nog net op tijd over het hoofd van zijn vader had weten te trekken. Niet lang daarna fabriceerde de erfgenaam zijn eerste meesterwerk, een gloedvol parfum waarin de klanten een onsterfelijke passie meenden te herkennen.

Ruth A
0 0

De acteur.

Ik werd wakker na slechts een paar uren van halfslaap en toen de zon al het hoogste punt gepasseerd was. Naast mij lag de acteur, snurkend en met een zweetschijn op zijn gezicht. In het volle daglicht was zijn appartement maar een armzalig rommeltje dat me deed terugdenken aan de studentenkoten van weleer. Een doek voor het raam dat moest dienen als gordijn. Een goedkope kitchenette van de living gescheiden door een overjaars kralengordijn. Het bed bestond uit twee paletten met daarop een oude matras en smoezelig beddengoed. Over de woonkamer verspreid halflege koffietassen met oude peuken er in en schimmel, lege flessen wijn en een eenzame kamerplant die op sterven na dood was. Ik stelde me voor dat hij die cadeau had gekregen van één of andere vrouw die als een missiezuster verlopen types onder haar vleugels nam om zo de aandacht af te leiden van haar eigen ellende. Zo’n vrouw die vastbesloten gezelligheid nastreefde en in chakra’s geloofde. Soit, mijn zaken niet. Ik speurde het salontafeltje af op zoek naar nog een restje coke van de nacht of de ochtend daarvoor maar moest me tevreden stellen met een sigaret. Ik rookte ze op in mijn blootje, zittend op het bed. Voor mijn plezier pookte ik met mijn wijsvinger in de bovenarm van de acteur, maar hij bewoog niet. Het zou nog wel een paar uur duren voor die zijn roes had uitgeslapen. Ik duwde mijn sigaret uit op de grond en zocht mijn kleren bij elkaar. In mijn handtas vond ik mijn deodorant en een haarelastiekje. Als om het lot te tarten luisterde ik nog even naar de opname die ik de nacht ervoor met mijn telefoon had gemaakt. De stem van de acteur was duidelijk herkenbaar en hij leek behoorlijk nuchter. De avond ervoor hadden we elkaar ontmoet op een receptie in het cultureel centrum van een uit de kluiten gewassen gemeente ergens diep in de provincie. Een aantal amateurgezelschappen was er voor een jury verschenen om een plaatsje in de selectie voor het Landjuweel af te dwingen en de acteur was zo vriendelijk geweest het voorzitterschap te aanvaarden. Ik had mijn functie als redactrice bij een roddelblad gebruikt om me toegang te verschaffen tot het kringetje van de intimi na afloop. Veel stelde het niet voor: een verrassingsbrood met flets beleg, wijn van inferieure kwaliteit en pintjes uit het flesje. Mijn voorbereiding op de avond had bestaan uit een bezoek aan de kapper en de aanschaf van een flatterend jurkje in een modieuze boetiek. Eronder zwarte pumps met naaldhakken, zodat ik langer en slanker leek dan ik werkelijk was en die me tot langzaam, plechtig schrijden noopten. Het was de bedoeling dat mijn subtiele mondaine voorkomen zou contrasteren met de gedateerde outfits van de amateuractrices die tijdens de receptie ongetwijfeld en masse de aandacht zouden proberen trekken van de acteur. Ik was ouder, en alhoewel moeder natuur genadig was het geweest als het op mijn huid aankwam kon ik niet meer de jeugdige frisheid en bijhorende naïviteit van twintigers etaleren. Ik moest inzetten op mysterie, verfijning, dat ongrijpbare je-ne-sais-quoi uitstralen om die kwetterende, gewillige amateursletjes in skinny jeans en op ballerina’s de loef af te steken. Ik had ook Jacques opgetrommeld om me gezelschap te houden. Ik had een vriendin kunnen vragen, maar dan had het risico bestaan dat de acteur meer interesse in haar zou vertonen. Neen, dan liever de onvermijdelijke homo. Ongevaarlijk en niet bedreigend, en het onderstreepte nog eens mijn allure van vrouw van de wereld. Hij had niet gewild eerst, toen ik het hem vroeg. ‘Allez, meiske’, had hij gezegd. ‘Amateurgezelschappen. En dan nog in zo’n boerengat. Ge zijt niet goed bij uw hoofd zeker, dat ik daar mijn zaterdagavond ga doorbrengen?’. Met het nodige gevoel voor drama had ik aan de telefoon gefluisterd: ‘Maar hij zal er zijn!’. Toen ik de naam van de acteur had laten vallen bleef het even stil. Daarna zachtjes: ‘Maar meiske toch. Dat gij nu nog altijd …. Enfin, het is al goed, ik zal wel mee gaan.’ De avond zelf observeerde ik de jonge dames die hun meisjesheid nog niet helemaal van zich hadden afgeschud en die iets te gretig en nadrukkelijk het gezelschap van de acteur opzochten. In groepjes van 2 of 3 vriendinnen cirkelden ze rond hem heen, steeds dichter. Alsof hij het middelpunt was van een draaikolk waar ze onvermijdelijk naartoe werden gezogen. Ze vonden zichzelf heel wat, omdat ze ooit in een kleine cinema een film hadden gezien van 20 jaar geleden waar hij in mee deed. Alsof dat van hen wereldwijze culturo’s maakte. Nu ja, veel meer dan die reputatie had de acteur ook niet om op te teren. Kalend, een beginnende bierbuik. Al moet ik toegeven dat hij in al die jaren nog niet veel had ingeboet aan aantrekkelijkheid. De meisjes droegen hun haren lang, hun tailles waren smal en hun buikjes strak. Alleen – en dat konden zij niet weten – had de acteur hun soort al veel te veel gezien. Hij wist hoe het was om naast zo’n grietje te ontwaken en hoe onmogelijk het was haar duidelijk te maken dat er niets meer in zat dan deze ene nacht. Wat hij ook zei, ze zou aan hem blijven vastzitten als stront in een geribbelde schoenzool. Hij had er eenvoudigweg de fut niet meer voor, om aan de nasleep van een avontuurtje van één nacht uren en dagen kwijt te zijn aan troostende en ellenlange telefoongesprekken. Weken nadien flakkerde het drama soms opnieuw op, terwijl hij al moeite moest doen om zich haar naam te herinneren. Maar wisten zij veel. Jacques had zich die avond als een volleerde chaperonne gedragen. Bestelde mijn drankjes aan de bar, zorgde voor afwisseling tussen alcohol en water. Open en hartelijk als hij was sloeg hij bruggen tussen ons en de rest van het gezelschap, het leek er bijna op dat we ons amuseerden. Mijn homoseksuele vriend was zoals het cliché het wil: flamboyant tot het bijna platvloers was. In dit provinciegat zette hij zichzelf te kijk als een zeldzaam edoch aaibaar dier in deze mensenzoo. Waar wij stonden, daar ging het er luidruchtig aan toe, met veel gekir en lachsalvo’s. We trokken de aandacht naar ons toe, en af en toe voelde ik de blikken van de acteur die onderzoekend onze richting uitkeek. Het werd later en nu zou het niet lang meer duren nu voor zijn entourage en die waar ik mij toevallig in bevond zouden samensmelten, zoals twee sterrenstelsels van op afstand gezien schijnbaar zonder conflict en met schone effecten in elkaar opgaan. Het gebeurde. Jacques manoeuvreerde mij onmerkbaar tot ik me naast hem bevond, brak het ijs zoals hij dat kon. Eindelijk raakten we aan de praat, hij en ik. Ik zachtjes en gereserveerd, hij nieuwsgierig, geïntrigeerd. Het was van belang dat ik mijn mysterie bewaarde, zodat zijn dadendrang geprikkeld werd. Anderen probeerden nog wel zijn aandacht te trekken, maar dat lukte niet meer. Uiteindelijk gaven ze het op, trokken enkel nog aan zijn mouw ter afscheid. Verstrooid keek hij dan op, bedankte de ander kort voor de komst en dat ze – jaja – gauw nog eens moesten afspreken. Jacques was er discreet vandoor gegaan, had nog even gezwaaid toen hij al bijna bij de deur stond. Dat had betekend: nu is het aan jou, en verder wil ik er nooit meer iets over horen. Ik had die avond een grote schuld bij hem opgebouwd, dat wisten we allebei. En Jacques was niet het type om daar geen gebruik van te maken. Zorgen voor later. Toen de zaal quasi verlaten was stuurde ik de acteur zachtjes en ongemerkt de fuik in. Hij had immers te veel gedronken, het was beter dat hij met mij mee reed. We woonden in dezelfde stad, het was niet meer dan logisch. Meer aanmoediging had hij niet nodig en in het donker stapten we samen de parking op. Mijn auto was compact maar comfortabel, ik had een CD opgezet uit ‘zijn tijd’. In het duister van de auto en de eenzaamheid van de onverlichte snelweg groeide de vertrouwelijkheid. In deze kooi van Faraday leken wij de enig overgebleven zielen op de wereld en deze illusie spoorde ons aan tot een vreemde soort intimiteit. Wij dachten dat deze nacht altijd zou duren. Hij dacht dat deze nacht altijd zou duren, en ik was gretig om hem in dat geloof te steunen en aan te moedigen. Hij had een waterkansje gehad om mijn mededogen op te wekken, maar die had hij verkeken toen in zijn ogen geen enkele glimp van herkenning flikkerde op het moment dat Jacques in de cafetaria mijn naam liet vallen. Geen enkele. Ik was de eerste om toe te geven dat ik in niets meer leek op het jonge studentje van 20 jaar geleden, maar de teleurstelling bleef erg bitter. In mijn laatste jaar aan de universiteit had ik me opgewerkt tot verantwoordelijke eindredactrice voor de cultuursectie van de universiteitskrant. Hij stond toen op de rand van de doorbraak, zo wisten de kenners achteraf. Hij had net de hoofdrol gespeeld in een film die niet enkel door binnenlandse critici geroemd zou worden om het uitzonderlijke samenspel tussen acteur en regisseur, maar ook in het buitenland op allerhande festivals enthousiast onthaald zou. In de korte tijdspanne tussen het afwerken van de film en de doldwaze carrousel die op gang zou komen vanaf de première, in dat vacuüm van tijd was hij makkelijk bereikbaar geweest. Ik had hem geïnterviewd, en kort na de publicatie kwamen we elkaar enkele keren tegen op café. Wat er aan had zitten komen, voltrok zich. Hij, bijna een decennium ouder dan ik en barstend van jongensachtige charme. Ik, een vat vol jeugdige onzekerheid, grote dromen en het product van een beschermde opvoeding. Onervaren als het op mannen en relaties aan kwam, misvormd door de grote romantische woorden in de boeken die professoren op mijn leeslijst hadden gezet. Verder verknipt door het gulzig bekijken van films en series die me opzadelden met hun kinderachtige kijk op de liefde. Dat ik op een nacht mijn maagdelijkheid aan hem verloor had voor mij de betekenis gehad van een mystiek huwelijk, en in niets was ik voorbereid op wat onvermijdelijk zou volgen. Natuurlijk liet hij na die 2 of 3 weken die we voornamelijk in bed doorbrachten niets meer van zich horen. Natuurlijk verscheen hij op de première van zijn film niet met mij aan zijn zijde. Wel met een presentatrice die ’s avonds op een muziekzender videoclips aan elkaar praatte. Dat was nog eens iets anders dan een redactrice met pluizig haar en een tuttige garderobe. Terwijl ik verder wegzakte in het zwarte drijfzand van een depressie, reeg hij de triomfen aan elkaar. De film werd in het binnenland een groot succes, en sprak zowel de cultuursnobs aan als mensen die gewoonlijk kozen voor oppervlakkiger vertier. Er waren dagen dat ik 2 of 3 keer ging kijken, het was in die tijd nog het enige waarvoor ik de deur uit ging. Zijn charme was luchtig, jongensachtig, moeiteloos en overweldigde me telkens weer in het artificiële duister van de cinemazaal. De camera was zijn vriend, de regisseur was zijn vriend, het scenario was hem op het schone lijf geschreven. Hij begon op te duiken in de weekendbijlages van kranten waar hij poseerde in dure pakken die stylisten voor hem hadden uitgekozen. Daarnaast een interviewtje over de moeilijke passages in zijn jeugd, de dood van zijn vader. Men wilde weten waar hij at, wat hij las en welke programma’s op TV hem het meest bevielen. Men wilde hem de kleren van het lijf rukken en in zijn vel kruipen. Ik maakte ondertussen kennis met het soort verdriet dat uiteindelijk onmerkbaar overgaat in waanzin. Na de binnenlandse zegetocht begon de verovering van Europa. Locarno, Berlijn, Venetië, Cannes. Vanuit de Zuid-Franse badstad werd in de vaderlandse media bericht over de feestjes waar hij heen ging, met wie danste, praatte en tenslotte met wie hij in welk hotel de nacht doorbracht. Het was dan ook voor niemand een verrassing toen hij tijdens een laatavondpraatshow aankondigde dat hij Antwerpen definitief inruilde voor Hollywood, waar hem een belangrijke bijrol was aangeboden in een pseudo-intellectuele actiefilm. En dat nog wel door een regisseur die zeer hip & happening was, en controversieel door het vele geweld waarmee hij zijn films doorspekte. De combinatie was gedoemd tot succes. En ja, ook Amerika viel massaal voor zijn charisma en zijn gecultiveerd ondeugende blik, zijn Europese savoir-vivre en zijn Frans klinkende artiestennaam. Hij promoveerde van bijrollen naar hoofdrollen, van B-lister naar prominente A-lister inclusief het huis met zwembad en meerdere badkamers in Beverly Hills. De zon in zijn leven was vastgepind op de zenith. En toen verdween hij plots naar de achtergrond. Hij verscheen niet meer in films, bleef weg van feestjes, rode lopers, praatprogramma’s. Niemand die wist waarom, of toch zeker niet het fijne van de zaak. In het begin van zijn verdwijning werd hij vreemd genoeg zelfs niet gemist, het was alsof hij met een reusachtige gom uit het collectieve geheugen was weg gevlakt. Zijn plaats was ondertussen al weer ingenomen door het nieuwe snoepje van de dag, iemand die frisser was, onbekender. Iemand waar nog niemand met zijn vuile vingers had aan gezeten, en die niet liever had dan ondervraagd te worden op TV door blondines met afgetrainde lijven en opgerekte mondhoeken. Het was pas enige tijd later geweest dat men zich realiseerde dat er van de acteur weinig of geen spoor meer te vinden was. Zijn huis was verkocht, zijn agent verklaarde dat de acteur hem een jaar of wat geleden had gevraagd om tijd voor zichzelf (meestal een eufemisme voor een opname in een afkickkliniek) en dat hij wel nog een paar keren met zijn cliënt had gebeld maar dat het contact stilletjes aan was verwaterd. Nu was de mysterieuze verdwijning van de acteur plots wel nieuws, en nader onderzoek door journalisten bracht voorlopig weinig aan het licht. Er was sprake van een politieverslag waar hij genoemd werd als dader in een geval van slagen en verwondingen, de naam van het slachtoffer bleef onbekend. Er werd gefluisterd maar nooit bevestigd dat hij de dochter van een diplomaat zou hebben toegetakeld. Sommigen gingen zelfs zo ver te beweren dat het zou gaan om de dochter van een bevriend staatshoofd. Ook deze beweringen bleven zonder hard bewijs, van de acteur vond men voorlopig geen spoor terug. Het mysterie kon niet worden opgelost binnen een aanvaardbare tijdspanne en het publiek verloor bijgevolg alweer de aandacht. Het was pas vele jaren later dat de acteur, nu ex dus, opnieuw boven water kwam. In zijn geboortestad nog wel. Omdat het al zo lang geleden was en zijn ster al ferm getaand veroorzaakte zijn terugkomst niet meer dan een rimpel in de sociale vijver van de stad. Ik kwam er achter toen hij achteloos vermeld werd in een artikeltje in De Streekkrant over beroemde stadsgenoten. Iets over een café dat werd geopend en waar hij pinten had getapt. Ik vroeg hier en daar rond aan bevriend artistiek volk. Hadden ze hem gezien? Gesproken? Had hij iets gelost over waar hij al die jaren geweest was? Het enige dat ze me konden zeggen was dat de acteur niet veel loste. Hij wimpelde hun vragen af, leefde van wat luizige jobkes, scharrelde wat. Heel af en toe viel hem een kleine, weinig deining veroorzakende regie-opdracht te beurt. Het mysterie bleef, maar het scheen niemand genoeg te intrigeren om op zoek te gaan naar antwoorden. Amateurgezelschappen, waarvan de oudere leden zich hem nog herinnerden van toen. Ze hoopten dat zijn vermeende prestige op hen zou afstralen en voor publiek zou zorgen. En daarbij, zo luidde het laatste argument altijd: hij vraagt niet veel. Ik wilde wel het verhaal boven halen. Onderweg in de auto liet ik vallen dat ik toevallig wat coke op zak had. ‘Amai,’ antwoordde hij. ‘Dat is echt lang geleden dat ik dat nog deed. Is ’t goeie?’. Ik trok een wenkbrauw op. ‘Natuurlijk’, zei ik, speels verontwaardiging veinzend. We stopten bij het binnenrijden van de stad nog bij de nachtwinkel. Rode wijn, koud bier, sigaretten. Achteloos gooide ik een pakje condooms op de toonbank. ‘Doe dit er ook nog maar bij’. De acteur keek even opzij. -          Je hebt precies nog grote plannen vanavond. -          Ik zei toch dat het goeie coke was, fluisterde ik terug. In zijn kleine flat legde ik eerst twee lijnen voor ons klaar, rolde een bankbiljet en snoof geroutineerd het spul op. Hij volgde dat voorbeeld waarna we ons achterover lieten zakken in de fauteuil. -          Zeg, een vrouw zoals jij … Waarom ben jij nog alleen eigenlijk? Ik grinnikte. Van zijn eerste cliché was hij precies ook nog niet doodgevallen. Ik haalde mijn schouders op. ‘Gewoon,’ zei ik. ‘Ik heb het wel geprobeerd. Ik ben zelfs ooit bijna getrouwd, maar op het laatste moment zag ik dat dan toch precies niet echt zitten’. Half berekend, half oprecht vertelde ik mijn verhaal. Als ik hem mijn geheimen onthulde zou hij geneigd zijn hetzelfde te doen. Ik hoefde niets aan te dikken of te dramatiseren. Het verhaal kwam vanzelf. Het stokken van mijn stem was echt, de tranen waarmee ik mijn wedervaren eindigde hoefde ik niet te veinzen. Het begon banaal genoeg, toen ik tijdens mijn laatste jaar aan de universiteit hals over kop verliefd was geworden op een man die een tiental jaar ouder was. Hij wist van wereld, ik wist nog van niet veel en was er natuurlijk van overtuigd dat het altijd zou blijven duren. In het begin vreesde ik nog even dat hij zich zou herkennen in de details die mij zo helder voor de geest stonden, alsof er toen beelden in hoge resolutie van waren geschoten en die in al die tijd nog niets aan scherpte hadden ingeboet. In zijn geheugen waren die paar weken die wij samen door hadden gebracht opgeslokt door de zwarte gaten van de tijd. Zinnen en woordjes die mij toen vervuld hadden met vreugde en hoop, maar die ik nadien niet meer kon horen zonder dat mijn maag keerde. Ik wist nog wanneer en hoe, ik hoorde nog de klank van zijn jonge stem. Was het de drank? De coke? De nacht? In elk geval, hij leek zich niet te herkennen in mijn verhaal. Hij gaf geen krimp, alsof het niet over hem ging. Ik begon een beetje te huilen toen ik vertelde hoe mijn grote liefde na een paar weken uit mijn leven verdween zonder drama of deuren die pathetisch werden dichtgeslagen. Het gebeurde geruisloos zodat het voor mij onbegrijpelijk was. Op een avond had hij ‘tot morgen’ gezegd, maar die morgen was nooit gekomen. Hij had simpelweg de draad van zijn leven opgepakt, en ik was niet meer geweest dan een intermezzo. - Wat een klootzak zeg, hoorde ik de acteur zeggen over zichzelf. En je kon die kerel niet bellen? Ik herpakte me, slikte een pijnlijke brok weg en schraapte mijn keel. Ik had gewacht, die dag. Dat hij een uur later dan afgesproken opdaagde was een gewoonte die ik hem op termijn wel zou afgeleerd krijgen. Het was al laat in de namiddag toen het besef daagde dat ik hem niet meer zou zien. Ik ging hem zoeken in de cafés waar hij rondhing, maar niemand had hem gezien. Ik had het adres van zijn moeder waar hij officieel verbleef, maar dat was in een andere stad en ik had het lef niet om hem tot daar achterna te gaan. Ik beperkte me tot wachten en huilen tot mijn vel open lag, weigerde mijn bed uit te komen. Domme gans als ik was, bleek ik ook nog eens zwanger. Eigen schuld natuurlijk, want in mijn enthousiasme alle geneugten van de nieuwe ervaring die seks was te proeven had ik tegen mijn gewoonte in elke vorm van voorzichtigheid zonder meer overboord gegooid. De paar vriendinnen waar ik tot voor kort mee was opgetrokken waren in hun gat gebeten dat ik ze al die weken verwaarloosd had en gaven niet thuis. Wellicht speelde jaloezie ook een rol. Afspreken wilden ze pas doen als de examens afgelopen waren. Ik vermoed dat ik hun kille reactie had verdiend. In elk geval, hun afwijzing was de laatste druppel. Ik ademde nog eens diep en gooide de rest er allemaal uit: dat ik eerst een fles tequila had gedronken en daarna de fles ontstopper die onder de gootsteen stond. Een kotgenoot had me gevonden, het was geen prettig zicht geweest. Weken had ik in het ziekenhuis gelegen met een kapotte slokdarm en ouders aan mijn ziekbed die hun teleurstelling probeerden te verbergen. Het beginnende kind mijn buik had de stuk of 4 operaties die nodig waren om mijn beschadigde ingewanden op te lappen niet overleefd. De acteur deed een halfslachtige poging om me te troosten en wilde zijn arm om me heen leggen. Ik reageerde heftig, schreeuwde dat hij, ja hij! me met rust moest laten. Bijna had ik het verkloot. Ik excuseerde me, zei dat het me na al die jaren toch nog veel deed. Het lag niet aan hem, ik moest gewoon wat kalmeren. Een sigaret, een glas, nog een lijn. Toen zag ik mijn kans schoon. Ik vroeg naar zijn ervaringen in de States, liet hem vertellen over wie hij allemaal had ontmoet. De drank en de coke maakten hem spraakzaam en zeker van zijn stuk. Hij wilde opscheppen, bij mij in de smaak vallen en ik plaveide de weg voor hem met vleierijtjes en valse bewondering. Toen kwamen we bij het moment van zijn verdwijning en hij stokte. Ik drong aan, schonk hem nog wat bij. ‘Komaan, ik heb jou ook mijn grootste geheim verteld. En dat was ook niets om trots op te zijn. Daarbij, tegen morgen zijn we het allebei vergeten als we zo doorgaan!’. Hij gaf toe, waarschijnlijk opgelucht verlost te zijn van een last die hem al jaren bezwaarde. Het verhaal gulpte eruit. Op een avond had hij - meer uit verveling dan uit goesting - een jong, zwart straathoertje opgepikt en was met haar naar een motel gereden. Op de kamer had ze uit haar handtas een zakje met wit poeder gehaald. ‘Angel Dust, baby’, had ze gezegd, de sierlijke arm die eindigde in een vuil klauwtje omhoog geheven. ‘D’ya wanna go crazy?’, vroeg ze, en voor een extra 20 dollar hadden ze zich samen de inhoud van het zakje opgesnoven. Het was inderdaad waanzinnig geweest. Het spul had het kwade in hem wakker gemaakt, zo omschreef hij het. Hallucinerend, agressief had hij het meisje eerst het hoofd ingebeukt met een asbak en daarna had hij haar verder toegetakeld met een schaar. De herinnering aan de nacht bestond uit flitsen en flarden waarvan hij niet meer kon zeggen of ze verzinsels waren of gebeurtenissen. Uren later pas was hij bij zinnen gekomen. Op de één of andere manier was hij er in geslaagd om haar lichaam ongezien in de kofferbak van zijn auto te leggen. De volgende nacht had hij wagen en lijk in een stuwmeer laten verdwijnen. Daarna had hij een grote som geld van zijn rekening opgenomen, zijn agent met een smoesje om de tuin geleid en was vertrokken naar Brazilië. In een klein provinciestadje waar de Amerikaanse massamedia nog niet was doorgedrongen vond hij onderdak in een pension. De nieuwsgierigheid van de mensen naar die gringo counterde hij door een vaag verhaal over een organisator van avontuurlijke reizen die hem op verkenning had gestuurd naar nieuwe routes om toeristen. Dat scenario had hij een paar keer herhaald tot hij het tijd vond om de anonimiteit van de grootstad op te zoeken. Hij had in Rio geleefd, en een tijd in Buenos Aires. Hij vermoedde wel dat er ooit naar hem gezocht was geweest, tenslotte had hij allerlei contractuele verplichtingen ontlopen, om van die moord nog maar te zwijgen. Het bleef hem verwonderen dat niemand hem ooit gevonden had. Hij had nooit een andere naam aangenomen, was gewoon teruggekeerd naar zijn de naam die hem was gegeven toen hij ter wereld kwam. Hij had niet overdreven veel moeite gedaan zich een ander uiterlijk aan te meten, maar de tropische zon had zijn haren gebleekt en het ritme van de dagen had hem de routine van het scheren doen vergeten. In die tijd was dat voldoende geweest om te verdwijnen in de vergeetput. Hij wist niet goed wat er hem terug naar België had gedreven op den duur. Het geld was opgeraakt, dat in ieder geval. Een Canadese expat had hem eens gezegd: I’ve met a lot of Belgians abroad, but in the end they all go back to where they came from’. Nu, in het daglicht, had ik zelfs een beetje medelijden met de slapende acteur. Maar niet genoeg. Ik haalde mijn hakken van onder het bed, sloop de flat uit en reed met mijn opname rechtstreeks naar de redactie.

Wendy Kroy
0 0

Liefde overwint alles behalve de tijd.

Hij was geen onbeschreven blad. Dat wist ze. In zijn bijna halve eeuw durende leven had hij een en ander meegemaakt, kinderen gemaakt. Brokken gemaakt. Op een van hun avondlijke en nachtelijke tochten langs de knijpen van de stad had hij in een bezopen bui verteld: “Liefde overwint alles, behalve de tijd. Je laatste liefde zal naast je sterfbed zitten, je hand vasthouden en om je treuren. Want die liefde zal niet voldoende tijd gehad hebben om uit te hollen, te kwetsen, te verwateren, kapot te gaan aan een onvermijdelijke vernietiging, waar geen van beide leden schuld zullen aan hebben. Het bedekken van ongenoegens met mantels der liefde zal op den duur dusdanig zwaar wegen dat ze verstikken. En dan heb je de keuze, je gooit de mantels van je af, met alle gevolgen vandien. Of je bent een volhouder en draagt het kruis, zoals elke religie voorschrijft: Lijdend. Want lijden moet, lijden werkt louterend schijnt het. Liefde is geen religie, koosnaam.” Want zo noemde hij haar, "koosnaam". Schatje, bolletje en scheetje zijn dagelijkse nietszeggendheden bij het vragen om de boter even door te geven was hij van mening.Ze bekeek hem. “Je bent bezopen,” was ze in een lach geschoten.Hij vond haar poging om om zijn zwartgallige gedachten te doorbreken lief. Want dat was haar opmerking en lach. Zo goed meende hij haar al wel te kennen.“Als er al iemand naast je sterfbed zit,” ging hij onverstoorbaar verder “en niet jijzelf de hand van je laatste liefde zal vastgehouden hebben. Misschien haalt de tijd je in alvorens ook jij je op dat sterfbed vleit om de laatste liefde te vinden.”“Dus jij gelooft niet dat mensen van elkaar een leven lang kunnen houden?” vroeg ze.“Tuurlijk kunnen mensen een leven lang van elkaar houden!” had hij uitgeroepen. Ze schrok van zijn heftigheid.“Moeders, vaders, kinderen die kunnen een leven lang van elkaar houden. En zelfs dat niet altijd. Maar twee mensen zonder verstikkende jassen die de liefde een leven lang volhouden zijn zeldzaam. Daarom bestaan er uitzonderingen, zij bevestigen de regel. Een regel die ik in ieder geval niet bevestigde.”Er openbaarde zich een Tom die ze bij voorgaande kroegentochten nog niet gezien had. Een warse baldadigheid.“En nu kunt ge allemaal mijn kloten kussen!” zei hij op luide toon opdat iedereen het horen kon, nam een sigaret tussen de lippen en joeg er de brand in. Uitdagend keek hij rond om te zien wie de moed zou hebben hem terecht te wijzen.Niemand ging in op zijn uitdaging.Zij zei niets. Staarde naar haar glas. Wierp nu en dan een blik op hem.“Wat denk jij, koosnaam” vroeg hij.“Dat ik antwoord geef wanneer ik dat wens. En noem me nu even niet “Koosnaam.”Hij bekeek haar. Geschrokken. Ook zij openbaarde hem onbekende kanten.“Een oester ben je, soms ga je een beetje open en meen ik een parel te ontwaren daarbinnen. Dan klap je plots dicht en nijp je een stukje huid van de topjes van mijn vingers tussen die schelp van je. Hoe ik ook zwaai met mijn hand, ik krijg je niet los. Maar je klapt niet eventjes een miliseconde open om los te laten. Waarom niet?”“Dat ik antwoord geef wanneer ik dat wens.” zei ze nogmaals.”We drinken nog iets, je houdt je mond nu, wandelt mij naar huis. Genoeg gepraat.”Hij zweeg. Maar dacht nukkig: “En oesters zijn ook een afrodisiacum!” Tom

Tom Lievens
48 0