Koud Een verdwaalde handschoen zwerft op de grond Omringd door restanten van een afhaalmaaltijd Strakblauwe lucht De zon hoeft geen moeite te doen Ik knijp even mijn ogen dicht De gevels van de huizen vangen voorzichtig een gouden gloed Wat is het nog stil Stil Op deze koude kersochtend in Amsterdam
Ketels vol gretels Emmers van Remmers Kleuren die beuren Dat, is me wat...
Riet dat krakelt, een vogel die kakelt. Of was het een kip? Ik vertrek in een wip, geeuw met een zucht en aanschouw haar vlucht. Ze kruiste m’n pad. De heuvel was nat.
Zie ze draaien Die schoepen naast de haaien ‘t Eiken laat zich gelden In ‘t zeetje van golvende velden De wolken maken het bond Zo, de cirkel is weer rond
De angst maakt me toch wel echt het bangst. ‘t Is een omarming die vraagt om wat erbarming. Dan wordt het een vreugd die me geneugd.
Dag per dag strijkt de tijd voort. ‘t Is een beweging met geen stoppen aan. Voor je het weet is ‘t een jaar of vier zoals het hoort. ‘t Is heel anders dat ‘t bewegen met m’n fietske op de baan. En wat dan in dat zwarte gat? Daar zou m’n fiestke niet weten hoe ‘t remmen kan. Maar ‘k zou wel kunnen teruggaan hoe ‘k het gisteren had. Toch gek da’t in het midden misschien wel weer keren kan...
Ik zoek naar de woorden, maar ‘t lijkt wel alsof ze m'n keel doorboorden Misschien als ik ze pen... dat ze wel meer worden zoals ik ben
Woorden vloeien Daden boeien Liesje met haar snelle vaart Levendig en onverstoonbaar bedaard En toch is ‘t blad aan de bomen Niets tegen ‘r levendige dromen Een beetje als de lamp benee op ‘t pad Een stille kracht, maar zo gevat
Zuchten, kluchten, muchten of mugten of... Gewoon muggen? Smurfen smurfen dus muggen muggen? Gesmurft en gemugt! Mugten houdt dan ook wel steek. Ze heeft me gemugt, zei ze met een zucht. Och, wat een klucht.
De romantiek wordt excentriek Het zit zelfs in ‘t scheren van de coniferen En waarom wil ik dan toch weer... meer en meer en meer ‘t Bijproduct van m’n brein denkt zichzelf soms wel eens te zijn Ja, het leven leven stap voor stap is opzich al een hele hap Ooh romantiek, maak me niet te fanatiek
Één twee drie... Snottebel! Foei! Je durft wel. Één twee drie... Broek af! Ooh! Dat wordt je graf. Één twee drie... Schuimgebak! Ja, daarmee kan je aan de bak. Één twee drie... Gefopt! Ik zie het al, je bent ontpopt.
De thematiek wordt fanatiek Janjaap staat nu wel echt voor aap Z’n teddybeer heeft een oogje op de Heer Dasserdas herinnert zich nog hoe dat was Hermelijn vond het ooh zo fijn Dit verhaal vertelt zichzelf wel, ‘t is iets met hemel... en hel.
Ik weet als geen ander dat ik niet zie wat ik zie. Ik zie wat ik wil zien en dat maakt me droef. Droef omdat de ladder rijkt naar een onzichtbare poeef. Netten als garen, stenen als paren. Netten en garen, stenen in paren. Ik vertrouw dat ik zie wat ik zie. Ik blijf hier. Voor ‘t plezier.
Nergens iets te bespeuren op het kale oppervlak.De wind waait als een zeis over het veld en vind niets. Niemand komt hier omdat er niets is te zien. Alleen de poëet komt om de stilte te ervaren. De poëet en de leegte. Een blad zonder inkt. Ogen op oneindig. De wind die hen vergezeld. Was er maar iets, een teken dat er hoop is. Maar de kilte omringd hen als mist binnenkomt. Melancholie stuurt het schip zonder kapitein. Gedachten als spookschepen gaan voorbijNiemand die de geesten merkt. Waarom zou de zon komen? Om welke reden zou één woord beter zijn dan niets? Rillingen glijden over het oppervlak. Fouten werden gemaakt. Eenmaal het begint vallen vlekken overal. Sommige plekken zijn doordrenkt. Van tranen of inkt. Van zweet van de zon die doorbreekt. Sta op. Doe iets. Breek de spreuk. Lente is hier. Breng mij één bloem.
Het ritueel van de winter even ondoordringbaar als de kilte die door de grond een weg vindlagen van duisternis die mij omgeven door een dode god meegegeven Papieren geboden rond mij tot ik niet meer zien noch ademen konkrakend als de sneeuw waar de jager staptDe nacht zucht als ik naar de maan kijkSchaduwen scherp als een mesKeren zich om en om als een bipolaire windin dezelfde omsluiting van steen Ik weet niet of ik levend of dood ben De beenderen van een dode god geanimeerd door de windTergend traagkrakend door de tijd kijkend naar onder naar iets heel klein Bijen die bedrijvig bezig zijneen dode word snel een rot en ziekte in een bijenkorfPropolis - Een Mummie onder onsMysterie - ingewikkeld De zon komt bijna opNog even en kruipende insecten kruipen terugdoor ondergrondse ongeziene gangenen doen hun werk in duisterniswaar elke zool op steunt Het bloed van de eerste zon breekt doorPropolisGoud dat zwakker is dan de windvind mij In de winter ben ik de zilveren spiegel die het ijswater van de Noordzee drinkt Ik ben wat geen woorden vindVind mij waar de soldaat zonder naam begraven isRood stollend staal vloeit uit mijn wondIk ben de Zoon Van Niets (Zwarte) rook komt uit mijn mond Mij worden namen gegeven als Rot en RebelIk wandel door de opening die Roest brengtAmberen hart hoor de bliksem slaat inBrand Niets dan lucht en lichtweerkaatsingwaar is de vlam als hij gedoofd wordLege woorden als een spreukEen ruïne waar een sacrofaag op rust Propolis Door het doolhof van verwarring waarin ik werd begravenEkster die van de regen dringt die de weg vond naar mijn zielvolg de zon tot je bij de verborgen polis bent Breng de zon Breng het lichtBreng de warmte één straalZonnewendeMagie herboren HIER BEN IK!
eerste kerstdag - ze strijkt door haar chrysanten op sporen van vorst
Naast me loopt een donkere poppenmier. Een streep eronder zet zij stap voor stap. Kort wordt zij gebleekt tot gele knekel. Verlicht en graag vlucht zij het looppad af. Verjaag die muggenvlagen om mijn hoofd! Verkleed als dwaallicht verdwijnt zij het duister in. Muggengezoem maakt deze dierenmeester murw.
Mijn geboorte ligt al ver weg een hele weg een hele weg achter mij Een weg die volgens Schopenhauer wat welzijn wat levensgenot betreft aan een stuk door aan een stuk door bergafwaarts gaat Op naar de jammerlijke ouderdom Op naar de marteling de marteling van het laatste ziekbed naar de agonie de dood De dood de prijs van het leven En mijn weg Mijn weg schemert herfst En ik Ik ben nog steeds mezelf mezelf in een blinde vlek En ik slijt Ik slijt en ik hoop Zal ik zo Zal ik zo tot geestelijke groei en tot rijping komen?
steeds als een zwaan zijn vleugels openklapt sneuvelt een soldaat
ze was behoorlijk geraakt door de rauwe grilligheid waarmee haar hond bij hun zieke vader was gaan schuilen in een gedeelte van de woning waar nog amper werd geademd en hij had haar nochtans beloofd dat de hel een zalig oord was voor brave mensen zoals zij en dat het haar tijdelijk zou bevrijden van haar zwaarbeladen dromen dat dit op elk tijdstip van de dag kon gebeuren had zijn stem computerachtig weerklonken en dat het er niet toe deed of ze er in wilde geloven of niet in het vele weinige van het luttele beetje dat hij genadevol had opgespaard als vulsel voor de meest onbeduidende kamer in haar haveloze mensenhart