Terwijl ergens, al dat ongelezene drijft, blijft de rust dichtbij bestaan.
Het is op een slagader van de tijd, dat lik langzaam roei, richting Niemendal.
Word je dan nooit moe? Zo vraagt een éénoog zonder verrekijker.
Neen, Meneer de Reus, ik ken geen eind. Ik overleef.
Ik ben een gladde aal. Gelijk een lintworm zonder neus.
Nergens ruik ik roest noch ondergang. Ik lach altijd gelijk een moedige citroen.
Sapperloot. Dat is me wat. Zo'n evenwicht dat nooit eens wipt?
De cycloop zegt dat hij nu moet gaan. Naar zijn café, De Vogelpiek.
De regen komt. Ik voel dat graag. Hoe zuiverheid bevrijdt.
De wormen kruipen langzaam uit mijn oren. Daarna wordt het stil.
Toch fluistert iets. De rust belooft het weer: Ik blijf altijd bestaan.
uit de reeks 'Dialogen met monsters en dia's'