Lezen

De Daktylovorax

“Mijn naam is Daktylovorax. Dat betekent ‘tenenverslinder’, maar eigenlijk is die naam een grove misvatting. Zie je, ik heb die naam ooit gekregen omdat ik nu eenmaal graag aan mensen hun tenen sabbel wanneer ze ‘s nachts hun voetjes nietsvermoedend over de rand van hun bed laten hangen. Ik kan je eerlijk zeggen dat ik werkelijk nog geen één keer een teen heb afgebeten en opgepeuzeld. Misschien ooit eens een kleintje, maar dat was echt waar per ongeluk. Mijn tanden zijn te scherp en daar kan ik persoonlijk niets aan doen.   Tegen het schemerdonker sluip ik muisstil naar dat donkere plekje onder je bed en dan ga ik daar klaarzitten; rillend, watertandend en handenwringend. Wanneer je de slaapkamer binnenkomt zit ik daar dan te wachten. Ik kauw gespannen op het uiteinde van mijn lange, harige staart tot die bloedig is, om maar geen geluid te maken. Je heerlijke voeten verschijnen aan het bed en ik houd mijn adem in. Het bed kraakt en piept wanneer je gaat liggen, de lakens ruisen zachtjes over je heen. Weldra zullen ze te warm worden, voel je je klamme lijf bezweten, en dan is het zo ver. Dan komt daar één voetje onschuldig van onder het laken uit piepen.   Onbewogen wacht ik tot je wegdommelt. Een waar engelengeduld leg ik hierbij aan de dag. Je kan niet geloven hoe zeer ik mezelf beheers. Ik ben de stilte en de sereniteit en de duisternis zelf. Ik ben onaandoenlijk. Ik ben het hoogtepunt van bedaardheid. Ik…   Het is zover!   Je snurkt. Ik likkebaard.   Je beweegt even in je slaap. Ik kwijl over je tapijt.   Je ronkt vredig verder. Ik krabbel aan mijn behaarde navel en negeer de golf van pluizen die eruit komt.   Je beweegt je voet nog verder van onder het laken vandaan. Ik kan het al bijna aanraken.   Nu kom ik langzaam tevoorschijn van onder je bed. Het maanlicht weerspiegelt kortstondig in de donkere poelen van mijn ogen, maar trekt zich even snel weer terug. Ik buig me over je uitgestrekte been en besnuffel voorzichtig alle kanten van je voet. Ik glijd met mijn tong over mijn scherpe tanden. Wat een heerlijke teentjes in het vooruitzicht! Voorzichtig steek ik mijn tong uit richting je grote teen. Wanneer je ademhaling stokt, houd ik halt. Mijn ogen schieten richting de grote slapende bult onder het laken, mijn tong nog uit mijn mond hangend. Dan adem je verder en adem ik ook geluidsloos uit.   Trillend van de anticipatie ga ik ervoor. Ik slurp de kwijl die van mijn tong hangt stilletjes terug op en lik aan je dikke teen. Je proeft heerlijk zout en aromatisch, als een lang gerijpte Parmezaanse kaas.      

LeenB
0 1

John en de Heksen

Laten we hem John noemen. Hij heet niet John, maar hier volstaat het voor de heer in kwestie. Eerlijk: soms heb ik een hekel aan hem. Hij stelt vragen die niemand graag krijgt, en hij geniet ervan. Dat irriteert mij mateloos. En net daarom heb ik hem graag. Op een dag vroeg hij waarom ik geen horror schreef.“Alles bij u is zo… chiromeisjes-achtig,” zei hij. “Happy endings. Kussen in de sneeuw. De liefde die wint. ‘You don’t put Baby in a corner!’ en hup: iedereen naar huis met warme voeten en een crush op Patrick Swayze, en die is al dood!” Ik haatte hem op dat moment een beetje. Omwille van dat van Patrick Swayze en ook omdat hij gelijk had en dat is ambetant.  Chiromeisjes hebben geen messen; wel een alcoholstift en grote roze kauwgum in de zakken van hun korte rok. We schrijven onze namen op T-shirts en armgipsen, niet in mensen. Als ik dan toch horror zou schrijven — ik zeg als — zou het iets zijn zoals de heksen van Roald Dahl. Niet één heks, maar een hele lobby vol. Een hotel dat naar stofzuigerzakken en zeewater ruikt. Vrouwen die u aankijken alsof ze net beslist hebben wat ze met u gaan doen,en het antwoord is nooit: thee met melk. Ze dragen nette schoenen, hebben gelakte nagelsen weten perfect hoe ge iemand kunt doen verdwijnen zonder dat ge bloed moet zien.Zo’n soort kwaad. Onderkoeld, beleefd, systematisch. Het soort dat applaudisseert voor uw ondergang. Maar misschien bedoelt John dat niet. Misschien wil hij het soort horror waar de soundtrack uit vioolsnaren bestaat en waar het bos altijd te donker is voor het uur van de dag.Waar niemand ooit het licht aan doet omdat anders de film gedaan is en waar mannen denken dat ze onsterfelijk zijn zolang er ergens nog een kettingzaag in de kelder ligt. En misschien moet ik mij gewoon afvragen waarom mensen horror kijken.Is het om demonen te verjagen? Is het om angst te onderzoeken zonder dat iemand echt gewond raakt? Om te voelen dat ons eigen leven eigenlijk beter meevalt dan dat van het meisje dat binnen acht seconden door een heks onthoofd wordt?Is het om te oefenen in bang zijn? Om de donkere kant van het leven te zien zonder er zelf in te wonen? Ik versta dat niet. En daarmee leg ik — trefbal-meisjeschirogewijs — de bal alweer in het kamp van John. Niet bij de heksen in de lobby, maar bij de mensen die kijken en denken:“Ooooo jaaaaa!” Dat soort horror ga ik niet schrijven, John. Maar stel dat horror niet per se bloed hoeft te zijn. Stel dat het gevaar veel dichter zit. In iemand die zegt dat hij dringend met u wil praten, maar de telefoon nooit opneemt.In vrienden die bestonden en dan plots niet meer. Niet boos, niet luid, gewoon weg.In mensen die sterven zonder spektakel en zonder dat iemand het moment noteerde. Of kinderen die je de ene moment nog in slaap sust en twee knippers met je ogen in pakweg Madrid wonen. Of wakker liggen omdat zekerheden wegglippen en je niet meer weet in welke wieg je precies geboren bent.  Gemorste koffie, te veel stilte tussen twee zinnen en dingen die in een deuropening blijven hangen maar nooit binnenkomen: dat zijn de kettingzagen en de heksen van alle dag. En als ge dat allemaal samen duwt —de beleefde lobbyheksen,de telefoons die zwijgen,de verdwijners en de sterfelijkerds —dan begint het pas echt te schuren. Dan begint het te spannen.Niet door bloed, maar door tijd: doorgaan zonder bewijs dat het ooit anders was, leven zonder aftiteling. Dat, John. Dat is mijn horror. En het ergste is: ge verlaat de zaal zonder te weten dat het gedaan is.

Katrien Daniels
62 1

Zevenduizend vierhonderd en vijfentwintig kilometer weg van mij

De verstoorde azure waterrimpels, vervormd door de bonte boot, lijken weer hun natuurlijk ritme te vinden. Een groene lijn oerwoud snijdt de rivier af van de bewolkte lucht. Het zonlicht doet de huid en haren van de somber gestemde mensen stralen. Zelfs in het paradijs kent men afscheid. Drie mensen buigen zich over de rand van de boot. De oranje man verlost de inhoud van een doorzichtig, plastic tasje in het water onder hun. Op eenzelfde manier dat de lucht bevlekt is met witte wolken, krijgt de azure rivier asgrauwe vlekken. Rode bloemen vervoegen de aswolken, zachtjes bedeeld door een wit-blauwe jongedame. Het water ontfermt zich vanaf nu over de stoffelijke resten van mijn nani. Mijn ogen staren naar het tafereel voor mij, bevroren in de momentopname dat aan mij bezorgd was via het technologisch communicatiewonder van de 21e eeuw dat wij WhatsApp gedoopt hebben. Deze beelden, van as dat zich vermengt met water, zijn de laatste beelden die ik van mijn nani zal hebben. Ze zijn gekaderd door een ander, met een nauwkeurig oog voor wat op dat moment het belangrijkste was, en de nagelatenen in hun recht, verdriet en liefde laat. Ik vertrouw het oordeel van het oog. Ik veracht het beperkend, rechthoekig kader van mijn smartphone. Ik staar wat te lang naar de platte prent voor mij – mijn gedachten dwalend naar de azure rivier zevenduizend vierhonderd en vijfentwintig kilometer weg van mij – en het scherm verandert van een gedimde foto naar een reflectie van mezelf. De rode, droge, jeukende ogen die me aanstaren vanuit de weerspiegeling irriteren me mateloos. Mijn vinger swipet een paar keer over het ontgrendelingsscherm, en dan nog eens over de foto in het fotoalbum. Ik staar naar dezelfde oranje man, omringd door twee wit-blauwe vrouwen. Alledrie werpen ze een glimlach richting de fotograaf. Mijn ogen jeuken nog intenser, en een diep knagend besef kruipt dichter en dichter bij mijn hart. Geen enkele vorm van langeafstandscommunicatie – foto, tekst of video – kan de emotionele catharsis van afscheid schenken. Niet op eenzelfde wijze dat de nabijheid van een persoon die in hetzelfde schuitje als jij zit je kan schenken.

Eden Oscar
0 0

De Jaarmarkt

M’n cultuur is ni moeilijk,iedereen doe fatsoenlijk.Kleine kindjes, die vangeneendjes vant kraam,en de grotere kindjesdie verkloten hun lichaam. De meisjes, die huppelenrond met tutu’s,glitterende vleugels enroze toverstokken,met hun voeten inprinsessensokken.Ze dansen en draaien,kijk naar mij, Mama,kijk wa ik doe,ik ben aant vliegen,en waarom ben jij zo moe? De jongens, die lopenrond met plastiekin de vorm van een schild,een zwaard of zoiets.Schieten elkaar af meteen beetje fantasie.Ze lopen rondjesachter mekaar aan,jagen op de anderen roepen “Papa, zie!”kijk naar mij, Papa,kijk wa ik kan.Ik ben de winnaar,geef mij nu mijn applaus dan? Het kerkplein loopt vol,het is weer zo ver,der is weer een redenwe doen allemaal schol.Laat os dit vierenmet alcohol.En dan weer naar huis,de kofferbak volmet de kids en de buggy,de inkopen en de puppy. T’is een goei leven,denken ze dan.M’n vrienden noges gezien,de kinderen zijn moewant die kunnen spelentot oogjes toe.Shit, ik moet nog ne cadeauwant volgende week is Cindy jarigop den bureau. En zo gaat het voort,en zo blijft het gaan.Half aanwezige oudersen kids die groeien endan op eigen benen gaan staan.T’is haast een wonder,we gaan net niet ten onder,en een paar gelukkige zielenontsnappen het dealen,gaan op hun weg en vindengrotere dingen. Maar wie ben ik,om kritiek te geven?Ik ben hier ook,kben niet beter dan hen.Ik stook graag een vuur,een borrel is tof,maar kweet ook wel beterdan de gemiddelde prof.Is da arrogant? Zeg ma ja of nee.Alst een ja is dan ben ikhelemaal meein mijn cultuur,in mijn wereld, want diehou ik kleinzodat ik de grootste kan zijn.

Maud Wilms
5 1