Lezen

14:46

haar oortjes  als gebedssnoer tussen de vingers  één minuut stilte voor de slachtoffers    In Sendai en langs de hele kust van de prefectuur Tōhoku Region staan mensen elk jaar op 11 maart stil bij de slachtoffers van de 2011 Tōhoku earthquake and tsunami. Op die dag in 2011 trof een zeer zware aardbeving de noordoostkust van Japan. Kort daarna volgde een enorme tsunami die hele dorpen en kuststroken verwoestte. Duizenden mensen kwamen om het leven en veel families verloren hun huizen, hun vrienden of hun familieleden. Ook overspoelden golven de kerncentrale in Fukushima, waardoor de koelsystemen uitvielen. Daardoor raakten meerdere reactoren oververhit en ontstonden kernsmeltingen en explosies. Veel mensen moesten evacueren en grote gebieden rond Fukushima Prefecture werden tijdelijk onbewoonbaar. Het is een van de ernstigste kernrampen sinds Chernobyl disaster in 1986. Tijdens de herdenking verzamelen inwoners zich vaak bij de kust, bij gedenkplaatsen of in stilte thuis. Om 14:46, het exacte tijdstip waarop de aardbeving begon, houden veel mensen een minuut stilte. Sommigen leggen bloemen neer, anderen steken wierook of kaarsen aan. Ook worden er ballonnen opgelaten of lantaarns op het water gezet, als teken van herinnering en gebed voor de overledenen. Voor veel mensen in Sendai is het niet alleen een nationale herdenking, maar ook een heel persoonlijk moment. Het is een dag waarop ze denken aan wat verloren ging, maar ook aan de kracht van de gemeenschap die daarna samen heeft geprobeerd opnieuw op te bouwen. De zee, die toen zoveel verwoestte, wordt tijdens de herdenking vaak weer rustig bekeken — als een plaats van herinnering, rouw en hoop.

Margaretha Juta
0 1

Magnolia's

In de binnentuin van het oude Gasthuis staat een magnolia. Ik zie hem elke dag door de grote glazen wand van het cultuurcentrum waar ik werk. Oude muren rondom, een modern gebouw van glas en beton ervoor, en daartussen een boom die elk voorjaar roze ontploft. Vandaag staat hij in volle bloei. Bloesems groot als porseleinen soepkommen. Roze, zacht, een beetje overdreven. Alsof iemand met een brede kwast de lente op de takken heeft gesmeerd. Magnolia’s hebben weinig geduld. Terwijl andere bomen nog zitten te twijfelen — gaan we al? nog even wachten? — staat deze madam al in avondjurk. De rest van het park nog half in pyjama en zij al klaar voor het feest. Ik hou van magnolia’s. Misschien een beetje te veel. Want een magnolia brengt me altijd terug naar een andere tuin. Een klein stadstuintje van een grote liefde van vroeger. Daar stond ook een magnolia. En als die begon te bloeien, wist je: het seizoen is open. Stoelen naar buiten. Aperitieven die plots om vier uur begonnen. Een barbecue die al warm stond terwijl we nog deden alsof het maar voor straks was. Hij met een tang in zijn hand alsof hij een Michelinchef was. Ik met een glas wijn en grote theorieën over het leven. Er werd gelachen. Veel te luid. Buurmannen die over de haag kwamen hangen. Vlees dat te lang op het rooster lag omdat we weer eens een verhaal moesten afmaken. En ergens tussen een schaal sla en een aangebrande merguez zat dat grote gevoel waarvan ge denkt: voilà, zo moet het dus. Het jaar na onze breuk zag ik overal magnolia’s. Echt overal. Iemand had de stad volgezet met roze herinneringen waar ik niet om had gevraagd. Ze stonden te bloeien in voortuinen, langs straten, in parken. Roze wolken van gezelligheid waar ik niet meer bij hoorde. Dat was liefdesverdriet in de prille zon. Uitgesmeerd over een hele stad. Ik werd er kwaad van. Op die bomen. Op hun overdreven romantiek. Alsof ze mij stonden uit te lachen met hun bloesems. En dan gebeurt wat elk jaar gebeurt met magnolia’s. Eén nacht vorst. Eén. En het is gedaan. Die majestueuze bloemen vallen plots uit de lucht. Niet meer poëtisch. Niet meer zacht. Maar bruin. Vettig. Plat. Een soort slijmerige bloesemdrek die zich over de tuin verspreidt. Daar ligt dan uw romantiek. Als een nat tapijt waar ge beter niet over loopt. Ik heb ooit echt gedacht: wie zet er nu vrijwillig een magnolia in zijn tuin? Ge weet toch hoe dat eindigt. Eerst een paar dagen operette. En daarna een hoop bruine pulp waar ge met uw schoenen door moet. Gelukkig doet de tijd zijn werk. Verdriet verplaatst zich. De scherpe kantjes verdwijnen. Wat overblijft zijn de verhalen. De avonden. Het gelach. De liefde die er wél was. En zelfs die magnolia. Vandaag kijk ik opnieuw door de glazen wand naar de boom in de binnentuin van het oude Gasthuis. Hij staat daar weer schaamteloos te bloeien. Alsof hij elk jaar opnieuw denkt dat het deze keer anders zal zijn. Roze bloemen. Zon. Lente. En ik denk: ja ja. Wacht maar tot morgen.

Katrien Daniels
87 4

Over de onmacht van kameleons

  gelaten maanlicht beelden in de lucht die weigeren te fonkelen het bestiale paargedrag van tuinkabouters veel te veel vallende sterren boven het midden-oosten bloed en stof woestijnen vol een leeuw die zichzelf verslindt lamme vleermuizen die niet meer kunnen fladderen gruzelementen brokken die neervallen demente maagden naast gebroken vissen   wie doet mij deze dromen aan welke webcams blijven dit registeren welke vliezen spartelen tussen de tenen van een halfdode kikker over de ogen van de wanhoop stroomt thans paars verdriet   duistere krachten sluwe vossen op drie poten mankende tijd  ik zie je strompelen Hercules door de straat van Hormoes en bij het ochtendgloren grijp ik me vast het mos laat echter los en de kleuren zijn intussen allemaal verkeerd groen werd rood wit werd mauve iemand wisselde geel met zwart zwijgen willen de hoop verdwijnen de roze bloesem doem niet meer op dat is alles wat ik vraag aan die wereldbeelden die monsters met hun mensenogen en bedrieg mij nooit meer kindertijd je was te vals je liet me geloven dat er ook sprookjes zijn die geschreven werden door minder grimmige gedachten die geen horror verschuilen onder paddestoelen in een bos waar alles nu verdwaalt de jager elke keer zijn blaffer bovenhaalt wanneer een mot verschijnt straks dan houdt het op belooft de regen aan kameleons wanneer de regenboog zich scheuren laat het lot zijn frisse kant laat zien neen sorry nimf en nieuwgeboren waterjuffers ik geloof het niet de nachtvorst hij wil blijven heersen over mijn gemoed zo lang hij kan zo diep zijn ijs wil snijden door de druppels onschuld moet eraan geloven telkens weer en overal wat rest is weinig amper teder maanlicht fonkelingen die zich lang zullen verbergen deze keer want het einde nadert zware planeten wegen door op het heelal kromme knieën zullen moeten hopen op bomen die rechter kunnen lopen door de grijze plassen op het grauwe pad strompelt nog een tak die wandelen verleren wil die schimmel straks omarmen zal daarna gewoon uiteen wil vallen       uit de reeks 'Waanhoop'           

Bernd Vanderbilt
4 0

Uit mijn dagboek

Shenandoah- National park – Virginia Rileyville, 16 april 2022 Terwijl we die middag dieper in het hart van het bos afdwaalden, wikkelde vermoeidheid zich als een zware mantel om me heen. Mijn metgezellen gingen door, ik bleef alleen achter in een woud dat door de tijd onaangetast was. Hier, in deze desolate wildernis, omhulde de stilte me als een dikke mist, een stilte zo diepgaand dat ze tastbaar was, een scherp contrast met de drukke wereld. Toch vond ik in die griezelige omhelzing een vreemde troost. Welke geheimen lagen verborgen in de schaduwen van de torenhoge bomen? Welke onzichtbare ogen keken vanuit de dichte struiken en achter de scherpe rotsen? De kale takken fluisterden oude verhalen, hun kromme vingers krabbelend aan het canvas van de lucht. Boven cirkelden de gieren met een doel, hun schaduwen glijdend over de grond, wat zochten zij? En terwijl ik in de eindeloze uitgestrektheid van het bos keek, dansten visioenen voor mijn geestesoog, me uitnodigend om hun mysteries te onthullen. De beer en haar drie jongen, een symbool van bescherming en zorgzaamheid, bleven in mijn gedachten hangen, een herinnering aan de kwetsbare balans van de natuur. En dan was er het hert, met zijn nieuwsgierige blik, me uitnodigend om na te denken over wat er onder onze fragiele coëxistentie lag. Waarom had ik ervoor gekozen om net voor de top te stoppen? Was het vermoeidheid of angst? Of misschien iets dieper, een erkenning van mijn eigen beperkingen?  In dit moment van stilte, terwijl ik aandachtig luisterde naar de hartslag van het bos, voelde ik een onverklaarbare verbinding met alles om me heen. De stilte was niet slechts een afwezigheid van geluid, maar een uitnodiging om de diepten van mijn verbeelding te verkennen, waar de weg naar morgen wachtte, kronkelend door de schaduwen en het licht van het onbekende. Welke avonturen wachtten er net achter de sluier, als ik maar durfde ze te onthullen?

Nadia Lang
3 1

Remains of the day

Ondanks de dreigende wolken was het een warme dag, broeierig warm zelfs. De hele namiddag hadden de jongens aan hun zandkasteel gewerkt. Het zou het grootste fort ooit worden, omringd door een wirwar van kanaaltjes en muurtjes die het moesten beschermen tegen het opkomende tij. Ze hadden de piratenvlag gehesen om ongewenste bezoekers op afstand te houden. Andere kinderen keken jaloers toe, en strandbezoekers liepen er eerbiedig, met bewonderende blikken, in een grote boog omheen. Eén stoutmoedige zeemeermin wilde gefotografeerd worden bij de piratenvlag. Dat werd de jeugdige schoonheid graag gegund door de trotse gravers.  De zee was rustig, heel rustig. Toch sloop ze langzaam maar zeker dichterbij. Toen de zon in de late namiddag even door de wolken brak, besloten de jongens een duik te nemen in het koele water. Uitgelaten stoeiden ze in de golven, die stilaan oprukten naar het strand en hun piratenfort. Ondertussen vormden zich kleine geultjes die aan de muurtjes van hun bouwwerk knabbelden. Opgewonden kwamen de jongens teruggerend. Ook de donkere wolken naderden snel. Plots vielen er dikke druppels uit de lucht; strandgangers pakten haastig hun spullen en dropen af. Maar de jongens gaven niet op. Samen schuilden we onder onze grote strandhanddoek. Gefascineerd keken we toe hoe de zee langzaam maar zeker het strand weer in bezit nam. Toen brak de zon opnieuw door de wolken, en de jongens dansten opgewonden rond hun steeds verder afbrokkelende bouwwerk, tot het laatste zandmuurtje verslonden was en elk putje weer door de zee was ingenomen. We namen onze spullen en vertrokken. We keken nog één keer om: het grootste zandkasteel ooit was door de zee veroverd. Alleen de zee bleef achter, stil, alsof er nooit iets geweest was. Het kasteel was verdwenen, maar de dag zou blijven.

Nadia Lang
0 0

Naar de meet

Ik ben gestopt met schreeuwen naar de koers op tv. Vooral naar de supporters die het koersen bijna onmogelijk maken. Onnozelaars. Dan is de koers niet meer van ons. Maar wel van mij en mijn schoonvader. We kwamen net binnen toen de Omloop Het Volk in de finale zat. Neem me niet kwalijk, ik blijf die oude benamingen gebruiken. Dat ‘volk’ was niet alleen de krant. Ik vroeg hoe het zat. Met Jordi en de rest. “Vanspringel is ook gevallen”, zei hij. “Wie? Herman Vanspringel?” Ik moest even nadenken. Toen zag hij ook onmiddellijk dat hij zich van naam had vergist. “Die leeft helaas niet meer”, zei ik lachend. We bleven nog een tijdje grinniken over de vergissing. Een heerlijke lach. Hij bedoelde Philipsen, de Vlam van Ham. De bijnaam van Herman Vanspringel was ‘Monsieur Bordeaux-Paris’, wegens zeven overwinningen in de monsterrit. Hij was een kempenzoon (wat een prachtig woord is dat toch), net zoals veel coureurs. Het moet er in de kempengrond zitten. Frans Verbeeck is er ook eentje. Van hem zijn de legendarische woorden aan de meet, gericht aan commentator Fred Debruyne, toen Eddy Merckx weer eens had gewonnen. “Fred, ik heb formidabel afgezien. Eddy rijdt vijf kilometer te hard voor ons.” Fred Debruyne heeft een pleintje met zijn naam in het zuiden van Frankrijk. Wij gaven die rennersnamen aan onszelf terwijl we in die jaren rond het pleintje bij het huis fietsten. Ik ben wel eens Fred geweest. Het zijn namen, helden. Een mens heeft ze nodig. Een mens zonder helden, daarmee wil ik niet naar de meet. Ik kijk al uit naar de volgende koers. Gaat Wout voor winst in Milaan-San Remo? Van mij mag Vanspringel opnieuw meedoen. Of Rik I en Rik II. De keizers van toen. Wie gaat er nog passeren? Laat ze maar komen.

Rudi Lavreysen
2 1