Lezen

Age of Scorpio

Ik ben een lichaam van taal, gebonden in een huid van vezels. Sommige handen lezen me langzaam, zoekend naar verborgen lust tussen mijn zinnen vol zin. Andere laten hun vingers snel en oppervlakkig over me heen glijden, als was ik een goedkoop lustobject. Die handen en vingers… Hoe verfijnd of behendig kunnen ze wel zijn, in elke aanraking lees ik tot welke sensuele handelingen ze in staat zijn. Ik bespeur hun aarzelende beroering, een schuchtere eerste kus, vezel tot vezel. Of een zelfverzekerde grip die mijn uitnodigende krommingen omklemt. Ik lig paarlustig in hun handen, samen ademen we sneller, het bloed suizend en kolkend aangespoord door mijn tintelende verbeeldingskracht. Ze plooien me naar hun zin, strelen mijn rug waardoor ik zwicht voor hun wens. Sommigen zoeken mij op vol oprechte nieuwsgierigheid, anderen voor platte opwinding. Telkens opnieuw probeer ik me naar hun lust te kronkelen. Velen willen onmiddellijk in me duiken, op zoek naar de climax nog voor het verhaal goed en wel begint. Ze vergeten dat ik een spanningsboog ben, die ze langzaam moeten oprekken met langgerekte oh’s en ah’s, trillend op het ritme van onze fantasie.  Kom dichter. Kijk naar mij, naar mijn kaft, waarop het beeld uit de erotische tempel van Khajuraho staat. Laat je ogen glijden over haar borsten, haar buik, haar dij. Stop daar. Zie je hem zitten op haar linkerdij, de schorpioen? Hij draagt de zinderende begeerte naar haar afwezige minnaar in zijn brandende angel, en lijkt het topje zelfs niet lichtjes te trillen? Haar rechterhand van steen ligt bijna op haar venusheuvel. Wat hou ik toch van dat woord. Venus. Heuvel. Zachte klanken, perfect gemaakt om over likkende tongen te rollen. Zo staat de hemelse tempelnimf nu al ongeveer duizend jaar bevroren in een pose van nooit ingeloste lust.  Al enkele weken lig ik op haar nachtkastje. Niet als leermeester, maar als novice. Toen ik haar voor het eerst ontmoette, zag ik onmiddellijk het glanzende vuur in haar ogen. Zij was de eerste die haar blik op de schorpioen van het tempelbeeld liet rusten, en daarna op de vinger die al duizend jaar wil wegglijden in zandsteen, als was het nat zand dat zich zonder al te veel moeite open laat strelen en waarbij glinsterend vocht naar boven parelt. Ze nam me mee naar huis, en leidde me haar slaapkamer binnen. In het avondlicht ontkleedde zij zich voor mij. En daar zat hij dan: haar schorpioen, een kleine tatoeage op haar linkerdij. Het tempelbeeld rees op uit haar duizendjarige slaap. Zij stond voor me, in vlees en bloed.  Sinds ik bij haar ben volgen we elke avond hetzelfde ritueel. Ze neemt me mee in haar bed en ik kijk toe hoe ze haar minnaar ontvangt, hoe zij deinen tussen de lakens, hoe zij haar hoofd naar achter legt en haar zacht gekreun de kamer vult. Zij berijdt hem, en daarmee bevrijdt zij zichzelf. Zij bepaalt het ritme en het rijm, en zo vergeet ik alle regels die mijn schrijver me ooit had opgelegd. Ze likt mijn letters warm en vloeibaar tot ik opnieuw druipende inkt ben. Haar vingers, nat van haar opwinding, vermengen zich met mijn inkt en zo beginnen we een nieuw verhaal te schrijven. We ontbranden samen in een nieuw lichaam, versmelten in wederzijdse overgave, in een zinderende sensualiteit die zich niet laat sluiten door een kaft.  Langzaam maar zeker wist ze mijn geheugen. De olifant? De waterval? De geopende boog? Ooit waren deze standjes mijn trots. Nu roepen ze slechts verre herinneringen op. Ik wist het beter, tot zij zonder genade mijn mannelijke kijk aan diggelen sloeg. Ze vermorzelde mijn grootspraak en het verwaande idee dat ik zou weten wat een vrouw begeert. Met haar treed ik een nieuw tijdperk in. Ik, de enige Kama Sutra letter voor letter herschreven door een vrouw. Ik laat mij gewillig met haar woorden vullen. Net zoals zij koester ik die zachte maar niet aflatende drang om elke vrouw te raken tot ze ontwaakt, helder en ongeremd, eindelijk thuis in zichzelf. De regen tikt zacht op mijn kaft terwijl ze me in haar handen houdt. Haar warmte begint af te nemen maar ik houd me stevig vast aan het gloeiende ritme van haar adem die nog in mijn zinnen verweven zit. De straat geurt naar nat papier, naar afscheid. Daar is de bibliotheek, geduldig wachtend. Ze wandelt binnen en zet me in het boekenrek. Voor een seconde aarzelen haar vingers, alsof ze nog iets wil zeggen, en dan is ze weg. Ik blijf achter, licht vochtig en zwaar van gemis, in mijn gloednieuw letterlijf.

Jolien Van de Velde
162 1

Ribbedebiewoep

Binnenkijken Doe jij dat ooit? Bij mensen naar binnen kijken? In hun huis? ‘s Avonds bijvoorbeeld, als je met je ouders en met de hond nog een stukje gaat wandelen.  Zeker in de winter geeft je dat een warm gevoel. Het stadje Peperbus lijkt wel gemaakt om bij de huizen naar binnen te gluren. Heel wat huizen hebben een trap aan de straatkant, waardoor je iets naar boven moet kijken om in de woonkamer te kijken. Op de een of andere manier stralen die huizen en woonkamers een gezellige warmte uit. Je ziet er de mensen samen aan tafel zitten voor het avondeten. Of ze zitten bij de open haard. Met een boek of met de krant. Of ze kijken naar tv. Allemaal tegelijk op de bank. In al die huizen lijkt het wel hemels warm. Dat is het ook in het huis van Robin, waar hij samen met zijn mama en papa woont. Laten we maar even naar binnen kijken. Papiertjes Robin zit in een hoekje van de woonkamer. Het is een gewone huiskamer met een tv die niet aanstaat, een salontafeltje en een grote bank.  Zijn mama Tamara staat in de keuken. Ze is nog wat aan het rommelen. Davy, de papa van Robin, leest de krant aan de keukentafel. “Sssst”, zegt Tamara tegen Davy. Wat raar is, want hij zegt helemaal niets. “Robin zegt iets. Hoor jij wat hij zegt?" "Och, hij is gewoon wat aan het spelen", antwoordt Davy. "Zeg, moet je hier horen wat de minister …" "Nee, ssst, effe. Hij zegt precies van die rare woorden.” "Och, dat doen de ministers ook. En die staan ermee zelfs in de krant", knipoogt Davy. "Ik ga even kijken", zegt Tamara en ze loopt op haar tenen naar de woonkamer. Ze kijkt heel voorzichtig om de hoek van de keuken met de woonkamer, net zoals iemand doet die verstoppertje speelt. Robin zit met allerlei papiertjes voor zich op de grond, net voor de bank. Hij schuift met de papiertjes heen en weer, legt ze tegen elkaar en schuift ze daarna terug uiteen, bijna alsof hij een puzzel maakt. "Toch even dichterbij gaan luisteren", zegt ze bij zichzelf en ze kruipt op haar knieën tot achter de bank.  “Poetpriet, proetproet, woepprot, poertroet, ribbedebiewoep”, hoorde ze Robin zeggen. Bij dat laatste woord neemt hij een nieuw papiertje en hij schrijft daar iets op. Geen spelletje Tamara kruipt op haar knieën terug naar de keuken tot bij papa. Hij kijkt naar beneden en begint te lachen. “Wat nu? Is er iets in je rug geschoten? Of denk je dat er ergens geld ligt? Hahahaha.” “Sssst toch. Dadelijk hoort hij ons. Robin zegt heel rare woorden. Hoor je het? Nu zegt hij het opnieuw. Ribbedebiewoep. Wat is in hemelsnaam ribbedebiewoep?” Tamara staat ondertussen terug recht. “Ik ga toch even bellen naar de mama van Marieke, zijn vriendinnetje. Hij zit in het vierde leerjaar. Hij is al bijna 10 jaar, toch geen peuter meer.” “Je moet niet zo hard van stapel lopen”, zegt Davy. “Het is wellicht een of ander spelletje.” Maar als we ook zouden binnenkijken bij Marieke, krijgen we daar hetzelfde tafereel te zien. Ze zit in de woonkamer en zegt woorden als “Trafipoeps” en “Trommelstopper”. De mama en papa van Marieke staan erbij en kijken ernaar.  Ook bij Mehmet is het krek hetzelfde. Net als bij Greetje, Anna, Ali en Jimmy. Alle kinderen van de klas spreken onverstaanbare woorden en de ouders weten niet wat te doen. Het lijkt wel alsof ze allemaal zijn getroffen door een epidemie waarbij alle gewone woorden zijn verdwenen. Het gaat elke dag van kwaad naar erger. De kinderen blijven rare woorden zeggen en ze weigeren te zeggen wat ze betekenen als hun ouders het vragen.  De ouders zijn ongerust en worden zelfs een beetje boos op de school. Ze moeten die woorden toch ergens vandaan hebben gehaald? De mama van Robin zegt zelfs dat ze spijt heeft dat ze Robin naar de school ‘Veerkracht’ heeft gestuurd. Er zijn immers nog scholen in Peperbus. Enkele mama’s en papa’s steken de hoofden bij elkaar en besluiten naar de school te stappen. Maar zowel bij juf Sandra als bij de directeur van ‘Veerkracht’ krijgen ze geen gehoor. “We hebben op dit moment hiervoor geen tijd. Het heeft geen zin dat jullie zich zorgen maken.” Dat is hun antwoord. Dat korte antwoord maakt het nog erger. Daarom vraagt Tamara aan haar man om er een stukje over te schrijven in de krant. Maar ook hij heeft er nog steeds geen oren naar.  “Ik zei het toch. Het is wellicht een spelletje. Laat die kinderen toch doen”, zegt hij. Verlegen De mama van Robin is vooral ongerust omdat ze weet dat Robin enorm verlegen is. Ze heeft er samen met haar man de juf al eens op aangesproken.  Als je Robin zo ziet zitten, kan je er niets aan zien. Gewoon een jongen van 10 jaar die vrolijk speelt. Een jongen die thuis honderduit vertelt over zijn avonturen in de klas en op school. Daarom vindt zijn mama het zo onbegrijpelijk dat hij in de klas niet uit zijn woorden komt. Thuis stromen de zinnen en woorden eruit, net zoals het water van een waterval.   Maar dat is wellicht de reden. In de school kropt hij ze op, zodat ze er thuis uitvloeien. Zijn mama denkt dat hij zich dan voelt zoals een vulkaan die op uitbarsten staat. In de klas vindt Robin het verschrikkelijk. Je kan dan niet gewoon maar zitten en luisteren. Soms moet je aan het bord komen en een antwoord op de vraag van de juf geven. Alleen bij zijn goede vrienden en vriendinnen heeft hij het niet. Bij hen is hij niet verlegen. Hij weet ook niet waar die verlegenheid vandaan komt. Net daarom vindt hij het zo erg. Hij vindt er zelf geen oplossing voor en blijkbaar kan niemand hem helpen. In de klas hoopt hij altijd dat de juf hem niet aanduidt om aan het bord een oefening te maken. Dan kijkt hij naar beneden en doet hij alsof hij iets op een blad schrijft. “Kies iemand anders. Kies iemand anders. Kies iemand anders”, fluistert hij dan bijna onhoorbaar.  Maar dat helpt natuurlijk niet. “Robin, je moet niet doen alsof je mij niet hebt gehoord”, zegt de juf. “Leg die pen maar neer en kom naar het bord. Er is geen enkele reden om zo verlegen te zijn.” Dit maakt het voor Robin nog erger. Hij zit dan met een soort van steen in zijn maag waardoor het lijkt alsof die steen zijn stem blokkeert. En dan begint hij altijd te blozen, waardoor ook de anderen het zien. Hij krijgt een hoofd zo rood een tomaat, zo rood als de truitjes van zijn favoriete voetbalclub, zo rood als bloed. Alles wat je maar kan bedenken dat rood is. En dan wordt het nog erger en erger.  “Och, ik moest vroeger ook altijd blozen”, heeft zijn papa ooit gezegd. “Daar groei je wel uit. Het heeft er mee te maken dat er op dat moment te veel bloed naar jouw hoofd stroomt”.  Bloed of niet, Robin vindt het verschrikkelijk. “Ik durfde in de klas ook niet naar het bord te komen. Maar kijk nu. Ik moet ooit lezingen geven over mijn werk bij de krant. Dan sta ik voor een groep van vijftig mensen. Of voor niemand, dat is ook al ooit gebeurd”, lacht Davy. “Ik wil maar zeggen Robin, dat komt wel goed.” Om hem van dat gevoel af te helpen hebben zijn ouders hem naar de lessen ‘Woord’ gestuurd. Dat is een afdeling bij de kunstacademie waar kinderen gedichten voordragen of toneel spelen. Volgens zijn ouders is het iets voor hem, omdat hij toch graag boeken leest en hij vindt het altijd zeer leuk als mama of papa hem ’s avond voorlazen.  Als hij op het podium een gedicht moet voordragen, zou dat kunnen helpen om van zijn verlegenheid af te geraken. Dat is het idee.  Maar die lessen ‘Woord’ maken het alleen maar erger voor Robin. Die juf roept om de haverklap iemand naar voor om iets voor te dragen. Dan krijgt Robin buikpijn en weet hij niet waar kruipen met zijn rood hoofd.  “Het is gewoon wat podiumangst”, zegt de juf. “Daar helpen we je wel vanaf. Hoe meer je dit doet, hoe sneller je er vanaf bent.” Maar het werkt voor geen meter.  Protest Omdat Robin in de woonkamer van die rare woorden blijft zeggen wordt zijn mama alsmaar ongeruster. Elke avond zit hij met de papiertjes te schuiven en leest hij de gekke woorden op zijn papiertjes luidop voor. “Ribbedebiewoep” zit er telkens tussen. De andere gekke woorden wijzigen telkens.  Davy blijft zeggen dat het een spelletje is.  Maar de mama van Robin laat zich niet zomaar afschepen. “Wat denkt juf Sandra wel. Wij sturen onze kinderen naar ‘De Veerkracht’ om hen te leren rekenen en te lezen, maar zij komen met van die gekke woorden naar huis. Dat trekt toch op niks. Wacht maar. Hier laten we het niet bij.” De boze mama’s en papa’s beleggen een vergadering en richten vervolgens een ‘Comité van bezorgde ouders’ op. Ze maken spandoeken en op een ochtend staan ze voor de schoolpoort van ‘De Veerkracht’. Ze blijven maar dezelfde leuze roepen. “Echte woorden voor onze kinderen, of wij gaan het verhinderen”.  Die leuze is natuurlijk veel te lang. Sommige van de ouders kunnen de tekst niet onthouden en daarom begrijpen de omstaanders totaal niet wat ze roepen.  Er hebben zich heel wat mensen verzameld aan de schoolpoort. Roepers en kijkers. Ze blijven er een hele week staan. ’ In de tussentijd gaan ze werken of koffie drinken en beramen ze andere plannen. Zo stappen naar de pers en zelfs de lokale televisie komt filmen. Maar het is slechts een klein item in het nieuws. De directeur van de school zegt dat de ouders zich zorgen maken om niks.  “Het is gewoon een initiatief van juf Sandra, om creatief met letters en woorden te leren omgaan. Dat is toch de bedoeling van naar school gaan, niet? Dat ze de alle letters leren gebruiken.” Ook de mama van Robin mag reageren voor de camera. “Ik vind het toch maar gek”, zegt ze. “In plaats van echte woorden te leren, of werkwoorden te vervoegen, hoor ik onze zoon ’s avonds alleen maar brabbeltaal zeggen. Het lijkt wel alsof hij plots niet meer kan spreken. En het ergste is dat we helemaal geen uitleg krijgen van de juf of van de school. Maar we laten het hier niet bij, zolang we geen duidelijk antwoord krijgen.” Zo lanceert de papa van Greetje tijdens een vergadering met het ‘Comité van bezorgde ouders’ het voorstel om naar de minister van onderwijs te stappen. Dit kan zo toch niet verder? Ze zijn het er allemaal mee eens.  Op een maandagochtend nemen ze vanuit het stadje Peperbus de trein naar de hoofdstad. De spandoeken gaan mee en ze hebben heel wat bekijks in de trein. Als ze uit het station stappen en de weg naar het kantoor van de minister zoeken, houden ze hun spandoeken omhoog en roepen ze hun leuze. De mensen begrijpen er niets van. Ze denken dat ze een andere taal spreken. “Echte woorden voor onze kinderen, of wij gaan het verhinderen”, roepen ze door elkaar.  Sommige ouders kunnen de leuze gewoon niet onthouden en die roepen zo maar wat. Het lijkt wel een carnavalsstoet.  Bij de minister Eenmaal bij het kantoor van de minister, geraken ze maar met veel moeite voorbij het onthaal. Ze hebben immers geen afspraak. Daar had niemand aan gedacht. Gelukkig is de minister wel in zijn kantoor.  “Hij heeft over een half uurtje een persconferentie”, zegt de man aan het onthaal. “Ik zal vragen of hij jullie nu al even kan zien.” Hij staart verbaasd naar de groep ouders, terwijl ze samen de trap opgaan met hun spandoeken.  Op de tweede verdieping bij het kantoor van de minister is er opnieuw een onthaalbalie. De mevrouw heeft de boodschap al doorgekregen van haar collega op het gelijkvloers.  “Het is vervelend dat jullie geen afspraak hebben”, zegt ze. “Maar de minister heeft een uitzondering gemaakt. Hij ontvangt jullie over vijf minuten. Maar hij heeft niet veel tijd, want er is nog een persconferentie.” In de wachtzaal overlegt het comité nog even wie het woord mag voeren. Maar vooraleer ze iets beslist hebben, stapt de minister al uit zijn kantoor. Ze kennen hem van tv. In het echt ziet hij precies kleiner uit. De minister staat bekend voor het feit dat hij vaak andere brillen draagt. De ene bril is al opvallender dan de andere. “Misschien doet hij dat om er slim uit te zien als minister van onderwijs”, zegt een van de mama’s.  Die dag heeft hij een blauw rond brilletje op zijn neus gezet.  “Dag allemaal”, zegt hij. “Waarmee kan ik jullie helpen? Ik zie precies dat er iets op jullie lever ligt. Pas op, ik heb wel maar twintig minuten tijd, dan begint de persconferentie. Kom maar binnen.” “Ik luister”, zegt hij in zijn kantoor, waar hij ondertussen achter zijn bureau zit. Hij zet daarbij zijn bril af, alsof hij zonder die bril beter kon horen. De ouders beginnen opnieuw door elkaar te praten. De minister verstaat er geen woord van. “Stop, stop, stop!”, roept hij luid. “Eén iemand neemt het woord en vertelt me wat er aan de hand is. Mevrouw, u daar”, wijst hij naar de mama van Robin. “Vertelt u me waarom jullie hier zijn.” Tamara vertelt de hele geschiedenis. Dat ze haar zoon in een hoekje van de kamer vreemde woorden hoorde zeggen. Dat de andere kinderen het ook deden en dat ze op de school ‘De Veerkracht’ niet naar hen wilden luisteren. “Daarom komen we naar u”, besluit ze. “Dit kan toch niet de bedoeling zijn van ons onderwijs.” De minister glimlacht. En het blijft niet bij glimlachen. Plots begint hij keihard te schaterlachen. De ouders kijken elkaar aan.  “Hij is gek”, zegt de mama van Robin. De mevrouw van het onthaal op de tweede verdieping komt het kantoor van de minister binnen en kijkt naar haar baas, die nu op zijn knieën zit en op de grond timmert met zijn vuisten.De persconferentie “Mijnheer de minister”, zegt de secretaresse, terwijl ze haar baas rechtop helpt. “Gaat het?” “Of het gaat?”, vraagt hij, de tranen van het lachen uit zijn ogen vegend. “Het gaat prima. Dit is toch helemaal de bedoeling.” “Ahum” zegt hij, terwijl hij zijn knieën afstofte met zijn beide handen, alsof het tapijt heel erg vuil is. “Excuseer me beste mensen. Jullie denken wellicht dat ik niet goed snik ben. Excuses. Maar ik ga het jullie allemaal vertellen. Of nee wacht. Het kan nog gemakkelijker. Komen jullie anders gewoon maar mee naar de persconferentie.” “Welke persconferentie?”, vragen de ouders in koor. Nu lukt het hen plots wel om gelijktijdig iets zeggen. “Geen paniek”, antwoordt de minister. “De perszaal ligt hiernaast. Jullie kunnen gewoon in het publiek zitten. Dadelijk wordt alles duidelijk.” De ouders zitten er als geslagen honden bij. Alsof ze plots gehypnotiseerd zijn en niet meer kunnen bewegen.  De mama van Robin slaakt plots een luide kreet. Alsof ze een geest in de conferentiezaal ziet.  De andere ouders kijken haar verschrikt aan.  “Dddd… dat is mijn man”, stamelt ze. En ze wijst naar haar man in de conferentiezaal. “Wat doet hij hier?” Ze loopt recht op haar man af. De andere ouders, alsof de betovering door een hypnotiseur is verbroken, staan ook recht en volgen de mama van Robin. Maar als ze de binnenkwamen horen ze de minister luid kuchen. “Ahum, ahum.” Ribbedebiewoep “Dag allemaal. Beste journalisten, mensen uit het onderwijs en ook beste ouders. Waarbij een aantal bezorgde ouders heb ik begrepen. Van harte welkom op dit persmoment voor de feestelijke voorstelling van Ribbedebiewoep.” De mama van Robin weet niet waar kijken. Ze kan net een gil onderdrukken. Ribbedebiewoep. Dat is toch het gekke woord dat Robin thuis altijd zegt. Waar gaat dit in hemelsnaam over? Ze tikt op de schouders van haar man. Ze is achter hem gaan zitten om uitleg te vragen. Waarom is hij hier en waar gaat dit allemaal over?   “Psst”, zegt ze. “Wat doe jij hier? En ribbedebiewoep, dat is toch dat woord dat Robin altijd zegt?” “Ssst, stil even”, zegt haar man. “Het wordt allemaal duidelijk.” “En waarom weet ik hier niets van?”, vraagt ze. “Omdat jij het te druk hebt met betogen, spandoeken en onverstaanbare slogans”. Stil nu even.” De minister vervolgt met zijn toespraak. Nu ziet de mama van Robin pas wie naast de minister zit.  “Daar, dat is juf Sandra”, zegt ze terwijl ze de mama van Marieke aanstoot. “Wat doet juf Sandra hier? Ik snap er niets van.” De minister kijkt boos naar de achterste rijen van de conferentiezaal, waar de ouders zitten. “Mag ik even stilte?”, zegt hij. “Ik wil om te beginnen graag iemand voorstellen. Hier naast me zit juf Sandra. Ze geeft les in het vierde leerjaar in de lagere school ‘De Veerkracht’, niet zo ver hier vandaan in het stadje Peperbus. Toen we een oproep deden voor dit project was ze meteen bereid om mee te doen met haar klas.” “Maar misschien ga ik nu iets te snel. Laat me eerst het project toelichten. Van leerkrachten overal in het land kregen we alarmsignalen dat er heel wat kinderen en jongeren niet goed in hun vel zaten. Het was heel gek, bijna zoals een virus dat zich over het land verspreidde.” “Dingetjes waarmee ze niet bij hun ouders terecht kunnen, want die hebben het ook druk. Kinderen die bijvoorbeeld onzeker zijn. Of kinderen die ongerust zijn over het klimaat of de zuivere lucht. Ik vergelijk het een beetje met vroeger. Ik was in mijn jonge jaren voor ‘de bom’, omdat er tijdens de koude oorlog die constante dreiging was dat ofwel Rusland ofwel Amerika een kernbom zou gooien. Wij lagen er letterlijk tussenin. Zoals een kind dat tussen bekvechtende ouders zit.” “Maar toen mochten kinderen er niet ongerust over zijn. En mocht je er met volwassenen niet over spreken. Zo leek het toch. Gelukkig kan dat nu wel.” “Ik heb het vervolgens besproken met heel wat slimme mensen uit het onderwijs en we besloten om een oproep te doen bij de scholen. Want zeg nu zelf, de kinderen zitten vaak in de klas. Eigenlijk zien ze de juf of de meester en hun vriendjes meer dan hun ouders. Maar zowel de school als de ouders zijn belangrijk als een kind zich niet goed voelt. Dat was dan ook de bedoeling van het project. Beide partijen moesten betrokken zijn.” “En dan geef ik nu graag het woord aan juf Sandra. Want zij kan natuurlijk het best vertellen hoe ze dit in haar klas heeft aangepakt.” “Dag allemaal”, zegt juf Sandra. “Maar ik stel voor dat ik dit niet alleen doe. Want ik heb nog heel wat mensen meegebracht. Het zijn allemaal jonge mensen. Kom maar binnen.” Plots gaat er achteraan in de zaal een deur open. De mama van Robin slaakt opnieuw een luide gil. Alle aanwezigen kijken haar aan.  Plots ziet ze Robin en zijn klasgenootjes de zaal binnenkomen. Hij zwaait meteen naar zijn mama. “Ik denk dat ik dadelijk ga flauwvallen”, fluistert ze in het oor van haar man. “Wat doen onze Robin hier?” “Je hebt een stukje gemist”, zegt Davy. “Toen jij voltijds aan het protesteren was. Stil nu even. Het wordt allemaal duidelijk.” Terug in de tijd “Laat me jullie even meenemen”, zegt juf Sandra. “Terug in de tijd.” Na die zin richt ze een toestelletje op het presentiescherm. Daar stond eerst de naam van de minister, maar nu verschijnt er een foto. Het is een foto van de klas van Robin. “Dit is onze klas in lagere school De Veerkracht”, zegt juf Sandra. “Ze zijn daarnet allemaal binnengekomen en ze zitten hier op de eerste rij.” “Toen ik over de oproep van de minister hoorde, was ik meteen geïnteresseerd”. Af en toe drukt ze op het toestelletje en telkens verschijnt er een nieuwe foto. “Kijk, dit is Robin en naast hem zit Marieke”, zegt ze.  De mama van Robin stoot haar man aan. Ze is ondertussen naast hem gaan zitten. "Onze Robin”, fluistert ze. Robin op de eerste rij heeft ondertussen een hoofd zo rood als een ondergaande zon in het midden van de zomer. Juf Sandra gaat verder. “Net als alle kinderen en alle volwassenen hebben zij iets waarmee ze worstelen. Ik heb Robin gevraagd of ik mag vertellen waar hij wel eens mee verveeld zit. Dat mocht.” Robin glimlacht naar Marieke die naast hem zat. Zijn hoofd werd zo mogelijk nog roder. Alsof het bijna ging ontploffen. “Robin is wel eens verlegen”, zegt de juf. “Als ik hem vraag om aan het bord iets uit te leggen, kruipt hij het liefst volledig in zijn bank en als het even kan kruipt hij er pas ’s avonds terug uit.”  Robin moet er op de eerste rij zelf mee lachen. Net als zijn klasgenoten. “Het is maar een voorbeeldje”, zegt Juf Sandra. “Een voorbeeld van iets waarmee kinderen soms zitten. Dan kan iets kleins lijken, maar voor de kinderen is het iets heel groot. Ze mogen er niet mee blijven zitten. De ouders van Robin hebben me er wel eens over aangesproken, wat ik zeer knap vond van hen.” Nu krijgt de mama van Robin een kleurtje en de papa van Robin geeft haar een knipoog.  “Ik dacht er verder over na en ik kwam uit bij iets waar we in de school ontzettend veel mee bezig zijn. En dat is taal. Woorden en zinnen. Als kinderen met iets zitten, moeten ze dat kunnen uiten. Ze moeten het kunnen vertellen. En dat doe je natuurlijk met woorden.” “Woorden zijn enorm belangrijk. Ze zorgen ervoor dat we elkaar kunnen begrijpen. Maar als je ergens mee zit, heb je altijd moeilijk om het uit te leggen. Omdat je wellicht denkt dat de anderen het niet zullen begrijpen. Toen kwam ik op een idee. Er zijn ook onbestaande woorden. Al kan dat eigenlijk niet, want door een onbestaand woord uit te spreken, bestaat het meteen. Zo hebben piepjonge tweelingen een hele aparte woordenschat, omdat ze als peuter altijd bij elkaar zijn. Met die rare woorden verstaan ze elkaar prima. Maar voor de andere mensen betekenen die woorden niets.” “Zo zie je maar, ook woorden die op het eerste gehoor raar klinken, kunnen best een betekenis hebben.” “Het idee was dat iedereen voor zichzelf een bijzonder woord zou hebben, om bij mij of bij de vriendjes en vriendinnetjes aan te duiden dat ze ergens mee zitten en dat ze erover willen vertellen. Het is een woord voor hen alleen. Zij zijn de eigenaar van dat woord, zoals ze ook de eigenaar zijn van hun gevoelens. Ik gaf de kinderen de opdracht om die woorden zelf te verzinnen. En dat is wonderwel gelukt.” “Kijk, dit zijn alle woorden van de kinderen”.  Juf Sandra drukt op de knop en er verschijnen wel 20 woorden op het scherm. Net zoveel als er leerlingen in de klas zitten. Je kan er geen touw aan vastknopen. Het waren allemaal niet-bestaande woorden. ‘Rimpeldepimpel’, staat er. ‘Kabriekziestan’, ‘Ribbedebiewoep’ en veel meer gekke woorden. Plotseling neemt de minister opnieuw het woord. “We vonden dit een prachtig idee van juf Sandra. Ze had het helemaal uitgewerkt, uitgebouwd en ze heeft er zelfs psychologen over aangesproken. Daarom maken we van deze actie onze nationale campagne. En een campagne moet natuurlijk een naam hebben. Nietwaar juf Sandra?” “Inderdaad”, zegt de juf. “We hebben met de klas beslist om er één woord uit te pikken. De kinderen mochten een uitleg geven over hun woord en vervolgens werd er gestemd. Ze mochten natuurlijk niet voor zichzelf stemmen. Vrijwel alle stemmen gingen naar één woord. Naar één leerling. En die wil ik hier graag op het podium uitnodigen. Kom maar Robin.” De mama van Robin laat opnieuw een gil horen. Deze is nog luider dan de voorgaande gillen. De gil is wellicht in het hele gebouw te horen. Iedereen kijkt haar aan, waardoor ze opnieuw een kleurtje krijgt. Op het podium Dat de mama van Robin een gil laat horen heeft meerdere redenen. Ze gilt natuurlijk van het schrikken, omdat haar zoon Robin het podium op moest. Maar ook omdat ze totaal fout zit met haar idee over die rare woorden.  De mensen kijken haar nog even aan, maar vervolgens richten ze hun ogen al snel op het podium. Want daar stapt iemand op het podium. Het is Robin. Hij zet zich naast juf Sandra. “Dag Robin”, zegt de minister. “Wat fijn dat je hier bent. Want in heel het land is binnenkort jouw woord te zien. Maar ik laat juffrouw Sandra enkele vragen aan  jou stellen.” “Dat klopt”, vervolgt juf Sandra. “Overal ziet met binnenkort jouw woord.” Daarna klikt ze opnieuw op het toestelletje en er verschijnt – heel groot – een woord op het scherm. ‘Ribbedebiewoep’ stond er. “Ribbedebiewoep”, leest juf Sandra. “Je hebt het bij ons in de klas al verteld. Maar nu mag jij ook even zeggen waarom dit jouw woord is.” “Tja”, begint Robin ietwat stamelend en verlegen. “Hoe kan ik dat uitleggen?” “Ik ben gewoon wat beginnen puzzelen met letters en woorden. Maar tegelijk dacht ik erover na waar het over moest gaan. Ik ben soms euh … nogal verlegen …euh.” “Dat zou je toch niet zeggen Robin”, onderbreekt de minister hem. “Maar sorry dat ik je onderbreek. Ga vooral verder Robin.” “Tja, euh. Het woord moest dus daar ergens over gaan. Als de juf me naar het bord vraagt, zou ik gewoon weg willen. Snel de klas uit. En ribbedebie is een ander woord voor ‘weg zijn’. ‘Ik ben ribbedebie’, heb ik mama ooit horen zeggen, toen ze naar de winkel moest.” “En die woep dan op het einde?”, vraagt juf Sandra. “Euh … ik weet niet of ik dat moet zeggen, maar ik had eerst ‘poep’ op het einde staan. Het werd dan ‘ribbedebiepoep’. Dat vond ik wel grappig.” En inderdaad, de kinderen op de eerste rij, maar ook alle andere mensen in de perszaal beginnen luid te lachen. Ook de mama en papa van Robin moeten ermee lachen. Net als de andere ouders. Robin wordt weer zo rood als een overrijpe tomaat. “Maar poep zou wellicht niet mogen, daarom heb ik gewoon een andere letter genomen. Ribbedebiewoep.” “En is het een woord dat jou helpt?”, vraagt juf Sandra. “Als je nu iets moet zeggen, zoals nu, helpt het dan?” “Ik heb het daarnet wel honderd keer gefluisterd”, zegt Robin, waarna de zaal weeral begint te lachen. “Maar het woord is natuurlijk maar een woord. Maar ik weet dat ik het liefst weg of ‘ribbedebie’ zou zijn, als de juf me vraagt om hier te komen zitten. Dat heb ik nog altijd.” “Hoe blij ben je nu dat jouw woord uitgekozen wordt voor het hele land?” “Euh, heel blij denk ik. Het is allemaal een beetje gek en snel gebeurd. Ik heb het ook maar wat bij elkaar gepuzzeld.” “Dank je wel Robin”, zegt de juf. “Dan stel ….” Plots ziet ze dat iemand in de zaal zijn hand omhoog steekt. Het is de papa van Robin.  “Ik zie dat er iemand een vraag heeft. Ik denk dat het iemand van de pers is. Zegt u het maar.” “Dank je wel”, zegt de papa van Robin. “Ik ben Davy Vanlangendonk, van de Nieuwe Krant. Ik heb een vraagje voor Robin.” Hij zegt er niet bij dat hij de papa van Robin is, maar hij ziet wel dat Robin hem vanop het podium een knipoog geeft. Daar ziet hij ook dat zijn vrouw naast hem opnieuw een rode kleur krijgt. Het lijkt wel alsof ze die verlegenheid van Robin heeft overgenomen. “Robin, nu binnenkort heel het land jouw geheim woord kent, is het natuurlijk geen geheim woord meer zijn. Moet je dan op zoek naar een ander geheim woord?” “Tja”, zegt Robin aarzelend. “Een ander woord ga ik zeker niet zoeken. Dit woord is misschien geen geheim woord meer. Maar het is nog altijd ‘mijn’ woord. En dat is het belangrijkste. Bij iemand anders zou dit woord wellicht niet helpen.” “Oké”, zegt de juf, die duidelijk niet had gerekend op vragen van de pers. “Dan ga…” “En ik heb tenslotte nog een vraag voor u, als dat nog mag?”, neemt Davy opnieuw het woord. “Euh, ik denk het wel. Als het met dit initiatief te maken heeft natuurlijk”, antwoordt de juf.  Ze vreest een beetje dat het over de actie van de mama van Robin en de andere ouders gaat. “Natuurlijk”, zegt Davy. “Ik heb gewoon nog een vraag voor het stuk in de krant. Hebt u eigenlijk ook zelf een geheim woord? En zo ja, hebt u dat met anderen gedeeld?” “Oké, die vraag had ik niet verwacht”, lacht ze. “Maar het is wel een goede vraag. Ik heb inderdaad een geheim woord dat ik met de kinderen heb gedeeld. En ik weet dat ze het geheim worden. Want zij vertrouwen mij hierin, dus ik moet hen ook vertrouwen. Als ik ‘mijn’ woord uitspreek weten ze dat er iets op mijn lever ligt.” “Oké, geen vragen meer? Dan gaan we verder. Want we hebben voor deze campagne nog een slagzin aan het woord van Robin toegevoegd. Kijk maar.” Op het scherm verschijnt nu onder ‘Ribbedebiewoep’ de zin ‘We nemen het samen onder de loep’. “Loep is misschien geen gemakkelijk woord”, zegt de juf. “Dat is een vergrootglas. Die die uitdrukking betekent dat we het probleempje samen gaan bekijken.” “En daar stopt het niet. Want de leerlingen uit mijn klas hebben er ook nog een gedichtje bij gemaakt. Nietwaar? Zeggen jullie het samen op?” De juf laat een nieuwe dia op het scherm komen en daarop staat het gedicht. Robin en zijn klasgenootjes lezen het samen voor. “Weet je even niet hoe het moet?Gebruik dan een woord zoals geen een.Een woord voor jou alleen.Een woord zoals ribbedebiewoep.Dan nemen we het probleem samen onder de loep.” “Zo voeren we de campagne in het hele land”, zegt de minister. “We nodigen alle scholen en klassen uit om met dit project aan de slag te gaan. En de uitleg die Robin daarnet aan zijn woord gaf, wordt mee opgenomen in het verhaal van de campagne. En daar mag hij best trots op zijn. En het verdient een applaus, denken jullie niet?” Na het applaus Nadat het applaus was uitgedoofd, bedankt de minister iedereen voor hun aanwezigheid. Een aantal fotografen gingen naar het podium en namen foto’s van de minister, juf Sandra en de kinderen.  “Hoe wist jij hier nu van?”, vraagt Tamara aan Davy. “Je hebt me er helemaal niets van gezegd.” “Ik zei het toch al. Jij had het te druk met betogen. Er zat begin deze week een brief in de agenda van Robin. Daarin werd heel wat uitgelegd en er zat meteen een uitnodiging bij om naar deze persvoorstelling te komen. Trouwens, bij de krant wisten ze er ook van. Ze hadden ook een uitnodiging voor deze persconferentie ontvangen. Ik heb maar meteen aangeboden om er een artikel over te schrijven. Onze fotograaf staat nu voor het podium. Ik dadelijk onze Robin nog even interviewen. Als hij me te woord wil staan natuurlijk. Hahahahahaha.”  Al lachend stapt Davy naar het podium, Tamara alleen achterlatend. De dag erna staat het artikel inderdaad in de krant. Robin is blij dat het een foto in zwart-wit was, zodat je zijn rode kleur niet ziet. Hij wordt bijna een nationale beroemdheid. Want er is ook een tv-ploeg van het kinderjournaal aanwezig.  Heel wat scholen in het land nemen het Ribbedebiewoep-project over. In sommige scholen is het een succes. In andere scholen moet het nog groeien, want als je het niet serieus neemt, werkt het natuurlijk voor geen meter. Het gebeurt niet vaak, maar als Robin thuis ‘Ribbedebiewoep’ zegt, dan weten zijn mama of papa dat ze een praatje moeten maken.  Voor het overige gaat alles zijn gangetje in het gezin van Robin.  Nog eens binnenkijken Zullen we nog even binnenkijken bij Robin thuis? In het huis met de trapjes? Zoals we dit verhaal zijn begonnen?   Kijk, daar zit zijn papa. Hij leest de krant, zoals gewoonlijk, maar misschien is hij er wel bij in slaap gevallen. Robin en zijn mama zitten samen op de bank en kijken naar tv. Het is een programma waarbij ze op het einde een woord moeten raden. Hoe meer rijen met blokjes de kandidaat heeft verzameld met het computerspelletje, hoe meer letters de kandidaat heeft. Dan is het makkelijker om het woord te raden. Ook nu raden ze samen naar het woord. Er staat al een i, een r en een e. Het is telkens een woord van acht letters. “Dan kan het nooit ribbedebiewoep zijn”, zegt Robin. “Want dat zijn meer letters. En dat is ook geen echt woord. Of wel mama?” Plots horen ze een gebrom van achter de krant die op het hoofd van papa ligt. “Hij snurkt”, zegt mama, waarna hij precies opnieuw iets zegt. De krant waait omhoog. “Hij zegt precies ‘minister’”, zegt Robin. “Misschien droomt hij nog over onze samenkomst bij de minister. Of wacht even …. Nee, hahahahaha.” “Wat is er?”, zegt mama. “Dat is natuurlijk het woord dat ze op tv zoeken”, zegt Robin. “Kijk maar.” En jawel, ook de kandidaat vinden het achtletterwoord. Het is inderdaad ‘minister’. “Niet te geloven toch hè”, zegt mama.    Einde  

Rudi Lavreysen
4 1

By Proxy

“De nacht is rustig verlopen.” De verpleegster wijst naar de deur met nummer 308.  “Is de dokter al langs geweest?" Ze haalt haar schouders op. Ik zucht diep en duw zachtjes de deur open. Behalve het zachte geklop van de ventilator aan het plafond, is het er akelig stil. Er hangt een weeë geur van desinfectans met een subtiele toets van lichaamszweet.   De grauwe, grijze muren geven de kamer een mistroostige aanblik. Een leeg vierkant tafeltje en oude bruine relaxstoel lijken meer een stilleven dan uitnodigend voor bezoek. De vergeelde gordijnen hullen de kamer in duisternis. Enkele zonnestralen priemen zich een weg door enkele gaatjes in de doffe stof. Ze doorklieven de zware ziekenhuislucht, op zoek naar het lichaam. Roerloos ligt het daar. Enkel een oppervlakkige ademhaling en de dansende lijn van de hartslag op de monitor zijn de enige tekenen van leven. Een infuuszak druppelt langzaam naar de linkerarm. 3 weken lang…  ‘Onduidelijke oorzaak.’ ‘We doen ons uiterste best voor je dochter.’ Maar de uitleg wordt korter. Ontwijkende antwoorden. Ze begrijpen het niet. Ik knip mijn handtas open en haal er een lege injectiespuit uit. Geruisloos trek ik de stamper terug en koppel het aan op de bijspuitpoort. Zonder twijfelen duw ik de lucht door. Enkele centimeters luchtbellen verspreiden zich in de infuusleiding en migreren langzaam naar het lichaam toe. Geruisloos sluip ik naar het piepkleine badkamertje en sluit de deur. Ik werp achteloos de spuit in het toilet en ga plassen. Plots hoor ik het ritmisch gepiep van de monitor haperen. Een pauze. En dan één lange pieptoon. Ik hoor een peloton aan verpleging de kamer binnenstormen.  Dan sta ik gehaast op en trek het toilet door.

Sfieke
9 0

Zeg het me!

Het is de molen die ons aantrekt, niet deze vrouw met ronde heupen. We lezen dat dit monument voor de bevrijding van Leiden doorgaat. Tweede WO. Hoe komt het dat mensen oorlogen vreselijk vinden, dat ook mensen ons blijven herinneren aan die oorlogen. Nee, het gaat over de bevrijding, dus de kant van de slachtoffers. Dat zijn toch ook daders, onrechtstreeks? Hoe? Slachtoffers hebben toch ooit de keuze gemaakt te vechten!? Hadden ze een keuze? Ja, dat vind ik wel, maar die zou gevolgen hebben. Hoe dan ook, vind ik het vreemd dat beelden in brons ons helpen terug te denken aan een oorlog. We willen dat de oorlogen stoppen!  Zeg het me, hoe komt het dat de bevrijding gestalte krijgt in het lichaam van een vrouw? Kan ik de kunstenaar spreken? Het is de molen die ons aantrok, en nu staan we hier. We draaien ons om, zien het groenste gras ooit rondom de molen, gaan liggen om de ogen te sluiten. We zeilen weg op onbestaand water, dromen over duizenden mensen die het leven lieten in een nachtmerrie, er zullen mensen bevrijd worden, er worden altijd mensen gered. Om opnieuw te gaan leven! In het leven worden ze geketend aan regels. Maar dat doet amper pijn, vergeleken met de dreiging van gedropte bommen. Zeg het me, hoe komt het dat de kunstenaar koos voor een vrouw, zijn het niet de mannen die oorlog voerden? Welke invloed heeft gender op oorlogsvoering? Dat is een overbodige vraag. En toch, wat denken de mannen? Dat wij vrouwen, geen wapens kunnen dragen? Ze niet durven te gebruiken?  Het is het gras dat ons aantrok. Het groen, de wind die zijn (of haar) debuut maakte in onze dromen. Alle beelden omverwierp. Oude overtuigingen waar we niets aan hadden. Mannen die opgaan in een vrouw, er een cel bevruchten, een zoon voor later.

Ingrid Strobbe
3 0

Identiteitscrisis

Vrouw komt thuis van haar werk. Ze blaast. Haar wangetjes zijn rood aangelopen en ze stapt net iets sneller en met kleinere pasjes dan normaal. Geen goed teken. Gelukkig had ik de tafel al gedekt en twee sneetjes rozijnenbrood beboterd en keurig op haar bord gelegd. Ik gooi nog vlug een drietal spiegeleitjes vanuit mijn favoriete pannetje in het mijne, bespuit ze overvloedig met curryketchup en haal vliegensvlug de laatste vier bruine boterhammen uit de broodzak. Verder geen enerverende randgeluiden meer produceren en een actieve luisterhouding aannemen.  'Wat een dag! Zo vermoeiend! Ik ga niet in detail treden, want daar heb ik de puf niet meer voor. Kort gezegd: hier en daar probeer ik genuanceerd aan te geven dat er wat moet veranderen en niemand die het snapt! Helemaal niemand! Moet ik het dan echt vlakaf in hun gezicht zeggen? Werkt dat zo in deze mannenwereld? Hebben we dat nu nog altijd niet gehad? Iedereen draait maar in cirkeltjes terwijl de oplossingen voor de hand liggen. Maar nee, hoor, niet in HUN brein. Ze snappen het niet, of ze willen het niet snappen. Tussendoor probeer ik dan ook nog om ze subtiel uit te leggen hoe ik me daarbij voel, maar ook daar heeft niemand oren naar. Geen greintje empathie. En ik maar rekening houden met hun ego's! En maar hints geven, zodat ze achteraf denken dat ze het allemaal zelf bedacht hebben. Maar nee, ze zijn gewoon niet mee. Dat heb je als je bijna uitsluitend met mannen werkt.' In deze omstandigheden laat je haar best uitrazen. Ik knik en bevestig me suf. Bijna na elk zinnetje geef ik feedback door middel van een bevestigend knikje, een frons, een zucht die aangeeft dat ik zoiets zelf ook heel vervelend zou vinden, soms zelf een wegwerpgebaar, terwijl ik naarstig mijn boterham in de mix van ketchup en eigeel sop. 'Ach, ik zal er mij maar bij neerleggen. Volgens mij bestaat er geen enkele man die een vrouw begrijpt. Geen enkele!' Pijlsnel steek ik mijn rechterwijsvinger in de hoogte, draai mijn kin een stukje naar rechts, trek mijn wenkbrauwen op en kijk haar enigszins verwijtend aan. 'Goh, ja, jij. Ik zei geen enkele MAN!'  Mijn wijsvinger valt naar beneden en belandt met een klap op de tafel. Daar kijkt ze van op, zij het maar heel even. 'Dat is toch zo! Ik ben er nog steeds niet achter WAT jij nu precies bent. Ik denk dat de wetenschap daar nog een leemte op te vullen heeft. Seksueel gezien ben je een man, maar je denkt en gedraagt je af en toe als een wijf. Dan laat ik je vreemde loopje en je talrijke Martien Meiland-imitaties nog buiten beschouwing. En dan denk ik: is hij nu non-binair of hoe heet dat ... genderneutraal? Nee, als het bijvoorbeeld op borsten aankomt, denk je overduidelijk als een man. Twee minuten later drink je van je koffie en dan gaat dat pinkje omhoog! Nog wat later hoor ik je luidop tegen jezelf praten, lachen en vloeken en zit je jezelf voortdurend aan te sturen en dan denk ik weer: hij is niet van deze planeet. Hij is een het. Er hangt trouwens een klodder ketchup op je kin. Als je een zak popcorn zit te vreten of een zak chips uit de handen van de kinderen rukt, lijk je wel een of ander beest en een Bicky Burger eet je dan weer heel langzaam en gedistingeerd, met mes en vork. Soms staat er een grote vrachtwagen voor de deur en die heb je dan niet opgemerkt bij het binnenkomen en even later zie je vanuit de keuken dat er een fruitvliegje op de televisie in de living zit, terwijl die niet eens aanstaat. Jij bent ... raar. Echt waar. Man, of 'ding', wat ben jij raar!'  Daarna veert ze recht en loopt zo de deur uit. Boos. Haar stapjes nog kleiner dan daarstraks en haar wangetjes gloeiend. Tien seconden later hoor ik haar auto starten en wegrijden. Ik heb letterlijk geen woord gezegd. Alleen geluisterd.  En dan begin ik me vragen te stellen terwijl ik de ketchupklodder afveeg en van m'n hand lik. Zeg nu nog eens dat wij androgyne buitenaardse wezens niet kunnen multitasken. Welke vragen?  Ligt het aan mij? Moet ik me zorgen beginnen te maken? Vast niet. Waarom zit er eigenlijk verdikkingsmiddel in deze ketchup, net nu ik op dieet ben?   

Danny Vandenberk
4 1

Mortal Kombat movie franchise review

Moral Kombat (1995), Mortal Kombat: Annihilation (1997), Mortal Kombat (2021) en Mortal Kombat II Ik werd persoonlijk een fan van de MK franchise via de eerste film uit 1995. Ik heb achteraf de game gekocht. Maar ik ben een RPG gamer, dus het hele button bashing was niet meteen mijn ding. Veranderd niks aan het feit dat ik de film absoluut geweldig vond. Ik ontdekte Street Fighter op exact dezelfde manier. De theme song speelde wekenlang door mijn stereo.  8/10 Ik zag de sequel pas jaren later, wist zelfs nooit dat er een sequel was gemaakt. Eentje om snel te vergeten, jammer genoeg.  4/10   De 2021 film voelt als een volslagen film die in dit universum plaats vindt. Wat de loyale gamer’s fanbase blijkbaar niet zo leuk vond. Er was ook zeer veel online haat voor het originele film personage ‘Cole Young’; waar ik geen begrip voor heb want hij draagde effectief wel degelijk die hele film en was het perfecte aanknooppunt voor nieuwe fans. Al waren de échte uitspringers voor deze film Hiroyuki Sanada (Scorpion) en Josh Lawson (Kano), naar mijn mening. (Vindt het nog steeds een beetje vreemd dat Jimmy Olsen van de Supergirl serie Jax speelt). 7.5/10 Het vervolg gooide dan weer meteen het hele verhaal van Coly Young, na hem zo op te bouwen, door het raam (dank u wel kinderachtige online haters) waardoor deze film minder een film was en eerder gewoon een UFC show. De focus shiftte volledig van een verhaallijn tot een focus op de fight scenes en fatalities. Voor de hardcore fan is dat misschien amusant, maar voor de casual fan al een heel pak minder omdat je minder verhaal hebt om aan vast te houden. Zelfs de originele film had een beter uitgedokterd verhaal.  7/10  

K.L. Runaya
0 0