Lezen

De lijkbleke intrede

Ik hou van mijn vader, al vergeef ik hem twee zaken nooit: Zijn beide doelpunten tegen Club Brugge en mijn sneeuwwit vel dat ik sinds mijn puberteit als een boetekleed draag. Als kleuter waande ik me nog een stoere witte ridder die met de nodige schreeuw om aandacht zandkastelen bouwt. Maar vanaf de eerste puistjes begroef ik me het liefst achter een anonieme duin. Zo ook het voorbije pinksterweekend in Knokke-Zoute, op de Siësta Beach Club. Een mondaine strandbar waar de sereniteit achteloos moet aanmeren. Maar ik voelde me op het drukste kruispunt van Bombay. Op het spitsuur. Ongenadige blikken, verborgen achter peperdure pilotenbrillen, bombardeerden mijn welbehagen. Ray-Banbliksems. Een stortvloed van napalm bij de rosé. De hele winter had ik me nochtans afgebeuld om de aandacht van m'n kleurenkwaal naar m'n torso te verleggen. Maar drie meiweken antibiotica leverden misschien wel een frisse neus op, het bijbehorende spierverlies bezorgde me een depressie op doktersvoorschrift. Ik arriveerde op het Knokse strand als een Lada op de Mercedes-stand van het Autosalon. Het bleekste model uit Siberië. Kunstmatige hulp vanuit zonnebankcentra weiger ik uit kankervrees. Nochtans worden deze gerund door pitspoezen die je olievoorraad eigenhandig op het juiste peil brengen. Botergeil, maar de wip niet waardig. Hun Braziliaanse tunnels vormen een no-go zone voor mijn universitair geladen zaad. Op hun druk bereden asfalt dat her en der al scheurtjes vertoont, dreigt immers een peperdure tol in de vorm van alimentatiegeld. Vreselijk elitair? Niet zo neerbuigend als hun oordeel over mijn huidskleur. Racisme uit de gepiercete onderbuik van de gebronzeerde samenleving. Met m'n Yacht Week-polo als beschermhoes kwam ik het eerste uur in Knokke-Zoute echter zonder kleerscheuren door. Tot ook deze Einzelgänger voor de groepsdruk en de temperatuur bezweek, overmoedig na de negende Magnum-fles. De collectieve blik op mijn kathedraal in heropbouw voelde aan als een groepsverkrachting. “Ogen dicht en doorbijten,”  fluisterde ik mezelf toe. Dat was buiten de live-verslaggeving op Facebook en deze rake opmerking van een ros Sneeuwwitje gerekend: "Ik ben blij dat ik eindelijk iemand heb ontmoet die bleker is dan mij.”  Mijn weelderig borsthaar fungeerde niet als het gewenste afleidingsmiddel, maar kreeg de status van schaamhaarstruik toegewezen.   Tot overmaat van ramp vuurde ook mijn schrijfpen er met losse flodders. De jetsetlectuur beperkt zich blijkbaar tot Cosmopolitan, echtscheidingscontracten en Viagra-voorschriften. Mijn instant proza verdween al snel in de vuilbak tussen kredietkaartticketjes. Kortom, ik maakte een lijkbleke intrede in de Graaf der Badsteden. Nu schrijf ik dit stuk in de tuin van omalief, waar ik in echte rust het pad der halve naaktheid bewandel. Op weg naar het gekleurde geluk. Benieuwd hoeveel zomers ik daarvoor nodig heb. Hier krijg ik alleszins geen veroordeling aan mijn zwembroek voor mijn gebrek aan een gebruinde sixpack, maar krijg ik onder mijn botten als ik mijn bord niet leeg eet. Het verstand komt met de jaren. Mijn kleurtje allerminst.

Magnus Sørenson
0 0

66 kilo later en wat nu ???

  Als de dag van toen herinner ik me nog de dag 8 december 2011. Tijdens een bezoekje aan de arbeidsgeneesheer werd ik genadeloos hard op de feiten gedrukt. Toen men tijdens een beeldschermonderzoek begon over mijn overgewicht, voelde ik de grond onder mijn voeten wegzakken. Emotioneel werd ik overmand door een dreiging tot eindeloos huilen. Ging het werkelijk zo slecht met mij? Was ik dan zo ongezond bezig? Loerde het kerkhof of de operatiezaal om de hoek. Voor de eerste keer in mijn leven werd ik voor voldongen feiten gesteld. Er moest iets aan gebeuren of mijn leven zou een rampzalige wending aannemen. The day after ging ik voor het eerst sinds een eeuwigheid de confrontatie met de weegschaal aan. Om het beeld even te schetsen: Ik had me afgezonderd achter gesloten deuren in mijn slaapkamer. Wat ik toen zag … vergeet ik ik nooit van mijn leven meer. Het leek wel een KO van formaat in de eerste vijf seconden van een allesbeslissende kampioenenwedstrijd. Ik ging op de rand van mijn bed zitten en voelde de eerste tranen vloeien. De uitdaging, die me te wachten stond, had quasi onmogelijk proporties aangenomen. Je moet weten: aan een afvalrace beginnen in de december- of januarimaand is geen lachertje. Mijn vader ging in deze periode op pensioen. De kerst- en nieuwjaarsperiode brak aan. Om nog maar te zwijgen van mijn jaarlijks terugkerend verjaardagsweekend. Kortom: een bezoekje aan de diëtiste brengen in deze periode leek me geen opportuniteit. Het doembeeld van droog brood en water loerde immers om de hoek. Op dat moment heb ik het besluit genomen om ‘tijdelijk’ het heft in eigen handen genomen. Wanneer ik iets aan mijn leven wou veranderen, werd het mijn verantwoordelijkheid en niemand anders. Maar ik had een grote angst voor mogelijke valkuilen. Daarom besloot ik om niemand mijn begingewicht te vertellen en wat mijn streefdoel zou Ik wou de touwtjes in eigen handen nemen en geen onnodige stress van buitenaf te kennen door al dan niet slecht bedoelde motivatietechnieken van ‘Komaan Bart, nog 5 kilo’. En toen … startte het belangrijkste project van mijn leven.  Leren bewegen vanaf 0, op mijn eten letten …. En de eerste dagen leverde het al onmiddellijk succes op. Een wandeling in Antwerpen Stad zorgde er voor dat de teller op -3 kilo stond. Woehoe, het leek wel van een leien dakje te gaan. Niets was echter minder waar. Ook bewegen op oma’s hometrainer kwam op het programma te staan. En geloof me vrij … Het was geen zicht. Voor diegenen, die me niet kennen … Ik ben een kerel van 1m87. Mijn oma haalde met moeite een lengte van 1m65. De fiets was één van de eerste modellen ooit op de markt. En dat zag je eraan. Het leek wel een stalen ros waar naar mijn gevoel zelfs de dinosauriërs nog hun dagelijkse portie ochtendgymnastiek op deden. Helemaal niet meer anno 2013.  Een nieuw stalen ros werd aangeschaft. En toen begon een periode van keihard werken. De eerste twee maanden werden een succes van formaat. De weegschaal toonde al heel snel -13 kilo aan. Ik was fier dat mijn alom gekende koppigheid en eigenzinnigheid resultaten opleverde. En what doesn’t kill you, makes you stronger. Ik heb toen de beslissing genomen om die eigenzinnigheid en koppigheid nog verder toe te passen in de race naar een nieuw leven. En daar heb ik tot op de dag van vandaag geen seconde spijt van. Begrijp me niet verkeerd.  Ik heb heel aandachtig geluisterd naar het advies van mensen, die het ontzettend goed met mij bedoeld hebben. Hun goede raad en adviezen heb ik omgezet naar mijn persoonlijkheid.  En toch … Een afvalrace zoals de mijne – cfr Ik weeg nu 66,2 kilo lichter – is een emotionele rollercoaster van formaat. Niet alleen je lichaam wordt scherper maar ook je geest wint aan scherpte. Gek toch wat bepaalde voedingsmiddelen met een mens doen kunnen. Afkicken van een suikerverslaving, een nachtmerrie van formaat. En toch … Het zwaarste van een afvalrace is hoe de perceptie van jezelf in de maatschappij een gigantische verandering kent. Bij de VOX POPULI staat afvallen en diëten vaak synoniem met meer bewegen en minder eten. Maar helaas zelden met op een verstandige manier anders gaan leven. Om het even te kaderen schets ik maar al te graag mijn situatie hoe het nog geen 2 jaar geleden was. Weet je … Ik was een Morbide Obesitas-patiënt met een duizelingwekkend BMI.  Nu anno 2013 is dat BMI 18 punten gezakt, mijn broeksmaat bijna 14 maten en mijn hemdsmaat gedeeld door 6.  Deze cijfers bereik je niet wanneer je niet op een verstandige manier aan de basis werkt. Ik heb het roer op een dusdanige manier omgedraaid dat mijn leven er helemaal anders is gaan uitzien. Het EMO-eten zwaar onder controle leren houden en rationaliteit in mijn dagdagelijks levenspatroon beginnen te verwerken. Geloof me vrij … een dergelijk resultaat is niet mogelijk wanneer je niet uit je comfortzone durft te stappen. En dat heb ik gedaan. Nu bijna twee jaar later geef ik toe dat alle puzzelstukken uit mijn leven als een boomerang naar mij zijn terug gekeerd. Wat liep er fout? Hoe was het beeld van de maatschappij naar mij? Want een leven als een Morbide Obesitas-patiënt zorgt voor een impact in je dagdagelijks leven. Ik herinner me nog altijd het moment dat er mensen uit de lift zijn gestapt omdat ze met ‘deze gezellige dikkerd’ geen twee verdiepingen hoger wilden gaan. Alleen door te vechten als een leeuw ben ik uit een put geklauterd.  Stuk voor stuk heb ik mijn ‘oud en nieuw’ leven als een puzzel in elkaar zien vloeien. Het werd een cursus zelfreflectie zoals geen enkele professor emeritus aan de universiteit mij zou kunnen geven. Ja, ik heb aan mijn werkpunten sterker dan wie ook gewerkt. En ook al heb ik waanzinnig hard gewerkt en heb ik fysisch de allures van een knotwilg aangenomen. Hoge bomen vangen veel wind. Niet alle reacties zijn even positief. Niet iedereen kan zich inbeelden welk traject ik de voorbije maanden op eigen houtje heb afgelegd. Jaloezie, haantjes- of kippetjesgedrag. Ik heb het allemaal mee gemaakt en maak het nog dagdagelijks mee. Een verandering in iemands leven beroert de gemoederen zichtbaar. Over de eerste indruk zijn er letters geschreven in de wetenschap. Alleen staat er geen letter genoteerd over de achtste en de negende indruk. En die beleef ik momenteel. En hoe mensen reageren hangt van 1000 en 1 factoren af. Het verschil tussen mannen en vrouwen is heel snel duidelijk.  Een vrouw hanteert veel sneller het ‘vinde-gij-mijn-gat-niet te dik-in deze rok’-effect als het over haar gewicht gaat dan een man. En dit terwijl een man fier is op zijn buikje als puur statussymbool. In een landelijker gebied ben ik een grotere circusattractie dan in een stedelijk gebied. En zo kan ik wellicht nog uren doorgaan hoe de mensheid in elkaar steekt. Maar nu ik 66,2 kilo lichter door het leven stap, duikt het beeld vaker en vaker op welke wending mijn leven nu zal kennen. Ik heb me voorgenomen om deze afvalrace geen fetish te laten worden en me niet te laten verleiden tot ziekelijke neigingen. Nog eens 66 kilo lichter worden, …. Nou het zou geen zicht zijn. Voor u niet en voor mij zeker niet. Ik zou een dorpsgenoot worden van Plop, Lui en Klus. En daarvoor  leef ik nog veel te graag bij u allen.  66 kilo’s lichter en wat nu … Ik ga stil blijven staan bij de zaken die ik heb geleerd. En die wil ik maar al te graag nog meer in praktijk omzetten. Het belangrijkste doel is dat de huidige Bart ook de nieuwe Bart is en blijft.  Ik heb de voorbije maanden regelmatig mijn comfortzone verlaten. Kortom: Enkele zotte keuzes gemaakt door een keertje naar het EK Hockey of naar het WK Turnen te gaan. Een hele nieuwe wereld ging voor mij open. And I enjoyed it. Ik geniet er van om op mijn racefiets als een flandrien met mijn snufferd tegen de wind in te beuken. Weet je … Koersen is des levens, ook al heb je de voorbije maanden alle klassiekers ‘in je echte leven’ na elkaar gereden. Een confrontatie met jezelf aangaan is zeer leerrijk. Een wijze vrouw omschreef mijn traject ooit als de geboorte van een nieuwe man/mens. En momenteel knik ik achter mijn klavier maar al te graag instemmend. Hello World, this is me  

bartliekens
0 0

Kort verhaald: een wolkje onweer in een koffiemok.

 1. ‘Alle grote schrijvers schrijven autobiografisch,’ schreef een ooit befaamd Belgisch schrijver, en hij had gelijk. Hoe verklaar je anders al die slechte korte verhalen? Je kent ze vast wel: overdramatische rommel over gestorven levenspartners; vervlogen minnaars, weltschmerz, eenzaamheid of – veruit de ergste vorm van verderf – walgelijk minimalisme over kleine autistische kindjes met een suikerpot of muffe dementerende oudjes achter roestende deurknoppen die niemand ooit... Cheap emotainment, vers geplukt van Vijftv en overgoten met een sausje pervers ramptoerisme, dat op de koop toe nog geregeld bekroond wordt omdat dat schetsje minimalisme ‘toch zo uitzonderlijk geschreven is’. Om het op zijn Oscar Wildes te zeggen: het is niet omdat je uitzonderlijk schrijft, dat je ook uitzonderlijk leeft…en vice versa. En dan rest er nog de hamvraag: kan men die rommel schroomloos literatuur noemen? Zeg nu eens eerlijk… ‘Laat hen dan eens zien hoe het wel moet,’ antwoordt ze mij, in de haast magische tv-kamer waar de hyperactieve hond slaapt naast de sofa waarop zij en ik voor het eerst de liefde bedreven (maar dat geheel terzijde). ‘Dat is wel heel ambitieus, zelfs voor mij,’ reageerde ik, ‘en trouwens: ik heb mijn handen vol met onze roman, dat weet je toch?’ ‘Dat sluit elkaar toch niet uit? Schrijf dan daarover, alle grote schrijvers schrijven toch autobiografisch? Wel, bewijs het’. Ze had die pretlichtjes in haar ogen – Paris, minuit sur Seine, mon amour – en haar beruchte glimlach als een uitdaging. ‘Ok,’ zei ik, ‘maar als ik slaag in mijn opzet, druk jij jouw glimlach tegen de mijne, en zien we wat er dan gebeurt’. Over die laatste enigmatische verwoording moest ze even nadenken, maar uiteindelijk ging ze akkoord, waardoor ik nu heel wat te bewijzen heb. De hyperactieve hond laat ik intussen rustig in het midden liggen: je wil hem best niet gestoord zien worden. Zij strekte zich languit op de sofa, haar hoofd op mijn schoot en zei, heel speels en duivels verleidelijk: ‘Zo, vertel me eens een kort verhaaltje’. Een kort verhaaltje, zegt ze. Dat is 12.000 tekens volgens de stad Deinze en dus nog maar 10.219 te gaan. Het wordt hoog tijd om – zoals Van Ostaijen – naakt te zijn en te beginnen. Goed. Ik neem plaats achter mijn Underwood en transformeer mezelf tot broodschrijver. Ik word Shakespeare, Chandler, Capote – driemaal een sisklank als aanhef en één keer een Frans condoom met Truman (een Amerikaans president?) als voorspel. Zippergate? Neen, dat kwam pas later. Desalniettemin: stof tot nadenken, maar er is geen tijd: te weinig tekens en te veel, veel te veel te vertellen. Pressure! En al het goede schrijven is autobiografisch! Ok… Lig je goed, lieverd, daar beneden met je hoofdje op mijn Levi’s 501? En u, wildvreemde lezer, klaar om van start te gaan? Ik neem me vooralsnog een whisky.    2. Op een regenachtige namiddag in september stappen twee helden O’Reilly’s binnen en als echte stamgasten – of dronkaards – nemen ze plaats aan de bar. Lio en ik – jij weet dat, liefje, maar de wildvreemde lezer niet – zijn wat men noemt beste vrienden: samen maakten we Brussel al onveilig ten tijde van 9/11, Brazilië-België en Marc Wilmots. Al jaren is O’Reilly’s onze uitvalsbasis, en dat zal wel nog een tijdje zo blijven. Mitch, de barman met de Hasselhoff Baywatchnaam en de Humphrey Bogartschouders, komt ons meteen tegemoet. Lio bestelt een Guinness en een kop koffie. Buiten ons is de pub vrijwel leeg, op een koppeltje na, dat achterin de pub in een vergeten hoekje lekker knus naast elkaar zit. De jongen warmt zijn handen aan het meisje en het meisje – op haar beurt – aan een kop warme chocolademelk. ‘Die chocomelk smaakt raar,’ zegt ze. ‘Mag ik ’s proeven?’ vraag ik. Ze heeft gelijk: flets en zo goed als chocoladeloos: de cacaomix in de machine is op en de barman heeft het nog niet in de gaten. ‘Momentje,’ zeg ik en breng de fletse mok weer naar de toog. Mitch maakt er geen probleem van. Even later staat er een verse chocolademelk mét slagroom voor haar neus. ‘Handig niet, dat uitgaan met een ex-barman?’ Ik knipoog, zij lacht. Ik ga naast haar zitten op de sofa in het (vergeten?) hoekje. ‘Hé, zat jij daarnet niet tegenover mij?!’ ‘Nee, dat was iemand anders, zo’n loser met een slechte chocomelk’. We lachen – is zoveel lachen niet ongezond? – ik sla mijn arm om haar heen en ze kijkt naar me. Haar ogen stralen en komen tergend langzaam dichter en dichter en ietwat overhaast zoen ik haar. Het was lekkere chocolademelk. ‘Veel te lekker’. ‘Man, overdrijf eens niet: ’t is zwarte koffie,’ antwoordt Lio, ‘Akkoord, het is beter zwart dan met al die rommel erin: suikertjes, melkjes, candarels en een speculaasje, kloterij die abnormale mensen allemaal in hun kop kwakken…’ ‘En daarom is dit net veel te lekker,’ antwoord ik hem, waarop ik nog een slok neem en vervolgens de hele melk-suiker-candarelzooi en zelfs het koekje in mijn koffie gooi. Terwijl ik duchtig aan het roeren ben komt Maarten de pub binnen, doordeweeks een brave jongen en zelfs in het weekend een van mijn beste vrienden. ‘Dag mannen, wat doen jullie hier?’ begon hij. ‘Momentje,’ zei Lio, ‘Kris was geloof ik net van plan een vastgeroest dogma te ontkrachten’. Beiden zwegen en keken bezield naar de mokkakleurige maalstroom waarin mijn lepel – en stukjes speculaas – wild tekeer ging. ‘Een wolkje onweer in een koffiemok, meneer?’ Maarten begreep niet meteen wat er aan de hand was maar gunde me voorlopig het voordeel van de twijfel. Ook Mitch, het Alziend Oog van O’Reilly’s, hield zich op de achtergrond. Omdat er zich geen vrijwilliger aanbood nam ik zelf een slok van het inmiddels lauwe mengsel. ‘Beter?’ vroeg Lio. ‘Nee,’ antwoordde ik, ‘maar nu weet ik tenminste weer waarom ik mijn koffie zwart drink. Dag Maarten, jongen, alles goed?’ Maarten had een meisje bij, een nieuw meisje. Het eerste meisje dat hij mijns inziens ooit mee naar de pub bracht. Bruin haar, bruine ogen, slank, geen x-benen en vrij knappe borsten (rond of peervormig, kan al dan niet afhangen van en uit de beha), kortom: al bij al netjes. Maarten stelde ons voor, ze gaf ons beiden een kus op de wang. Na de nodige formaliteiten kwam ik te weten dat haar naam Stefanie was. Ietwat timide keek ze voortdurend naar de grond, alsof oogcontact een uitdaging was. Ja, wat had Maarten allemaal niet over ons verteld? En ‘beste vrienden’ ontmoeten is op zich al een precaire situatie. ‘Kijk liever wat meer naar boven, liefje, ik geneer me voor mijn kapotte schoenen,’ zei ik. Ze lachte wat onwennig, want inderdaad: mijn Allstars waren naar compleet de vaantjes. ‘Je had hem twee weken terug moeten zien,’ zei Maarten, ‘toen zat ie hier met teensletsen’. ‘Jij kleine klootzak,’ antwoordde ik, want Maarten was niet groot en had meestal een stel kl…, nou ja, ‘dat kind is hier nog maar net en direct mijn vuile was gaan uithangen!’ Lio begon luid te lachen, Stefanie viel in. Het hek was van de dam, en het ijs gelukkig vrij snel gebroken. Stefanie vertelde dat ze Maarten had ontmoet op een trouwfeest van een familievriend. Het was liefde op het eerste gezicht. Hierna spraken ze een aantal keren af en intussen – drieënhalve week later – waren ze samen en ja hoor: gelukkig. Ik herinner me nog hoe ik dacht: ‘Soms lijkt het zo makkelijk te gaan, zo vanzelfsprekend, is dat dan echte liefde?’ Daar leek het in ieder geval op. Ze waren jong en verliefd, op een typische, niet-walgelijke wijze. Daar was ik oprecht blij om, hoewel het tegelijkertijd pijnlijk was om aan te zien. Volgens mij beseften Lio en Maarten dat: ze wisten het immers van jou en mij. Misschien ook daarom dat Maarten na één rondje zei dat ze er vandoor gingen: ‘Stefanie wil nog snel even de winkelstraat doen’. ‘Vergeet niet,’ riep Lio Maarten nog na, ‘betalen doe je in de Rue D’Aerschot!’ Ik stootte mijn elleboog onzacht tegen zijn ribben. ‘Wat?’ antwoordde Maarten. ‘Geen schandalen in ’t paskot!’ verduidelijkte ik. ‘Aight,’ lachte Maarten en stak zijn duim omhoog. ‘Waarom was dat nu weer nodig?’ vroeg ik. Lio nam een slok van zijn Guinness, ‘Weet ik veel’. Ik wist het ook niet meer, het hele gedoe had me ontstemd en wellicht daarom vroeg ik Mitch om twee Jack-on-the-rocks te maken, zodra hij even vijf minuten tijd had. Mijn blik dwaalde af naar het vergeten hoekje: het knusse koppeltje zat er niet meer. Ze waren vast, los van elkaar, naar huis gegaan…    3. Met gesloten ogen ligt ze naar me te luisteren, een tijgerin in de prairie die in staat is me te verscheuren zodra ik in ademnood raak en mijn woordenstroom dien te pauzeren – bij haar ben ik slechts een papieren tijger, moet je weten. En toch wil ik even halt houden: wat een bravoure (Neen, in feite is mijn glas gewoon leeg, de inspiratie even op of het inktlint van de Underwood versleten: kies maar). ‘En in dat verhaal zit geen heimwee of eenzaamheid?’ begint ze. Ik streel haar zachtjes, voorhoofd-wang-hals, waar het warm is: ik ben een waaghals. ‘Natuurlijk wel, maar ik miste je, en ga daar niet over liegen. Vind je het overdramatisch misschien?’ ‘Nee, nóg niet, ga nog maar even door’. (Met strelen?) ‘De fletse chocomelk, dat weet ik nog, maar ik herinner me niets van je periode als barman’. ‘Vandaar dat ik ex-barman zei: dat was grotendeels voor jouw tijd, maar je herinnert je vast nog wel de picknick in het Warandepark, vlak voor mijn avondshift?’ ‘Ja! Dat weet ik nog’. ‘Nou, dan hoef ik het je niet te vertellen’. ‘Jawel, vertel: denk aan de wildvreemde lezer!’ ‘Nou goed, voor de wildvreemde lezer dan,’ knipoogde ik. ‘Klootzak’, zei ze. ‘Ga je me nog lang onderbreken?’ En toen zweeg ze.    4. ’s Morgens was er geen zon, alleen donkere wolken met wat onweer en regenwater. ‘Fuck,’ dacht ik toen ik mijn Mercedes insprong, ‘Is dit nu een weertje om voor de eerste keer naar Brussel te rijden?’ Brussel is levensgevaarlijk met de auto: stel je het gerust voor als een Spaans tomatengevecht waarin je met een gloednieuw wit maatpak onbevlekt door moet navigeren. Of overdrijf ik? Hoe dan ook, ik werd om 17:00 verwacht in Brussels Café, en daarvoor moest ik jou zien in Brussel. Ik had geen keuze: drie dagen later vertrok jij voor drie weken naar India. Falen was dus geen optie, en ik was voorbereid: een picknickmand met daarin jouw favoriete broodje, jouw favoriete smoothie en een kleinigheidje dat zelfs voor jou een absolute verrassing was. Met al dat lekkers op de achterbank reed ik de garage uit, het noodweer in. Gelukkig had ik net nieuwe ruitenwissers. Op straat wandelde Joke voorbij, een vriendin van enkele huizen verder die me ooit, op vakantie in Rhodos, haar borsten liet zien (ze was toen zestien, ik veertien en bijgevolg erg onder de indruk). Nu zie ik haar lopen en is ze ongeveer even boeiend als de soepmixer in de tweede lade links onder het keukenaanrecht: af en toe kijk ik er eens naar, zonder meer. Het is niet dat ik meteen soep ga maken: ik heb namelijk al jouw favoriete smoothie. Ze wuift, ik wuif afwezig terug en rijd snel door. Wat kan zij me bommen, ik rijd naar jou toe! Welgeteld tien minuten voordat je in Brussel Centraal de trappen opliep klaarde de hemel uit. De zon straalde met het mooie meisje en ik liep naast haar Frank Deboosere te bedanken voor zijn accurate weersvoorspelling (laten we in het moment blijven: Frank is niet romantisch en je hebt nog slechts 2.675 tekens voor de grote finale). Fast forward. ‘Wil je even je ogen sluiten?’ vroeg ik je op een bankje aan het paviljoen. ‘Wat?’ ‘Gewoon even je ogen sluiten, en ze pas openen wanneer ik het zeg’. ‘Je gaat me toch niet kussen, hé?’ ‘Nee, helemaal niet, ik ga wachten tot je ze sluit, wegwandelen en morgen misschien eens komen kijken of je hier nog zit’. ‘Grapjas,’ zei je. Met gesloten ogen zat je naast me, een tijgerin in het Warandepark, en heel voorzichtig bracht ik het zilveren hangertje om je hals. ‘Het is prachtig,’ zei je en omhelsde me. Vuurwerk, het voelde als Nieuwjaar, maar het was juli. ‘Als ik haar nu kus, verpest ik dan alles?’ dacht ik. En denk ik nog vaak wanneer ik jou zie, met dat zilveren hangertje om je hals. Nog steeds…    5. ‘Nieuwjaar? Zeker dat je niet kerstavond bedoelt?’ vraagt ze veelbetekenend (de hele affaire met de sofa die ik geheel terzijde laat, dat gebeurde onder andere op kerstavond). ‘Nee, lieverd, onze wildvreemde lezer heeft namelijk geen zaken met kerstavond’. ‘Nee, dat is waar, maar Nieuwjaar?’. ‘Herinner je niet meer hoe ons jaar begon? Met vuurwerk, kort na middernacht, en een heleboel mensen en een hyperactieve hond die de straat op liepen. En hoe wij nadien alleen achterbleven, een andere straat in, waar we samen uitkeken op de horizon en lichtjes en elkaar omhelsden? Vuurwerk. Dat is hoe het begon. En weet jij hoe het eindigt? Nooit. We’ll always have Paris. Zoiets gaat nooit voorbij en zelfs als ineens alles anders is zullen jij en ik nooit… Sorry schat, ik maak het weer te moeilijk’. ‘Dat geeft niet,’ zegt ze terwijl ze overeind komt en dwars op mijn schoot gaat zitten, met haar armen om me heen. ‘Het was een mooi verhaal’. ‘Wil je zeggen dat…?’ Ietwat overhaast ontmoet haar glimlach de mijne… het is een fijn weerzien. Onze lippen delen geheimen waar onze tongen over zwijgen, ook al schrijven grote schrijvers autobiografisch. ‘Je hebt nog 1.102 tekens,’ fluistert ze, ‘wat ga je daarmee doen?’ Ik lach – zoveel geluk moet haast ongezond zijn – en zeg haar: ‘Dat, mijn lieve meisje, gaat de wildvreemde lezer niets aan...’

Blikschade
1 0

Midnight Express

“Ours is essentially a tragic age, so we refuse to take it tragically”. D.H. Lawrence 1. Central Park, New York, iets na middernacht. Noem het een poëtisch, gotisch of stereotiep begin, het betekent zo veel of zo weinig als u zelf toelaat, maar daar liep ik dus: te midden van drugsdealers en homoseksuelen. Aidsgoeroes... Verwrongen spiegelbeelden van de overdaagse joggers en eekhoorns. Ik was niet op zoek naar hen, miserie – als ik het zoek – vind ik het thuis wel bij D.H. Lawrence, Hugo Claus of Stephen King. De inspiratie voor vannacht was Mona: een knap rijkeluiswicht met lichtbruine haren en een blanke huid. Ongeschonden en ongerept: een prinses zonder stamboom. Enkele jaren geleden kwam ze over de vloer, op het bed en ook ergens in mijn keuken. Het hoorde iets eenmaligs te zijn… maar daar blijft het helaas nooit bij. Ze bewonderde wat ik zei en deed en verwachtte van mij hetzelfde. Ik was danig onder de indruk van haar lichaam, maar dat was niet genoeg: ze had ambitie, ze had trots, ze was een hooggeschoold, oerdom meisje dat nooit echt vrouw zou worden. Een sterfelijke Peter Pan: gay, innocent and heartless. ‘Binnen dit en vijf jaar kijk ik uit op Central Park, vanuit mijn villa aan de mooie kant van de stad,’ zei ze vastberaden, terwijl ze vanuit mijn raam het duister inkeek, ongeveer vijfenhalf jaar geleden. Aangezien mijn plannen voor vanavond zich hadden opgeschoven tot later of nooit, besloot ik de doortocht door het park te maken, naar die zogenaamde ‘mooie kant’ aan Central Park, om te zien of ik ze zou aantreffen, achter het raam van die beloofde villa. ’s Nachts zie je de engelen niet. Samen met de zon verdwijnen ze het park uit, dat nadien zelf opgaat in de duisternis. Vreemd is die donkere mantel, die als een wolf door de wereld zwerft, bang voor zowel het echte als het valse vuur. Tast het de wereld aan of af? Blijft alles netjes onder de mantel liggen tot het opnieuw gezien wordt of gebeurt er iets anders? Een konijn wordt een duif in de hoed van een goochelaar, en tegen de volgende show is die duif weer gewoon konijn. Of is er iets veranderd? We weten namelijk niet wat er onder de hoed of het dekschild gaande is. Enkel dat het park nu meer aidsgoeroe dan eekhoorn lijkt te zijn. Ik verkies het zo: menselijk in plaats van goddelijk. Donkerder met iets meer dan nacht. Het is verleidelijk om van het pad af te dwalen: om de hoek, tussen de struiken of onder de brug liggen boeiende verhalen als manna voor het grijpen. Het zou ons echter van de premisse doen afdwalen, het werkelijke doel van dit verhaal: Mona, en haar droomvilla in de sjieke buurt, mijlenver voorbij de zeven huizekes van de Voorstad. Wat ligt er daar op me te wachten? Een naakt peertje, een engel, een lege wikkel of gewoon meer van hetzelfde?    2. Eén grote mistlamp en een verlicht bordje met ‘Desire’ op. Dat is wat je ziet van de tram, lang voordat zijn details duidelijk worden. Een wit dak, rode carrosserie en een flauw-gele afwerking rond de ramen. Datzelfde flauwgeel vormde samen met zilvergrijs en stoelbekledingbordeaux het interieur van de tram. De bestuurder droeg een zwart uniform met gouden knopen, en een rood detail geborduurd op de schouders en mouwen. Op het gouden naamplaatje boven zijn rechterborst stond ‘Charles’ in sereen-zwarte hoofdletters. De tram stopt enkele passen voor mij, de deur schuift open en ik kijk recht in de ogen van het bekende gezicht. ‘Wel, wel, masta, nog steeds onder de levenden?’ zegt hij. Voorlopig wel, Carl, antwoord ik, maar wat is dat nou? Ik dacht dat je enkel Cemeteries deed? ‘Tijden en plaatsen veranderen als orders, maatje, dat was New Orleans en dit is New York, uitbreiden en multitasken, weet-je-wel!’ Goeie ouwe Carl... Ik kende hem van die oude tijden, lang voor Neverland, Avalon en het oude Zuiden. Hij was nog geen haar veranderd. Carl had de looks van Robert Johnson, de stem van Louis Armstrong en de grijns van Jack Nicholson. Uiteindelijk voelt iedereen zich op zijn gemak bij Carl. Hij is mijn favoriete chauffeur – zowel zittend op de tram als dronken op de achterbank van een groene Mercury Coupe – en voor de prijs van één zilveren dollar voert hij je naar waar je ook heen moet. Dus betaal ik de man en vertel hem mijn bestemming: ‘Café Europa’. ‘Café Europa,’ zegt hij en grinnikt, ‘in de buurt van Desire, dat lukt me wel. Ga zitten, ouwe vriend’. Ik neem plaats niet ver achter hem. Helemaal achterin de tram zit een vrouw met een jaren tachtigkapsel – lang, zwaar gekruld, geblondeerd haar – en overdreven make-up. Ze is jonger dan ik, niet onknap en doet haar best om mijn penetrerende blik te negeren. Een man op weg naar Café Europa, dat voorspelt niet veel goeds, moet ze vast denken. Café Europa was ooit een plek zoals de Cotton Club, maar dan gelegen aan de haven van Brooklyn. Onder invloed van de noden van de havenlui transformeerde de bar – na een korte tijd als speakeasy – tot een van Brooklyns beruchtste bordelen. Klanten als ik houden er een vaste loge op na, die qua luxe en uitzicht kan wedijveren met het Plaza Hotel en de Waldorf-Astoria. Een hemelbed, zijde en satijn, verse rozen(blaadjes op een blanke of gebruinde huid) en een fles Dom Perignon gekoeld in een goudkleurige ijsemmer: kant en klaar wanneer je de deur opent is hun motto. De meisjes rekenen er ook niet per uur; ze staan de hele nacht tot je beschikking. Tenminste, indien men leeft volgens de code van de gentleman en diens bankrekening. Zo eenvoudig was het, is het nog steeds, in Café Europa, waar de spiritus mundi vloeit en verdampt als Dionysische wijn uit christelijke bekers. Als het collectief breekt, blijft het individu alleen achter, en wat volgt is een queeste naar gezelschap met slechts één bestemming… Word je nooit eenzaam, Carl, ’s nachts, in het donker? Hij lacht, een hartelijke bulderlach die met hem de hele tram doet schudden, ietwat geforceerd. ‘Masta, ik ben een watman, sociaal vaardig als taxichauffeur en kelner: zolang er pendelaars leven, ben ik nooit eenzaam’. Een vluchtige wenk in de richting van de vrouw. ‘Alle vormen en maten, sommige interessanter dan andere’. De juiste vormen en maten had ze inderdaad. Carl had me daarnet niet laten uit-kijken: een blanke huid, jonger en zachter dan haar gezicht, met een gouden hanger – een slang met robijnen ogen – tussen haar nogal voor de hand liggende borsten. Onder het witte, diep uitgesneden topje zag je haar navel, een strak lederen minirokje dat nauwelijks haar heupen kon bedekken, donkere nylons met hier en daar een ladder en daaronder roze pumps – inderdaad: blond-wit-zwart-roos of andersom. Kleurrijk, zei ik, waarop Carl antwoordde: ‘en onder de gekleurde lichten is ze vast een regenboog’. Hij wist dat ze werkte in Café Europa, nog niet zo lang, maar lang genoeg voor Carl om te weten dat de klanten haar Viola noemden. Shakespeare en bordelen: verbonden tot in de eeuwigheid. Ze was in korte tijd de nieuwe sensatie geworden: haar act was die van de aan lager (haven)wal geraakte Broadwayster. Broadway is net niet Hollywood: hier kan men nog een tiet zien – actrices die te diepe buigingen maken of vervuld raken in de kleedkamers. Plots blijven dan de goede reviews weg, worden de stukken prematuur opgedoekt, de theaters gesloten en de actrices op straat gegooid. Maar niet getreurd: over een klein uurtje opent Café Europa en er is nog een positie... schrap dat: alle posities! Mary-Lou has finally made it to Broadway. De wereld gaat op in showbusiness, and there’s no business like show-business. Interessant, Carl, heel interessant. ‘You betcha,’ antwoordde hij met een knipoog. Wat kan ik zeggen? Carl zat in de juiste branche: door te vissen met mijn betekenaars sloeg hij geregeld de juiste betekenis aan de haak. Aangezien we samen al vele watertjes hadden doorzwommen, gaf ik ze hem geregeld in bruikleen. Mijn giften gaven hem de impressie van weten, een dorre schets wetenschap herleidt tot moleculen terwijl het heelal streeft naar entropie – en jij dacht wellicht naar diversiteit. Men is dus beter af – of tenminste pragmatischer – als zaaier dan visser. Waarom dan nog vissen? Om gezellig eens te kunnen ronddobberen in een vochtige poel van verderf, al dan niet om uiteindelijk kopje onder te gaan in die grote, mondiale Styx. Wie ben ik om dat verlangen te onderdrukken? Mijn goede vriend Carl zou het wel begrijpen, dus wond ik er niet te veel doekjes om. Ik denk dat ik met haar eens een praatje ga slaan. ‘Ha-ha, masta! Ik zou het zelf doen indien mijn kont de bestuurderszit niet ingedraaid was. Zo is het, Carl! We zijn allemaal vissende vissers, zei ik tegen hem en wierp mijn hengel uit naar de achterbank.    3. Ga jij ook naar het plezierkwartier, vroeg ik aan de jonge vrouw met het Kim Wildekapsel. Ze knipperde met haar ogen en schudde wat onwennig het hoofd, zoals we allemaal wel neigen te doen indien we plots uit de lucht vallen. Vooraan hoorde ik Carl lachen om mijn vrijpostigheid. ‘Het plezierkwartier?’, herhaalde ze. Ja, je weet wel, ze noemen het ‘Vieux Carré’, dat vierkanten plein net voorbij Columbia Street waar de straatartiesten jurken, de bedlegerigen nooit snurken en de bezoekers zich laten ont... kurkdroge humor, beste lezer, ik laat het verder voor wat het is. Het plein met sierlijk fluorescente namen als Tarantula Arms, Love-Lace, Vertical Whorehouse en – uiteraard, als klap op de vuurpijl – Café Europa. Een flits van herkenning schitterde op haar gezicht. ‘Café Europa,’ zei ze, ‘zeg dat dan meteen’. Ze wierp me een ondeugende blik met dubbellaag coating toe en zei: ‘Dan blijf je toch hangen tot na mijn optreden, cowboy? Misschien staat Viola het toe dat je haar een drankje betaald – of twee, hangt af van je stamina’. Flap-flap, artificieel gewimper, alsof dat het doet – ja, natuurlijk. Beste lezer, nogmaals sorry voor de korte onderbreking maar ik wil even zeggen dat het niet noodzakelijk is om me op mijn woord te nemen: ga het gerust zelf na, maar volgens mij is er iets ernstig mis met vrouwen die over zichzelf in de derde persoon spreken. Ik herinner me nog hoe ik na die uiting haar nogmaals van kop tot teen onderzocht, en niet echt een bezwaar kon verzinnen om procrastinatie en abstinentie in te ruilen voor fornicatie – de tijd van monniken, religie en annalen ligt achter ons. En zelfs Orsino hoor ik geen commentaar leveren over het al dan niet neuken van zijn manwijf, wijfman of welk soort vaartuig Shakespeare ook voor ogen had. Ik lachte en vertelde haar dat het voor mij een genoegen zou zijn om de ‘belle of the ball’ te entertainen. Aan haar pretenties te oordelen was ze een vrij populaire attractie. Dat is goed mogelijk: het was eeuwen geleden dat ik in de sporen van Carls tramlijn had getreden. Wie weet hoe het er in Café Europa tegenwoordig aan toe gaat. Maar waarom ontkende ze dat ze tot Vieux Carré behoorde? Alsof het tegenwoordig nog een schande is! Ze zijn beter dan psychiaters… Deze vlinders die naast de nacht hun nectar delen met mannen wiens vrouwen zich godinnen voelen, een Tantalusillusie die jammer genoeg waanzinnig is. Is het niet zo dat de man die zich koning voelt – zoals Huey Long ooit zei – zich hier nooit zou vertonen? Al dat huidige, domme feminisme – het is immers weinig zinvol – waar vrouwen mannen tot schandknaapjes reduceren omdat er ooit een paar klootzakken – ween-ween – eens gemeen tegen hen waren. ‘Meester, hij heeft me gepest…’ Dat komt omdat hij een klootzak is, en hij het niet alleen voor jou, maar voor iedere goeie lobbes die ooit durft werkelijk van je te houden het inmiddels verpest heeft. Er is alsnog een niet onbelangrijke nuance bij deze redenering: het is de vrouw die de klootzak zijn macht geeft, zich nadien godin waant en met dit gedrag zelfs de mediaan-metaforische goeie lobbes de optie Vieux Carré doet overwegen. Vieux Carré is het Olympos voor eenzame, onverzadigde zielen. De prinsenplaats in Tartaros. Hell ain’t a bad place to be – tenminste, vanuit dit gemakzuchtige standpunt. En zolang mannen nood hebben aan hun portie nectar of ambrozijn om denkbaar goden te zijn, there’s no business like show-business! Wat ik hiermee bedoel ligt volkomen in het midden. Tussen jou en mij, lezer en schrijver, acteur tot acteur, in een ver-ziende plaats waar het tijdsconcept deels is opgeheven. You know someone said that life’s a stage and each must play a part…Viola speelt vergane Broadwayglorie op de podia van het plezierkwartier, ik de opportunistische avonturier met geld en tijd zat. Het stond in de sterren geschreven, zij en ik, achter de coulissen in Café Europa. Carl zou ons er wel brengen… Vieux Carré… Een hemel-bed lacht ons toe als een kolderkat. We raken er wel op tijd voor je act, meid, zei ik, en trok haar vervolgens wat dichter tegen me aan. Mijn vingers gleden over haar linkerborst en streken langs haar navel. Ze keek me aan met wijd-groene ogen, haar blik bevatte een mysterieuze, vreemd bekende ondertoon die ik niet kon plaatsen – een toets in het aroma die mystiek versmolten raakt met een vergeten herinnering. Herinneren is proeven, en proeven wakkert de honger aan. Het valse vuur, vanuit de diepte duikt het op uit het wrak. Het roept ons, vertroebelt de geest als spiritus sancti zonder ooit onze lusten te beantwoorden. In perpetuum. ‘Stop’, ze weerhield mijn hand om dieper te gaan en zei: ‘Niet zo vrijpostig, meneer, laten we vannacht vooral gentleman blijven’.    4. Vannacht in deze kamer draagt ze niets dan lakens en maanlicht. Mijn lakens in mijn bed aan mijn raam dat uitkijkt op het park en de stad. De engelen houden de wacht op het balkon, maar dat ziet ze niet: vanuit de penthouse torent ze uit boven Manhattan. Van hier kan je de Bethesdafontein niet zien, hoezeer zij en de engelen er ook naar uitkijken. ‘Over het uitzicht heb je niet gelogen, maar dit is nog niet de mooie kant van Central Park,’ zei ze. Mona, een kritisch, hooggeschoold, oerdom meisje dat nooit echt... weg is. Half in een roes droom ik naast haar en laat ik haar zeggen wat ze wil. In haar omhelzing ben ik ongenaakbaar naakt, onkwetsbaar. Een beeld van god is slechts half-god en half-tastbaar – één zijde van een zilveren dollar op zoek naar de andere. ‘Wat een stad,’ zegt ze, met fonkelende ogen als bij de eerste keer, ‘het is alsof je neerkijkt op de sterren’. Second to right, and straight on till morning, vertel ik haar. Maar dat begrijpt ze niet, zoals ik niet begreep waarom ze me toen plots naar zich toetrok, met haar hand doorheen mijn haar ging en met het topje van haar neus langs de mijne gleed. Ik keek haar vragend aan. Waarom loopt ze niet weg als ik zo dicht in de buurt kom? Misschien denkt ze niet langer aan morgen en denk ik morgen niet meer aan haar. Aan de gedachte dat ze me na de ochtend verlaat, dat ze vroeg of laat haar lichaam van het mijne ontdoet, en terug in haar kleren gaat verdwijnen. In tegenstelling tot engelen en goden ben ik nog niet van marmer of steen… ‘Kom hier, jij’, fluistert ze. Was this fair paper, this most goodly book, made to write…? De nacht valt met mij, achter het raam waaruit je Central Park kan zien, en met wat verbeelding boven de hemel uitzweeft. Maar we kijken niet meer, ik heb haar en zij… leunt voorover en kust me. Ooit, heel even, heeft zij met haar lippen… en ik geloof dat ik toen de rest deed. Toen geloofde ik… niet Mona, maar ik, dat zij het was. Alleen… ik niet.

Blikschade
0 0

Een onmens kan nooit liefhebben

Waar de meeste verhalen beginnen op een plaats, precies aangegeven in tijd en ruimte en dan liefst nog met een aantal landelijke kenmerken, is het mijne niet elders te situeren dan in vaagheid. Het verhaal van elke mens begint feitelijk in vaagheid en in vaagheid zal het eindigen. Ik ben bitter, ik spreek de taal van de zwartgalligheid beter dan mijn eigen moedertaal en ik ben het positieve des levens ergens in een ver verleden kwijtgespeeld. Ik ben ook schuldig. Ik zoek genot in de pijn van anderen, ik analyseer ze tot op het bot en wat ik daar vind, is niets anders dan een hoopje ellende dat in de illusie der gelukzaligheid leeft. Een hoopje ellende waar in hun frêle hart het optimisme hoogtij viert. Ik heb een maniakale eigenschap, beste lezer. Een gedrocht van een eigenschap. Ik heb nimmer pure liefde gekend en kreeg spontane braakneigingen bij het woord an sich. Dat wil echter niet zeggen dat ik nooit geliefd ben geweest, integendeel. Ik viel nooit op vrouwen in hun totaliteit, voor het totaalpakket had ik weinig oog. Ik viel wel op één bepaalde karaktertrek. Hem goed omschrijven is nogal moeilijk. Het leunt het dichtst aan bij fragiele onschuld. Ik vond het heerlijk om controle te hebben over iemand. Emotionele wezentjes inpalmen, ze parasiteren. Maar toen kwam de peripetie, de volta van mijn miezerige leven.Er was eens -oh heerlijk die sprookjestermen- een blonde dame die me uit het niets plotseling aansprak, Fleur heette ze. Ze had inderdaad wat ik zocht in een vrouw, fragiele onschuld. Maar voor de eerste keer ook meer dan dat. Dat eerste praatje werden er twee, van twee komt drie en je weet hoe dat gaat, drie maanden later woonden we samen en beleefden we stomende nachten. Geloof me vrij, dat waren ze. Een kleine opmerking hierbij, beste lezer, de meest wijze van ons allebei, ik heb in geen enkele relatie aangedrongen. Het initiatief, zowel qua ontmoeting als qua inwonen, dat kwam van haar. Bij wie ligt de schuld nu? Ach, ik dol maar wat, bij mij uiteraard. Iedereen kent ze wel, die lange zomeravonden waarop je met een glaasje goedkope wijn naar de zonsondergang kijkt met je euhm…hoe heet dat weer…geliefde. Wel, ik beleefde ze elke avond in augustus. Ik ben een man van gewoontes, dus in het begin kon het me bitter weinig schelen. De wijn wist me cynisch genoeg altijd meer te boeien dan Fleur en die wijn veranderde in bier en whisky op mijn slechtere dagen. Toch had ze een eigenschap die al mijn andere veroveringen niet hadden, een vurig hart vol passie. Vergeleken met Fleur waren de andere vrouwen slachtschapen. Als ze weer eens kwaad op mij werd omdat alles wat ze zei in dovemans oren terechtkwam, dan kon ze woorden naar mijn hoofd slingeren waarbij ik zelfs even mijn stoïcijnse kalmte verloor.Ondanks dat had ik mezelf voorgehouden om haar in de donkerste dagen van het jaar te salueren. Ik kreeg al heimwee naar die zeemzoete eenzaamheid, tactisch beschikken noemen ze dat. Ach, geef toch toe, verbintenis is iets voor wolven in een roedel. De primaire, beestachtige, seksuele driften, kon ik na mijn periode bij Fleur nog wel enkele maanden onderdrukken. En zo het geschiedde, welkom sneeuw, welkom striemende wind en vaarwel Fleur. In gezelschap was ik helaas niet de man van de vele woorden. Troostende woorden waren me dus vrijwel vreemd en ik kon eigenlijk niets anders dan een droge “sorry” uit mijn lippen persen. Die huilbuien raakten me uiteraard een beetje, in al mijn onverschilligheid bereikten de vrouwelijke snerpende geluidsgolven altijd mijn stenen hart. Maar steen is geen spons en de weemoed absorberen, dat deed ik dus niet. Ik nam mijn spullen en ging voorgoed weg, zonder om te kijken, met de blik op oneindig. Tot mijn grote verbazing ontving ik amper twee weken later nieuws van haar. Er stak een envelop in de brievenbus. Ik herkende haar sierlijke schrift, ik had er per slot van rekening enkele maanden bij gesleten en had ruim de tijd genomen om haar te observeren. Ze had ook zo’n heerlijke tic, waarbij ze zwoel haar lippen likte.Bij het openen van de brief werd ik onwel, ik moest gaan zitten en herlas hem wel vijf keer om te kijken of dit alles wel werkelijk was. Ik ben geen groots verteller dus heb ik de brief hieronder toegevoegd. “Matthias,   Zoals je me zelf ooit wist te vertellen, begint het leven in vaagheid en zal het er ook in eindigen. Na je vertrek heb ik ervaren hoe die vaagheid voelt. Ik heb er 12 dagen in geleefd, als je dat al leven kunt noemen. Ik heb mezelf afgemat met vragen. Waarom? Lag het aan mij? Ik kwam er na verloop van tijd achter dat ik de schuld niet bij mezelf moest leggen. Een onmens zal nooit liefhebben. Een onmens zal nooit voelen wat een eerlijk mens ervaart wanneer hij zijn geliefde in de armen neemt. Wie nog nooit tranen van blijdschap heeft gezien in de ogen van een geliefd wezen, heeft nog niet ervaren welk geluk de mens op aarde kan bereiken. Uiteindelijk heb ik vandaag beslist om uit het leven te stappen, Matthias. Op het moment dat je de envelop opent, zal ik er niet meer zijn. Fleur” Ik zou nog een tijdje kunnen doorgaan, het resultaat blijft echter hetzelfde.De vijf maanden na de brief kan ik in één woord samenvatten, drankzucht.De zesde maand heeft onze cynische vriend niet meer gehaald…

Mats Nieuw
82 0

Mijn ogen bliksemden haat, en hij loodste me veilig verder.

Ooit in een ver verleden naar aanloop van die eerste november, Allerheiligen. De boosheid bliksemde uit mijn grote zwarte ogen. Niemand kon eromheen. De aarde wist dat ze wijken moest en liet gewillig mij “een voetspoor van vernieling” maken. Mijn voetstappen vol afgunst en koleire maakten een diepe indruk op de grond. elke stap dichter bij huis werd mijn woede afdruk dieper in het zompige herfstlandschap. Ik kwam stampvoetend thuis, ik zou het hem laten voelen, nooit meer met hem praten. Hij had me vernedert, hij was het niet waard mijn vader te zijn. Mijn haat zou hem vernietigen. Ze hadden gelijk mijn klasgenoten. Ik wou hem niet aankijken. Mijn negerende blik, mijn wegdraaiende houding, hij zou lijden. Ik zou geen medelijden hebben voor die papa van mij. Aan tafel verstoorde mijn woordenvloed van haat de rust, hem vertellend waarom ik hem nooit meer zou aanspreken en aankijken. (Na dit gezegd te hebben althans.)   Welke vader was hij wel, mijn ganse dag verknoeit. Ik had er nochtans zo’n zin in, en was goed voorbereid, mijn huistaak netjes gemaakt, alles gevraagd wat ik weten moest. Onze uitstap naar het gemeentelijk kerkhof, een voettocht naar de geliefden die we daar hadden moeten achterlaten. We kregen de kans om ze te doen heropleven, erover te verhalen wat we wisten, misten… Alle klasgenootjes zouden zien dat ik, ik die steeds zo sterk schreeuwde: Dat ik het niet erg vond.  Dat een moeder toch maar diegene is die je op de schoot neemt en ik had tantes die dit deden. Dat een moeder de persoon is die voor je kookt en mijn grootmoeder deed dit. Geen moeder hebben is een gemis, dat wou ik niet toegeven. Temeer omdat mijn moeder haar leven gaf om mij de dood te ontnemen. De weeën van mijn geboorte waren de voorweeën van haar sterven. Toegeven aan dit gemis was toegeven aan de moord die mijn geweten verzwaarde. Bij dit bezoek aan het kerkhof, zou ik in stilte een “sorry voor alles” en “vergeef het me aub” uitschreeuwen. Verbroken contacten herstellen, de navelstreng tussen ons van bloed voorzien. En zo mijn vonnis herschrijven, van schuldig over gans de lijn naar (onopzettelijke) doodslag zonder voorbedachte rade.   Daarom dat ik voor eenmaal mijn huistaak zo serieus nam. De avond voordien had ik mij geïnformeerd. Elk antwoord kende ik vanbuiten. Er kon niets misgaan. Mama ligt rechts van de ingang 4de a 5de zerk in de rij in een grijze gewone grafsteen uit arduin begraven. En die namiddag we kwamen aan het kerkhof, 3 grote ingangspoorten op een rij ze hadden me bijna uit mijn lood geslagen. Maar pienter als ik was wist ik rechts van de meest linkse poort dan sla ik niets over. Elk klasgenootje ging met doordachte pas naar één bepaalde plaats. Ik zocht twijfelend elke lange gang af. Tegen de tijd dat we aan elkaar het graf van onze persoon mochten tonen had ik nog steeds nergens “echtgenote van Cael Roger” gelezen. Ik die het graf van de baarmoeder, waarin ik spelend spartelend drijvend gevoed en geliefd ontpopte tot de wereldveroveraar die mijn moeder baren wou, in al zijn schoonheid zou laten zien aan mijn medeleerlingen. Als mislukkeling moest ik afdruipen. Harder roepend dat het me niets deed om mijn snikkend geneurie te overstemmen. Bovendien sneden de opmerkingen vlijmscherp in mijn vlees. Opmerkingen als: Welke vader, hij heeft je moeder niet graag gezien! Hij die niet meer naar het kerkhof gaat. Geen chrysanten plaatst, nooit gaat bidden voor haar! Zoveel liefdeloosheid voelen het was nooit bij mij opgekomen. Mijn vader was een monster, maar bovenal hij had het me niet mogelijk gemaakt om de rust (in) en vrede te vinden.   De stilte na mijn woordenstorm die aan tafel viel was ijzig koud, de blik van mijn vader ongezien vreemd voor mij. Met verlammende angst liet ik me optillen door die krachtige grote ruwe handen. Om zacht op het dubbelbed van zijn kamer te landen. Zijn ogen hadden een vreemde mengeling van gevoelens die ik nog oplijsten moest gedurende mijn leven. Hij opende de krakende deur van het tabernakel en haalde het heilige prinsessenkleed uit waarmee mijn moeder naast hem gefotografeerd aan onze muur prijkt. Ik mocht de stof eens aaien en met ongekende diepte in zijn stem vertelde hij: dat mijn moeder een communiekleedje ervan wou maken moest ik een meisje zijn. Hij vertelde dat hij hun kamer na haar dood had behangen met het papier dat ze omschreven had in het ziekenhuis en mooi vond. Plots veranderde het behang dat ik vroeger zo lelijk vond naar een mooie aaneenschakeling der patronen vol leven. En hij zei “iets” wat mijn hele leven zou bepalen. Iets wat een totaal ander daglicht wierp op het monster en het schoon liet worden. Hij zei: “ik moet niet aan haar graf staan, of het opblinken, ik heb goed voor haar gezorgd toen ze leefde.” Mijn boosheid werd verpulverd door deze zin. En ik zag de mist in de ogen van MIJN vuurtorenpapa toen hij zijn trouwfoto bekeek. Mijn vuurtoren papa die ondanks zijn mist altijd een lichtschijnsel afvuurde om veilig te kunnen aanmeren. Vol trots heb ik mijn klas nadien met deze wijsheid geconfronteerd. En de vertelronde eindigde met enorm respect voor de man die zijn vrouw liefhad ook al bezocht hij nooit haar graf. En ik, ik heb nog nooit genoeg mijn spijt kunnen uitdrukken over de vernielzucht waarmee ik hem die avond benaderde. Maar weet sindsdien dat ik niet zo vlug oordelen mag. Respect vuurtorenpapa van mij. Nu de mist soms je ogen komt bewolken als je over ma vertelt groeit het respect. En komt die avond, die blik, die angst van je handen weer tot leven om me te helpen te vergeten wat vergeten mag en nooit te vergeten “de gevoelsmengeling die ik nog niet ontraffelt heb”. Papa bedankt voor die inkijk in jouw kluis van momenten en gedachten. Het Mama-woord die zo taboe ons leven overheerste wordt steeds bespreekbaarder tussen ons. Ooit mag jij haar kussen in mijn naam.  

don Caëlia
25 0

Allerheiligen op de Filippijnen

  Bij ons is Allerheiligen een dag waarop we op een zeer serene en ingetogen manier onze overledenen herdenken. Maar elke cultuur heeft zijn eigen tradities. Niet overal wordt Allerheiligen op dezelfde manier gevierd. Neem nu de Filippijnen.   ETEN, SLAPEN EN … GOKKEN   De overgrote meerderheid van de Filippijnse bevolking is katholiek. Je zou dus verwachten dat de Allerheiligenviering min of meer dezelfde vorm aanneemt als bij ons. Niets is minder waar!   De voorbereidingen beginnen reeds enkele dagen voor 1 november. De mensen gaan naar het kerkhof om de grafsteen van hun overleden familielid op te poetsen, zodat die er proper bijligt voor de grote dag. Op dat ogenblik lopen er op de kerkhoven mensen rond die met verf en kwast een centje proberen bij te verdienen door de namen op de grafstenen te herschilderen. Bij ons blijven die namen er voor altijd opstaan, maar daar worden die geschilderd en zijn de letters jaarlijks vervaagd.   De dag zelf krioelt het er van het volk. Mensen brengen een picknick mee en blijven de hele dag bij het graf zitten, waar ze hun tijd verdrijven met – je gelooft het niet – gokken! Op het kerkhof lopen priesters rond en als je die een paar Peso’s toestopt komen ze bidden bij je overledene. Dan worden de speelkaarten terug bovengehaald of wordt er nog een hapje gegeten. Daarna gaat iedereen slapen. Nee, men gaat niet naar huis om te slapen! Men slaapt gewoon op het kerkhof! Nou ja, voor de temperatuur hoeven ze het niet te laten, want zelfs in november haalt men daar ’s nachts nog vlotjes meer dan 20°C.   OMGAAN MET DE DOOD   Als Belg met een Filippijnse echtgenote werd ik op de Filippijnen reeds twee keer geconfronteerd met de dood. De manier waarop men daarmee omgaat verschilt enorm met wat wij hier gewend zijn.   Tijdens onze vakantie in 2003 zouden we vanuit onze thuisbasis in Ormoc City een uitstap maken naar Padre Burgos, op het zuidelijkste puntje van het eiland Leyte. We zouden eerst mijn schoonbroer en schoonzus oppikken, maar toen we daar aankwamen vertelden zij ons dat ze forfait moesten geven, omdat de oom van mijn schoonbroer die nacht overleden was. Na de familie gecondoleerd te hebben, vertrokken wij dus zonder hen op uitstap.   Toen we in de late namiddag terugkeerden, reed ik eerst langs mijn schoonzus om te informeren of ze al wist wanneer de begrafenis zou plaatsgrijpen. “Die is al voorbij,” was het antwoord. Ik schrok mij een hoedje! Om negen uur ‘s ochtends was de man dood aangetroffen en om vier uur in de namiddag lag hij al onder de grond.   Er zijn in Ormoc City twee kerkhoven: één voor de rijken en één voor de armen. Op het kerkhof voor de rijken kan je grond kopen en die is dan voor altijd van jou. In België staat er een tijdslimiet op zo’n concessie. Daar niet. Maar je moet die dus wel kopen en daar hebben arme mensen het geld niet voor. Dus worden de meeste mensen begraven op het kerkhof voor de armen en dat gaat zo:   Nadat men had gemerkt dat zijn oom overleden was, was mijn schoonbroer naar een dokter gegaan, die de dood moest komen vaststellen. Gewapend met de door deze dokter getekende overlijdensakte ging hij vervolgens naar het stadhuis, waar hij de overledene op de dienst bevolking liet uitschrijven. Samen met zijn broer en enkele kozijns ging hij dan een goedkope kist kopen en zette die thuis af. Nog armere mensen maken hun kist zelf. Daar werd de oom in de kist gelegd. Let wel: hij was in de loop van de nacht overleden en eerst ’s morgens gevonden. Het lichaam was al stijf en hij lag met zijn benen opgetrokken. De knieën moesten dus gebroken worden om hem in de kist te leggen. Bij ons doet de begrafenisondernemer zo’n dingen buiten het zicht van de familie. Hier doet de familie dat zelf!   Intussen was mijn schoonbroer met zijn kozijns naar het kerkhof gegaan om te vragen waar ze hem mochten begraven. De verantwoordelijke van het kerkhof had de plaats aangewezen en voor de rest moesten zij hun plan trekken. Zij groeven zelf de put, met spaden die zij zelf hadden meegebracht, en keerden dan huiswaarts. Intussen was de priester verwittigd en trok de hele familie in processie, met de kist op de schouder, naar de kerk. Daar sprak de priester een paar gebeden uit en wijdde de kist, die dan terug op de schouder ging. Te voet trok het gezelschap naar het op een steile helling gelegen kerkhof. Daar werd de kist in de put gelaten, die dan door de familie zelf terug werd dichtgegooid. Precies zeven uur nadat men de man dood in zijn bed had aangetroffen was alles voorbij. Zo worden op de Filippijnen onbemiddelde burgers begraven.   EERST BETALEN, DAN BEGRAVEN   Als je geld hebt kan het ook anders. Dat hebben wij een jaar later ervaren toen de grootmoeder van mijn vrouw overleed. Dat gebeurde de maandag van de laatste week van ons verblijf in Ormoc. Vrijdag zouden wij terug naar België keren en natuurlijk wilden wij haar nog voor ons vertrek begraven. Maar dat voor elkaar krijgen bracht heel wat aarde aan de dijk!   Ik wou niet dat oma een instant begrafenis kreeg, zoals de oom van mijn schoonbroer het jaar voordien. Dus reed ik met mijn vrouw naar een begrafenisondernemer om de begrafenis te regelen. We kozen voor een beperkte balseming, die vijf dagen standhoudt, want oma zou in haar huisje opgebaard worden in een open kist.   Op de Filippijnen vraagt de traditie dat er na een overlijden negen avonden na elkaar gebeden wordt in het huis van de overledene. Daarna krijgen de deelnemers aan de gebedswake een maaltijd aangeboden. Eén keer moet de naaste familie ook een nacht bij de overledene doorbrengen. Mijn vrouw heeft dat gedaan, maar zij vond het niet nodig dat ik dat ook deed.   Wij wilden oma niet op het arme-mensen-kerkhof begraven, dus zouden we op het andere kerkhof grond kopen. Zoals alles is ook een begrafenis op de Filippijnen naar onze normen spotgoedkoop. Met de grond en alles erbij betaalden wij voor het hele gebeuren de prijs van een zerk bij ons in België. Dat was dus geen probleem! Het probleem was echter wel dat dit alles gebeurde enkele dagen voor onze terugkeer en dat bijgevolg ons geld bijna op was. Hier ga je dan naar een automaat en haalt er geld uit, maar in Ormoc kon ik met mijn Visa-kaart nergens terecht. American Express en Master werden wel aanvaard, maar ik had enkel Visa. Ik belde dus naar mijn moeder in België met de vraag om geld over te schrijven. Dat geld zou eerst donderdag arriveren en dat was de dag van de begrafenis.   We legden dus uit dat we eerst donderdag konden betalen. Dat was een probleem, want op de Filippijnen wil men niemand begraven alvorens alles volledig betaald is. Ergens kan ik dat begrijpen, want de meeste mensen kunnen zo’n begrafenis niet betalen en de firma zou vaak naar haar geld kunnen fluiten. “Ik heb alle begrip voor uw standpunt,” zei ik, “maar ik ben geen Filippijn. Ik kan dit heus wel betalen. Kwestie is alleen om het geld op tijd hier te krijgen.” “I’m sorry, sir,” zei de manager, “maar zolang wij het geld niet ontvangen hebben kan de begrafenis niet doorgaan.” Er ontspon zich een discussie en op een gegeven moment vroeg zij: “Kan u mij een referentie geven van iemand hier in Ormoc?” “Zeker,” zei ik onmiddellijk. “Bel maar naar uw vice-burgemeester.” Zij keek van mij naar mijn echtgenote. Die knikte instemmend. De manager nam de telefoon en belde naar het cabinet van de vice-burgemeester. “Paul en Roselle Carremans? Ja, die ken ik! Geen probleem, hoor! Die zullen u zeker betalen.” De dame was nu een beetje gerustgesteld en we mochten de begrafenisondernemer meedelen dat de begrafenis donderdag kon doorgaan. Maar we moesten dan wel donderdagmorgen, nog voor de ceremonie begon, komen betalen.   Donderdagmorgen ging mijn vrouw naar de bank en wat bleek? De transactie had een dag vertraging! Het geld zou eerst vrijdag toekomen, maar dan moesten wij vertrekken. Paniek! Wij terug met de manager van de begraafplaats gaan praten. Probleem! Indien het geld er niet was, kon oma niet ter aarde besteld worden. Nu begon ik mij kwaad te maken. “Mevrouw, zie ik eruit als iemand die zijn rekeningen niet kan betalen? Bovendien hebt u een referentie gekregen van uw vice-burgemeester!” “Sorry, sir, maar dat is niet voldoende.” Er werd nog een tijd heen en weer gediscussieerd en tenslotte - ben ik een Belg of ben ik het niet? - werd er een compromis bereikt. Ik zou ons minibusje in onderpand geven. Doorgedreven onderhandelingen hadden als resultaat dat ik het wagentje nog mocht gebruiken voor de begrafenis, maar dat ik het daarna bij hen moest achterlaten. Als mijn schoonfamilie dan vrijdag, na ons vertrek, de rekening ging betalen, zouden zij de auto terug mogen meenemen. Wat een heisa!   Enkele uren later kwam iedereen samen in het huisje waar oma lag opgebaard en kon de rit naar het kerkhof beginnen. Ik reed als eerste achter de lijkwagen, met mijn schoonfamilie. Achter mij reed nog een minibusje waarin de rest van de familie had plaatsgenomen. De stoet werd gesloten door een open vrachtwagen die een van mijn schoonbroers had geleend en waar de rest van het gezelschap als beesten in rechtstond. Het deed mij denken aan de televisiebeelden die ik gezien had van Jodentransport tijdens de tweede wereldoorlog. Voor mij was dit mensonterend en indien men mij op voorhand had verteld dat ze dit transportmiddel gingen gebruiken om onze gasten te vervoeren, waren ze ongetwijfeld op mijn veto gestoten. Maar onze gasten vonden dit heel normaal. Waarom zou ik mij er dan druk om maken?   De begrafenisstoet hield halt aan een grote, open kapel voor een gebedsdienst. Daarna werd oma naar haar laatste rustplaats gedragen. Die was niet moeilijk te vinden, want er stond een grote partytent over de put opgesteld. Over die put stond ook een metalen frame waarover de riemen gespannen waren om de kist mee neer te laten. Daar werd de kist opgezet en tot mijn grote verbazing terug geopend. Men was blijkbaar nog niet van plan ze te laten zakken. In België gaan we na de begrafenis naar een zaal, waar pistolets en koffiekoeken gegeten worden. Hier worden op het kerkhof broodjes uitgedeeld aan de gasten. Vandaar de tent! Nadat we allen gegeten hadden werd er nog een laatste keer rond de kist verzameld voor een gebed. Toen werd ze gesloten en in de put neergelaten. Een Filippijnse begrafenis is toch wel iets apart!  

Paul Carremans
63 0

Dieprood

De zon waait door de tuin. Zo’n heerlijke vrije middag ergens in september. De tuin lijkt verward. Twijfelt tussen bloei en schreeuw om winterhard. Volledig in dat wat deze week was, schakel ik voorzichtig om. Genieten of aan de slag? De gulden middenweg bevindt zich buiten. Daar waar ambitie en actie naadloos samengaan. Waar focus nooit een probleem lijkt, resultaat altijd bevredigend is  en oplossend vermogen geen talent. De vereiste tijd echter ontbreekt, hardlopen en doordraven lijkt gewenst. Toch doe ik niets en denk een beetje voor me uit. De gelakte nagels volgen de gedachten in mijn hoofd. Mijn lijf laadt op met ieder woord en vindt de ruimte die er eerst niet was, maar nu zichtbaar wordt. Doorzetten blijkt een farce als mijn proces wordt verstoord. De langzame bewegingen veranderen gestaag in haast en terwijl ik eigenlijk nog iets moest kondigen de logees  zich al aan. Het logeevrije huis  vult zich met herinneringen. Muziek dwars door alle commentaren over het volume heen. De nagels doen, hetzij gehavend, wederom  hun werk.  Met het uitzicht op een pretentieloze avond geniet ik vast vooruit. Een zee aan ruimte, een eeuwigheid aan rust. De zon zakt buiten voorzichtig in de tuin en brengt het leven langzaam weer naar binnen.  Het licht van kaarsen, de bloemen op tafel en de schakering van wijn die steeds meer neigt naar rood. Heerlijk knus en warm zacht. Het voelt goed, het samen, de wereld even buiten, behapbaar en met  belofte. De hete zon verwarmd, maar ik klim door en geniet vanuit mijn nieuwe perspectief. De zwemles achter mij, mijn lief op wacht. Dwalen door het bos of iets met zwerven komt in me op. De realiteit is anders, maar eigenlijk niet minder leuk. Met een plof land ik in het zachte zand. Op pad! De reflectie van de zon doet onnatuurlijk aan. Overtuigd in ambitie dat mijn nieuwe wildernis meer baat heeft bij onderhoud dan een creatieve invalshoek, dan toch de tuin. Alleen, gedachten vrij, en rust. Het resultaat is verbluffend, maar de weg er naar toe is wat telt. De nagels niet meer te redden,  rond ik af. Het huis omarmt en ik land zonder moeite in de warmte van mijn gezin. Met de gedachten voorzichtig gericht op morgen, onderuitgezakt in de vrijblijvendheid van het weekend die nu nog onverwoestbaar lijkt, drink ik mijn echt allerlaatste glas wijn, dieprood. Reeds geplaatst op thesword.nl

Mariola Dirkzwager
0 0

Schone Lei

Het bericht brengt me terug in de tijd. De vermelding van het liefelijke stationnetje op mijn geboorte grond levert een korte impressie op van herinneringen die daar ergens zwerven op het perron. Het vertrekpunt voor mijn reizen richting kroeg, kamers en de schuchtere momenten in de directe omgeving van het destijds pittoreske fietsenhok. Zonder te verzanden in details gaan mijn gedachten moeiteloos terug naar toen en vullen de ruimte met een melancholie die zo kenmerkend is voor de herinneringen uit mijn jeugd. De eerste openbare beelden tonen het toen rustieke plattelandsstation, de gestutte overhellende muren wachtend op het noodstation op komst.  De beelden van een eeuw daarna tonen het station zoals ik het ken.  Mijn symbool voor vrijheid en zelfstandigheid en net zo hard voor geborgenheid, wanneer de wereld groter bleek dan gedacht en de ouderlijke keukentafel  uitkomst bood. Met de naïviteit van de jeugd en de wijsheid van de wereld op zak heb ik daar gestaan met de geur van vrijheid om me heen. Weg van de basis die de ander had gelegd, op weg naar het fundament voor m’n eigen bestaan. Kiezend voor kwetsbaarheid door te vertrekken in een richting waar de ander misschien niet zou volgen met het gevoel dat de wereld van mij was. Tabula Rasa……een schone lei.  Pas veel later met het besef dat die schone lei onvermijdelijk krijtsporen droeg van het verhaal ervoor. Het fundament van ervaring wat ervoor zorgde dat ik kon blijven staan. Voorzichtig kantelend dat wat wel merkbaar maar niet direct zichtbaar was, om het te vangen in het licht, richting m’n eigen perspectief. Ieder vertrek een stap vooruit in het proces naar de basis voor mijn eigen jeugd. Een strak gelakte keukentafel vast voorzichtig  bij de hand. Heel af en toe kom ik daar nog, bij datzelfde station. Het hedendaagse beeld past niet meer bij het dorp zoals ik het ken, maar het gevoel blijft. En terwijl ik daar sta, de oudere jeugd in een veranderde tijd, ruik ik, tegen beter weten in, nog steeds een vleugje vrijheid.   Reeds geplaatst op thesword.nl

Mariola Dirkzwager
0 0

Wijze Indiaan

Is schrijven een roeping? Ik ervaar al de hele dag een gevoel van"bijna ontploffen". Alles dwaalt rond in mijn hoofd, ongeordend, het één het ander verdringend. Van de drukte van mijn gedachten alleen al word ik zenuwachtig. Ik hunker de hele dag naar dit ultieme moment van rust en sereniteit waarop ik eindelijk kan neerzitten en schrijven. Alles moet eruit kunnen vloeien. Ik heb het idee dat alleen al het opschrijven mijn leven als vanzelf in de plooi laat vallen. Alhoewel; wat is de plooi? Wie zegt hoe het moet? Wie controleert? Het is juist omdat ik het zelf wil bepalen dat het zo moeilijk is, zo vermoeiend. Soms lijkt het meer een gevecht. Het is pas als er problemen zijn op te lossen dat je voelt dat je echt leeft, hoe moeilijk ook. Een deel van het gezinsleven is soms een beetje geleefd worden.; een aantal robotacties die je kan uitvoeren op automatische piloot. Toch is het niet zo dat je uitzonderlijke dingen in je leven moet doen om het moeilijk te hebben; Opvoeden bvb. is al eeuwen oud, zou men ondertussen toch al onder de knie moeten hebben... het probleem is dat het altijd nieuwe ouders zijn die nieuwe kinderen opvoeden, elk kind al weer anders samengesteld anders reagerend op andere dingen. Het maakt de klus er niet gemakkelijker op. En het is zo verdomd belangrijk. je bent bezig een leven te vormen. Je helpt een schijnbaar hulpeloos hoopje baby kneden ,vormen, ontwikkelen. het is allemaal natuurlijk ook ontzettend boeiend. Maar het is ook en vooral "altijd". Je kan part time werken , een relatie opbouwen en afbreken, vrienden aanhalen of afweren, een cursus volgen ,een boek uitlezen en wegleggen maar eens dat je dat kind op de wereld hebt uitgestoten is er geen weg terug, geen afhaken. Als je het een beetje goed doet hebben ze een kans op een goed leven. Niettegenstaande alle problemen onderweg heb ik de ingrediënten om er iets van te maken voor hun. Dat mag ik nooit uit het oog verliezen. Ik ben het verplicht aan mijn gezin om de dingen op een rijtje te houden, alles binnen proportie, alles op z'n plaats. Ik moet sterk zijn :regiseren,toveren,ordenen,improviseren,repareren en vooral mezelf blijven. Toch wil ik vandaag heel erg graag een oude wijze Indiaan zijn, met waardige trage bewegingen die respekt afdwingen. Geen overhaaste zenuwachtige beslissingen, geen snelle oordelen, het zwijgen eerder dan verkeerde zinnen uitstoten. Het leren zwijgen, nadenken, bezinnen en vooral : evenwicht. Geboren weegschaal zou me dat toch moeten lukken. Omgaan met veel mensen maar niet direkt veroordelen. Mensen een kans geven,  innerlijke rust en  mensenkennis. De Indiaan legt zijn pijp neer, staat langzaam op en strekt zich vervolgens behaaglijk uit op de mat van zijn tipi.

Calamity yo
0 0

Bijna thuis

In sneltempo beelden de stewardessen de veiligheidsinstructies uit. Het vliegtuig heeft een half uur vertraging en we rijden zonder aarzeling richting opstijgstrook. Het is voorbij middernacht en er hangt storm in de lucht. In de spiegeling van mijn raampje zie ik Mariama naast me bezorgd kijken. We zijn nog brak van gisteren en houden beiden niet van vliegen. Naast haar zit een man van rond de veertig, al maanden ongeschoren, met een opvallend akelige uitstraling achteloos met zijn GSM te spelen. Vraag aan honderd mensen ‘vuur of ijs’ als je hem ziet en negenennegentig ervan zeggen resoluut ‘ijs’ en die ene die dat niet zegt is mensenblind. De oproep ‘gelieve alle elektronische toestellen uit te schakelen’ lijkt de man niet te deren. Wanneer Mariama vriendelijk maar kordaat vraagt of hij zijn GSM wil uitzetten, kijkt hij haar stoïcijns aan, zucht bijna onhoorbaar en tikt verder. Het vliegtuig neemt zijn laatste bocht. De straalmotoren gaan aan en net op dat moment fluistert Mariama hevig gepanikeerd in mijn oor: ‘Joa…op z’n gsm…de man naast me…hij…hij kijkt naar foto’s van zijn vrouw, zijn kinderen en dan van een terrorist van Al Qaeda… alsof hij eerst afscheid neemt van zijn familie … en dan zijn grote voorbeeld een laatste keer groet.’ We versnellen. Onze ruggen drukken tegen de zetels en net voordat het vliegtuig de aarde tijdelijk verlaat, staat mijn vriendin half recht en schreeuwt in het rond: ‘Arrète cet avion! Stop het vliegtuig! Er is een terrorist aan boord!’ Medepassagiers richten onthutst hun blikken op Mariama. Stewardessen blijven verplicht zitten maar delen de vraagtekens van de reizigers. De man naast ons drukt eindelijk op de uit-knop van zijn telefoon en laat deze in het netje van de stoel voor hem vallen. Hij kijkt ons aan met een blik die evenredig is gedaald met de temperatuur van de buitenlucht.   Ping, ping. We zitten op veilige hoogte. Zodra de riemen los mogen, snellen vier stewardessen naar onze rij. Mariama tracht buiten adem uit te leggen wat ze op het schermpje zag en de enige reactie van onze buur is zijn vraag aan de steward om haar een pilletje ter verdoving te geven ‘parce que clairement mademoiselle a peur de voler.’ Hoewel ze stilaan lijkt te bedaren -zonder pil- voel ik mijn geliefde trillend tegen me aanplakken. Ik probeer Mariama’s paniek te relativeren. Niet alleen voor haar, maar ook als hulpmiddel voor mezelf. De alcohol van gisteren vertroebelt elke heldere gedachte en de aanslag in de metro van London drie dagen geleden lijkt de kans op een slechte afloop buitensporig te verhogen. De ijzige buur staat op en gaat naar het toilet. De piloot vraagt onze riemen terug vast te klikken. We naderen onweer. Een kwartier later zoek ik met mijn ogen naar de man die nog steeds niet terug is. Met de turbulentie rondom me, de regen op het dak, de door bliksems opgelichte duisternis buiten, een rillende vriendin naast me en het lege stoeltje naast haar, voel ik mijn angst strijden met mijn ratio. Ik zit vastgeklikt in deze situatie, voel me veroordeeld tot een lot dat me aan duizend km per uur meeneemt. Er rest me één ding: het hoofd koel houden door de beelden van mijn zwempartij van de voorbije dag op te roepen. Ik sluit m’n ogen, neem het roer over en stap voor stap verdringen mijn herinneringen van gisterenmiddag de bliksems, de dreiging, mijn angst.     Een tiental uur geleden wandelden ik en Mariama op onze blote voeten over een laatste duin. Zoals altijd was het spannend om eerst het water te horen en dan pas de eerste glimp ervan op te vangen. En daar was de zee dan eindelijk: een vertrouwde kracht die nooit exact dezelfde vorm aanneemt. Bij een absoluut klare lucht zouden we het Afrikaanse continent van de horizon kunnen onderscheiden. Nu konden we het vanaf het strand in Malaga slechts inbeelden … dromen. De droom van zoveel vluchtelingen om aan onze kant van de Middellandse Zee te staan, vergezelde onze gedachten en weigerde onze gesprekken te verlaten. Bijna letterlijk: de droom van een vrouw naast me op dit Spaanse strand, leefde een vijftal jaar geleden zelf aan die andere kant, voorbij onze horizon. Ze was als vluchteling naar het rijke westen gekomen, het alom bekende verhaal. Weeskind word je niet alleen als je je beide ouders verliest, wees word een mens ook als je je dorp, je jeugd, je wortels tegen je eigen wil moet verlaten. Mariama was wees in beide betekenissen en was haar land Guinee ontvlucht na deelname aan antidictatoriale studentenprotesten en de daaropvolgende gevangenschap. Ooit verschuilde ze zich op een schip met bestemming onbekend. Zij giste richting Sierra Leone. Het werd Zeebrugge, België, Fort Europa, Babylon.   Vandaag werden we bedwelmd door de grijze nasleep van een hele vakantie van ruzie tussen ons. Ruzie op haar beurt in de nasleep van het laatste half jaar waarin we oeverloos geprobeerd hadden om voor haar een legale verblijfsvergunning in België te verkrijgen. Kleren maken de man, papieren maakten mijn vrouw. Illegaal zijn in Europa is als het voorportaal van de hemel binnenstappen, merken dat je slechts één poort verwijderd bent van de rijstpap en gouden lepels en pas dan leren dat je de broodnodige sleutel mist. Het is pas veel later -als je werkelijk binnen bent- dat je beseft dat hemel en hel slechts twee letters van elkaar verschillen en dat de Babylonische toren van vooroordelen, bureaucratie, kansarmoede en het innerlijke vagevuur dat je van thuis op je vlucht hebt meegenomen, eerder bij hel dan bij hemel aanleunen. Illegaliteit ademt gevaar. Met je fiets in de verkeerde richting van een eenrichtingsstraat rijden en een politieagent tegenkomen, staat gelijk aan het risico op pascontrole, gesloten asielcentra en deportatie.  Eenrichtingsverkeer en Europa… Het is evident dat dit zorgt voor een enorme stress op de prille relatie tussen een Belgische man met en een Guinese vrouw zonder papieren. Onze achtergronden konden moeilijk meer verschillen, maar ons doel was exact hetzelfde: een toekomst creëren voor onze relatie door een toekomst te creëren voor haar, met papieren. Of was het andersom? Het begon stilaan in mijn hoofd door te sijpelen dat een stabiele relatie met Mariama – op gelijkwaardige leest geschoeid- een utopie zou blijken. Het leek alsof ik alles had. Het leek alsof ik haar alles was. Ik was haar steun, haar beste vriend, haar begeleider in integratie, taal en studie, een plaatsvervangend vaderfiguur, rots in haar woeste branding en pas daarnaast ook geliefde en minnaar. Die combinatie van verschillende rollen in één persoon, leek onmogelijk vol te houden en maakte me onrustig en zelfs ongelukkig. De belangrijkste voorwaarde om tot herstel van dit verstoorde evenwicht te komen, was een officiële verblijfsvergunning, maar voorlopig zaten we vast in onzekerheid, ongelijkheid en onrechtvaardigheid – hét motto van het niemandsland van sans papiers. Mariama was haar identiteit kwijt en ook ik begon mezelf te verliezen…   Mariama had toestemming gekregen om tijdelijk binnen de EU te reizen en hier zaten we dan: op opklaringen te hopen boven het strand en boven onze relatie. Plots ontspande Mariama’s gezicht waardoor haar typerende stralende glimlach en aangeboren levensvreugde terugkeerde: ‘Ik hoor mijn dialect, ik hoor Fula!’ Tussen ons en de verst reikende golven zaten -of beter- lagen twee Afrikaanse mannen op het strand te drinken, te lachen en … Fula te praten. Enthousiast stapte Mariama op hen af, met mij in haar schaduw. Na nog geen vijf minuten deelden we gulzig hun zelfgemaakte cuba libres en stapten we over in het Frans, waardoor ik uit Mariama's schaduw kon treden. We ledigden onze glazen alsof we met elke slok het gekibbel en geruzie van de voorbije periode konden wegspoelen. Zoals een theatergordijn na een korte pauze weer opengaat, zo rolden de wolken naar rechts en links en kwam de zon in volle glorie tevoorschijn. Het spektakel kon beginnen.   Ik voelde me hemels dronken. Ik kwam in een roes terecht die je alleen in het midden van de dag kan bereiken en waarin je een rijk der mogelijkheden denkt binnen te stappen. Alles kon. En wat vooral kon, was net datgene wat die ochtend nog het meest onmogelijk geschenen had. Zonder om te kijken verliet ik de Guinese reünie en stapte de zee in. Hoewel ik best goed kan zwemmen, kan je me niet heel ervaren of getraind noemen. Het koude spel van de golven kon m’n dronkenschap slechts gedeeltelijk stillen. Ik zwom verder, rustte even, liet me door het water lieflijk wiegen en zwom voort. Na een onbepaalde tijd die me voorwaarts had geduwd, draaide ik m’n vermoeide door adrenaline geïnfecteerde lijf en even geschokt als euforisch zag ik in de verte de kustlijn met ons strand tot een enkel lijntje herleid. Tot mijn verbazing had ik wel drie verschillende badplaatsen in mijn vizier. Ik schreeuwde het uit. JAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAAA! Onmogelijk om mijn innerlijke schreeuw uit te drukken, uit te spuwen. Ik werd overdonderd door een flits, een gloed, een shot universum. Het oog van de storm is het beste punt en ik voelde de onzichtbare sterren om dit unieke moment heen draaien. Dit was vrijheid en ik zat in haar middelpunt. Nee, ik was vrijheid. Met zijn onbekende diepte onder me had de zee me ingesloten, verwelkomd, omarmd. Ik legde me op haar golven, ging op en neer in een blauwe wereld waar evenwicht en stabiliteit niet van belang waren; waarin beschreven papieren in natte vodden met blauwe inktvlekken veranderen; waarin geen land, geen grenzen, geen regels waren. Een plaats waarin ik mijn individuele vrijheid had herwonnen. Daar in die Middellandse Zee, tussen twee continenten, vond ik mezelf terug.     Ping, ping. Onze riemen mogen weer los. Het vliegtuig heeft de storm achter zich gelaten, de ijzige man ligt naast ons vredig te slapen. Ik denk nog een laatste keer terug aan die bewogen dag gisteren: aan hoe de door een overbezorgde Mariama verwittigde redders langs kwamen varen en me geboden om terug te zwemmen; aan de vermoeiende terugtocht naar het strand waar mijn geliefde boos en opgelucht op me wachtte.     En nu de terugtocht van dit vliegtuig met achter het raampje van rij zeven een blank-zwart koppel zonder benul dat de vrouw binnen het jaar, via het huwelijk met hem, haar papieren vrijheid zal winnen en dat de man zijn vrijheid - als een verdoken continent achter een bewolkte horizon, als een kalme zee achter te hoge golven, als een vliegtuig dat na een turbulente vlucht veilig landt – pas drie jaar later zal terugvinden wanneer zij elk hun eigen weg zullen gaan: zij thuis in België, hij de wijde wereld in.                        

Joachim Stoop
0 0

Brussel - beurs en spoed

Het verschil tussen een knipmes en een usb-stick is moeilijk te zien als het tegen de keel van Rutger wordt gedrukt. Ik had geprobeerd zijn rug te strelen, zijn hals te masseren, hem dicht tegen me aan te trekken, maar waarschijnlijk waren het net die bewegingen die hem nog zelfdestructiever maakten. We zaten op de trappen van de beursschouwburg in Brussel. Een jongeman komt om een vuurtje vragen. De twee mannen keuvelen genoegzaam, het klassieke gesprek: ‘Where are you from?’ ‘Ireland. And you?’ ‘Rotterdam, but I’m living in Brussels now.’ Ik geniet van de eerste zomeravond, luister naar het gebrom en geruis van het verkeer op de Anspachlaan. Een kleurspektakel van rode en witte lichten van de auto’s, straatlantaarns, neon-reclames, informatieborden die met rode led-lichten vertellen dat het nog achttien graden is, half elf. ‘Can I have some cigarettes from you? My wallet has been stolen today.’ ‘Oh shit man.’ ‘I am here to visit my sister. She lives in Brussels. But now my wallet has been stolen.’ Ik ben ook pas naar Brussel verhuisd. Het is me nog niet overkomen, gelukkig. Mijn hand ligt op de rug van Rutger. Dat mag, ik heb het hem gevraagd. Hij heeft problemen met fysiek contact en soms bevriest hij als ik hem aanraak. Dus ik had het beleefd gevraagd, of het goed was dat ik mijn arm om zijn schouders sloeg. ‘Dat mag’, had hij om zichzelf te overtuigen gezegd. Ik kijk naar de jongen die naast Rutger zit. Hij heeft een kaptrui, bruin-blonde haren, een baardje. De mannen roken samen een sigaret.  ‘I am going to kill five Moroccans.’ ‘Why are you saying this? Do you think you are better than them? We’re all the same. I am Dutch, you are Irish.’ ‘I am Polish.’ ‘But you told me you are Irish. Anyway, we should love each other, not kill each other.’ ‘But they stole my wallet. I’m going to kill them.’ ‘How are you going to do that? Do you have a gun.’ ‘Yes.’ ‘Show me your gun.’ ‘I  have a gun.’ ‘Show it. I don’t believe you have a gun. Did you kill somebody?’ ‘Yes.’ ‘How much money do I have to give you so that you kill me?’ ‘I won’t kill you. Your wife will kill you.’ Ik grijp Rutger vast, doe alsof ik hem wurg, vraag me af of dit nog een normaal gesprek is. Ik heb schrik. Ik drink van mijn Leffe. Ik probeer me op de zomeravond te concentreren. Belgisch bier en Brussels straatverkeer. Mannen hebben andere gesprekken dan vrouwen, ’t is bluffen dat ze doen, denk ik. ‘How much do I have to give you for killing me? Thousand euro?’ ‘I will kill you if you want.’ ‘I don’t believe you. Why are you saying this non-sense.’ ‘You don’t know me.’ ‘How much money?’ De tijd kan soms ophouden te bestaan. Ik zie beelden en denk gedachten maar ik weet niet in welke volgorde. De man haalt iets uit zijn broek. Ik denk: als hij een geweer boven haalt schiet hij ons allebei dood. Ik denk: als ik blijf zitten en hij schiet Rutger dood, schiet hij mij ook dood, en ik kan de politie niet meer bellen als Rutger dood naast mij ligt en ik een pistool tegen mijn hoofd krijg. Ik zie een politiecombi staan aan de overkant van de straat. Ik denk: als ik rechtdoor loop recht naar die combi gaat die man begrijpen dat ik naar de politie ga en mij doodschieten. Ik kijk opzij en zie dat de jongen iets tegen Rutger zijn keel drukt. Rutger vraagt: ‘What is this?’ Ik denk: wat is het? Ik denk: als hij Rutger doodt, doodt hij mij ook als ik blijf zitten. Ik moet dus weg. Ik moet kijken van op afstand en dan 112 bellen, of naar de combi rennen, of andere mensen vragen te helpen. Ik moet weg om Rutger te redden en mijzelf te redden. Ik denk: ik moet dit niet met Rutger overleggen want dat neemt te veel tijd in beslag en misschien krijgen we ruzie. Misschien vindt hij me flauw en vindt hij dat ik overdrijf en dat ik naïef ben en te bang. Ik sta recht en ik wandel weg. Voor ik tijd krijg om omte kijken, ik ben bijna de trappen van de beurs af, hoor ik Rutgers stem: ‘Ik krijg een mes tegen mijn keel gedrukt en jij wandelt weg. Mooi is dat.’ Ik denk: het was dus geen usb-stick. Ik denk: we moeten hier zo snel mogelijk weg. Misschien komt de kerel achter ons aan gerend. Misschien heeft hij alsnog zijn geweer boven gehaald en richt hij het nu op ons. ‘Kom, kom’, zeg ik. Rutger volgt en ratelt over jeugdtrauma’s van vrienden en broertjes die hem alleen bij een bende achterlieten en hoe hij een voet in zijn gezicht getrapt kreeg, ik probeer hem uit te leggen dat ik hem niet in de steek liet, maar naar de beste manier zocht om ons allebei te redden, kwestie van onze levens niet te beëindigen bloedend op de trappen van de beurs, op een mooie zomeravond in Brussel.   We gaan café na café binnen. We proberen het uit te praten. Hij vertelt dat hij dood wil. Dat enkel omdat hij zijn broertjes en ouders beloofd heeft te blijven leven, hij zichzelf niet vermoordt. Ik zeg dat ik het gevoel heb dat hij iets probeert te beschermen in zichzelf, en dat dat betekent dat hij nog wel wil leven. Wie zichzelf doodt, heeft niets meer om te beschermen. Hij luistert en concludeert rationeel dat ik allicht gelijk heb, dat als hij zegt dat hij niet wil sterven omwille van het verdriet dat hij zijn familie en zijn vrienden aan zou doen, dat dat waarschijnlijk betekent dat hij zelf ook niet dood wil. In nog een ander café vertelt hij hoe geil hij van me wordt. Dat hij, en dat mag ik in mijn zak steken, nadat we eergisteren die scène samen speelden, zich uren heeft liggen aftrekken, terwijl hij aan mij dacht, enkel en alleen aan mij, dat hij fantaseerde hoe hij me nam op de regietafel. ‘Ik masturbeer ook veel terwijl ik aan jou denk’, zeg ik. Dat wil ik dan eigenlijk helemaal niet, maar ik kan enkel klaarkomen als ik mijzelf toch toesta om aan Rutger te denken. Of nog sterker, op het moment dat ik klaarkom zie ik zijn gezicht voor me. Maar hij wil geen relatie met me. ‘Je kan me niet hébben.’ Ik denk: liefde gaat toch niet over het hebben van elkaar? Maar het is wel zo dat ik, als ik met hem vrij, de dag daarna kapot ga van jaloezie als hij met iemand anders vrijt. Dan vrij ik liever niet met hem. ‘Ik wil je heel graag vingeren.’ Dat mag wel, denk ik. We gaan naar het toilet van de Archipel. Hij vingert me, ik trek hem af, maar het roept te veel lust op. Ik wil hem pijpen, maar denk aan soa’s en de cijfers die hij me net heeft gegeven. Hij heeft een stuk of zeventig bedpartners gehad en vrijt vijfentwintig procent van de tijd onveilig. Ik denk aan de operatie voor genitale wratten die een vriendin van me morgen moet ondergaan. Derdegraadsbrandwonden in je kut. We besluiten dat we willen vrijen met elkaar, maar niet zonder condoom. Hij gaat boven een condoom halen. Ik wacht op hem in de wc’s. Ik krijg tijd om rond me te kijken. Er ligt een plas water op de vloer. Modder eerder. Ik zoek een plek om mijn laptop te zetten. Die heb ik meegenomen van boven, want vorige week is de laptop van Rutger in ditzelfde café gestolen, terwijl hij in een zwarte jurk zijn tekst aan het repeteren was. Hij heeft daarna twee stoelen kapot getrapt en vreesde dat hij het café niet meer binnen mocht. Ik kijk of het andere toilet properder is, dat is niet het geval. Ik zet mijn laptop op een smal richeltje. Ik wil mijn schoenen beginnen losknopen, want vorige keer dat we vrijden op een toilet in een café verliep dat zeer onhandig omdat ik mijn schoenen niet uitkreeg, en dus ook mijn legging niet, en dus mijn benen niet deftig gespreid over de pot kreeg wat voor zeer ongemakkelijke neukposities zorgde en ronduit slechte seks. ‘Ze willen niet dat we vrijen in hun wc,’ zegt Rutger. We friemelen nog wat verder met zijn vingers in mijn vagina en mijn handen rond zijn lul, maar het is al bij al zeer onbevredigend en ik denk: we hebben allebei überhaupt al veel te veel gedronken om nog tot hitsige seks in staat te zijn. We gaan weer aan het tafeltje zitten en concluderen dat het leuk is geweest. Een beetje puberaal, maar leuk.     *     We moeten samen naar de spoed, Rutger en ik, met onze collega Jamil. Hij kwam wit van de angst het lokaal binnengestrompeld, en dat is heel wat voor een zwarte jongen: ‘Ik heb bloed gepist.’ Vervolgens heeft hij zijn wandelstok naar de andere kant van het lokaal gesmeten met zo’n kracht dat er een neonlamp brak. De wandelstok zelf heeft hij daarna op zijn knieën in stukken gebroken. Splinters in zijn handen en op de vloer. Ik ben nog halfdronken en geil van vorige nacht, de archipel is nog maar een paar uur geleden gesloten, en ik probeer niet te denken: mama Leen en papa Rutger gaan met hun zoon Jamil naar de spoed. De vorige keer dat ik op de spoed kwam, omdat mijn nek gekraakt was na een mislukte kopstand, vroeg mijn toenmalig lief of we gingen samenwonen. In de taxi naar de spoed maakt Jamil zijn testament. Zijn geld mag naar de derdewereldlanden. Hij wil begraven worden. In Senegal waarschijnlijk, dat wil hij zelf niet absoluut, maar zijn vader heeft dat zo geregeld. Die betaalt nu al elke maand voor een familiegraf in hun geboorteland. In de wachtkamer kijken we naar de koers. De jongens proberen me uit te leggen wat er zo fascinerend is aan wielrennen. Ze kunnen er dagen naar kijken, zeggen ze. Een klein Marokkaans meisje komt flemen bij Rutger. Hij voert een mimespel op voor haar. Ze vindt het erg leuk. ‘Easy crowd,’ grapt die grote blonde Hollander naar ons. We bespreken de afschuwelijke belichting in de wachtkamer. Witte neons, geen daglicht. Jamil analyseert de andere wachtenden. Een oud koppel waarvan ik pas na een half uur besef dat het niet om twee vrouwen, maar een man en vrouw gaat. De man zit uitgeleefd in een rolstoel. ‘Zou die man ooit blij zijn?’ vraagt Jamil me. Zijn vrouw, frivool, geel vel, rood halssnoer, strijkt met haar hand door zijn grijze haren, kijkt af en toe geamuseerd naar ons, jeugd. Ik vraag me af of ze kinderen hebben. Rutger speelt ‘Kiekeboe!’ met de Marokkaanse kleuter. De moeder grijpt de vrije tijd aan om haar nagels te vijlen. ‘Een belangrijk deel van moeder zijn, is op de spoed zitten.’ grap ik tegen Jamil. ‘Zeker als je zo’n zoon zou krijgen als ik.’ antwoordt hij mij en aan Rutger zegt hij: ‘Je zou een goeie papa zijn. Wanneer begin je eraan? En jij Leen, wanneer word jij zwanger?’ Rutger legt uit dat hij geen vader wil worden. ‘En maar dokken voor dat kind zeker.’ Hij heeft een studieschuld van veertig duizend euro en amper geld om zijn eten te betalen. Hij overleeft op gestolen fruit en groenten uit de Aldi. De enige reden waarom hij niet al zijn hele lichaam onder getatoeëerd heeft, is omdat hij er het geld niet voor heeft. Hij is niet de vader van mijn kinderen, maar ik zou het fijn vinden als hij minder geil was. Jamil mag eindelijk bij de dokter. Intussen komt er een meisje binnengetrippeld. Een kleine wesp. Achttien is ze. Ze studeert letterkunde, maar wil liever filosofie doen. Ze is aan de antidepressiva, want ze heeft al eens een depressie gehad en in dat zwarte, bodemloze gat, wil ze niet nog eens vallen. Haar relatie tot Jamil is onduidelijk, maar Jamil heeft ons verteld dat hij op rijke, Westerse meisjes valt. Rutger is verliefd op alle vrouwen. Ik vraag me af wat ik met die mensen op de spoed zit te doen, in dat vermoeiende neonlicht terwijl het buiten lente is. We mogen een wachtkamer opschuiven. Het meisje en Rutger wisselen informatie en ervaringen met antidepressiva uit. Rutger kan niet duidelijker aan mij maken dat hij meent wat hij altijd tegen me zegt. Hij flirt zo met het meisje dat ik hem er bijna van verdenk dat het enkel is om mij te kwetsen. Maar ik vrees dat dat nog een te positieve interpretatie mijnentwege is. Rutger houdt van de hele wereld in de hoop dat de hele wereld van hem houdt. Ik ga eten en drinken zoeken en bij de uitgang van de spoed loop ik Liesbeth tegen het lijf, een jeugdvriendin van mij die nu als gynaecologe in het AZ van Jette werkt. ‘Ik moet nu weg met de MUG,’ zegt ze, ‘Nu. Nu.’ Een uur later zie ik haar voorbij komen achter een bed met een hoogzwangere vrouw met bloed tussen haar benen. ’s Avonds op mijn voicemail hoor ik dat ze me niet meer gevonden heeft, dat ze eerst nog een keizersnee en twee bevallingen heeft moeten doen. Het meisje waar Rutger mee flirt en Jamil, allicht, ik kan het me niet anders voorstellen, mee vrijt, maakt schilderijen met haar maandstondenbloed. Ze ligt in de clinch met haar vader omdat die op blonde vrouwen met blauwe ogen valt die hem er steeds weer inluizen. Dit vertelt ze ons later, als ik bij Rutger op de schoot zit op de achterbank van een auto, kotsmisselijk door de brute rijstijl van Jamil: ‘Die vrouw heeft gezegd dat ze zwanger is van mijn vader en dat hij dus wel met haar moet trouwen nu. Dat bleek helemaal niet waar te zijn, ze wil hem enkel voor het geld.’ Ik vraag me af waarom wij twee ons zo laten doen door Rutger en Jamil, die zo openlijk iedereen afwijzen en toch iedere week nieuw vlees in hun bed krijgen. Hun respect voor vrouwen is zero. Als ik hen uitleg waar wij vrouwen graag over praten, lachen ze mij uit, terwijl dat meisje naast me helemaal opfleurt: ‘Ja, ik heb dat artikel ook gelezen in de Flair! Zíj vraagt hem ten huwelijk!’ ‘En hij zegt ja.’ Ons zelfbeeld is te laag, denk ik, we durven ons niet outen als vrouw. We zijn onbewust zo angstvallig op zoek naar een man, dat we denken dat om een man te versieren, we moeten zijn zoals hij. Maar dat ben ik niet. Ik wil voor mensen zorgen. Ik wil iedereen op zijn gemak stellen. Ik wil lief en teder voor iemand zijn en ik kan pas van seks genieten als ik zielsveel van die man houd. Als ik me kan voorstellen dat hij de vader van mijn kinderen is. Na uren op de spoed bleek dat de dokters niet konden vinden wat mis was met Jamil. Alles lijkt in orde. We gaan naar Aalst, met z’n vieren, versuft en verweesd, om naar de première van zijn dansvoorstelling te gaan kijken. Hij heeft ons verzekerd dat hij zelf niet mee danst, gezien zijn gezondheidstoestand. Ik zit naast Rutger in de zaal en we kijken elkaar razend kwaad aan als we zien hoe Jamil een danseresje de lucht in heft. Zes uur samen op de spoed zitten breekt voor mij iedere professionele afstand die ik tot deze jongen probeer te bewaren. De volgende dag confronteer ik hem: ‘Je had gezegd dat je niet zou dansen. Je kan de trap niet eens oplopen. Wij dachten gisterenmiddag nog dat je dood zou gaan, en ’s avonds hef je een volwassen vrouw boven je hoofd.’ Hij roept dat ik mij niet met zijn medische toestand te bemoeien heb en tilt intussen een tafel op die hij met zoveel kracht terug neerzet, dat het tafelblad barst. Ik loop het gebouw uit, helemaal overstuur. In de Delaunoystraat moet ik stoppen aan een raamkozijn omdat ik zo hard aan het hyperventileren ben dat ik niet meer verder kan wandelen. Ik denk terug aan de bossen in Polen waar ik weg vluchtte toen mijn lief het gedaan maakte. Daar kon ik hyperventileren en zingen en brullen zonder me voor anderen te schamen. Ik heb ontzettende steken in mijn borst. Zie je wel, denk ik, die verkrampte ribspieren waarvoor ik bij een kinesist in behandeling ben, zijn psychosomatisch. Ik denk aan wat een schrijfster me ooit zei: ‘Jij bent enkel bang voor jezelf.’ Die gedachte kalmeert me. Ik kan verder wandelen. Ik eindig in het Gieterijpark in Molenbeek, waar een Marokkaans meisje verschrikt naar me kijkt. Ik ben te ver van de wereld om er aandacht aan te kunnen besteden. Ik merk dat ik op mijn vuisten bijt. Wat verder probeert een Ethiopische vrouw - ik weet helemaal niet of ze Ehtiopisch is, maar ze is zwart en heeft een hoofddoek en Afrikaanse gewaden – die vrouw dus, ze is nog jong, probeert een jongetje met kromme benen te laten lopen. Hij slaagt er telkens in drie pasjes te zetten en botst dan lachend tegen haar schoot. Ik kijk ernaar en denk: dat kan ik. Lief zijn, mensen aanmoedigen, en al zie ik dat ze kromme benen hebben, hen toch blijven stimuleren om te lopen. Maar zes uur op de spoed zitten in angstige afwachting wat het zal zijn: toch geen spataderbreuk? Toch niet de onmiddellijke dood? En dan de volgende ochtend te horen krijgen dat ik me niet met zijn zaken te bemoeien heb… En daarna via via te horen dat hij mij een typisch zwakke Westerse emotionele vrouw vind… En dan denken: dus werkelijk de enige reden waarom jij met Westerse vrouwen vrijt is hun geld? You are a fucking whore. Want eerder, bij mij thuis aan de keukentafel, heeft hij al bekend dat hij nog nooit plezier heeft gehad aan seks. Op de spoed, bij die dokter, heeft hij een nieuwe ontdekking gedaan. De dokter zei hem: ‘Ik moet even in uw aars zijn.’ Hij slaat zijn benen over elkaar, tilt zijn pols op: ‘Geen probleem.’ Dan denkt hij: ‘Fuck Jamil, look at yourself, why are you sitting like this? En wat heb je aan?’ Strakke, modieuze, oranje broek, design blauwe sweater. De dokter moet een rectaal touché doen. Jamil voelt de vinger in zijn aars en denkt: ‘Fuck I like this, it’s not bad.’ En dan komt de ultieme verrassing, het is niet enkel rechttoe rechtaan de vinger in de aars, maar ook met draaien, driehonderd zestig graden. Vol genot vertelt Jamil ons dit verhaal, met aansluitend de homoproblematiek in Afrika. ‘In Senegal you’re killed if you’re gay.’ Zijn eigen moeder, die verpleegster is en in haar vaderland enkel zieke homo’s heeft gezien, denkt dat homoseksualiteit een geestesziekte is. Ik weet niet waarom ik dit opschrijf. Die jongens lijden hun eigen leven en ik wil hun waarheden niet kennen. En ik moet geen schrik hebben van mijzelf. En dringend uit de kast komen. Als hetero vrouw. Met alle sentimentele en emotionele gevolgen vandien. En niet meer denken dat ik alle mannen kan redden. Een hetero man zoeken die graag zijn tijd doorbrengt met hetero vrouwen. En hun zorg en liefde aanvaardt.    

Leen De Graeve
0 0

herinnering

Een Belgische kuststad, jaren geleden. Het monotone ruisen van de zee op de achtergrond. Vrachtwagens die af- en aanrijden om restaurants en brasserieën op de dijk te bevoorraden. Daartussen zigzaggend de borstelwagentjes van de gemeente. Een bulldozer dempt de zandkuilen die de vorige dag door kinderen zijn uitgegraven en niet opnieuw dicht gegooid. Morgen zal hetzelfde tafereel zich herhalen, maar op andere plekken. Het strand als palimpsest. De opkomende zon verdrijft de kilte van een vroege ochtend in augustus. Straks wordt het bloedheet. Op blote voeten tussen de eerste voetgangers op de dijk om boterkoeken. De koelte van stoeptegels in de schaduw. Links en rechts inmiddels vertrouwde gezichten groetend. Obers die parasols openklappen en met een ratelend geluid van een opgehaalde ketting de opeengestapelde plastiek terrasstoelen losmaken. Jobstudenten die go karts uit het berghok rijden en in formatie klaarzetten. De jongen van de minibootjes die een netje over de bodem van het waterbassin sleept en het achtergelaten afval verzamelt. Een gevoel zo weids als de zee, verwachtingsvol en onbevangen zoals de kinderen die zich straks van hun moeder losrukken en met korte beentjes het stand oprennen. Een onbestemde vrijheid die je als zestienjarige nog met het leven zelf associeert. Niet vermoedend dat die ervaringen later schaars zullen blijken en nog bespaard van de ontgoocheling die dat besef geleidelijk zal omhullen, als spinnenrag rond een onschuldig insect.

detroostvancontouren
0 0

Blind date met de toekomst

Een paar dagen voor kerst keken we elkaar voor het eerst in de ogen. Ik herkende haar niet meteen, en zij mij nog veel minder. Hoewel ik haar doen en laten al een tijdje met meer dan gemiddelde interesse volgde, was het vreemd om haar plots in levenden lijve te zien. Het voelde niet vertrouwd, zoals ik had gehoopt. Eerder onwennig. Toch zeker die eerste 30 seconden. Daarna sloot ik haar in mijn armen en in mijn hart. Voor altijd. Zonder woorden. Zonder twijfel.   Blind dates zijn dubbeltjes op hun kant. De verwachtingen liggen meestal hoger dan de hakken of het coiffuur van de date in kwestie, zodat er vaak al in de eerste minuten gezocht moet worden naar compensatiemateriaal. Een helse klus: het gemiddelde eetcafé laat naast het gekletter van besausde borden en het ‘look at me, I’m an asshole’-gekraai van businesshaantjes geen betekenisvolle interacties toe. Met een beetje geluk spreken de blik en lichaamstaal van de persoon aan de andere kant van de tafel boekdelen zodat snel duidelijk wordt welk vlees men in de kuip heeft: een lammetje, een kip of een flink stel hersenen. En ja, soms gaat het goed. Soms gaat het zelfs beter. Vriendin Kat nam onlangs het onzekere voor het zekere en liet zich verleiden tot een blinde ontmoeting met een mysterieuze jongeling. Niet zomaar naast de deur, in welk geval ze de dans met een foute partner zonder veel gedoe zou kunnen ontspringen, maar meteen over de land- en taalgrenzen heen. ‘Het gras is daar misschien niet groener maar de tongval toch een stuk sexier’, argumenteerde ze, en we konden haar geen ongelijk geven, zelfs niet in het schoon Gents. Ze vloog naar haar afspraak met een kokerrok en een klein hartje en zweefde terug met een nieuw lief en een valies vol toekomstplannen. Gevallen voor die vlotte tong en vertrokken voor een schoon avontuur.   Of de liefde tussen mij en mijn decemberdate wederzijds is, weet ik niet. Ik heb het haar nog niet gevraagd, daar is het net iets te vroeg voor. Ik wil geloven van wel, maar eigenlijk doet het er niet toe. Al vindt ze mij de stomste griet van Europa en omstreken: zij is het voor mij. De zon en de maan en het beste van allebei. Ook al draagt ze wel eens tweedehandsbroeken die haar niet flatteren. En kleedjes die te ruim tailleren. Ook al trekt ze wel eens op de verkeerde momenten haar mond open en ruikt ze niet altijd even fris. Ik vergeef het haar. Ik vergeef haar alles. Want die blik in haar ogen, dat is kunst. Hedendaagse kunst, met een streep realisme en een klodder romantiek. Een werk van generaties dat niemand onberoerd laat. Vooral mij niet. Hoe het ons verder zal vergaan? Dat verhaal moet nog geschreven worden. Er zit in elk geval toekomst in. Ze zegt het niet met zoveel woorden maar ze voelt zich op haar gemak bij mij. Dat weet ik, want ze laat winden in mijn aanwezigheid. Mijn kersverse dochter.   (Column verschenen in Psychologies magazine - maart 2012)

a little bit of soap
0 1

797204

‘Ik zit naast de telefoon en wacht tot 's avonds laat, met een kloppend hart want mijn geluk hangt aan een draad, als je ook verdriet hebt wees dan niet te fier en draai 797204.’ Ik floot ’m wel eens tussen mijn tanden, die hit van Tura, in de tijd dat je nog moest draaien om te bellen. Een telefoon had toen nog iets magisch. Thuis hadden we er geen, dus als ik mijn lief wilde horen of over mijn lief wilde zagen, moest ik zelf uit mijn kot komen. Bellen vanuit een telefooncel, mijn god, de kwelling. Eerst het huis en alle broeken – ook de stinkende verschrompelde onderin de wasmand – afzoeken naar vijffrankstukken. En dan naar ’t kot stappen, dwars door het dorp, tot vlak naast de kerk. En bidden dat meneer pastoor niet zou passeren. Want die zou het zeker weer gezien hebben, de heiligaard, dat ik niet met ons ma aan het bellen was. Mijn rode oortjes zouden mij verraden. Mijn rug zou weer boekdelen spreken. Want hoe je ook draait of keert in zo’n kot, je staat er in je blootje. Emoties liggen er voor het grijpen. Liefde, woede en wanhoop echoën er luider dan verwacht. En die rijen wachtenden achter je, die staan erbij en kijken ernaar. Schaamteloos.   Neen, dan zijn we vandaag beter af. Met die mobiele toestanden van tegenwoordig hoef je je rode wangen, bezwete rug of bleitmuil tenminste niet meer met Jan en alleman te delen. Je kan rustig een ei pellen met je schoonmoeder terwijl je op de wc zit. Het wachtdeuntje van de aannemer uitkafferen in het tuinhuis. Een telefonisch interview afnemen vanuit een berghut im Schwarzwald, in een rendiertrui. Nog zo makkelijk. Maar willen we die privacy? Neen. We willen gezien en gehoord worden. Gisteren nog, voor mij in de rij aan de kassa: ‘ZEG SCHAT, NEEM JIJ DIE NIEUWE LEREN TAS MEE VAN MICHAEL KORS, ZE LIGT OP ONZE PIANO IN DE HAL, IN DIE WITTE ZAK VAN PRADA.’ ‘Proficiat madam’ wou ik nog zeggen, maar ze zwierde zo wild met heur haar en armen vol blinkende mobiliteit dat ik het maar zo liet. Leren tas. Michael Kors. Piano. Prada. Dat wil wat zeggen. Dat ‘schat’ de voeten vanonder zijn gat mag lopen voor haar. En dat wij stille getuigen mogen, excuseer, moeten zijn van haar succes. Eenzelfde scenario in de trein, de roepplek bij uitstek: ‘JA ’T IS IK. ZEG, IK ZIT OP DIE VAN 21 UUR KWART. JA, DRUK-DRUK-DRUK. ZEG, BEVESTIG JIJ VOOR DAT WEEKEND IN DE DORDOGNE, DAN KIJK IK MORGEN OP DE EUROSTAR WEL NAAR DE PLANNEN VAN DE BADKAMER. EN ZOETJE, WACHT MET DIE PASTA TOT IK THUIS BEN, GE WEET DAT IK MIJN LINGUINE HET LIEFST ZELF DRAAI MET MIJN MACHINE UIT PIEMONTE.’ Word je dan als medereiziger verondersteld spontaan recht te staan en te applaudisseren? Reik je zo’n man de hand en feliciteer je hem met zijn uitermate geslaagde leven? Of word je verondersteld nederig het hoofd te buigen en zwijgend je degradatie naar tweede klasse te aanvaarden, ook al zit je in dezelfde wagon?   Nu ons leven niet meer aan een draad hangt, lopen we ermee te koop. Nu we bevrijd zijn uit onze cellen willen we gezien en gehoord worden. Onze rug moet geen boekdelen spreken, dat doen we zelf wel. Zo luid en duidelijk mogelijk. En wie niet horen wil, krijgt een klets extra intonatie rond zijn oren. Want we hebben iets te bewijzen. En we zijn zo fier. Dus we leven bij de gratie van de ander, op de tonen van 797204.   (Column verschenen in Psychologies magazine - januari 2013)

a little bit of soap
0 1
Tip

1 centimeter breed, 3 millimeter diep

Hij is 1 centimeter breed en 3 millimeter diep. Ik weet het want ik heb ’m bekeken in de spiegel. Langs alle kanten en verschillende keren, om zeker te zijn. Ik wist niet eens dat hij er zat, tot iemand zei: “Je bent ontspannen, je frons is weg.” Toen schoot hij natuurlijk direct weer in een plooi, want ik begreep niet waar ze het over had.   Net als ieder mens met ogen, oren en neuronen heb ik zo nu en dan mijn bedenkingen. Bij de epauletten van sport- en stijlanker Catherine Van Eylen. Bij de foto’s van gepimpt melkschuim op mijn scherm. De meeste van die meninkjes hou ik voor mezelf wegens weinig relevant voor de wereldvrede, maar ze ontsnappen wel eens via mijn voorhoofd, waar ze de leegte tussen mijn wenkbrauwen vullen met geribbelde dikdoenerij. Een teken van inhoud, aldus denkers. ‘Gecrispeerd’, menen anderen. Ik durf dat tegen te spreken. Ze mogen zeggen en dragen wat ze willen, ik loop niet de hele tijd te oordelen met de uitzondering in mijn hoofd en de regel in mijn hand. Eigenlijk ben ik best tolerant. Ik probeer altijd wel te zoeken naar een goede verklaring voor de schoudervullingen van Catherine. Vind ik er geen, dan trek ik mijn schouders op, even hoog als die van haar, en dan bedenk ik dat haar vestimentaire moed toch bewonderenswaardig is. Neen, ik erger me niet vaker of langer dan de gemiddelde kleine zelfstandige met perforatorproblemen aan het einde van een kwartaal. Om dan te zeggen dat ik er godganse dagen als een Klingon bijloop…   Ja dus. Sinds die vrouw haar vinger op mijn frons legde, gaat er geen uur voorbij of ik voel ’m. Achter de computer, voor de televisie, boven de lavabo of bij het likken aan een cornet d’amour. Het moet aangeboren zijn. De bewijzen liggen voor mij op tafel: een vergeelde polaroid uit ’74. Mijn moeder geeft me de fles en ik frons. Waarom? Weet ik veel. Veel viel er toen nog niet te fronsen, of het moest een onderliggende drol zijn die me dwarszat. Maar kaksituaties ga ik tegenwoordig zo veel mogelijk uit de weg, dus het moet iets anders zijn. Iets genetisch. Een verkeerde wrong bij de bevalling. Die Klingon-frons zat er in ’74 al in en die is er nooit meer uitgegaan.   Pas bon pour le moral. De bochten in je gezicht beïnvloeden het zuurstofgehalte in je hersenen en sleuren in een zelfde beweging je humeur mee. Wetenschappers hebben het getest en bevestigd. Open je energiefactuur met een smile – desnoods geforceerd met ‘cheese’ of ‘gin-tonic’ – en je zult het leven en je factuur beter zien zitten. Frons je wenkbrauwen en het is al bij voorbaat om zeep. Dan betaal je een hogere prijs voor zowat alles in dit leven, of zo lijkt het toch.   Van de shiny happy people-club hoef ik geen lidkaart, dank u schoon. Iemand die altijd lacht is verdacht want het leven kan stinken. Maar van die frons, daar moet ik vanaf. ’t Is een kleintje, maar ’t schiet ver door in mijn humeur, onbewust maar zeker. Ziet u mij een dezer met een voorhoofd dat twijfelt tussen glad en geribbeld, neem het dan vooral niet persoonlijk. Er is niets mis met uw epauletten, noch met uw okselgeur of melkschuimsnor. Mijn wenkbrauwen hebben gewoon een eigen wil, maar er wordt aan gewerkt. Ik ga voor glad geluk, al dan niet geforceerd met gin-tonic. (Column verschenen in Psychologies magazine - oktober 2013)

a little bit of soap
44 1

Een raadsel van linkshandigheid

In het eerste leerjaar zag mijn juf, juffrouw Pacquée, dat ik linkshandig ben. Toen ik an, jan, aap en roos leerde schrijven, vroeg ze me of ik het ook eens met mijn rechtse handje wilde proberen. Braaf als ik was (ben), deed ik dat. Al snel werd duidelijk dat dit geen goed idee was. En zo werd ik de enige linkshandige in het eerste leerjaar, een hele tijd geleden, in de dorpsschool van Wuustwezel. Eerlijk gezegd was ik daar ook wel een beetje trots op. Grote mensen, klasgenootjes, mijn grote broer en zus, mijn ouders, eigenlijk zowat iedereen die me zag schrijven, maakte een opmerking, gaande van het neutrale ‘Schrijf jij links?’ tot het wat meer confronterende ‘Schrijf jij altijd zo scheef?’ Maar diep vanbinnen glunderde ik. Want het viel een beetje op. En dat beetje aandacht wil iedereen al wel eens… De opmerkingen bleven komen, de juffen en meesters ook. Zij werden opgevolgd door leraren en leraressen en, tot slot, door profs. En ik bleef linkshandig. Eigenlijk liep een en ander grondig mis toen ik naar de universiteit ging. De uitklapbare bankjes daar zijn zo klein dat ik niet wist hoe mijn blad te leggen om, tegen de klok, notities te nemen. Ik legde mijn blad schuin, schuiner, schuinst tot ik van onder naar boven schreef. Het gevolg is… dat ik nog steeds opmerkingen krijg, en dus ook dat beetje (o zo gegeerde) aandacht. Wie me nu ziet schrijven, vraagt meestal hoe het zover is kunnen komen. Gelukkig moet ik dat nu niet meer vertellen aan ‘mijn’ vierdejaars. Zij lezen het wel, zij het niet vanuit mijn linkse hand, maar tweehandig neergepend op mijn laptop. Kort nadat ik in De Standaard een recensie las van Rik Smits’ Het raadsel van linkshandigheid kocht ik dit boek om eindelijk de geheimen achter linkshandigheid te ontdekken. Ik weet nu veel meer over de manieren waarop verschillende culturen omgaan met alles wat links is, ik ben te weten gekomen dat een kleine minderheid van de wereldbevolking linkshandig is, en ik ben opgelucht te lezen dat er zelfs mensen zijn die twee linkerhanden hebben. En wat ben ik blij te lezen dat linkshandigen niet dom, dwars en onhandig zijnJ Maar wél geniaal en creatief (en een beetje gek). Ook dit laatste blijkt een misvatting. Of je nu links- of rechtshandig bent, maakt niet uit: dit boek moet je zeker eens lezen! Alice, 2 september 2010

Alice
29 0