Lezen

Huwelijk in Toscane

Het had iets magisch. Mattia in een strak kostuum en Patricia in een wit kanten kleed tegen de achtergrond van het barokke interieur van de dorpskerk. Ik zat op mijn vaste plaats in de kerkbank. De jonge pastoor knikte naar me toen hij me allicht herkende als die vrouw die al zo vaak op die plek gezeten had, in – wat hij moest denken – diep gebed verzonken. In werkelijkheid dacht ik aan Hem. Nu ook, ik kon het niet vermijden. In die mix van verdriet om Hem en blijdschap voor Mattia en Patricia, de pure schoonheid van het evenement, liepen er weer tranen over mijn wangen. “Mooi, eh,” zei Sofia, terwijl ze me in haar armen nam, “Ik heb het ook niet droog kunnen houden en Ella en Valentina ook niet. En de jongens, tja, die waren tussendoor over de voetbalmatch van gisterenavond bezig. Nu nog. Zie ze daar staan. Ze hebben zelfs geen oog voor Mattia en Patricia. En ze zien er nog wel zo mooi uit. Prachtig eigenlijk.” Ik zag hoe de jongens inderdaad druk gesticulerend aan het discussiëren waren. Zo leek het toch. Ik zag Giovanno en hoe hij volop meedeed. Hij was een vurige Napelsfan en de rest supporterde voor het dichterbijgelegen Fiorentina. Ze hadden de dag ervoor tegen elkaar gespeeld. Even leek het alsof ook de bruidegom er zich mee bemoeide, maar Mattia’s moeder trok hem weg bij de jongens en duwde hem naast de zwangere Patricia in de zwarte Ferrari 250 GTE 2+2. Met een zwaar gebrom sloeg de motor aan en reden ze samen weg in de oldtimer. Patricia’s jongere broer zat aan het stuur en had een veel te grote zonnebril op. De dames vonden dat hij er sexy uitzag, zo hadden ze hem nog nooit gezien.  “Ja, hij wordt groot.”  “Hij heeft nog maar pas zijn rijbewijs en ze laten hem al met zo’n auto rijden.” “Hij sleutelt al heel zijn jeugd aan oldtimers. Hij kan waarschijnlijk beter met zo’n auto rijden dan jij en ik samen.” “Hij heeft wel overdreven met parfum.” “Ja, eh. Je rook hem vanop vijf meter afstand.” “Dan moeten ze het raampje van de auto maar opendraaien.” Ondertussen was de jonge pastoor in zijn soutane bij de andere jongens gaan staan en hij liet er zich niet onbetuigd. Giovanno maakte zich los uit het groepje en kwam naar me toe gestapt op zijn krukken. “Is er iemand met wie ik kan meerijden straks, met die Fiorentina hooligans wil ik niet in dezelfde auto zitten.” “Ella rijdt. Ze pikt ook Petra op. Kan hij met jou meerijden, Ella?” “Geen probleem. Je zal het wel niet zo erg vinden dat Petra meerijdt, zeker?” “Nee, nee, natuurlijk niet.” “Ik zal tegen Marco zeggen dat hij zich moet inhouden.” “Als je dat wilt doen. Ik kan er ook niet aan doen dat Napels die penalty gekregen heeft.” “En dat was het niet alleen,” riep de pastoor, “De scheidsrechter heeft ook die handsbal niet gefloten en geef toe al die duw- en trekfouten. En die vuile tackle van Di Lorenzo.” “Ik moei er me niet mee,” zei Ella, “Ga je ploegje maar verdedigen.” “Ik ga een koffietje drinken,” zei Giovanno, “Ze kunnen zeggen wat ze willen. We hebben gewonnen en daarmee basta.” Giovanno stak zijn hand op naar de rest. “Ga maar lopen, jongen. Als je het niet kunt halen, moet je gaan lopen.” Valentina fluisterde in het meidengroepje. “Volgens mij wilde hij niets liever dan met jou in dezelfde auto te zitten straks, Petra. Hij wist dat Ella jou zou komen ophalen, wed ik.” “Geen gesmos op de achterbank, hoor, dat wil ik niet,” fluisterde Ella. En iedereen lachte hardop. “Ik ga ook een koffietje drinken,” zei ik. En toen lachten ze nog harder. Het feest zou doorgaan in de tuin van een oom van Patricia. Die had een grote boerderij iets verder in het binnenland. Hij verbouwde druiven en maakte wijn en had zelf aangeboden aan zijn petekind om het feest daar te organiseren. Daar was veel meer plaats dan bij haar ouders. Trouwens haar vader was vennoot daar, zei hij, dus het was ook een beetje zijn terrein. Dan hoefden ze de wijn ook niet allemaal te verhuizen, ze hadden de vaten gewoon bij de hand. Tijdens de kronkelige landweg ernaartoe werden Giovanno en ik op de achterbank voortdurend tegen elkaar geduwd. Ik had op het laatste moment toch nog snel een andere jurk aangetrokken en had het lange lilakleed vervangen door een doorschijnende met goudkleurige pailletten bedekte cocktailjurk van Mac Duggal. De diepe decolleté en de accentuerende taille stonden me goed, vond ik zelf. Hij zou het prachtig gevonden hebben. En ik voelde me op en top een mooie vrouw. Giovanno had me voor ik in de auto stapte van top tot teen bekeken en net niet tussen zijn tanden gefloten. Ik dacht aan Hem. Hij was nooit jaloers geweest, ook niet als andere mannen naar me hadden gekeken of als ik naar een andere man had gekeken. Vreemd eigenlijk, vooral omdat ik wél heel jaloers kon reageren. En dan die affaire met die bankbediende. En toch was Hij altijd naar mij toegekomen. Wat zou Hij van Giovanno gedacht hebben? Zou Hij het erg vinden dat ik een soort van connectie met Giovanno voelde. Niet zo diep als met Hem, maar toch, Giovanno was een goede, zachtaardige jongen en ik wist dat hij iets voelde voor mij en ik voelde me goed bij hem. Ik was nog te onrustig om me echt aan Giovanno te hechten, maar toch, toch. Ik kreeg het warm als ik aan Giovanno dacht of als hij dicht bij me in de buurt was. Misschien was het ook gewoon mijn lichaam dat op hem reageerde en had ik daar zelf eigenlijk niets aan te zeggen. Ik kon het alleen laten gebeuren. En dus danste ik die avond met Giovanno op het feest. Als ik hem voldoende ondersteunde kon hij zijn krukken aan de kant laten staan. Het voelde bijna alsof ik met Hem aan het dansen was. Zocht ik nog te veel naar Hem in plaats van oog te hebben voor Giovanno zelf? Allicht wel, maar toch genoot ik van de momenten in Giovanno’s buurt.  Op de terugweg legde Giovanno in de auto zijn hand op de mijne en ik kneep er zachtjes in toen ik uitstapte, alsof ik hem wilde bedanken voor de mooie avond.  Ella bleef met de auto staan, de motor zacht brommend, om me de kans te geven om in het licht van de koplampen de sleutel in het slot te steken. Toen ik binnen stond en de deur achter me op slot had gedaan, hoorde ik Ella’s auto over de losse stenen op de oprijlaan wegrijden. Ik voelde zijn hand nog op mijn heupen steunen en het onevenwichtig hinken tijdens zijn danspassen alsof we nog aan het dansen waren. Hoe lang zou ik mijn lichaam nog kunnen tegenhouden, vroeg ik mezelf af.

Hans Van Ham
23 0

Nondedju

Nondedju was één van de woorden die Anna vaak hoorde in het rusthuis. Het leek op het ‘nasdrovnje’ uit haar eigen taal, meer dan op het harde ‘gowno’ of het verbaasde ‘jejku’. Nu wandelde Anna met de oude dame van kamer 43 door de gang. Om de vijf passen rolde er een vloek uit de mond van de vrouw. ‘Potdomme’ zei ze. Haar knokkelige vingers knepen in Anna’s arm. ‘Potdomme’ echode Anna. Soms was het omdat ze even struikelden. Of misschien dwaalde er een monster uit een ver verleden door de geest van deze vrouw. De dikke groenige gordijnen aan het einde van de gang waren zo mistroostig dat je rechtsomkeert wou maken. Anna beeldde zich in dat het dametje daarom zoveel vloekte. Anna’s grootmoeder had haar laatste jaren doorgebracht in de schommelstoel van haar huis in Katowice. De familie van Anna had nooit een poging gedaan om grootmoeder na haar middagdut uit die stoel te halen. Hoe zou het zijn als Anna zelf oud was? Zou ze dan liever wandelen of indommelen? ’s Avonds ging ze naar de Nederlandse les. Ze sprak er over haar woning en fantaseerde zich een slaapkamer, een living, goed functionerende verwarming en een mooie badkamer bij elkaar. Na de les ging ze naar haar studio en trok haar slaapbank uit. Om de paar dagen skypete ze met het thuisfront. Als het signaal niet te zwak was, richtte ze de camera op de verste uithoek van haar kamer en begroette ze haar man Pjotr en haar zonen. Daarna at ze havermoutpap. Anderhalf jaar was zo voorbijgegaan. Nog twee maanden en dan zou Anna voor een paar weken terug gaan naar Polen. Ze telde de baden die ze nog zou geven in het rusthuis, de porties fruit die ze zou snijden voor ze haar laarzen in de Poolse sneeuw kon zetten. Ze sliep vredig.Pjotr kon niet in de zo gegeerde bouw werken. Arbeidsongeluk. Hij had altijd een somber temperament gehad. Anna zorgde graag voor hem. Daarom was ze nu in België. Ze zocht promoties bij elkaar op de markt en hoopte dat hij met het uitgespaarde geld genoeg vlees kon kopen. Trots vertelde ze haar medecursisten dat haar zonen naar de universiteit van Warsaw gingen. Haar Belgische collega’s spraken zulk een ingewikkeld taaltje. Anna had het opgegeven om contact te zoeken. Op haar geforceerde lach als er iets op de grond viel, kreeg ze weinig respons. Tijdens de pauze ging ze vijf minuten vroeger naar boven en haalde de vloekende vrouw uit bed. Ze voelde de sterke greep om haar arm en dacht dat ze iets goeds deed, ondanks het rauwe ‘Miljaar’. Het vloeken stopte toen de oude dame stierf. Anna haalde haar kleren uit de kast. De zoon van de vrouw zat treurig naast het lege bed. Hij vroeg Anna of zij voor zijn moeder had gezorgd. Nadat hij het nog een keer had herhaald, zei Anna 'ja' en ‘nondedomme’ met de stem van de oude vrouw. De man glimlachte. Hij wilde weten hoe lang Anna al in België was en of ze kinderen had. Ze toonde trots een paar foto’s. Haar zonen speelden in de sneeuw met de hond. Op de achtergrond verzamelde Pjotr wat hout voor het haardvuur. ‘Ze wonen in Warsaw’, zei Anna. ‘Ben je hier alleen?’, vroeg de zoon van de oude dame. Ze deed alsof ze hem niet begreep. Anna zag hem terug in de supermarkt, hij woonde blijkbaar bij haar in de buurt. Ze wist dat hij ook kinderen had. Waarom vulde hij zijn winkelwagen dan met eenpersoonsmaaltijden? Bij de kassa glimlachten ze wel eens wanneer ze allebei ‘moussaka’ hadden gekozen. Promoties. Op een avond wees hij een grotere portie aan in de koelkast van de supermarkt. Dan wees hij naar haar. Samen eten? Dat had ze al lang niet meer gedaan. Ze wimpelde het af, lachte verontschuldigend, kneep haar ogen half dicht. Nadien had ze er spijt van. Hij had er vast niks mee bedoeld. De week erop wees ze zelf naar de familieportie vogelnesten. Ze spraken af bij hem thuis. Ze was blij toen ze het oude dametje terugzag aan de muur. Ze bladerden door zijn fotoalbums. Anna lachte om de foto’s uit zijn kindertijd en nam een extra glas wijn. Ze kon zich een beeld vormen van de krachtige vrouw die het einde van haar leven aan haar arm had doorgebracht. Ze schrok toen hij diezelfde arm vastgreep. Die mengeling van aantrekking en schuldgevoel was nieuw voor haar. Het hield haar uit haar slaap. Ze schaamde zich diep toen ze met Pjotr skypete. Hij vroeg of er wat scheelde. Nee, hoezo? In de supermarkt dacht ze dat de zoon van het dametje uit de volgende rayon zou komen. Ze wist niet of ze ernaar uitkeek. ‘Pools eten, bij mij thuis?’ Hij was blij om haar terug te zien, daar in de diepvriesafdeling. Ze nam ingrediënten mee en maakte iets klaar in haar studio. Ze lachten, dronken nog wat. En dan nam hij weer haar arm vast. De nacht was kort.Twee dagen erop vertrok ze naar Katowice, een maand later was ze nog altijd niet terug. De lerares Nederlands vroeg zich af waarom die ijverige Anna had afgehaakt.

Pons
10 1

Sociale Appartementen

                     Hier vindt je een boekentoren,                 waar een grijze bibliothecaris uitkijkt                over chaotische stof- en boekenlagen.              En als je hem zou vragen naar het boek dat je zoekt,                     dan antwoord hij steeds laconiek;                           ‘Je vindt het antwoord hier’                         En wijst hij naar de boeken,                                       ‘ergens’                           Als je dan zelf op zoek gaat, dan vindt je de nieuwste bestsellers en vintage klassiekers als:                    -VDAB voor gevorderden                   -Taalbad voor twee- en drietaligen                   -De brug naar team-pensioneren                    -1 A voor het leven: ACV, ACLVB of ABVV?                     -Van couscous naar bokes en terug                          -Het onbegrijpbare begrijpen en andere levenswijsheden.                   -Gas geven met zijwieltjes: moeilijk te been                    -1,2,3 Tolk: Ja pa, ik zal je brief vertalen                                      -Wandelschoenen: een aanvulling op mantelzorg                   -Mooi weer vandaag en Wat was er gisteren op TV?                   -Op reis bij de buren, Ghana pagina 31                    -Op een harley door het zorglandschap                   -Synthetisch rekenen: 3 kinderen met 1 loon                   -De ommekeer: het glas halfvol, de portefeuille halfleeg                        -Een dipje? pillen of een wipje?                   -Van SAAMO naar het WGC & LDC: omgaan met afkortingen                   -Geloof: zingeving in tijden van onzin?                                                      'Wat wil jij schrijven?'

Lightlives
6 2

Een gedacht over A.I.

Iemand zei ergens dat in 2027 artificiële intelligentie beter zou zijn dan de mens op elk terrein. Dat zal dan gaan van literatuur, poëzie, scriptwriting, programmeren, planning, auto’s besturen, websites maken, wiskunde en wetenschap, grafisch ontwerp, tot lesgeven, om maar een beperkte opsomming te geven. Ik vermoed dat het niet eens overschatting is. Het gaat ontzettend hard nu. Ik herinner me dat huisgenoot Alex me aan de toog van Hotel Columbo de eerste probeersels toonde van door een LLM aangevulde tekst. Dat was ongeveer drie jaar geleden, had zijn beperkingen, maar was toch al spectaculair. Het deed me toen al denken aan een uitspraak die ik ooit las in de psychoanalyse, misschien een vage kritiek op Descartes’ Je pense donc je suis. ’t Kwam erop neer dat je niet kan zeggen: “Ik denk”, maar dat een juistere formulering is: “Ik word gedacht”. De idee is dat je als mens vanaf je geboorte wordt ondergedompeld in de taal, alle eerste woordjes en zinsneden van je ouders, leerkrachten, de voltallige kennis die je vergaart, komen in de vorm van taal naar je toe. Die taal kan je gebruiken om je mening te vertolken, waarbij je onvermijdelijk de dingen gaat napraten die je elders hoorde, of er een persoonlijke synthese van maakt. Maar in hoeverre is die synthese een mening van jou? Misschien is het net de combinatie van in je leven gehoorde feiten en opinies die jouw persoonlijkheid bepalen. Uiteindelijk zijn wij allemaal automaatjes die een hoop input over ons heen krijgen die ons vormt, waarna we zelf een van de megafoontjes worden die de boodschap verder verspreiden. Ik had het geluk het nogal gemakkelijk te merken bij een familielid, die altijd tamelijk letterlijk napraatte wat ze van anderen had gehoord, daarmede een soort evidentie en waarheid aan haar opinie gevend. Het is de meest eenvoudige vorm van het systeem in werking, maar of je nu letterlijk dingen papegaait (zoals betogers graag doen), of er een complex proces aan te pas komt waarbij tegenstrijdige meningen aan de hand van alweer andere principes of opinies tegenover elkaar worden afgewogen en ofwel de beste gekozen wordt, ofwel een nieuw compromis tot stand komt, het is een proces dat buiten onze wil gebeurt. Wij zijn de papegaaitjes, de hardware waarop de software van de taal zijn gang gaat. In de relativeringen die ik vaak hoor over de mogelijkheden van A.I. zit altijd de als vanzelfsprekend genomen evidentie dat er bepaalde dingen zijn aan het menselijke intellect (creativiteit, gevoelens, bewustzijn, ...) die een kunstmatige intelligentie nooit zal kunnen imiteren, laat staan zelf bereiken. Ik gebruik hierboven met opzet ‘vanzelfsprekend’, want ook de aangenomen superioriteit van de menselijke geest is precies zo een opvatting die we meegekregen hebben vanuit onze talig geconstrueerde cultuur, iets dat ‘in ons spreekt’ zonder dat wij het zelf bedacht hebben. En het zit diep, ook bij harde wetenschappers zit onbewust nog die substroom van eeuwen geleden. Tegen beter weten in zit ook in hun wereldbeeld een spoor van het Cartesiaanse dualisme, de idee van een bewustzijn dat losstaat van het materialisme, het geloof in een Götterfunk, een ziel. Mij lijkt het menselijk bewustzijn niet meer dan een emergent fenomeen, een optelsom van onze behoeftes en instincten als biologisch wezen, bespeeld door de constante interactie met alle talige informatie om ons heen. En laat nu net een LLM dat doen, de miljoenen en miljarden beschikbare producten van taal, zowel gesproken als geschreven, door zich heen laten vloeien en er nieuwe combinaties mee maken, in interactie met menselijke gebruikers. Ik durf vermoeden dat het grootste onderscheid tussen mens en machine is dat de computermodellen geen levensnoodzakelijke behoeftes hebben, zoals een baby die bijvoorbeeld wel heeft, de afhankelijkheidsrelatie waardoor die gedwongen is door dat middel van de taal steeds in contact te treden met de buitenwereld. Spectaculair zou het echter kunnen worden wanneer je een A.I.-systeem voor zijn elektriciteitsvoorziening en rekenkracht afhankelijk maakt van hetgeen hij produceert. Maar goed, dat is speculatie. In essentie komt het hierop neer. De reden waarom we échte creativiteit en - nog een stap verder - zelfbewustzijn, nooit verwachten van artificiële intelligentie, is niét omdat we de mogelijkheden van A.I. onderschatten. Het is omdat we het bijzondere van die kwaliteiten bij de mens overschatten. De twee zitten echter veel dichter bij elkaar dan we denken en de kans is groot dat we een stuk sneller dan verwacht ook op de terreinen waar we ons zo uniek, spiritueel en superieur voelen, onze gelijke zullen moeten erkennen.

Pvw
20 0

Met de lautra

“Waarom ga je niet een keer mee?” vroeg Patricia, “Het is best leuk om de jongens bezig te zien. En je hoeft zelf niets te doen. Gewoon op het dek liggen in de zon, dat is alles. Zo lang ik weet, hebben ze ook nog nooit iets gevangen. Het is eigenlijk gewoon een uitje met de boot op zee.” Ik aarzelde, maar stond die zondag toch om half vijf ’s morgens op en doorbrak daarmee de routine die ik zo lang had aangehouden. Mattia was al op en had koffie gezet. Hij liep constant heen en weer met zijn klein kopje espresso in de hand en keek om de haverklap op zijn horloge. Om vijf uur stipt reden er drie auto’s voor. In kolonne reden ze richting het zuiden naar een oom van Marco. De Marco die samen was met Ella. Die oom had een boot waarmee je op zwaardvis kon vissen. Roman en Gianni waren er niet bij en ook Stefano en de andere Marco niet, die kreeg je zo vroeg nooit uit hun bed, lachten de anderen. Mattia zat bij Nadia, Enzo en Giovanno in de auto. Ik bij Patricia, Ella en Marco, in de derde en kleinste auto, een Fiatje, zat de rest, Sofia, Gino en Valentina, geprangd. Ella was de enige vrouw aan het stuur. “Het zal wel zijn, dat Marco met de auto van mijn ouders mag rijden. Dat zie je van hier. Hij rijdt veel te gevaarlijk.” “Ik rij niet gevaarlijk, ik rij assertief. Jij bent veel te braaf achter het stuur.” “Het is de auto van mijn ouders. Mijn vader zou het besterven als er iets mee zou gebeuren, zelfs als er nog maar een krasje zou bijkomen. Hij laat me telkens beloven dat jij er niet mee zal rijden. Zegt dat niet genoeg?” “Ach, wat. Rij jij maar dan, ik zorg voor de muziek.” “Goed, maar niet te luid. Jij zet de muziek altijd veel te luid.” “Is dit te luid, Petra? Vind je dit te luid?” “Laat Petra gerust, Marco.” “Mag ik dan tenminste het laatste stukje rijden. Als mijn oom ziet dat ik weer niet mag sturen, lacht hij me weer uit.” “Dat kan mij niet schelen.” “Komaan, Ella. Alsjeblief. Ik zal heel voorzichtig zijn.” “We zullen zien.” Na anderhalf uur rijden, stopte de kolonne aan een wegrestaurant voor een snelle espresso en een koffiekoek. Daarna was het nog een uurtje rijden. Iets voor acht parkeerden ze de auto’s op de kade. Marco had niet mogen rijden, en inderdaad, dat had zijn oom gezien. En of hij er iets van zei tegen Marco. De eerste uren van de voormiddag op de boot moest hij het voortdurend horen. Marco probeerde om er zelf mee te lachen, maar op den duur kon er alleen nog maar een trekje van zijn mond vanaf. Ik had een normale boot verwacht en vislijnen, maar niets was minder waar. De boot was een grote lautra, met een erg hoge mast waarin afwisselend één van de jongens klom om uit te kijken of er ergens een schaduw in het water bewoog. Om het uur wisselde ook de harpoen van handen. Marco’s oom bestuurde de boot en de dames lagen inderdaad gewoon te zonnen op het dek. Om elf uur ’s morgens werd de eerste fles rode wijn ontstopt. Om acht uur ’s avonds voeren ze terug binnen, zonder iets gevangen te hebben. Met mijn zomerhoed op en zonnebril had ik vooral naar de horizon gekeken en in mijn nieuwe boek gelezen. “Natuurlijk hebben we niks gevangen,” zei Patricia, “We vangen nooit iets.” Drie keer was er toch animo geweest op het dek onder de jongens en had er zich iemand met de speer op de loopplank begeven. De eerste keer was het vals alarm en was het een haai die de man op de mast gespot had, de tweede keer was het wel degelijk een zwaardvis, maar was die te klein om op te vissen, de derde keer was een andere lautra hen te snel afgeweest. “Niet erg,” zei de oom van Marco, “Dat is de boot van Luciano. Die kan het geld goed gebruiken, die moet de lening van zijn boot nog verder afbetalen. Woensdag heb ik nog een hele grote gevangen samen met mijn schoonbroers. Die was vier meter. Die Luciano gevangen heeft, is veel kleiner. En trouwens, jongens, hij had hem ook eerst gezien. Eerlijk is eerlijk.” Ook al complementeerden de jongens Luciano op de kade met zijn ‘mooie’ vangst, toch zag je de teleurstelling in hun ogen. De zwaardvis die daar op het droge lag op een blauw dekzeil had de hunne kunnen zijn. Ze dronken samen met Marco’s oom nog een grappa om de dag af te sluiten. Ze bedankten hem uitvoerig dat ze mee op zijn boot hadden gemogen en kropen terug in hun auto’s. Even was er onenigheid tussen Ella en Marco over wie mocht rijden, maar Ella was onverbiddelijk. Marco’s oom glimlachte en trok zijn schouders op waaruit ik meende op te maken dat het hem eigenlijk helemaal niets kon schelen. Hij stapte op Luciano af en keerde hen zijn rug toe nog voor het duidelijk was dat Ella het pleit zou winnen. Op de terugweg werd er duidelijk minder gesproken. Ze stopten aan hetzelfde wegrestaurant voor een koffie en ik viel op de schouder van Giovanno in slaap tijdens het laatste half uurtje van de autorit. Giovanno had met Patricia gewisseld van auto, omdat, zo vermoedde ik, Patricia in Mattia’s buurt wou zijn.  Het voelde goed om ongedwongen dicht tegen Giovanno aan te liggen. Het was zo lang geleden dat ik iemands nabijheid gevoeld had. Ik koesterde het moment nog steeds toen ik pas na middernacht in mijn bed lag. 

Hans Van Ham
30 0